Zomeravond

Date 17 juli 2014

Tjif tjaf tjif tjaf tjif tjaf… Loom zit ik in de tuin me voor te bereiden op een komende hittegolf. Het is zeven uur in de avond en de lucht begint gelukkig wat koeler te worden. Er kwinkeleren wat vogeltjes, die hun best doen om de elektrische heggensnoeier van de buren te overtreffen. Die zijn daar altijd mee bezig op de momenten waarop ik even van de zoele stilte wil genieten. Gelukkig moeten ze niets van groei hebben – waarvoor anders een heggensnoeier? – en dat pleit weer voor ze, want bedrijven en economieën die altijd maar moeten groeien wantrouw ik. Ook pleit voor die buren dat ze dit onder etenstijd doen en ze kennelijk net als ik een vreemd afwijkend dagritme hebben. Bovendien ben ik ook jaloers op hun heg, ik wou dat ik er zo eentje had. Het gebrom van een overvliegend vliegtuig sterft in het oosten weg terwijl in het westen een nieuwe machine nadert die net als zijn voorganger Oekraïne wel zal mijden. Want buiten mijn tuin lijkt de wereld in vuur en vlam te staan, hoofdzakelijk omdat hele mensenmassa’s het oneens zijn over God en zo. Nou, buiten Ford Europa bedoel ik eigenlijk. Derde vliegtuig in de verte, maar vogeltjes blijven kwinkeleren, vooral de tjiftjaf.

Heerlijk, zo’n lome zomeravond. Het enige wat me een beetje stoort is dat ik me verveel. Hoewel ik daarvan zou kunnen genieten omdat dat me maar een paar keer per jaar overkomt, vind ik het toch een beetje raar. Kennelijk wil ik iets doen, en gelukkig zijn er dan nog weblogjes te schrijven. Desnoods zoals nu op een iPad, het apparaat met Het Meest Onhandige Toetsenbord. Heb net het eerste deel van Het Transgalactisch Liftershandboek gelezen, en zou graag verder willen lezen, maar dat stuit op het technische bezwaar dat morgen pas deel twee in mijn brievenbus valt. Neem ik aan. Voor degenen die dit pas veel later zullen lezen: het duurt nu minstens een dag voordat een bestelling arriveert, en dat is heel lang! Als het nu vroeger was zou ik naar een boekwinkel zijn gegaan, dan kon ik vanavond verder lezen, maar het is niet vroeger omdat de tijd continu naar later gaat en niet naar vroeger. Ik zou dat boek trouwens zelf geschreven kunnen hebben – de auteur hield ook van Pink Floyd – maar dat is me nooit gelukt omdat ik (a) niet zo goed kan schrijven Douglas Adams, en (b) als dit wel het geval zou zijn het schrijven ervan overbodig zou zijn omdat het boek al geschreven is.

Er ligt op de tuintafel nog een tijdschrift, in tegenstelling tot de tafel binnen waar er nog een stuk of vijftig ongelezen op een stapel liggen. Ik kijk ernaar en puzzel of ik het zal gaan lezen of niet. HiQuarterly, een uitgave van de club Mensa waarvan je alleen lid mag worden als je slim bent. Waarom ze zich niet gewoon Tafel hebben genoemd weet ik niet, maar ik geef toe dat Latijn handiger is als je wereldwijd opereert, hoewel Esperanto mij dan meer voor de hand lijkt te liggen. Tablo dus. (Als student at ik vaak in een heel andere mensa, zo’n eetgelegenheid waar je gewoon aardappelen, boerenkool en gesmaakstofte puddinkjes kon krijgen, zaken waarvoor je in de meeste restaurants niet terechtkunt, alsof het net zoiets is als bij Van Dobben te vragen om een broodje pindakaas, om niet te spreken van een broodje pindakaas met appelstroop waarop ik mijzelf in mijn fijnproeverige jonge jaren vaak trakteerde.) Maar goed, het blad van de Tafel ligt op de tuintafel, en ik had er al drie artikels in gelezen. Over de macht van lokaal bestuur, over BDSM en over de film The Matrix – dit alles zijn toch leuke hobby’s voor hoogbegaafden. Toch? Maar kennelijk vind ik het nu leuker om maar een beetje te schrijven wat in me opkomt. Dat hoort ook bij het warme weer. De buurman is uitgeheggensnoeid, nu blaten wat duiven in de verte en hoor ik kinderen in een tuin. Straks zal de geur van barbecue wel binnendrijven als ik boven weer achter mijn computer zit.

Dan is er mijn elektronische sigaret, maar die is leeg. Gelukkig dat mijn vader niet hoeft mee te maken dat je een stopcontact (en energielevering) nodig hebt voor een sigaret. Opnieuw een vliegtuig, maar gelukkig hoor ik wegens de nogal windstille westenwind geen verkeer van de A27. Een hondje blaft ergens tussen de huizen. Ik neem mijn toevlucht tot een sigaartje. Wellicht hebben mensen zoals ik een extra affiniteit met alcohol en drugs (wat het verschil is weet ik niet) om hun hersentjes bij tijd en wijle wat te benevelen. Ik zou zo’n sigaartje best willen inhaleren (wat ik indertijd dus heel goed heb geleerd), maar ben daar toch een beetje bang voor. Over het algemeen ben ik best gezond voor mijn leeftijd. Het resultaat van mijn darmkankeronderzoek was gunstig. Bloeddruk schijnt perfect te zijn. En de teek die me vorige maand te pakken had blijkt best aardig te zijn, gezien de gunstige uitslag van de tekentest. (Niet te verwarren met de tekentoets uit de wereld van de statistiek.) Maar toch: tinnitusje hier, prostaatje daar en dat soort dingen, maar ik mag (van wie? van God?) niet klagen, wat ik trouwens ook niet van plan was. Dat het lichaam hier en daar wat mankementjes gaat vertonen en soms begint te haperen is een goede leerschool om er alvast aan te wennen zonder een lichaam te leven. We leven tenslotte om te sterven, nietwaar, als een feniks op zijn kop zal ik maar zeggen. Maar door nu – tjif tjaf tjif tjaf tjif tjaf – te zitten schrijven heb ik helemaal vergeten mijn sigaret weer in de lader te stoppen. Die lader moet zelf trouwens ook om de twee dagen opgeladen worden. Ingewikkeld.

Maar waar was ik gebleven? Ik geloof nergens. Net als Waf en Beertje, de twee knuffelbeesten die op de tafel zitten te wachten tot een van de katten van de buren weer eens langs komt sluipen. Beertje heb ik indertijd opgepikt in een winkeltje op het vliegveld van Minneapolis en is op een eigen vliegtuigstoel de oceaan overgevlogen omdat die naast mij leeg was. Aan het raampje nog wel. Waf kwam vele jaren later Beertje in gezelschap houden toen hij oppopte uit een ronde koker die een beloning was voor het feit dat ik Whiskas kocht voor mijn real life-katten toen ik in Amsterdam woonde. Snuf overleed aan suikerziekte, ondanks de vele spuitjes die ik hem heb gegeven, en is begraven in het dijklichaam van de metro. Snik kneep ertussenuit toen ik ergens in Zuid-Duitsland was en heb ik daarna alleen nog maar in bevroren toestand gezien: staande op zijn achterpootjes kon hij heel leuk naar je wuiven. Lucky is gewoon vredig ingeslapen in zijn mand voor de kachel in gezelschap van Waf en Beertje, en die hebben Vriend en ik stiekem begraven ergens in het Gijsbrecht van Amstelpark. Waarom ik dit schrijf? Opdat het niet onopgemerkt is gebleven, zoals Reve zou zeggen, en het bij deze opgenomen is in de akasharecords, tegenwoordig internet geheten.

Het is nu wel heel stil om me heen. Misschien kijken toch nog veel mensen naar het 8-uurjournaal. Zelf ben ik geen televisiekijker. Het ding is trouwens eergisteren opgehaald door de Kringloopwinkel, samen met onder andere een computer, twee faxapparaten, drie beeldschermen, een printer, een stofzuiger en twee knuffelbeesten die jaren lang niks anders te doen hadden dan vanuit een boekenplank de kamer in te zitten gapen. Dat geeft ook weer ruimte in de boekenkast, want straks moet ik weer plaats maken voor vijf delen van Het Transgalactisch Liftershandboek. Waarom ik ze trouwens niet als e-boek koop als ik zo ongeduldig ben? Ik vind dat gewoon niet lekker lezen, kan e-boeken niet ruiken, terwijl ze een laag knuffel- en bladergehalte hebben. Misschien ga ik ze ooit in Second Life lezen, maar nu nog niet. Dat was trouwens leuk, gisteren. Mocht ik Second Life niet binnen voordat ik voor akkoord had geklikt na de Terms of Services gelezen en akkoord bevonden te hebben. Bleken 16012 woorden te zijn (23 pagina’s ofwel 10,967 keer zo lang als deze weblog), dus ik heb het toch maar niet gelezen. Als je al dit soort overeenkomsten bij alles wat je op de computer, notebook, tablet of smartphone wil doen zou moeten lezen, zou je echt helemaal nergens meer aan toekomen, maar om de een of andere paradoxale reden schijnen ze toch rechtsgeldig te zijn.

Of ik niks beters te doen heb dan dit allemaal te vertellen? Nee dus. Gelukkig maar. Bovendien ligt en zit er verder niets op de tuintafel. Nou ja, mijn telefoontje, een hoesje voor mijn elektronische sigaret, een asbak, een visitekaartje en een groene aansteker. Maar daarover wellicht een volgende keer. Tjif tjaf tjif tjaf tjif tjaf…

  • Facebook
  • Twitter
  • NuJIJ
  • Print
  • PDF
  • Add to favorites

Trance

Date 8 juli 2014

Als genre in de popmuziek is trance niet te vinden in OOR’s Pop-encyclopedie 2014. Er is geen lemma voor, in de handleiding wordt verwezen naar ‘commerciële techno-variant’ en ook in de index achterin komt het niet voor. Vreemd. Hoewel Armin van Buuren wel onder Dance wordt genoemd, en vermeld wordt dat hij in 2012 voor de vijfde keer de beste DJ ter wereld ter wereld is geworden, krijgt hij toch niet de eer die hem volgens mij toekomt. Festivals als Het Ultra Music Festival 2014, waar hij een van zijn fantastische optredens geeft, lijken mij dan ook ondanks zijn adembenemende lichtshows onderbelicht. Hoewel ik niet weet of je daar nou blij mee moet zijn, heeft zelfs koning Willem-Alexander hem een handje gegeven. Misschien komt die weinige aandacht voor trance door het feit dat het meer om dansen lijkt te gaan dan om iets wat sommigen ‘serieuze’ popmuziek noemen. Ja, de Popencyclopedie vertelt wel dat dans vaak aan de roots ligt van populaire muziek, waarbij wel even vergeten wordt te vermelden dat dit ook voor klassieke muziek geldt, van Bachs Allemande BWV 815 tot Ravels Bolero. Dansen en muziek zijn nu eenmaal onafscheidelijk, als je lijf niet van buiten automatisch in beweging komt word je wel van binnen geroerd.

De roots van de hedendaagse elektronische trance zul je echter niet vinden in techno of house, maar in het eind van de jaren vijftig toen al geëxperimenteerd werd met het samplen van al dan niet kunstmatig verwerkte klanken. Daarvoor kunnen we teruggaan naar Natuurkundig Laboratorium van Philips in Eindhoven. Zelf maakte ik tijdens muziekles op de middelbare school voor het eerst kennis met elektronische muziek. Onze progressieve leraar liet ons het in 1962 verschenen Electronic Movements van Tom Dissevelt en Kid Baltan horen, en al snel had ik het vinyl in mijn bezit. Het plaatje heb ik nog steeds. Eind jaren zestig kwam er meer elektronisch gefabriceerde muziek, zoals Switched on Bach in 1968 met onder andere het Derde Brandenburgse Concert. Emerson Lake en Palmer introduceerden de Moog Synthesizer in 1970 aan het eind van hun Lucky Man. Het zou nog wel een aantal jaren duren voordat elektronisch opgewekte klanken een muzikale hoofdrol gingen spelen. Zoals bij de melodieuze Jean-Michel Jarre met zijn Equinoxe uit 1979. Maar vooral Duitse groepen waren hem voor, zoals Kraftwerk met Autobahn uit 1974, Tangerine Dream met hun dromerige en golvende Invisible limits uit 1976 en Klaus Schulze met filmmuziek van Body Love uit 1977, waarvan ik vooral het deel na de dertigste minuut mooi vind. Dat begint in de buurt van trance te komen, pure luistergeluiden waarop je je lekker kunt laten meedeinen.

Hoewel het vandaag de dag met zijn 140 beats per minuut wel wat anders klinkt, zoals in de Trance Collection uit 2007 van Maltadakiturk, is trance dus niet een echt nieuw verschijnsel. Met zijn hypnotiserende herhalingen kan het bijna niet anders dan tot dansen leiden. Vroeger zou ik dit zeker psychedelisch hebben genoemd, net als de lichtshows die tijdens uitvoeringen niet ontbreken. Even lekker zwemmen en zweven op golven van geluid en licht. Dat kan ook gewoon innerlijk beleefd worden. Overigens kan ook een klassiek orkest muziek maken die je in A State of Trance brengt, zoals György Ligeti (1923-2006) met zijn Atmosphères uit 1961 dat ik ken uit de film 2001: A Space Odyssey waar het met fantastische lichtbeelden gepaard gaat. Trance – in welke betekenis dan ook – betekent even ontsnappen aan de jachtige, hectische wereld van neoliberale verslaving aan materie en logica. Even naar een andere wereld, die even echt is als de alledaagse hypnose van werken en presteren. Iedereen heeft daar recht op. Ja, dat er méér is mag gevierd worden! En dat is iets van alle tijden.

  • Facebook
  • Twitter
  • NuJIJ
  • Print
  • PDF
  • Add to favorites

Koning Voetbal

Date 5 juli 2014

Voetbal is de meest oneerlijke sport, schrijft Robbert Dijkgraaf onder de titel Koning Toeval in NRC Handelsblad van 14 juni. ‘In een voetbalwedstrijd is het betere team absoluut niet zeker van de overwinning. Een enkele gelukstreffer kan de wedstrijd beslissen. Dat grillige verloop maakt het natuurlijk zo spannend. (…) Voor een groot gedeelte zijn de uitkomsten van een jaar competitie gewoon het resultaat van dom toeval – geen welkom nieuws voor alle spelers, trainers en analisten, in de studio en thuis op de bank. Dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld tennis dat de ‘eerlijkste’ en daarom de meest voorspelbare sport is. Hier wint de beste speler bijna iedere keer, zelfs als de tegenstander nauwelijks slechter is.’ En het is bij voetbal vooral de strafschoppenreeks waar Koning Toeval regeert! En dat toeval maakt voetbal zo opwindend, daarbij kan je moeilijker in slaap vallen dan in Wimbledon waar de kans dat de beste het wint het grootst is.

Hoewel ik ooit in de jaren zeventig een voetbalwedstrijd heb bijgewoond en zelfs het boek getiteld De Ajaxieden een poos in mijn boekenkast heeft gestaan, behoor ik toch tot die minderheid die zich eigenlijk het liefst terugtrekt op een hutje op de hei tijdens deze spectaculaire weken waarin je geen normale tompouces meer kunt kopen en zelfs vergaderingen verzet worden omdat Nederland speelt. In de jaren tachtig is het me te vaak overkomen dat ik me, verheugend op een lievelingsprogramma, met koffie achter mijn tv nestelde, waarna bleek dat dat allemaal niet doorging want… voetbal! Ik heb toen best wat afgevloekt! Het moest verboden worden om af te wijken van wat in de tv-gids staat! Plan dat dan een beetje beter, jongens! Oké, ik heb ook wel eens op een veldje achter Uilenstede gevoetbald, maar eigenlijk vond ik tafelvoetbal in de sociëteit ervan leuker.

Aan de andere kant vind ik het wel iets hebben dat overburen op een grasveld achter het huis een partytent hebben opgezet om met zijn allen straks naar de kwartfinale te gaan kijken. In Second Life heb ik zelfs morgenavond een Football Party georganiseerd en mezelf al een outfit aangeschaft zodat ik als Arjen Robben zal binnenwandelen. Want dat schijnt een belangrijke voetballer te zijn en tja, ik vind het soms gewoon leuk om mee te doen met wat anderen leuk vinden en kan daar dan ook weer van genieten. Vind ik leuk. Maar wat het benauwende is, is dat opeens hele volksstammen opgaan in en zich vereenzelvigen met Oranje, waarbij ik me wel eens afvraag of hier niet de eerste kiemen van oorlog worden gelegd: wij tegen zij. Misschien is de rotschop van Remkes hier wel ontstaan? Trappen en schoppen lijken mij niet de meest elegante manieren om je tegenstanders mee te verslaan.

Iedereen wil zichzelf wel eens verliezen, zichzelf vergeten, er even niet meer zijn, opgaan in iets groots en overweldigends. Naast alcohol en drugs leent het voetbal zich daar uitstekend voor. Op zich is daar weinig mis mee, ware het niet dat de vraag blijft waarin je je verliest. In trance raken van klassieke muziek is toch iets anders dan van voetbal. En dat laatste vind ik toch een beetje eng. Niet dat voetbal niet mooi kan zijn – het is meer de wereld eromheen die me tegenstaat. Commercie, handel in spelers met exorbitante salarissen – dat soort dingen heeft voor mij het voetbal verpest. Ik heb ook nooit gesnapt waarom fans moeten betalen voor shirts waarmee ze reclame voor hun favoriete club maken. Toegegeven: toen de ArenA werd gebouwd heb ik daar een rondleiding genoten. Maar dat was meer omdat gebouwen me nu eenmaal intrigeren. Sindsdien ben ik er nooit meer geweest. En over toeval en eerlijkheid gesproken: 3-1 vanavond? Ik doe maar een gok, want bij voetbal kan dat moeilijk anders.

  • Facebook
  • Twitter
  • NuJIJ
  • Print
  • PDF
  • Add to favorites

Waarheid

Date 29 juni 2014

Waarheid is mijn naam. ‘This is your new name: swami Satyamo,’ vertelde Osho me toen ik voor zijn voeten zat op 14 januari 1980. ‘Satyamo means the ultimate truth. Truth is not available through the intellect. Truth is available only through intuition. Truth cannot be found by logic, by thinking, by the head; it can only be found by the heart, by feeling, by love.’ Afgezien van het feit dat ik ‘ultieme waarheid’ altijd wat pretentieus heb gevonden, vond ik ‘Satyamo’ een hele mooie naam. Inmiddels is Osho al bijna een kwart eeuw geleden overleden, is de beweging rondom hem verworden tot een hiërarchische kerk rond een ‘inner circle’, terwijl vandaag de dag een hevige strijd gevoerd wordt rond zijn naam als handelsmerk. Nog tijdens zijn leven liep een en ander uit de hand, en de hele geschiedenis van na 1981, toen hij naar Amerika vertrok, laat weer zien hoe van spiritualiteit weinig overblijft als er een instituut van wordt gemaakt.

Maar ik zit er mooi mee. Want wat is waarheid? Ik zal niet de eerste zijn die daar zijn hoofd over breekt, maar meen wel twee soorten waarheden op het spoor te zijn. Laat ik ze voor het gemak maar logische en ontologische waarheid noemen. Flarden ervan kom ik tegen in Wikipedia. Bij een logische waarheid is er sprake van het hebben van een relatie, bijvoorbeeld in een vergelijking of een stelling, iets waarbij er altijd twee nodig zijn, zoals ‘gras’ en ‘groen’ als je zegt dat het gras groen is. Bij een ontologische waarheid gaat het dan om het zijn, om wat Heidegger ‘onverborgenheid’ noemt, de ware ontmantelde aard van iets, het wezen, iets wat slechts over één ding gaat: het ware gras of het ware groen, waarin ‘waar’ dicht in de buurt komt van ‘echt’, zoals in Plato’s ideeënleer. Wellicht had Osho het ook over deze twee soorten waarheid toen hij me toesprak.

Omdat hun intuïtie zegt dat er méér moet zijn dan het alledaagse leven en overleven, belanden veel mensen op het spirituele pad, op zoek naar waarheid. Onder de vlag ‘Ken uzelve’ op zoek naar hun ware zelf, de eigen kern, het wezen. Het afleggen van het valse, hun ego, hun persoonlijkheid, welk laatste woord is afgeleid van het Griekse woord voor het masker dat vroeger bij toneelspel werd gebruikt. En ze zijn ook op zoek naar waarheid omtrent hun leven en dood, hun bron en bestemming, hun eindigheid en oneindigheid. Een queeste die je ook kan herkennen in films als The Truman Story en The Matrix waarin mensen trachten te ontsnappen aan de oppervlakkige schijnwereld, zeg maar virtual reality of maya waarin ze gevangen zijn. In onze tijd, waarin technologie ons maar al te graag in andere werelden zuigt, is het zoeken naar waarheid urgenter dan ooit.

De Kaarsvlam, juli/augustus 2014

  • Facebook
  • Twitter
  • NuJIJ
  • Print
  • PDF
  • Add to favorites

Coalitie en college!

Date 20 juni 2014

Precies drie maanden na de gemeenteraadsverkiezingen hebben we hier in Blaricum eindelijk ook een nieuw college. Nu alleen Zutphen nog, en alle gemeenten draaien weer hun normale gangetjes. Het leeft lang geduurd. Mijn partij Hart voor Blaricum heeft vier zetels, de VVD en De Blaricumse Partij drie, D66 twee en het CDA een zetel in de raad. De grootste partij wordt geacht het voortouw te nemen in de coalitievorming. Daar gingen we dus. Hoewel we gewend waren met de VVD en D66 in de coalitie te zitten, hebben we besloten om met die laatste partij niet verder te gaan, onder andere wegens meningsverschillen over samenvoeging van gemeentes en het beleid inzake protest tegen het aanleggen van vrije busbanen die de provincie ons hoe dan ook door de strot wil duwen. Hoewel ik indertijd wel op D’66 gestemd zal hebben, vind ik het vandaag de dag een partij die uitblinkt in vaagheid en waarvan de enige visie is dat ze geen visie heeft. Sommigen noemen dat realisme.

We konden ons beter vinden in het CDA. Maar toen de coalitiebesprekingen met VVD en CDA in een vergevorderd stadium waren, ging de VVD opeens buiten ons weten om aan de weg timmeren met het benaderen van een tweede formateur en D66, en begonnen ze een qua uren onevenredig grote wethouderspost op te eisen. Terwijl hun fractievoorzitter ook nog eens twee weken lang onbereikbaar was. Wij zetten grote vraagtekens bij hun betrouwbaarheid en besloten voor van voren af aan te beginnen, maar nu met het CDA en De Blaricumse Partij. Met die laatste hebben we jaren lang overhoop gelegen, maar daar kan je niet eeuwig mee doorgaan, zeker niet nu het van superbelang is dat plaatselijke partijen zich samen verzetten tegen opgedrongen fusies – een van de vele middelen waarmee de landelijke politiek kleine gemeentes van hun identiteit willen beroven. Leuk dat in Blaricum de plaatselijke partijen nu een meerderheid in de raad hebben!

Ja, het heeft lang geduurd, maar daar is vooral de VVD debet aan. Jammer, want hoewel het niet mijn lievelingspartij is zolang ze alle discussies over neoliberalisme uit de weg blijven gaan, kan ik het met sommige VVD’ers best goed vinden. Er zitten soms best intelligente mensen tussen. En ook binnen die partij zal niet iedereen overal hetzelfde over denken. Maar nu werd het echt tijd dat ze best eens een toontje, zeg maar een octaafje lager mochten zingen. Hoewel ik het tegelijk jammer vind, want in de vorige coalitie hadden we weinig problemen met de VVD. Want eigenlijk maakt het me niet zoveel uit bij welke partij iemand hoort, als er maar een goed gesprek mogelijk is, mensen eerlijk en betrouwbaar zijn en er een visie is die verder reikt dan televisie. Dan voel ik me bij iedereen thuis, ook letterlijk. Zoals bij vinylliefhebber Frank, bij wie we twee jaar geleden de raadsperiode met een barbecue besloten en die tot in de stille uurtjes oude hits draaide waarbij ik de burgemeester demonstreerde hoe je moet dansen op Y.M.C.A. van de Village People.

Gewoon leuk, en ook dat hoort erbij. Volgende week sluiten we het jaar af met een barbecue in de Zorgboerderij. Met een wat naar links geschoven toekomst waarin we ervoor blijven knokken dat Blaricum Blaricum mag blijven, en we ons blijven verzetten tegen megalomanie. Een mooi resultaat uiteindelijk, mede omdat we door de perikelen van de afgelopen drie maanden elkaar beter hebben leren kennen. Maar meer dan ooit ben ik nu wel toe aan het zomerreces! Dus vanavond eerst naar het Zomerconcert in Rust Wat waarvoor ik twee gratis kaarten heb gewonnen.

  • Facebook
  • Twitter
  • NuJIJ
  • Print
  • PDF
  • Add to favorites

Jed McKenna: spirituele slager

Date 13 juni 2014

Met zijn nieuwste en vijfde boek Jed McKenna’s theorie van alles neemt deze provo de spirituele wereld weer eens keihard op de hak. Als een hedendaagse U.G. Krishnamurti laat hij weinig heel van lieve zoetsappige newage-idealen met extatische visioenen en dromerijen over verlichting en goddelijke zelfrealisatie. Maar hij is wel verlicht, heeft de spirituele zoektocht voltooid, heeft de waarheid ontdekt en is beland op het punt dat hij ‘Klaar’ noemt, of ‘Menselijke volwassenheid’. Met schrijven blijkt hij echter opnieuw niet klaar te zijn: na zijn trilogie Spirituele verlichting? Vergeet het maar!, Spiritueel incorrecte verlichting en Spirituele oorlogvoering kwam hij nog met Notities aandraven, na enkele jaren nu opgevolgd door zijn Theorie van alles. Dat komt ervan als je in flow leeft zodat je hulpeloos en hopeloos bezig blijft met het verwoorden van een voor jou glasheldere en niet te ontkennen waarheid.

Wat is waarheid? Hij begint en eindigt het boek met een syllogisme: als alles waarheid is en bewustzijn bestaat dan is alles bewustzijn. En alles is waarheid, want als er ook maar iets niet waar zou zijn, dan zou dat weer waar zijn. En bewustzijn bestaat, sterker nog: het is het enige waarvan we met honderd procent zekerheid kunnen zeggen dat het bestaat! Maar hoe McKenna uit deze twee premissen komt tot de propositie dat alles bewustzijn is, is me onduidelijk. Je kan immers ook zeggen dat schildpadden bestaan maar daarmee is alles nog geen schildpadsoep. Overigens heb ik – mijn troost – dit syllogisme helemaal niet nodig om te weten dat alles bewustzijn is. Vraag me niet waarom, sommige dingen weet je gewoon. Net zoals je gewoon weet dat je verliefd bent.

Maar wat is waarheid eigenlijk? Daar denkt niet iedereen hetzelfde over, en McKenna vergeet te vertellen wat hij daarmee eigenlijk bedoelt. Voor mij zijn er twee soorten waarheid, die ik maar even relatief en absoluut zal noemen. Relatief als er een relatie is waarbij twee elementen logisch zijn verbonden: 144 > 12, roodborstjes zijn kleine vogels, tijd is geld, het licht is groen. Absoluut als het iets zegt over het wezen van iets: de ware kennis, het ware geloof, het ware zelf, de waar-heid van iets. Dan wordt het synoniem met iets als echt of werkelijk, wat dicht in de buurt komt van Heideggers ‘onverborgenheid’. Filosofen hebben hier veel over geschreven, maar ik heb geen zin om al die moeilijke boeken te lezen en vind het liever zelf uit. Al met al blijft onduidelijk wat McKenna bedoelt als hij ‘het realiseren van de waarheid’ – of beter: de ‘onwaarheid-onrealisatie’ – ziet als het doel van het leven, als kenmerkend voor verlichte mensen, in de betekenis dat ze daar Klaar mee zijn. Niets meer te doen, het einde van de queeste naar eh… waarheid.

Toch is McKenna niet bezig met spitsvondigheden. Omdat het eigenlijk een worsteling met taal en paradoxen is, en de laatste mogen wat hem betreft gewoon blijven bestaan. Omdat alles wat in het bewustzijn is er gewoon is. Fata morgana of virtual reality – het maakt hem niet zoveel uit omdat het allemaal hoort bij het spel, de droom die oosterse wijze maya noemen. ‘De werkelijkheid heeft voor mij geen werkelijkheidswaarde meer,’ schrijft hij. En ‘niet echt, maar toch was het echt.’ Want het enige dat we zeker weten is dat we bewust zijn, maar bij alles wat zich daarin afspeelt kun je vraagtekens zetten. De consensus is dat er een universum is waarbinnen zich allemaal bewustzijntjes bevinden: U-Rex, het universum is de koning. Maar McKenna draait dat om: het universum bevindt zich in het bewustzijn en deze B-Rex is het enige waarvan we met ons volle verstand en absolute zekerheid weten dat het waar is.

Ja, strikt genomen weet ik alleen dat zich verschijnselen in mijn bewustzijn voordoen, waarmee al het andere speculatie is, geloof, van horen zeggen. McKenna noemt dit ‘idealistisch anti-materialistisch monisme’, IAM (ik ben). Zowel over tijd als ruimte weet ik niets: wie zegt me dat mijn geheugen me niet belazert, en dat alles dat zich buiten mijn gezichtsveld bevindt er ook werkelijk is? Dat lijkt op Second Life waar de wereld pas gemaakt wordt als die binnen mijn gezichtsveld komt, terwijl zich daarbuiten een oneindige zee uitstrekt. Ze zeggen dat ik geboren ben, maar weet ik dat echt zelf? Is elke herinnering niet vals omdat ik die altijd vanuit mijn huidige toestand beleef? Ik weet het niet, en ben gevangen in het feit dat ik dat ook nooit zal en kan weten. McKenna haalt Nick Bostrom erbij, die het waarschijnlijk acht dat wij zelf niet meer dan computersimulaties zijn, hersenen die door een toekomstige generatie geprogrammeerd zijn om het leven te leiden dat we nu als echt ervaren, inclusief al onze herinneringen en ons gevoel dat we vrij zijn en dat dit niet zo is. Technologie staat voor niets en virtual reality is in onze tijd in een explosieve fase van ontwikkeling. Absurd? Maar dat is niet echt een argument om het af te wijzen. Wellicht ben ik niet meer dan een avatar in Second Life van onze achterkleinkinderen.

Niets zeker te weten grijpt je naar de keel, en ook mijn hart gaat wat angstig bonzen als ik daar teveel aan denk. En toch is het niets nieuws, want de wijsheid uit het oosten die ik veel volwassener en intelligenter vind dan wat wij hier in het westen aan religies hebben gelanceerd – heeft nooit iets anders verteld. Niets is dodender voor het ego dan niets te weten, niets meer te zijn dan een wolkje bewustzijn, niets meer te kunnen doen dan terugkeren naar Maya’s pretpark. Maar alleen dan blijft flow over, is de zoektocht beëindigd, is er eindelijk rust in de wolk van niet-weten. Dat is overgave, maar daarvoor moet eerst alle onechtheid in de fik worden gestoken, moet je de slager van jezelf zijn om tot het bot uitgebeend te worden zodat alleen overblijft wat je werkelijk bent: bewustzijn. Nadat in zijn boek de wereld van Platland, de pijp van Magritte, de zichzelf tekenende handen van Escher, The Matrix en de Truman Show aan je voorbij zijn getrokken en je al het geloof achter je hebt gelaten trekt de mist op. En wat het woord ‘waarheid’ ook mag betekenen, hoe vaak McKenna ook spreekt in duistere taal over onechte echtheid en onwerkelijke werkelijkheid, wat hij daarmee bedoelt is glashelder.

Jij bent de reis en jij bent de bestemming,’ besluit hij zijn boek, ‘en als je dat echt begrijpt, dan zul je ook begrijpen dat je niet alleen dit boek hebt uitgelezen, maar dat je klaar bent met het te schrijven.’

  • Facebook
  • Twitter
  • NuJIJ
  • Print
  • PDF
  • Add to favorites

De afluisterstaat

Date 4 juni 2014

Een afluisterstaat vraagt om een fluisterstaat. Waar we alleen nog maar intiem kunnen zijn onder het bladerdak van een boom achterin onze tuin, ongezien door satellieten en drones, onbespied door verstopte microfoons. Alleen daar kunnen we elkaar omhelzen en lieve kusjes geven en ons helemaal laten gaan, opgaan in kinderlijke, puberale en andere onvolwassen verlangens, kunnen we klein, speels en kwetsbaar zijn, ons overgeven aan de vrijheden waarnaar onze lichamen, gevoelens en gedachten zo smachten. Alleen ver buiten het bereik van mobieltjes, camera’s en laptops is nog vrijheid te vinden, de zekerheid om met rust gelaten te worden, om ongestoord onszelf te kunnen zijn, te experimenteren, er afwijkende meningen op na te houden, geheimpjes en verrassingen te koesteren, grenzen op te zoeken, de dans van de gangbare middelmaat te ontspringen.

Hoe erg het is om heimelijk bespied te worden, hoe ontwrichtend dit werkt op een open en transparante samenleving illustreert Glenn Greenwald in zijn boek De afluisterstaat. ‘Privacy is een kernwaarde van een vrij mens,’ schrijft hij. ‘Allemaal begrijpen we intuïtief dat we in ons privédomein, onzichtbaar voor de oordelende blikken van derden, kunnen doen, denken, praten, schrijven, experimenteren en kiezen wat ons goeddunkt.’ Het bespioneren van al ons doen en laten is hier een rechtstreekse aanslag op, of nog erger: het weten dat we mogelijk gevolgd worden is funest voor onze identiteit. Het is deze Glenn Greenwald, de Braziliaanse journalist die klokkenluider Edward Snowden hielp om vele documenten van de NSA openbaar te maken, en hij toont glashard aan dat deze organisatie niets anders op het oog heeft dan zoveel mogelijk informatie over iedereen bij elkaar te harken en daarvoor de meest abjecte middelen niet schuwt en maling heeft aan mensenrechten en grondwetten. Dat zij daarbij niets heeft bijgedragen aan het bestrijden van terrorisme, zodat dit niet het ware doel van haar obscure praktijken kan zijn.

Is het sciencefiction of werkelijkheid? Hoewel ik niet aan paranoia lijd en ook niet zo van complottheorieën hou, vrees ik het laatste. De meeste overheden hebben nu eenmaal de neiging om zoveel mogelijk macht te willen uitoefenen op haar burgers. In zijn boek krijgen vooral de Verenigde Staten, inclusief Obama, en Engeland ervan langs, en of het nu gaat om het verzamelen van zogenaamd onschuldige metadata of om met het programma XKeyscore snuffelen in de inhoud van al het internetverkeer maakt niet zoveel uit. Uiteindelijk heeft de NSA de macht om iedereen te volgen, computers en telefoons te hacken of onklaar te maken: laat er geen misverstand over bestaan dat deze organisatie haar hoofdvestiging in Fort Meade, Maryland, heeft moeten uitbreiden voor extra ruimte om al haar data op te slaan. Niet wij die hiervoor bang zijn lijden aan achtervolgingswaan, maar de regeringen die alles infiltreren, inclusief de journalistieke branche, bang als ze zijn van hun troon gestoten te worden door terroristen – de kans dat je door onweer getroffen wordt is groter dan dat je slachtoffer van een aanslag wordt – en andere dubieuze mensen zoals milieuactivisten, linkse occupyers en strijders voor mensenrechten.

Zo heeft het internet ons teruggebracht naar George Orwells 1984. In het kwadraat dan, want inmiddels zijn velen gezwicht voor de controlestaat, hebben ze zich erbij neergelegd en zijn ze het normaal gaan vinden. ‘Ik heb niets te verbergen,’ roepen ze dan. Maar ik vraag me af wat daarvan overblijft als je hen de gegevens van hun creditcards vraagt. Die NSA natuurlijk allang heeft of zou kunnen hebben, maar dat terzijde. Maar ik heb wel degelijk dingen te verbergen, want zonder iets te kunnen verbergen besta ik niet meer, pas ik me aan aan vigerende normen en waarden, zelfs zonder dat ik het zelf in de gaten heb. Zo wordt de wereld één grote vrije slavenmarkt van gehoorzame mensen die niet eens doorhebben dat ze slaven zijn. Slaven van geld en macht, van megalomane hebzuchtige ego’s die niet tevreden zullen zijn voordat elk grassprietje zich gedraagt zoals zij dat willen. Maar we zijn gehypnotiseerd met het geloof dat al deze surveillance goed voor ons is. Net als de camera’s die zeggen ‘over uw en onze eigendommen’ te waken. Alsof ze die ook geplaatst hadden als het alleen om ónze eigendommen ging.

Mijn mobieltje verraadt waar ik ben. Neemt wellicht stiekem foto’s en luistert misschien mee. Wat ik aan wie betaal, waar ik reis met mijn OV-chipkaart, waar ik op internet surf, wat ik mail en chat, wat ik twitter en op Facebook zet, welke blogs ik schrijf, met wie ik telefoneer, wat ik allemaal in Second Life uitspook, welke tv-programma’s ik bekijk en welke muziek ik speel – ik ga er maar van uit dat NSA en consorten alles van me weten. De essentiële vraag is echter of ik me daar iets van aantrek nu ik weet in de wereld van Big Brother te leven. Als je me wilt pakken, pak je me maar, want mijn vrijheid is me liever dan lief. Misschien getuigt het wel van de meeste volwassenheid om jezelf te blijven, hoeveel ogen er ook op je gericht zijn. Maar de meeste mensen zijn daar nog lang niet aan toe en zal de mogelijkheid om ware moed te betonen zoveel mogelijk gefrustreerd worden. Met het zaaien van angst voor de spiedende en normerende buitenwereld, of nog beter: angst voor hun ware zelf.

Wat de anderen van me vinden is hun probleem, niet het mijne. Makkelijker gezegd dan gedaan, deze mooie woorden, want ernaar leven kan lastig zijn. Gewoon omdat ik om de een of andere reden wil overleven. Maar dat zou wel de ware moed zijn, zoals Snowden die toont door zijn eigen weg te gaan, waarin gedaan moet worden wat gedaan moet worden, ondanks de consequenties ervan. Als je niet alleen fysiek maar ook psychologisch geweld in de definitie van terrorisme opneemt – en je kunt je afvragen wat erger is – zal je er in Ford Meade, Md, USA, een wereld voor je opengaan. Een plaatsje dat qua oppervlakte en inwonerstal niet veel anders is dan Blaricum, maar waarin we allemaal aanwezig zijn.

  • Facebook
  • Twitter
  • NuJIJ
  • Print
  • PDF
  • Add to favorites

Oikofobie

Date 27 mei 2014

Met zijn ontdekking van de oikofobie ontmaskerde Thierry Baudet wellicht een van de meest essentiële angsten, de moeder der fobieën die vreemd genoeg ontbreekt in de lijst van 418 angststoornissen waar we last van kunnen hebben. ‘Oikos is Grieks voor thuis,’ schrijft deze 31-jarige rechtsfilosoof op The Post Online. ‘Oikofobie is een ziekelijke afkeer van het thuis. Een angst voor het eigene. Een instinctieve neiging de eigen cultuur, de eigen gebruiken, de nationale identiteit en geschiedenis af te vallen. Belachelijk te maken. Te verzwakken, te beschimpen.’ Hoe dit ‘Weg met ons!’ de westerse cultuur steeds dieper doordrenkt ziet hij in de kunst die allesbehalve een gevoel van geborgenheid mag geven, in multiculturalisme en, last but not least, in het Europese project. Wat mij betreft mag daar ook het gemak aan worden toegevoegd waarmee we afstand nemen van onze privacy, want ook met het ‘Ik heb niets te verbergen’ en onze modieuze verheerlijking van openheid en transparantie ontnemen we onszelf het recht op een eigen terreintje, een plek waar we ongestoord onszelf mogen zijn, waar we gordijnen van onze slaapkamers mogen sluiten om gewoon even alleen of samen te zijn, intiem met onszelf.

Wat is het verschil tussen oikofobie en de angst om alleen te zijn? Uit eigen ervaring kan ik zeggen dat alleen het alleen zijn, ja juist dat alleen zijn leidt tot zelfkennis, creativiteit, ontplooiing. Wat op de piano rommelen gaat het mij best af als er niemand meeluistert, als ik iets wil schrijven wil ik niemand om me heen hebben en uiteindelijk vindt mijn spirituele zoektocht de meeste voeding in eenzaamheid. Er moet een ‘ik’ zijn, dat in veel alternatieve kringen vermaledijde ego, als grond van groei en ontwikkeling. Zaad kan alleen uitgroeien als het stil en verborgen in de aarde ligt, een eigen plekje opeist waarin het zich omhuld en beschermd weet. Zonder eierschalen waren er geen vogels, zonder baarmoeders geen mensen. Maar ook als we volwassen zijn hebben we nog steeds grenzen nodig waarmee we onszelf scheiden van de anderen, een persoonlijkheid en een lichaam die niet versmolten zijn met onze omgeving. Hoezeer het op het spirituele pad ook mag gaan om jezelf te verliezen, je één te weten met het bestaan, met God of hoe je het ook noemen wilt, er is iets als een eigen identiteit nodig, want wie of wat bereikt dan uiteindelijk die unio mystica? Eenheid kan alleen uit tweeheid worden geboren.

Oikofobie is een angst voor jezelf, een lafheid waarin je niet voor je eigen identiteit durft op te komen. Angst voor het ego. Terwijl zonder dat ik, zonder die grens tussen jezelf en de ander, zonder dat opkomen voor jezelf, zonder assertiviteit het zaad van groei al in de kiem wordt opgelost. Het ontnemen van het recht op het eigene is dan ook niets minder dan een aanslag op het leven zelf. Zonder zich te kunnen verbergen, zonder intimiteit, zonder de mogelijkheid om zich in stilte en rust te kunnen afzonderen zal er weinig nieuws worden geboren. Zij die nooit een thuis hebben gekend, die nooit onder gelijkgestemden hebben kunnen leven, die nooit ontroerd zijn door kunst, die zich nooit mochten thuis voelen in een vertrouwd dorp of stadsdeel vinden moeilijk vervulling in hun leven, ontheemd en verweesd als ze worden door de beroving van hun eigen identiteit. Het zijn de oikofoben die ons moderne kunst, multiculturalisme en megalomanie door de strot willen duwen alsof dat de ideale en enig mogelijke oplossingen zijn die ons verder helpen. Die ontwikkelingen willen forceren waar de meesten van ons nog lang niet aan toe zijn. Die getuigen van een angst om onszelf te zijn.

Oikofobie is een spirituele ziekte, de 419e angststoornis, de vlucht voor onszelf, onder al dan niet economische, maatschappelijke en spirituele pretenties gepropageerd door hen die een makkelijk te manipuleren wereld van zombies, mensen zonder ik, als hun ideaal en machtsmiddel zien. Een schot in de roos van Thierry Baudet, die ook nog op dezelfde dag jarig is als ik en er bovendien aantrekkelijk uitziet. En nu ook ook oikofilie toevoegen aan de lijst van liefdes, want daarin voel ik me helemaal thuis.

  • Facebook
  • Twitter
  • NuJIJ
  • Print
  • PDF
  • Add to favorites

Bezeten van bezit

Date 22 mei 2014

Leren jasje gestolen.
Was ik heel gelaten onder, deed me niet veel.

Wat is bezit?
Een afspraak.
Dat zich iets in mijn buurt mag bevinden, dat ik het mag gebruiken.
Dat anderen er geen recht op hebben.
Dat het op de een of andere manier aan mijn persoon gekoppeld is.
In de werkelijkheid bestaat bezit niet.
Dingen zijn er alleen maar, vrij, ongebonden, dartelend in een kleurige dans.
Alles is alleen van zichzelf.
Alles is alleen van alles.

Vaak wordt gezegd dat je bezit, geld nodig hebt om te overleven.
Maar juist als je het krampachtig wilt vasthouden, zal het zich van je losmaken.
Net als met liefde en met kinderen.
Vandaar vrije liefde.
Door je aan een ander vast te klampen verlies je hem, haar, het ding.
Net als met je kinderen.
Laat mensen en dingen zoals geld vrij om te gaan waar ze heen willen.
Het is in jouw buurt, gaat aan je voorbij.
Geniet van het spel als een spel, als virtual reality, en neem het niet serieus.

Wij zijn bezeten van bezit.
Hebben tegenover Zijn.
Hebben is een hulpwerkwoord dat jou aan iets anders koppelt.
Alsof je er groter door wordt.
Bezit zal je altijd ontnomen worden.
Je zult altijd bestolen worden.
Je denkt dat je een lichaam hebt, maar ook dat zal je ontnomen worden.
Wie ben jij die het ontnomen wordt?
In Zijn is geen plaats voor hebben.

Bezit verslaaft aan wat bezeten wordt.
Echt vrij ben je pas als je niets als je bezit beschouwt.
Geniet van wat voorbijkomt.
Laat het los als het weer gaat.
Vrijheid is ongebondenheid.
Zelfs het pad dat je gaat zal je niet bevrijden.
Uiteindelijk bezit je zelfs jezelf niet, omdat je niet twee bent maar één.
Voor dit inzicht hoef je alleen maar goed te kijken.
Bewustzijn is de ultieme sleutel.

Leren jasje gestolen.
Merkwaardig in de gure wind te wandelen.

  • Facebook
  • Twitter
  • NuJIJ
  • Print
  • PDF
  • Add to favorites

Zonneoffer

Date 17 mei 2014

Het geluid van een ver vliegtuig, een insect dat even langs mijn oren zoemt, zacht geruis van een grassproeier, een kind dat even schreeuwt, een optrekkende motor in de verte – ze accentueren de stilte in mijn tuin waar ik met ontbloot bovenlijf lui achterover in mijn stoeltje geniet van de warme, hoge zon. De tijd lijkt even stil te staan door zich uit te spreiden over herinneringen aan door vliegers en meeuwen overkoepelde warme stranden, voettochten door droge bergen, in het water klotsende bootjes en de verzengende hitte van paasvuren waar ik net iets te dichtbij wil zijn. Dan loop ik het liefst zo bloot mogelijk rond, genietend van het getintel op mijn bruinende lijf, tot aan het masochistische toe.

Ik heb een haat-liefdeverhouding met de zon, met vuur. Want daarin lijken de door Freud nog gescheiden Eros en Thanatos, de levensdrift en de doodsdrift, met elkaar te versmelten. Ja, als een echte romanticus denk ik dagelijks aan de dood, aan sterven als een ultieme climax van het leven waarin ik opga in het al, uiteenspattend om opgenomen te worden de de sterrenwereld. Hoop ik. Hoeveel aap er op deze broodjes zit weet ik niet, maar ik heb wel eens gehoord dat mannen een spontane zaadlozing krijgen op het moment dat ze opgehangen worden. En mensen die van een verdrinkingsdood zijn gered vertellen vaak over het heerlijke moment waarop uiteindelijk het water in je longen stroomt. Dus wie weet is het wel heerlijk om te sterven en is het puur gemakzucht dat we ervan uitgaan dat dit iets verschrikkelijks is. Misschien is het wel datzelfde verlangen dat hoogtevrees heet, het conflict tussen to be or not to be en to be and not to be.

Als puber las ik in een van mijn eerste boeken over sterrenkunde over een heilige die ‘levend en naakt op een rooster werd gebraden.’ Dat ging over Laurentius, in verband met de Perseïden die zich rond zijn verjaardag op 10 augustus uitstrooien over de nachtelijke hemel. Toen, op pagina 31, kon ik niet meer verder lezen, vervuld als ik was van een weemoedige walging en machtend verlangen waar ik niets mee kon. Dat boek moest even dichtgeslagen worden. Jammer, want Feiten en Fabels uit de sterrenwereld van R.W.M. Bakhuis, is eigenlijk een heel leuk boek, niet alleen astronomisch maar ook door de verhalen over de vele sagen en legenden die zich ’s nachts boven ons hoofd afspelen. Volgens andere bronnen zou Laurentius nogal lakoniek met zijn eigen barbeque zijn omgegaan. En misschien is dat wel zo, want wat blijft er over van pijn als je je er eenmaal helemaal aan hebt overgegeven? Pijn is weerstand en heeft geen functie meer als je toch al gebraden wordt.

Maar zoals dichtgeslagen boeken om aandacht blijven roepen, werd mijn leven vaak doorkruist door kannibalen en mensenoffers, als een mysterie dit je niet doorgrondt door het als pervers te bestempelen. Mellie Uyldert vertelt in Het zonnejaar dat in Macha Picchu mensen aan de zon werden geofferd: ‘Door bepaalde plantenextracten werd zo iemand in een toestand van extase gebracht en hij achtte zich bevoorrecht dat hij zo in de feestroes het rijk van het hemelse licht mocht binnentreden,’ lees ik op pagina 271. Ook heb ik ergens gelezen dat het bij de Azteken voor de winnaars van wedstrijden een hele eer was om op de offertafel te mogen sterven. Dat de slachtoffers zelfs eerst werden vetgemest om uiteindelijk opgegeten te worden, maar misschien is dat ook een broodje aap, eh… mens.

In mijn ideale sterven is alles doorzengd met een extatisch geluksgevoel in het volle hete zonlicht, in tegenstelling tot de macabere duistere wereld van extreme BDSM en lustmoord waar Thanatos overheerst en Eros buiten de deur wordt gehouden, waar het genot komt van het lijden van anderen en niet van hun vreugde en extase. Ik herken me dan ook heel sterk in wat Jung over mensenoffers schrijft: hij duidt ze psychologisch als de oproep van het Zelf aan de mens om zijn ego te doden, zoals ik in Wikipedia lees. Ja, een offer aan de zon is eigenlijk een offer aan je hoger Zelf. En misschien is het – paradoxaal genoeg – juist het verdringen van dit geofferd willen worden, van onze eigen behoefte aan sterven, van de behoefte om niet alleen te eten maar ook gegeten te willen worden, dat leidt tot zoveel agressie, oorlog en perversie in de wereld.

Ja, in real life ben ik nog bang voor de dood, maar het zal me niks verwonderen als ik na mijn sterven als geest naar mijn lichaam kijk en dan niet meer snap waarom ik daar nou zo moeilijk over deed. Waarom ik niet, net als in de film Sunshine, in de zon kon stappen om door het vuur verzwolgen te worden. Extreem? Misschien mis ik wel de mooiste ervaring door dat niet te doen. Maar om de een of andere reden ben ik, afgezien van praktische bezwaren, nog niet zo ver. Ben ik bang dat het pijn doet. Vind ik het niet leuk voor mensen die mij en mijn rare weblogs zullen missen en zo. Vrienden bij wie ik een leegte achterlaat. Een onbezette stoel in de gemeenteraad. Gedoe. Fantasieën heb je zelf in de hand, doen geen pijn en zijn veilig. Misschien is dat ook allemaal ego, maar voorlopig hou ik het daar nog maar even bij.

Intussen zit ik in de schaduw van een boom, wordt het wat kil door vlaagje wind en trek ik een sweater over mijn blote bast. Maar een zonaanbidder blijf ik. Dat heeft me eens, lang geleden, iets van een zonnesteek laten voelen en daar ben ik eigenlijk best een beetje trots op.

  • Facebook
  • Twitter
  • NuJIJ
  • Print
  • PDF
  • Add to favorites