Doodgaan voor dummies

Date 17 oktober 2014

‘Sterven is niet erg,’ zei mijn Wijze Tante vaak om aan het eind van haar leven heel rustig met een glimlach heen te gaan. Met haar honderd levensjaren had ze al het eeuwige leven voordat ze doodging. Toch sterft niet iedereen zo vredig en gemakkelijk als zij. Dat komt misschien ook omdat we er zo’n probleem van maken. We houden er niet van om dingen niet te weten, zeker als het gaat om onszelf, om sterven en dood. Vroeger dacht ik dat een levensverzekering me van sterven zou vrijwaren, maar dat bleek een verkooptruc te zijn. De laatste tijd denk ik vaker dan anders aan sterven en de dood. Als romanticus doe ik dat graag trouwens. Alsof dat het enige belangrijke in het leven is. Gisternacht droomde ik er zelfs van: een paar dagen later zou ik doodgeschoten worden door een terrorist of zo, ik verstopte me op kamertjes maar wist tegelijk dat dit niet zou helpen. Ik bekeek mijn lichaam en vond het raar dat het over een paar dagen niet meer zou bestaan. De sfeer van de droom is me de hele dag bijgebleven, gepaard met een diep narcistisch verdriet.

Niemand is bang voor de dood. Althans in woord en geschrift heb ik van weinigen vernomen dat ze er bang voor zijn. Dat is not done. Zeker in spirituele kringen moet je je huiswerk overdoen als je het moeilijk hebt met sterven en dood. De meesten menen dat sterven iets is als een overstap in een ander voertuig, en dat het er alleen om gaat de goede aansluiting te hebben zodat ze niet tegen de kont van een wegrijdende bus of trein aankijken. Hun leven bestaat uit het bestuderen van dienstregelingen in religieuze en esoterische boeken, en het leren hoe ze moeten uitchecken als het moment daar is. Ik vraag me dan altijd af wat de reis in die volgende bus of trein nu zo bijzonder, zo anders maakt. Want hoeveel maagdelijke knullen er ook voor je klaarstaan en klaarkomen, en hoeveel drank en drugs je ook in het paradijs mag gebruiken: op gegeven moment moet dat gaan vervelen. Dat hiernamaals moet echt een foutje van God geweest zijn. Stom van hem. Vergissen is kennelijk ook goddelijk.

Andere spirituelen – maar ook gewone mensen – zeggen niet bang voor de dood te zijn omdat die er alleen maar is als ze er zelf niet meer zijn. Probleem opgelost. Mijn vader dacht er ook zo over. Klinkt plausibel, ware het niet dat je – net zoals je niet zeker weet dat je het sterven wel zult overleven – niet zeker weet dat je het niet zult overleven. Kort samengevat: het is allemaal hupsafladder onder de noemer geloof, ofwel iets niet uit eigen ervaring weten. Niemand is ooit teruggekomen van de andere kant, dus we kunnen er niets over zeggen. En waarom zouden we degenen die wel teruggekomen zijn van gene zijde, zoals mensen met bijna-doodervaringen waarover Pim van Lommel vertelt, wel moeten geloven? Of de spiritisten, die contact onderhouden met overleden familie en vrienden? Allemaal geen eigen ervaring. Geloof. Zelfs de zekerheid dat ik geboren ben is maar een geloof dat me aangepraat is, want ik herinner me er niks van.

Maar nu ga ik toch weer eens moeilijk zitten doen – dat zit kennelijk in mijn aard. Ik bedoel: wat bedoel ik eigenlijk met eigen ervaring? Want alle herinneringen zijn vals, al was het alleen maar omdat ik ze altijd vanuit mijn huidige context bekijk. Kan ik me bijvoorbeeld nog echt voorstellen dat er een wereld was zonder internet? Alleen al het feit dat ik in mijn voorstelling het internet mis, zegt al genoeg. Wat was de wereld toen stil en rustig. Ja, dat vind ik nu, maar in de jaren zestig was ik me daar niet van bewust. Wie zegt me dat ik meegemaakt heb wat ik denk meegemaakt te hebben? Het enige dat er overblijft is het hier en nu, en mijn eigen bewustzijn daarvan, en al het overige is speculatie. Dat is mijn enige zekerheid, de enige echte ervaring. Zelfs als ik me vorige levens herinner kan dat illusie zijn, zelfs als ik na een bijna-doodervaring me de fantastische dingen herinner kan dat een fata morgana zijn, opgewekt in een korte flitsdroom waarin de tijd uitgerekt was. Het bewijst niets allemaal.

Sterven blijft een mysterie. Het enige dat ik erover kan zeggen is dat ik hoop het bewust mee te zullen maken, wellicht met woorden uit het Tibetaanse Dodenboek in mijn oren gefluisterd. Als over iemand na zijn overlijden gezegd wordt dat hij er gelukkig weinig van heeft gemerkt, zet ik daar grote vraagtekens bij. Wakker blijven tot je laatste snik als het even kan. Zo simpel is het. Maar in mijn droom was het best moeilijk om afscheid te nemen van mijn lichaam, alsof ik geofferd zou worden aan het bestaan, en ik was er diep verdrietig over dat dit moest gebeuren. En wat dat laatste betreft was deze droom geen bedrog, en heeft ze me wakker geschud voor de enige zekerheid die er bestaat, die van het sterven. Wat dat dan ook is.

  • Facebook
  • Twitter
  • NuJIJ
  • Print
  • PDF
  • Add to favorites

Voor wat hoort wat

Date 12 oktober 2014

‘Maar we hadden toch om deze tijd afgesproken?’ vroeg ik als jongetje voor het huis van mijn grootvader op de Minervalaan toen mijn ouders nog op de stoep heen en weer bleven drentelen. ‘Maar je moet de gastvrouw wat extra tijd geven om zich op te maken,’ legde mijn moeder uit. Ik snapte dat niet. Moest tante – ze was de tweede vrouw van mijn grootvader – dan niet op tijd zijn voor het ontvangen van ons, haar gasten? Het was een van de eerste keren dat ik geconfronteerd werd met beleefdheid, goede manieren. maar deep down heb ik er nooit echt in geloofd. Alleen al bij de gedachte aan nette pakken en stropdassen krijg ik het spuugbenauwd.

Onlangs heb ik Maria weer eens opgezocht in Dordrecht. Ouderwets bomen tot diep in de nacht. Veel herinneringen uit de bonte jaren zestig en zeventig. Een maf amateuristisch speelfilmpje die ik met haar en haar partner opnam op een zolder in Rotterdam-Zuid weer eens bekeken. Zij bekende me dat ze in die tijd soms wat bang voor me was, omdat ik nogal direct de waarheid kon zeggen. Toegegeven: ooit heb ik een kerstviering in de Laurenskerk verpest door steeds te vloeken op al die onzin. Ben ik in de loop der jaren mijn wilde jaren verloren? Maar toch stond ik er niet bekend om vaak naar de kapper te gaan.

Beleefdheid is nooit mijn sterkste kant geweest. Dat zit gewoon niet in mijn jaren 60-genen. Daar moet ik altijd heel bewust mijn best voor doen. Want ik mag anderen niet in verlegenheid brengen en zo. We moeten het tenslotte gezellig houden. Ja, mijn moeder was heel trots op me toen ik eens in de tram met een gracieus gebaar voor iemand opstond, maar dat begreep ik weer niet omdat ik het gewoon spontaan deed. En dat is altijd de crux voor me geweest. Vaak vind ik het leuk om gewoon aardig voor anderen te zijn. Maar dat moet spontaan gebeuren, echt zijn, want anders is het allemaal hypocrisie.

Vriend heeft me in de jaren negentig het boek Hoe hoort het eigenlijk? van Amy Groskamp-ten Have gegeven. Best leuk om te lezen hoe alles eigenlijk hoort, en ik bewaar het zorgvuldig, maar het is wel een cursus politiek bedrijven. Natuurlijk gaat het niet aan om in een restaurant boeren te laten en zo. Maar dat neemt niet weg dat het te vaak betekent dat je voldoet aan de verwachtingen van anderen, een soort Catch-22 waarin iedereen elkaar gevangen houdt zodat iedereen zich netjes kleedt en gedraagt om de ander te behagen, en vraag niet wie van beide partijen dat eigenlijk diep in zijn hart leuk vindt.

Als iemand je vraagt hoe het met je gaat hoor je, zoals ik recentelijk ontdekte, daarna ook te vragen hoe het met die ander gaat – iets dat je bij sommige mensen maar beter uit je hoofd kan laten. Als je bij anderen gaat eten word je geacht om de gastheer en -dame later zelf ook voor het eten uit te nodigen. Heb ik niet vaak gedaan, omdat ook in mijn naïviteit geloofde dat die anderen het gewoon leuk vonden om me uit te nodigen, zonder er iets voor terug te willen hebben. En soms wil ik zelf anderen iets geven, maar vinden ze het moeilijk aan te nemen omdat ze zich dan verplicht voelen. Zucht…

Eens per maand komt Sybert bij me op de thee. Muntthee. Dat vind ik gewoon leuk. En op een koude winteravond gaan Vriend en ik bij hem en Marianne eten, om daarna bij de open haard te genieten van een goed glas. Port bijvoorbeeld. Dat komt uit onszelf. Niet omdat het zo hoort en we een winst- en verliesrekening bijhouden van wederzijdse giften en ontvangsten. Maar gewoon omdat we ervan genieten. Onder echte vrienden bestaat geen voor wat hoort wat. Zo kan Hoe hoort het eigenlijk? in één regel worden samengevat: Zoek jezelf broeders, vind jezelf, wees en blijf alleen jezelf! Zo hoort het eigenlijk!

  • Facebook
  • Twitter
  • NuJIJ
  • Print
  • PDF
  • Add to favorites

De getuige

Date 5 oktober 2014

Daar kan ik nou een hele poos naar kijken: het inmiddels tot nationaal monument verheven zebrapad op Abbey Road, gezien door de webcam die bij de gelijknamige studio is opgehangen en dag en nacht laat zien wat daar gebeurt. En regelmatig zie je dan mensen die zich op dat zebrapad laten fotograferen, bij voorkeur in een groepje van vier mensen die met wijde passen de straat oversteken, zoals op de hoes van de in september 1969 verschenen elfde lp Abbey Road van The Beatles. Grappig, hoe 45 jaar later zes witte rechthoeken op de weg en twee knipperbollen beroemd zijn geworden. Het lijkt een beetje op een bedevaartplek. Het laat zien hoe belangrijk iets schijnbaar onbelangrijks kan worden. En ik maar spieden door die webcam naar dat zebrapad, waar eigenlijk niet veel bijzonders gebeurt. Het verkeer gaat gewoon door, dag in, dag uit, nacht in, nacht uit.

Misschien is dat het juist wat het zo boeiend maakt: het bijzondere van het triviale, het belangrijke van het alledaagse, het mooie van het onbeduidende waar je meestal niet op let. Zoals ook in het dagelijks leven: een langzaam glijdende slak, een vogel die roept in de nacht, een dood insectje of andere zogenaamde onbelangrijkheden. Die bij bijvoorbeeld ook te zien in het werk van Pannekoek, waarvan etsen zijn ingeplakt in Veertien etsen van Frans Lodewijk Pannekoek voor arbeiders verklaard van – in 1967 nog – Gerard Kornelis van het Reve. De eerste zin van dit korte verhaal vind ik prachtige proza, en ik ben dan ook heel zuinig op de eerste druk die ik kort na verschijnen met Sinterklaas van mijn ouders kreeg. Juist omdat we maar al te vaak menen dat alleen grootse dingen en gebeurtenissen belangrijk zijn, maakt het zo urgent om aandacht aan kleine dingen te geven.

Eigenlijk is er geen verschil tussen groot en klein. Ik kan me klein voelen onder een ontzagwekkende sterrenhemel, maar als ik mezelf onder de microscoop leg blijken er ook immense oneindig diepe fantastische werelden in mezelf te zijn. Oneindigheid strekt zich niet alleen in de kosmos uit, maar gaat ook in de diepte in, zodat niet alleen ik zelf maar alles wat er is oneindig grote sterrenstelsels met alles erop er eraan in zich herbergt. Dat is een wonder om getuige van te zijn, een van de wonderen van het alledaagse die ik maar al te vaak al te graag van de daken heb geroepen. Dan voel ik me een beetje als Hermes die de Smaragden Tafel schrijft: ‘Het is waar, zonder leugen, zeker en zeer waar. Wat lager is, is zoals wat hoger is.’ Ik mis wel enthousiaste uitroeptekens in de tekst, maar ik weet niet of die in het Arabisch bestaan.

Getuige zijn. Vaak was ik dat graag bij huwelijken van vrienden. En ook was ik jaloers op de discipelen van Jezus die, bevlogen van het wonder, de wereld introkken om overal te vertellen over de echtheid van wat ze gezien hadden. Ja, ik heb vaak een apostel willen zijn! En dat voel ik me eigenlijk nog steeds, een verhalenverteller die van zijn ervaringen wil getuigen, alsof dat het doel van het leven is. Wellicht mijn belangrijkste en laatste identificatie met een rol die uiteindelijk ook losgelaten zal worden. Want ook daarvan kan ik een stille getuige blijven. Wat alleen maar lukt als ik ophoud met zelf iets te doen, iets waar Osho continu op wijst. Meditatie is niets anders dan pure waarneming. Open en zonder oordelen, zodat je niets anders dan de waarheid kunt zien. Zodat je, net als Reve in De Avonden, kan besluiten met ‘Het is gezien, het is niet onopgemerkt gebleven.’ Dat is liefde.

  • Facebook
  • Twitter
  • NuJIJ
  • Print
  • PDF
  • Add to favorites

Non-lokaliteit

Date 30 september 2014

Soms vraag ik me af of anderen dat ook kennen. Dat rare gevoel van tja… van wat met een mooi woord non-lokaliteit wordt genoemd. Vooral met muziek. Ik kom nu op dit onderwerp omdat ik laatst weer eens The Beatles hoorde en nu het nummer Maxwell’s silver hammer in mijn hoofd speelt. Een heerlijk grappig lied waardoor ik me vroeger vaak prettig gekieteld voelde, maar dat kwam ook door de hasj die ik blowde op de zitzak in Pims halfduistere studentenkamer. Het voelde alsof The Beatles zelf in mijn hoofd zaten te spelen. In dat nummer komt ook ergens een bijna onhoorbaar gniffellachje van Paul voor dat een kriebelend genotsgolfje door mijn lijf deed tintelen. Het lied ging natuurlijk nergens over, maar dat maakte het des te leuker zodat ik het ook zelf graag zong onder het plukken van de akkoorden op mijn gitaar.

Maar het was ook wel wat raar en eng omdat mijn hoofd zo leeg aanvoelde. The Beatles in mijn hoofd in plaats van hersenen – niet in de geluidsboxen waar ze eigenlijk thuishoorden en waaruit ze kennelijk stiekem wisten te ontsnappen om zich onder mijn schedeldak te nestelen. Waarbij ik wel eerlijk moet zeggen dat ik mee nooit echt heb kunnen voorstellen dat er hersenen in mijn hoofd zitten, daarvoor is naast mijn gedachten, ideeën, fantasieën, beelden en muziek echt geen plek meer. Als ze ooit zouden ontdekken dat mijn hoofd écht leeg is zou me dat niet verwonderen. Ik ben een leeghoofd, maar hersenwetenschappers zullen ongetwijfeld zeggen dat dit een illusie is, hoewel er tussen alle elementaire deeltjes van mijn grijze massa wel enorm veel leegte is waarin zich nog van alles kan afspelen. Bewustzijn bevoorbeeld.

Meestal blijven The Beatles netjes alleen in de geluidboxen zitten. En soms, als ze door een koptelefoon of dopjes in mijn oren zingen, zitten ze alleen in mijn hoofd. Mijn vader vertelde me ooit dat hij het een griezelige ervaring vond om muziek door een stereo-koptelefoon te beluisteren – hij was met mono opgegroeid en moest überhaupt weinig van stereo hebben. De ervaring van non-lokaliteit heb ik dus alleen als de muziek echt van buiten komt, zoals bij geluidsboxen of een orkest dat speelt. En dat buiten is dan tegelijk binnen! Misschien is dit wel letterlijk bewustzijnsverruiming waarmee dat als een veelarmig dier naar buiten vlamt en de bron van de muziek omstrengelt. Bewustzijn als een Octopus’s garden, zoiets.

Wanneer ik in gedachten beelden zie of dingen hoor, of gewoon iets aan het denken ben, voelt dat voor mij heel reëel aan. Pas als ik de binnenwereld niet meer kan onderscheiden van de buitenwereld is er iets beangstigends aan de gang. In een halve slaap hoor ik wel eens de deurbel rinkelen, maar ik weet dan al snel dat dit en hallucinatie is. Gelukkig maar. Het bespaart veel kosten van psychiaters en hun enge medicijnen als ik de binnen- en buitenwereld een beetje uit elkaar weet te houden. Maar het zijn juist dit soort ervaringen, ontsproten aan een simpel knus liedje van The Beatles, die me de overtuiging hebben gegeven dat de werkelijkheid heel anders in elkaar zit dan we meestal vermoeden.

Sommige ervaringen, zoals ik ze ook heb bij klassieke concerten, zijn dus voor mij moeilijk te lokaliseren. Dat ze niet óf hier óf daar zijn, maar hier én daar tegelijk. Een magisch Come together, dwars door de ruimte heen. Maar dat is niet te snappen, want volgens ons logische denken hoort alles een eigen plekje te hebben. Stel je voor: als alles overal is wordt het toch een rotzooitje? En dan heb ik het er nog niet eens over dat ik soms het gevoel heb dat zoiets ook voor de tijd geldt, dat alles tegelijk gebeurt. Dan blijft er alleen chaos over, dus is het soms toch wel praktisch om mezelf wijs te maken dat er alleen maar een hier en nu is, een benauwend klein partje van de totale werkelijkheid.

  • Facebook
  • Twitter
  • NuJIJ
  • Print
  • PDF
  • Add to favorites

Gratis geld

Date 24 september 2014

Wat een onzin! Als je arme mensen gratis geld geeft worden ze lui, gaan ze aan de drank en de drugs, lanterfanten, voor de tv hangen, en nemen criminaliteit, schulden en verloedering alleen maar toe. En wie moet dat allemaal betalen? Rutger Bregman haalt dit allemaal vlijmscherp onderuit in zijn recente boek Gratis geld voor iedereen, de eerste uitgave van De Correspondent. Want die arme mensen gáán helemaal niet aan de drank en de drugs en maken van hun leven géén puinhoop als je ze gratis geld geeft. Integendeel, ze gaan er juist op vooruit, tonen initiatieven, gaan zich scheren, durven te ondernemen en doen vrijwilligerswerk. En het kóst helemaal geen geld omdat al dat gratis geld ruimschoots wordt gecompenseerd door lagere kosten van uitkeringen, zorg, subsidies, controle, opvang en wat niet al om de minst bedeelden te helpen. Talrijke experimenten hebben aangetoond dat iedereen er alleen maar beter op wordt als je iedereen een basisinkomen geeft, ongeacht zijn of haar eigen financiële situatie. Maar toch kiezen we niet voor deze win-winoplossing. Voor die keuze zijn geen rationele argumenten, zodat die eerder iets zegt over ons arbeidsethos en de stigmatisering van mensen aan de onderkant van onze samenleving.

Dat arbeidsethos – er bestaat zelfs een Partij voor de Arbeid – gaat de samenleving de nek omdraaien. Wie niet werkt zal niet eten, heet het dan. Maar waarom eigenlijk? Want eigenlijk zeg je daarmee: wie niet werkt zal niet leven. En wat is werk? De wereld gaat aan vlijt ten onder. In een tijd waarin robots en computers steeds meer werk van ons overnemen hebben we nog steeds een droom van volledige werkgelegenheid. Alsof al die hardwerkende Nederlanders, die maar al te graag in een slachtofferrol duiken, zo’n heerlijk leven hebben! Thuis gekomen zakken ze achter de tv en gaan ze aan de drank. En hebben ze, uitgeblust als ze zijn, nog maar weinig energie en aandacht voor partner, kinderen en hond, en hebben ze geen fut meer om een artikel te lezen dat meer dan vijfhonderd woorden omvat, want Facebook en Twitter vragen al het uiterste van hun uitgebluste geest. Precies hetzelfde leven als wat ze de onderkant van de samenleving verwijten, zij het dan in nette pakjes in mooie auto’s en in een keurig huis. En dat allemaal omdat een of andere idioot heeft bedacht dat economie moet groeien. Zelfs bomen en mensen houden daar op een gegeven moment mee op, dus zo natuurlijk is dat niet.

Bregman vindt dan ook dat we eigenlijk naar een vijftienurige werkweek toe moeten, zodat mensen eindelijk weer eens fris en uitgeslapen dingen gaan doen die er écht toe doen. Was dat niet een utopie van vroeger, toen de meeste mensen nog, zoals Bregman dat herhaaldelijk noemt, ‘arm, hongerig, bang, vies, dom, ziek en lelijk’ waren? We droomden er toch van dat machines ons werk zouden overnemen? En nu kan dat, maar doen we het toch niet! Is ons arbeidsethos dan zo sterk? Welnee, dat wordt ons alleen maar op de mouw gespeld opdat we slaven zouden blijven van een vrije markt, die er uiteindelijk voor moet en zal zorgen dat één procent van de mensen veertig procent van al het geld heeft zoals nu in Amerika, en liefst nog veel meer. Hoe lang zal het dan nog duren voordat we opnieuw arm, hongerig, bang, vies, dom, ziek en lelijk zijn? En is er dan nog wel een leefbaar milieu? Want dat is, zoals Naomi Klein zegt, moeilijk te verenigen met het kapitalisme. Wat is er tegen om grondstoffen zwaarder te belasten en voedsel en werk daarvan te vrijwaren? Wat is er tegen om inkomsten- en vermogensverschillen binnen de perken te houden, zeker als je hoort dat een samenleving als totaal daaronder lijdt als die uit de hand lopen?

Niemand kiest ervoor om arm te zijn. Armoede is niet zozeer een gebrek aan ‘eigen verantwoordelijkheid’ of domheid, maar een gebrek aan… geld! Armoede vreet aan je, beperkt je denkvermogen tot bezig zijn met hoe vandaag de dag te overleven. Die ‘domheid’ is niets anders dan een gebrek aan bandbreedte van je denken, volgens Bregman goed te vergelijken met hoe je IQ met 13 punten afneemt na een slapeloze nacht. Als je honger hebt eet je gewoon de laatste banaan op die je hebt en is denken aan de volgende dag echt een brug te ver. Terwijl armoede echt niet noodzakelijk is, ja, zelfs een smet is op een samenleving die zich beschaafd noemt. Volgens de 26-jarige Bregman kan het anders, zelfs op een heel simpele manier, gewoon door geld te geven, waarmee we op de langere termijn veel goedkoper uitkomen en gelukkiger worden. Waarom we daar niet voor kiezen? Omdat we ons laten indoctrineren, framen door hen die veel geld en macht hebben, hun praatjes geloven waarmee werklozen worden gestigmatiseerd. Voor hen zijn vrije, gelukkige mensen het grootste gevaar. Zoals Rutger Bregman met zijn moedige frisse ideeën.

  • Facebook
  • Twitter
  • NuJIJ
  • Print
  • PDF
  • Add to favorites

Holle hologrammen

Date 13 september 2014

‘Wetenschappers maken hologrammen van zwevend stof,’ las ik deze zomer op nu.nl. Ze laten stofdeeltjes op geluidsgolven zweven, en laten ze ook bewegen en verschillende vormen aannemen. Wat dit met holografie te maken heeft is me onduidelijk, want het is gewoon een ordinaire projectie op een alternatief stoffelijk scherm. Een van de wezenlijke kenmerken van een hologram is immers dat elk deel ervan informatie over het geheel in zich heeft, en dat is hier niet het geval. Maar desalniettemin zou dit ik eerste opmaat kunnen zijn naar een nieuwe methode om 3D-projectie te realiseren, iets waar we al decennia lang reikhalzend naar uitkijken. Kennelijk snakken we ernaar om zo realistisch mogelijke werelden te scheppen, naast die van de echte real life-wereld. Ja, het liefst moet virtual reality zo echt zijn dat we haar niet meer van de werkelijkheid kunnen onderscheiden. Niet alleen om real life na te kunnen maken op plekken en momenten dat het ons goed uitkomt, maar ook om nieuwe werelden te kunnen scheppen, die niet meer van de echte wereld te onderscheiden zijn. Mundus vult decipi, ergo decipiatur – de wereld wil bedrogen worden, dus laat ze bedrogen worden. We doen daarvoor dan ook onze uiterste best om technieken te maken waarmee we de concrete werkelijkheid kunnen ontvluchten om ons te verliezen in nagemaakte werelden.

Maar virtual reality is niets nieuws. Al vanaf het moment dat mensen konden abstraheren, visualiseren en auditiviseren is eraan gewerkt. Neem alleen maar het spreken, taal. In onze gesprekken roepen we al beelden op bij elkaar, kunnen we ’s nachts over de zon praten, en de eerste rotstekeningen getuigden al van een wereld die ter plekke niet aanwezig was. Met het schrift konden we bij elkaar beelden oproepen – zelfs van een niet concreet geziene realiteit, zoals van elfen en draken. We gingen elkaar brieven schrijven waardoor mensen ondanks hun fysieke afstand zich toch dicht bij elkaar voelden. Er ontstond beeldende kunst waarin niet alleen getracht werd om een zo exact mogelijke kopie van de werkelijkheid weer te geven zoals in het realisme, maar ook om onbestaanbare werelden te scheppen, zoals in het surrealisme. En lang daarvoor was er al de oudste kunstvorm, muziek, waarmee kunstmatig emoties en gevoelens opgeroepen konden worden. Je kunt je zelfs afvragen of niet alles dat met creativiteit te maken heeft virtual reality is. Nieuwe werelden worden geschapen, ver van de alledaagse werkelijkheid. Terwijl de enige echte realiteit zich in het hier en nu om ons heen afspeelt. Het gekras van ruziënde kraaien in de boom, de koele wind als er een wolk voorbijdrijft, de smaak van aardbeien, anderen die we kunnen voelen tijdens een warme omhelzing, het zien van de twinkelende sterrenhemel in een heldere winternacht, kortom de naakte werkelijkheid waar zenmeesters zo graag over vertellen.

Verlichting stelt dan ook niets voor. Het stelt niets voor: er wordt niets vóór de realiteit gezet, niets tussen onszelf en de echte wereld. Het is zoals ik onlangs droomde – ja, ik kan dromen dat ik verlicht ben, volgens velen een contradictio in terminis – en daarin wist is dat het ontzettend gewoon was. Geen extase, geen jubelende blijheid of verlossing, geen kosmisch orgasme met bloemenregens en een overwelmend vredesgevoel. Kortom: verlichting is niets bijzonders, ja, eigenlijk het enige dat niet bijzonder is. Meer heeft hij niet nodig, los als hij is van alle hechtingen en vrij als hij is van geloof en behoefte aan de maakbaarheid van zichzelf en de wereld. Zoals Fritz Perls al zei: een roos is een roos is een roos. En daarmee is dan ook alles gezegd, daar kunnen geen heilige teksten, geen mantra’s, meditaties, gebeden en rituelen tegenop. Ik moet denken aan het verhaal van de stervende zenmeester van wie de volgelingen graag nog zijn laatste wijze woorden wilden horen voordat hij heenging. ‘Hoor je die vogel zingen?’ was het laatste dat hij zei. Ik weet niet of ik het verhaal hier goed weergeef, evenmin als ik nog weet wie die zenmeester was – Osho zal het wel eens verteld hebben – maar de essentie is duidelijk: niets is gewoner dan verlicht te zijn. Stel je er dan ook maar niets van voor en blijf gewoon bij de concrete werkelijkheid.

Concrete werkelijkheid? Maar hoe concreet is die werkelijkheid eigenlijk als we ons realiseren dat zelfs de meeste vaste stof voor het aller-allergrootste deel uit leegte bestaat, de leegte tussen de elementaire deeltjes waaruit die is samengesteld? Terwijl we zelfs van die deeltjes nauwelijks weten hoe concreet ze zijn? De grond onder mijn voeten voelt aan als compacte massa maar dat blijkt een illusie. De bladeren van mijn kastanje zijn helemaal niet groen maar rood, lijken alleen maar groen omdat ze zelf het rode licht in zich opnemen, de rode rakkers! Wat is de meeste pijn als we het accepteren en loslaten? Wat is zelfs het mooiste pianoconcert meer dan dansende moleculen in de lege lucht? Is die zogenaamde concrete werkelijkheid dan niet ook virtueel? Er kunnen toch geen twee realiteiten bestaan? En zeggen veel oosterse wijsheden niet dat uiteindelijk alles een spel, maya, illusie is? En zijn die twee werkelijkheden niet één omdat ze beide bezield zijn? Hoe kan ik een mooi gedicht als illusie bestempelen, of een mooi schilderij, een muziekwerk, ja zelfs een computerspel of hologram? Als we de wereld splitsen in die van real life en virtual reality gaan we voorbij aan de essentie van veel dat uit creatieve inspiratie geboren is: de ziel, dat onvindbare wezen, die bron van de schepping die niets anders wil dan verenigen.

Als we de werkelijkheid van virtuele werkelijkheden ontkennen, dan ontkennen we niet alleen de waarde en kracht van creativiteit, maar vinden we – en dat is eigenlijk nog erger – een pasklaar excuus om ons niet met de schijnwerkelijkheid van het zogenaamde concrete leven bezig te hoeven houden, die immers net zo goed virtual reality is als de dromen en idealen die de wereld gestalte geeft. Ja, ik heb eens een knuppel in een hoenderhok gegooid door te beweren dat virtual reality wel eens echter zou kunnen zijn dan die van real life. Dat werd me niet door iedereen in dank afgenomen. Ware rijkdom is niet het hebben van veel geld in de concrete wereld, maar het kunnen genieten van andere werkelijkheden, van creativiteit en kunst, van het Derde Pianoconcert van Beethoven, van je niet zo druk maken over bezit, of gewaardeerd en erkend willen worden. Ware rijkdom verschuilt zich vaak achter armoede en soberheid, en ware armoede presenteert zich graag als materiële rijkdom en status. De Meester omhelst beide werkelijkheden, ziet hoe ze zich in elkaar spiegelen, maar moet soms wel provoceren om je wakker te schudden, je geheugen op te frissen. Zodat je ontdekt dat je nooit geslapen hebt, zelfs in de dromen wakker was, en ziet dat er uiteindelijk maar één wereld is, één groot hologram dat tegelijkertijd een holle illusie is, vol van leegte.

Wij zijn hologrammen. Alles is in ons, en wij zijn in alles. Net zoals het hele heelal aanwezig is in een koekje, zoals ik in The Hitchhiker’s Guide to the Galaxy las.

  • Facebook
  • Twitter
  • NuJIJ
  • Print
  • PDF
  • Add to favorites

The Fountainhead

Date 5 september 2014

In 1943 legde Ayn Rand met The Fountainhead, waarvan in Nederland in 2012 de elfde druk verscheen onder de titel De Eeuwige Bron, de vinger op een zere wond die vandaag de dag meer bloedt en ettert dan ooit. Het is het verhaal van architect Howard Roark – wellicht had de schrijfster Frank Lloyd Wright voor ogen – die zijn eigen kunstwerk liet opblazen omdat de realisatie ervan afweek van wat hij ontworpen had. Dat klinkt krankzinnig, maar uiteindelijk spreekt de jury hem toch vrij van schuld. En niet onterecht als we meegaan in de filosofie van Ayn Rand waarin het, net als in haar andere boeken, veelal gaat om het conflict tussen egoïsme en altruïsme, tussen zelfzucht en opoffering, tussen individu en collectief, tussen zelfstandigheid en afhankelijkheid, tussen scheppers en tweedehands mensen. Toneelgroep Amsterdam heeft het boek op de planken gezet op een locatie die uitstekend past bij een verhaal waarin een architect centraal staat: de nieuwe zaal die de Stadsschouwburg van Amsterdam sinds 2009 rijk is. Helaas is Ayn Rand niet kort van stof, wat er ook toe heeft geleid dat we ondanks de vroege aanvang pas tegen middernacht weer de schouwburg verlieten. Maar het was het waard!

Het toneel was één grote werkplaats waar tijdens de opvoering decors werden verwisseld. Het begon als architectenbureau en eindigde als drukkerij met een heus draaiende offsetpers, terwijl het gedurende de voorstelling allerlei locaties uitbeeldde, zoals een appartement met een prachtig uitzicht op het New York van vervlogen tijden. Het ene moment stonden er stoelen en banken, in een andere scène spelende bandrecorders en was er zachte livemuziek op de achtergrond, camera’s lieten zien hoe architecten op tekentafels zorgvuldig aan het ontwerpen waren en een reusachtig scherm liet de oorverdovende vernietiging van Cortlandt zien – de voor Roark mislukte behuizing voor de armen – waarbij wind en papier over het toneel raasden en fladderden. Dit alles bracht de vele lange dialogen tot leven, die zo kenmerkend zijn voor Ayn Rands boeken. Ik kan er met mijn verstand niet bij hoe de spelers al die teksten uit hun hoofd leren. Zoals Ramsey Nasr als Roark, met als tegenspeler Aus Greidanus jr. als architect Peter Keating die zijn eigen roem belangrijker vindt dan zijn werk, Hans Kesting als Gail Wynand die als krantenmagnaat uiteindelijk toch Roark gaat steunen en Halina Reijn als Dominique Francon die een relatie met alle drie had maar uiteindelijk toch voor Roark kiest.

The Fountainhead gaat niet alleen over psychologische, maatschappelijke en politieke kwesties, want het verhaal legt ook, als je dieper kijkt, een spirituele dimensie bloot. Ayn Rand wordt vaak beschouwd als een van de grondleggers van het neoliberalisme – denk aan haar vriendschap met Alan Greenspan en vele anderen die niet echt mijn vrienden zijn – maar dat neemt niet weg dat zij het over niet minder dan de essentie van onze hedendaagse crisis heeft. En ik moet toegeven: ik loop warm voor haar ideeën wanneer ze de wortels daarvoor blootlegt. Zoals John Galt in Atlas Shrugged zijn ideeën in een lange toespraak samenvat, staat in The Fountainhead de tien pagina’s durende verdedigingsrede van Howard Roark centraal: de eerste plicht van de mens is zichzelf te zijn, onafhankelijk te blijven, te scheppen. En dat is nooit in dank afgenomen: Prometheus werd aan een rots geketend, Adam werd uit het paradijs verdreven. ‘Door alle eeuwen heen zijn er mensen geweest die de eerste schreden op nieuwe paden zetten, met geen andere wapens dan hun eigen visioenen (…) en het antwoord dat ze kregen was haat.’ Maar ‘alleen door voor zichzelf te leven, was hij in staat dingen te presteren die nu de glorie van de mensheid vormen,’ verdedigt Roark zich. ‘Dat is het wezen van alle prestatie.’ En: ‘Die scheppende gave kan niet geschonken of ontvangen worden, gedeeld of geleend worden. Ze behoort toe aan afzonderlijke, individuele mensen. Wat met behulp van die gave geschapen wordt, is het eigendom van de schepper.’ En daarom mocht hij Cortlandt laten opblazen.

Ayn Rand ziet altruïsme dan ook als een groot kwaad, want het is ‘de leer die wil dat de mens leeft voor anderen en anderen boven zichzelf plaatst. Maar geen mens kan leven voor een ander mens. Hij kan zijn lichaam evenmin delen als zijn geest.’ Zolang mensen elkaar nodig hebben wordt er geparasiteerd, is er sprake van slavernij. Dat zouden veel hedendaagse neoliberalen ter harte kunnen nemen, want ze leven te vaak helemaal niet in de lijn van Ayn Rands gedachtengoed: ‘Roof, exploitatie en heerschappij veronderstellen slachtoffers. Ze impliceren afhankelijkheid. Ze vormen het terrein van de tweedehands mens.’ Ja, altruïsme wordt vaak gebruikt als middel tot uitbuiting, tot vandaag de dag worden we opgeroepen om sociaal te zijn, zorg voor elkaar te dragen. ‘Het “algemeen welzijn” van een collectief – een ras, een klasse, een staat – was de verontschuldiging en de rechtvaardiging van elke tirannie die, waar dan ook ter wereld, ooit over mensen is uitgeoefend.’ Rand spreekt van ‘het menselijk recht te streven naar geluk’ en ‘civilisatie is het proces dat de mens bevrijdt van de mensen.’ Individu tegenover collectief: het is een eeuwenoude strijd. Ik kan er echt warm van worden als ik deze woorden in het dikke boek nalees.

‘Verbeter de wereld, begin bij jezelf,’ zeggen we tegenwoordig. Wat we rechtvaardigen met de veronderstelling dat we anderen niet gelukkig kunnen maken als we dat zelf niet zijn. Want hoe kan een zieke een zieke genezen? Zelf heb ik daar ook vaak in geloofd. ‘Als elk mens op de wereld één ander mens gelukkig maakt, is iedereen gelukkig,’ hoor ik mijn moeder nog zeggen. Maar ik vond het een nogal ingewikkelde manier om de wereld te verbeteren. Toch wordt hier de kern geraakt, en blootgelegd waar Ayn Rand de fout in gaat. Namelijk de aanname dat individuen bestaan, dat het geluk van een ander iets anders zou zijn dan mijn geluk. Terwijl onafhankelijkheid helemaal niet bestaat. Roark heeft het over wat met behulp van die gave geschapen wordt, waarmee hij zelf weer afhankelijk is van de gave, en niet in de gaten heeft dat hij zelf evenzeer parasiteert en zichzelf daarmee tot tweedehands mens degradeert. De mens kan zowel zijn lichaam als zijn geest heel goed delen! Wat is een orgasme anders? Wat is empathie anders?

‘Ik hou niet van je, Gail,’ bekent Dominique. ‘Zelfs daar geef ik niet om,’ antwoordt hij. ‘Alleen mijn liefde is van belang, niet jouw antwoord daarop.’ Maar hoe kan hij houden van iemand en tegelijkertijd niets om de ander geven? Met dit soort liefdesrelaties blijft de wereld van Ayn Rand een wereld van staal, zoals dat van de spoorrails in Atlas Shrugged, en eerlijk gezegd zie ik er niemand echt gelukkig zijn. Tegelijk leer ik hiermee dat met zowel altruïsme als egoïsme niets mis is – beide zijn nodig, als de twee kanten van de munt die leven heet. Maar altruïsme is zonder meer, zeker door de kerk, doorgeslagen en misbruikt, net zoals het egoïsme tegenwoordig doorslaat en de wereld in een crisis stort. En zolang beide zich niet verenigen zullen ze op en neer blijven golven in de geschiedenisboekjes. So long, Frank Lloyd Wright. Maar ook: so long, Howard Roark, so long, Ayn Rand. Ik heb genoten van de schoonheid van lelijkheid. Misschien omdat die zo open en bloot voor me lag, zoals bij Roark even letterlijk het geval was. Dank! Het was een fantastische voorstelling!

  • Facebook
  • Twitter
  • NuJIJ
  • Print
  • PDF
  • Add to favorites

Communicatie

Date 30 augustus 2014

Slecht taalgebruik: ik kan er niet tegen en het ontneemt me vaak de lust om verder te lezen. Vandaag schreef een studente in de krant: ‘Hoe meer mensen een opvatting uitten, hoe serieuzer ik deze moet nemen.’ Dit lezend vind ik het juist moeilijk om haar serieus te nemen. En krijg ik steeds meer behoefte om mijn opvatting te uiten. Dat mensen die taal niet serieus nemen daarmee ook communicatie, en daarmee ook de ander niet serieus nemen. Het is even schofferend als plat praten, dat binnen sommige subculturen vaak verheerlijkt wordt maar in feite niets anders is dan luiheid en desinteresse. Ik ben dan ook typisch zo iemand die in een sollicitatiecommissie alle brieven met taalfouten meteen terzijde zou leggen. En dan niet zitten janken omdat je het op school niet geleerd hebt. Dan had je maar wat meer goede boeken moeten lezen. En beter moeten opletten!

Taal is een drager van informatie. Elke taalfout stoort, leidt de aandacht af en kan zelfs die informatie verminken, zoals het haperende geluid bij een slecht werkende telefoonverbinding. In Second Life weet een van mijn Amerikaanse vrienden niet eens het verschil tussen their en there, en als hij schrijft loopt alles achter elkaar door zonder hoofdletters en interpunctie. En hij is niet de enige die maakt dat ik e-mails soms meerdere malen moet lezen om te begrijpen wat er bedoeld wordt. Oké, ik denk dat deze jongen niet veel opleiding heeft, maar leer dan jezelf schrijven. En als je dat niet kan, doe het dan niet of laat het door een ander corrigeren of schrijven. Want de aandacht moet naar de inhoud gaan, en niet naar de vorm. Bij slecht taalgebruik voel ik me misbruikt, net zoals ik dat voel als ik mijn uiterste best moet doen om iets uit een verpakking te krijgen. Ja, terzijde leggen, die slecht geschreven brieven en artikelen!

Goed taalgebruik is onopvallend, leidt niet af van de boodschap. Daar zijn regels voor. Niet dat ik het daar altijd mee eens ben. Neem de blamage met de tussen-n in de spelling van 1996, waarmee de Nederlandse Taalunie een en ander nodeloos ingewikkeld maakte. Helaas is ze niet van plan deze zielenpijn veroorzakende blunder in de spelling van 2016 weer terug te draaien, dit in tegenstelling tot de paarde(n)bloemregel waarbij ze wel wat heeft ingebonden. Juist om wat meer vrijheid te hebben ligt vaak zowel het Groene Boekje als het Witte Boekje naast mijn toetsenbord. Want met woorden als insect, helikopter, lokaal en locatie heb ik het ook wel eens moeilijk. Het zijn echter niet de meest gruwelijke taalfouten als je daarmee de mist ingaat, omdat de regels je daar wel toe verleiden. Nee, het gaat eerder over blunders zoals de angst van de studente ‘dat ik voorbij wordt gestreefd’, de vele dt-fouten. Die zien er gewoon heel zielig en onopgeleid uit.

Over sommig taalgebruik kan ik me echt opwinden! Mensen die hun klassieken niet kennen mogen wat mij betreft geen informatica studeren, want maar al te vaak hebben ze het over data als een enkelvoud. ‘Uw data is veilig’ en zo. Afschuwelijk! Ze hebben nooit gehoord van het plurale tantum: het verschijnsel dat sommige woorden alleen maar in meervoud bestaan. Onkosten, notulen, financiën, media, aanstalten, ingewanden, Middeleeuwen, tropen, mazelen, valuta, bescheiden en andere varia: probeer er maar eens een enkelvoud van te maken. Het zal wel een overgevoeligheid van mij zijn, maar vanuit mijn eigen ervaring is het botheid van anderen om zo slordig met taal om te gaan. Zeker van die computerjongens had ik meer verstand verwacht, zodat ik me nog steeds afvraag waar hun hersens zit.

Zeker in de ambtelijke bestuurlijke wereld word je niet vrolijk van taalgebruik. Zo wordt informatie gecommuniceerd naar bewoners, terwijl met communicatie juist tweerichtingsverkeer is bedoeld. Elke voorwaarde is een randvoorwaarde geworden: iets dat zich kennelijk op de rand van de voorwaarde bevindt, dus wellicht zwakker dan een gewone voorwaarde. Veel beleidsstukken beginnen tegenwoordig met een missie, het woord controleren betekent niet meer dat je iets checkt maar dat je iets bestuurt, en verantwoordelijkheid opeisen is heel vrijblijvend omdat je er geen consequenties meer aan hoeft te verbinden. Als woorden steeds een andere betekenis krijgen maakt dat de communicatie niet makkelijker. Voor communicatie moet je iets doen, en dat is meer dan met copy and paste rapporten schrijven, of je vingers maar wat heen en weer laten trillen bij het plaatsen van een tweet. Ondanks onze sociale media communiceren we nog nauwelijks omdat we weinig over hebben voor echt contact met anderen. Want communiceren doe je niet alleen, dat doe je samen.

Zo, dit heb ik mooi gecommuniceerd. En nu maar hopen dat er in dit verhaal niet al te veel taalfouten zitten…

  • Facebook
  • Twitter
  • NuJIJ
  • Print
  • PDF
  • Add to favorites

Het Transgalactisch Liftershandboek

Date 21 augustus 2014

Ergens boven de Atlantische Oceaan hoorde ik het eerst van The Hitchhiker’s Guide to the Galaxy. Een leuk Duits jongetje zat naast me en praatte zo enthousiast over deze sciencefiction van Douglas Adams dat ik het boek al snel kocht. Het zou echter nog een hele saturnuscyclus duren voordat ik het deze zomer echt ging lezen. Misschien ook omdat Jed McKenna er in zijn laatste boek uit citeerde, zodat het niet echt niks kon zijn en wellicht een spirituele onderlaag bevatte. Ik kocht het Nederlandse Het Transgalactisch Liftershandboek en raakte meteen helemaal in de ban ervan. Vooral ook om de gekke absurdistische humor, wat voor mij altijd al een wezenlijk kenmerk van spiritualiteit is geweest waaraan maar al te vaak wordt voorbijgegaan. Want humor is relativering en zolang je dat nog niet diep in je borst aan je hart voelt krabbelen ben je nog veel te serieus met jezelf en de Grote Vragen bezig om jezelf in vertrouwen aan het Bestaan te geven.

Miljoenen jaren geleden waren hyperintelligente wezens het zat om steeds naar het antwoord op levensvragen te zoeken, zodat ze een supercomputer bouwden die het antwoord moest geven op de vraag naar het Leven, het Heelal en de Rest. Zelfs deze supercomputer had er moeite mee en deed er 7,5 miljoen jaar over om het antwoord te vinden. En dat luidde: 42. Meer kon hij niet zeggen, alleen dat de vraag ook niet echt duidelijk geweest was. Waarop de computer een nog betere computer ging bouwen die op zoek moest gaan naar de vraag die bij het antwoord hoorde. Die computer heette Aarde. Maar helaas: vijf minuten voordat deze na miljoenen jaren het antwoord op de vraag naar de vraag zou geven werd deze gesloopt omdat zij moest plaatsmaken voor een transgalactische snelweg. Zo’n mooie computer kapotmaken! Of nog beter: onze aarde met alles erop en eraan als één groot computerprogramma!

Misschien is de Boom van Kennis wel ons smachten naar steeds meer weten. Hoewel er uiteindelijk eigenlijk niets te weten valt, want elk antwoord roept weer een nieuwe vraag op, zo niet een heleboel nieuwe vragen. Die boom waarvan we graag de vruchten eten is wellicht niets anders dan wat we vandaag een computer noemen: een slim apparaat dat niet meer uit onze levens is weg te denken en dat we steeds slimmer maken. Sterker nog: we maken hem slimmer dan wij zelf zijn, iets waarover Pepijn Vloemans onder de kop Slimmer dan wij vandaag in nrc.next schrijft. Hij noemt Deep Blue die Kasparov in 1997 versloeg, en IBM’s Watson die in 2011 Jeopardy! van menselijke kampioenen won, en nu de zelfrijdende auto die door Google wordt ontwikkeld. En last but not least: computers die zichzelf herprogrammeren en verbeteren.

Waar is het eind, het punt waarop singulariteit is bereikt, waarin computers veel meer intelligentie hebben dan wij zelf en de wereld en ons gaan besturen? ‘En dat is waar de problemen beginnen,’ schrijft Vloemans. ‘Het programma zal in een terra incognita van superintelligentie belanden. En daarmee kan het zich om een hele waaier van redenen tegen mensen keren: omdat het ons niet rationeel genoeg vindt; omdat we de superintelligentie kunnen uitzetten (…)’ – denk aan HAL 9000 uit 2001: A Space Odyssey. ‘De kern van het probleem is daarmee dat een zichzelf verbeterende intelligentie vroeg of laat onvoorspelbare dingen gaat doen. We kunnen er niet vanuit gaan dat we een vorm van intelligentie die krachtiger is dan de onze onder controle kunnen houden.’ Maar waar je bang voor bent, ben je meestal zelf. Ofwel: we zijn allang geprogrammeerd en gehypnotiseerd, en we leven allang in virtual reality!

Niets nieuws onder zon dus. Blijf avonturieren, als een liftende zwerver door het universum, geniet van humor, het absurde en het schijnbaar onmogelijke. Blijf bewust van je eigen bewustzijn. En, zoals de Hitchhiker’s Guide voortdurend adviseert: Don’t panic!

  • Facebook
  • Twitter
  • NuJIJ
  • Print
  • PDF
  • Add to favorites

Leve het studentenleven!

Date 11 augustus 2014

‘Studieschuld? Het kan ook anders: ga werken,’ stond onlangs in studentenkrant nrc.next te lezen. Ja, je zou bijna vergeten dat niet gaan studeren na je middelbare opleiding óók een optie is. Gewoon je hart volgen en je eigen weg gaan, zoals in het artikel door drie jongeren wordt geïllustreerd. Daar lijkt me niks mis mee. Universiteiten zijn verworden tot commerciële kennisfabrieken, met elkaar concurrerend op een vrije onderzoeksmarkt. Met de daarbij horende inflatie van bachelor- en mastertitels, enigszins te vergelijken met scholen met hun wildgroei van toetsen en inflatie van criteria. ‘In mijn tijd,’ vertel ik nu even als wijze opa, ‘in mijn tijd was studeren minder vanzelfsprekend dan tegenwoordig. Toen was wetenschap nog wetenschap, waren studenten de bloem der natie en kon niet jan en allemaal beginnen aan willekeurige onzinstudies.’ Ja, het was elitair, maar sinds de jaren zestig is daar wel erg veel de klad in gekomen. Niet alleen omdat we meenden dat gelijkheid betekende dat iedereen even intelligent moest zijn, maar ook omdat de universitaire wereld zich door de markt heeft laten inpakken. Naar wat ooit zuivere wetenschap was moet je nu met een kaarsje zoeken.

Het leuke van dit advies in nrc.next vind ik dan ook dat het jongeren kan stimuleren om juist niet te gaan studeren, dan wel dit op eigen houtje te gaan doen. Dat het een signaal kan zijn dat de universitaire wereld als commercieel bedrijf helemaal verkeerd bezig is. Dat het een protest kan zijn tegen het opbouwen van hoge studieschulden, tegen onbetaalbare kamerhuur, tegen gekmakende concurrentie, tegen veel te hoge collegegelden. Zo kan de intelligentsia de universiteiten en hun beleidsmakers een koekje van eigen deeg geven: als jullie niet blij met ons zijn zoeken jullie het zelf maar uit, heren managers! Laat de universiteiten maar leeglopen. Want wij zijn mensen en geen producten van een kille kennisfabriek! Ja, wij zijn slim, en als jullie dat waarderen zullen jullie dat écht moeten waarderen, ofwel op waarde moeten schatten. Onze intelligentie moet gestimuleerd en beloond worden, iets wat trouwens uitstekend past in jullie eigen neoliberale opzet. Als jullie niet in ons willen investeren zijn we weg!

Ja, we hebben ook onze studentenverenigingen nodig, onze corpsen, ons bier en onze nachtelijke feesten. Omdat studeren niet alleen uit colleges, boeken en practica bestaat, maar ook uit het opbouwen van levenslange vriendschappen, uit dronkenschap en depressies, uit creativiteit en waaghalzerij, uit dolle seksuele escapades en liefdesverdriet. Want dat zijn de dingen die het leven compleet maken. Laat ons alles ervaren opdat we een héél mens, een homo universalis worden. Wij kunnen het ook niet helpen dat we slim zijn en daarom de mogelijkheid, zo niet de plicht hebben om bij te dragen aan kunst, cultuur en wetenschap. En als jullie politici en universiteitsbestuurders dat niet willen en het ons tegenmaken met al jullie management, dan gaan we wel onze eigen weg en gaan we werken voor de bloemenveiling, worden we controleur bij de NS of gaan we ons uitleven als cameraman. Dan haken we gewoon af!

Zijn wij elitair? Volgens het marktdenken hebben we groot gelijk. Maar wij doen niet aan marktdenken! Wij willen ons gewoon ontplooien en vinden dat we daar recht op hebben, juist omdat wij de mogelijkheid daartoe in ons hebben meegekregen. De mogelijkheid om echt outside the box te denken, om revolutionaire ideeën te ontwikkelen, om vingers op zere wonden te leggen, om valsheid en leugens door te prikken. Wij willen ons niet laten betuttelen en uitgeknepen worden door bestuurders voor wie het in universiteit louter om productie gaat, om winst en verlies. Wij verlangen dat jullie op zijn minst de intentie hebben om even logisch, helder en beargumenteerd besluiten te nemen als wij dat nastreven te doen. Maak je los van politiek en bedrijfsleven! Word zelfstandig!

Moeten we als samenleving investeren in studenten? Ja! Ook in hun bier en nachtelijke feesten? Ja! Moeten we hen een goede wetenschappelijke opleiding geven die hun denken stimuleert? Ja! Omdat velen vinden dat werken per definitie niet leuk hoort te zijn, menen ze dat een leuk studentenleven betekent dat er niet gewerkt wordt. Alsof werk dat niet leuk is tot betere resultaten leidt dan werk dat wél leuk is! Ja wij houden van het nachtleven, maar het is nu eenmaal zo dat slimme mensen laat naar bed gaan. Creativiteit is het doel van ons leven. Geef ons de ruimte daarvoor! Want zoals bloemen willen geuren en bloeien, verdort een samenleving als ze haar slimme mensen frustreert.

  • Facebook
  • Twitter
  • NuJIJ
  • Print
  • PDF
  • Add to favorites