De reis om de wereld in 80 dagen

Date 20 mei 2015

In 1956 kreeg de bioscoop Nöggerath in de Reguliersbreestraat in Amsterdam een extra breed scherm om De reis om de wereld in 80 dagen te kunnen vertonen. Mijn ouders namen mij mee en als negenjarig jongetje was ik meteen verliefd op die film, vrij naar het boek van Jules Verne. De clou van het verhaal is dat Philias Fogg een weddenschap wint waarin hij beweert in 80 dagen de wereld rond te kunnen reizen en een datum afgesproken wordt waarop hij terug zal zijn in zijn club in Londen. Hij meent net een dag te laat te arriveren, maar terug in de Engelse hoofdstad blijkt hij toch nog op tijd te zijn omdat hij in oostelijke richting de datumgrens was gepasseerd. Maar ik was als kind meer onder de indruk van al die landschappen en taferelen in vreemde werelden, vooral waar de reis door India en Amerika gaat. Later kreeg ik op een verjaardag een 25cm-langspeelplaat met de mooie muziek uit die film. En ik maar dromen en genieten.

Al eerder had mijn vader me wel eens meegenomen naar de Cineac aan de overkant. Aan de voorkant ging je naar binnen en aan de zijkant verliet je de zaal weer, en kwam je uit in een steegje tegenover een patatkraam. Voor het eerst zag ik daar Polygoon-journaals en hoorde ik de beroemde stem van Philip Bloemendal, die nog vele jaren later in de Amsterdamse metro te horen zou zijn. Wat me echter het meest verbaasde was dat mijn vader heel nonchalant het filmdoek durfde aan te raken, want daar snapte ik eigenlijk niks van. In die Cineac zag ik ook eens een film van een arm van een robot, die een dag later in mijn fantasie boven mijn bed verscheen, waarop ik in paniek in mijn moeders armen vluchtte. Ik was kennelijk nog te jong om een verschil tussen fantasie en werkelijkheid te kunnen maken. Of zoals ik het nu zou zeggen: virtual reality van de echte wereld te onderscheiden.

Films zijn een goed voorbeeld van virtual reality, want voor je het weet word je er helemaal in ondergedompeld. Ze zijn nogal immersief, zoals dat met een mooi woord heet. Virtual reality is helemaal geen nieuw verschijnsel, want het gaat om alle technieken waarbij je het hier en nu vergeet, je in een andere wereld belandt die er concreet niet is. Je kan jezelf erin verliezen, en dat is dan ook de grote angst van niet alleen realisten maar ook van spiritueel georiënteerde mensen: je verliest het contact met het hier en nu. Echter omdat ze met dat hier en nu meestal de concrete werkelijkheid bedoelen, verraden ze daarmee hun eigen materialistische inslag. Want in hun hier en nu is geen plaats voor dromen en fantasieën, voor beeldende kunst en literatuur, want ook die voldoen immers aan de definitie van virtual reality.

Terug naar de film met David Niven, Cantinflas, Fernandel, Shirley McLaine, Robert Newton, Bustere Keaton, Peter Lorre en vele anderen waaronder ook momenten met Marlene Dietrich en Frank Sinatra. Ik was helemaal verloren in de spannende momenten waarop een prinses bijna gedoemd was met haar echtgenoot te sterven, een trein bijna in een ravijn stortte, Foggs reisgezel Passepartout bij de indianen op de brandstapel belandde, een houten schip opgestookt werd om Liverpool te kunnen bereiken en nog veel meer. Ja, Around the World in Eighty Days is nog vele jaren mijn topfilm gebleven en tot vandaag de dag speelt de muziek ervan in mijn hoofd. Reizen, andere werelden. Daarover dromen en fantaseren… Kennelijk was ik op mijn negende, mede door mijn liefde voor de sterrenhemel, al een beetje los van de aarde.

  • Facebook
  • Twitter
  • NuJIJ
  • Print
  • PDF
  • Add to favorites

Meneer de voorzitter

Date 13 mei 2015

Gisteravond heb ik in het gemeentehuis in de voormalige Bernardusschool weer een vergadering voorgezeten. Of beter: een rondetafelgesprek. Daarin worden onder andere raadsvoorstellen besproken, kan het college om advies vragen, kunnen raadsleden bijgepraat worden, en kunnen burgers inspreken. Net zoiets als commissievergaderingen, maar Blaricum heeft er een andere structuur voor gekozen, iets waarvoor ik al van begin af aan enthousiast was. Wat er wellicht mee te maken heeft dat ik het gewoon leuk vind om zo’n vergadering voor te zitten. Dat vraagt wel wat voorbereiding want over alle onderwerpen moet je natuurlijk op zijn minst globaal wel het een en ander weten. Een inschatting kunnen maken van wat waarschijnlijk al dan niet heikele discussiepunten gaan worden.

Naast raadsleden of mensen uit steunfracties zitten er ook vaak andere mensen rond de tafel, zoals de burgemeester en de wethouders en ambtenaren. En mensen ‘van buiten’, zoals gisteren van de rekenkamer, die vragen over een door haar uitgevoerde ‘korte toets’ kwamen beantwoorden, en de accountant van Ernst & Young die een toelichting gaf op zijn goedkeuring van de jaarrekening en die daarover werd bevraagd. Naast me zit altijd de griffier met wie ik van tevoren een en ander al heb doorgenomen en op wie ik altijd een al dan niet gefluisterd beroep kan doen als er onverwachte dingen gebeuren. De vergadering duurde drie uur – inclusief een korte pauze die ik halverwege inlaste – en iedereen had na afloop een voldaan gevoel.

Waarom ik dit zo leuk vind? Misschien wel omdat ik het belangrijk vind om een goede sfeer te scheppen. Dat doe je niet door je keihard en strak aan de regels te houden. Zo vroeg ik aan het college of zij op iets wilde reageren. ‘Dit is nogal ongebruikelijk,’ vond de burgemeester. ‘Maar soms is iets ongebruikelijks ook leuk,’ antwoordde ik. Uiteindelijk hield ze zich toch liever op de achtergrond en het was goed zo, want dit was iets voor raadsleden om elkaar onderling over te bevragen. Ze mogen in eerste instantie twee vragen stellen en soms smokkelt iemand er onopvallend een derde vraag bij, maar juist door dat lichtvoetig te benaderen – ‘Ik dacht dat u al twee vragen had gesteld, maar het waren kennelijk vraag 1a en 1b?’ – doen weinigen er moeilijk over. Ja, ook humor draagt bij aan een goede sfeer. Maar dat is moeilijk te plannen, dat gebeurt gewoon.

Soms heb ik het wel moeilijk met de uitgebreidheid van vragen en antwoorden. Als iemand iets al gezegd heeft, waarom moet hij het dan nog eens in andere woorden herhalen? Als ik een vraagteken, komma of punt hoor ligt mijn wijsvinger alweer op de knop van de microfoon, maar omdat ik zelf wellicht een beetje te vlug van begrip ben, trek ik hem vaak weer terug. Wat niet wegneemt dat ik soms écht iets moet afkappen, met de beschikbare tijd als argument om dat te doen. Vooral insprekers ‘van buiten’ hebben er moeite mee zich aan de afgesproken vijf minuten te houden wat soms pijnlijke situaties oplevert die ze echter zelf hebben opgeroepen omdat ze van tevoren van de tijdlimiet op de hoogte zijn gesteld. ‘Ik geef u nog één minuut om af te ronden,’ zeg ik dan na vijf of zes minuten.

Misschien vind ik dit alles zo leuk omdat het verbindend werkt. Ik vind het namelijk – tegen het goede politieke gebruik in – best moeilijk om een hekel aan mensen te hebben, ook als ze standpunten innemen die ik helemaal niet zie zitten, of als ze je uitdagend het bloed onder je nagels vandaan trachten te halen. Kennelijk straal ik zoiets uit. Aan de ene kant is dat wellicht een beetje naïef maar aan de andere kant hou ik wel de boel bij elkaar. Waarbij best plaats is voor wat medelijden met de oppositie als de coalitie iets wil dat zij niet wil. ‘Tja, het is niet anders,’ zeg ik dan met opgetrokken schouders en open handen.

Het is een evenwicht tussen lichtvoetigheid en strengheid, waarbij ik dat laatste indien nodig wel met argumenten onderbouw. Waarbij ik niet bang ben dat er over me heen gelopen wordt, juist door dat een klein beetje toe te staan. En mezelf continu centraal hou, want ik ben de voorzitter en ik heb de regie! Niet alleen door steeds te benoemen wie het woord krijgt, maar ook door onverwachte opmerkingen. Bijvoorbeeld door er, zoals gisteren, aan het begin op te wijzen dat het veel rust geeft óók na afloop niet online te zijn. En door aan het eind van de vergadering te vertellen dat Mercurius de planeet van communicatie en dus ook van vergaderen is – op zo’n moment heb ik honderd procent aandacht – en dat die planeet nu onderging zodat dat het een mooi moment is om de vergadering te beëindigen.

Voor een groot deel dank ik dit alles aan Wim Kozijn, die een poosje burgemeester in Blaricum is geweest en voor mij nog steeds de meest ideale burgemeester is die ik mij kan voorstellen. Ik zat een jaar of acht geleden tijdens een commissievergadering in de publieke tribune. Net als hij. De voorzitter kwam niet opdagen en iedereen keek naar mij om hem te vervangen, en Kozijn joeg me achter de tafel na mijn protesten over dat ik dit nog nooit eerder had gedaan en zo. Af en toe begeleidde hij me vanuit de tribune met een paar woorden en ik begon het eigenlijk heel leuk te vinden allemaal.

Verbinding zoeken. Deelnemers het gevoel geven dat zij al hun eieren kwijt kunnen. Niet al te serieus en af en toe een moment voor lichtvoetige humor. En tegelijk de regie houden, onder andere door duidelijk te zijn over het hoe en waarom van het verloop van de vergadering. Ja, ik kreeg complimenten na afloop alsof dit het soort vergaderingen was zoals het altijd zou moeten zijn. Ik hou van complimentjes – zo ben ik wel – en heb vannacht dan ook heerlijk geslapen.

  • Facebook
  • Twitter
  • NuJIJ
  • Print
  • PDF
  • Add to favorites

Vergeten vrijheid

Date 5 mei 2015

‘Het recht niet gezien, gehoord en gevolgd te worden.’ Dat is vrijheid volgens Tommy Wieringa in de Gooi- en Eemlander van 2 mei. ‘Om geheimen te hebben en het leven in te richten zoals het je goeddunkt, zonder een staat die controleert of dat wel de juiste levenswijze is en zijn morele opvattingen opdringt.’ Waarmee hij de hypocrisie aantoont van een overheid die enerzijds vrijheid hoog in het vaandel heeft, maar aan de andere kant veiligheid kennelijk belangrijker vindt dan vrijheid, want zij doet aan alle kanten inbreuk op onze privacy. Een overheid die te stom is om zich af te vragen wat vrijheid nog betekent als er geen privacy meer is. De enige vrijheid die er overblijft is die van de gebaande paden. En een ieder die daar een stap naast doet wordt gevangen in het net van datamining. En dat kan ons allemaal overkomen. Een overheid die zijn eigen burgers wantrouwt is zelf geen vertrouwen waard.

Mensen die zeggen niets te verbergen te hebben zijn brave voorbeeldige burgers die zich keurig gedragen zoals het hoort. Die vieren vandaag vrolijk een vrijheid waarbij hun ouders en grootouders toch wel wat twijfels zouden hebben gehad. Ik zag veteranen en voelde plaatsvervangende schaamte omdat we de door hen zo bloedig bevochten vrijheid hard aan het verkwanselen zijn. Want we laten ons onzichtbaar begluren en besturen, opdat elke discussie over het minste afwijkende idee al in de kiem wordt gesmoord. We vinden het goed dat we geen geheimen meer mogen hebben. Geen recht meer hebben op een ongestoord alleen zijn met onze eigen fantasieën en ideeën. Niet meer anders dan anderen mogen zijn. Niet meer écht outside the box mogen denken en doen. Ja, ik heb wél wat te verbergen – en niet alleen mijn pincode – en wat dat is gaat anderen helemaal niets aan.

Veel verzetsstrijders wisten hoe bloedlink het verzamelen van gegevens is, en als straks Poetin of de sharia hier regeert zullen we daar de wrange vruchten van plukken. Dan zal blijken hoezeer de datamining van de overheid voor onze veiligheid garant staat. Tegen die tijd kan ik beter zorgen dat ik wegkom uit het leven – een keuze waarvan Sartre me terecht bewust heeft gemaakt – want dan is er geen lol meer aan. Nee, ik voel vandaag even helemaal niks van vrijheid, want de oorlog lijkt écht vergeten te zijn. Zoals we ook vergeten zijn wat vrijheid is. Tijdens de stille tocht gisteren in Blaricum werd er al aardig wat afgekwaakt. Vandaag scharen een felle wind, regen- en onweersbuien zich boven de feestvierders, en misschien wel terecht. En wij maar kwaad zijn op de boze en huilende natuur die ons feest bederft.

  • Facebook
  • Twitter
  • NuJIJ
  • Print
  • PDF
  • Add to favorites

Dag van de Arbeid

Date 1 mei 2015

Vandaag is het de Dag van de Arbeid. Een dag waarvan ik nooit veel heb begrepen. Want hoe kan je arbeid vieren door juist op die dag vrij te nemen? Kennelijk zijn we helemaal niet zo blij met al dat werken, want anders gingen we er vandaag met zijn allen flink tegenaan. Maar ambtenaren hebben vrij. Net als bankiers, maar dat kan geen kwaad lijkt me, integendeel. Een hypocriet dagje dus, die eerste dag in mei. Want we zijn helemaal niet blij met de arbeid! Ja, we doen alsof, en er zullen best wat mensen zijn die blij zijn met hun werk. Maar de meesten zijn nog blijer als ze na een werkdag weer thuis zijn en wanneer de vakantie is aangebroken.

Het is oorspronkelijk een socialistische feestdag, ter ere van het afdwingen van de achturige werkdag, wat natuurlijk geen overbodige luxe was. Maar om er een verheerlijking van de arbeid van te maken ging mij altijd een beetje te ver. Omdat arbeid in mijn ogen heel vaak slavernij is. Ja, daar waren we vroeger ook al goed in. Maar dat ze slaven zijn zullen weinig werknemers toegeven, geïndoctrineerd als ze vaak zijn door de verheerlijking van werk die vandaag de dag door zowel links als rechts hoog van de toren wordt geblazen. Behalve dan op The first of May. Gij zult hardwerkende Nederlanders zijn, en zo gij dat niet zijt bent u profiteurs, luilakken en gelukzoekers, niet tot enig goed in staat!

Natuurlijk moet er wat gewerkt worden om de samenleving draaiende te houden, en is het niet onredelijk als iedereen daar een eigen steentje toe bijdraagt. Maar dan wel een eigen steentje, want alles dat niet uit de mensen zelf komt, dat opgedrongen en geforceerd is kan nooit iets goeds opleveren. Je moet je hart en ziel in je werk kunnen leggen, enthousiasme, bevlogenheid. Jezelf kunnen zijn. In de jaren zeventig en tachtig wandelde ik vaak langs de Bergwijkdreef tussen Eeftink (waar ik woonde en dat recent is afgebroken) en metrostation Diemen-Zuid. Het was zonnig weer en ik kwam langs een bouwplaats waar ze de toekomstige Hogeschool Inholland aan het metselen waren. Heerlijk leek me dat. Lekker concreet werk uit je handen, gezond buiten werken. Maar toen ik dichterbij kwam hoorde ik de radio schetteren en realiseerde ik me dat ik ook zou moeten leren naar meiden te fluiten.

‘Topman Kok nam pot,’ palindroomde mijn visionaire vader lang voordat de vakbondsleider minister van Financiën werd. Mijn ouders hielden niet zoveel van socialisten en pas in mijn studententijd hoorde ik het eerst De Internationale. Wat ze zich niet afvroegen was hoe werkgevers hun arbeiders zover kregen dat ze muziek onder het werk nodig hadden, dat ze floten naar passerende meisjes, De Telegraaf gingen lezen en zodanig op hun hurken gingen zitten dat ik me steeds moest inhouden om geen muntje in hun bilspleten te werpen. Ja, vandaag de dag worden niet alleen arbeiders maar bijna alle werkende bevolkingsgroepen geïndoctrineerd om steeds harder te werken en het verplicht leuk te vinden. De vrije markt is verworden tot een vrije slavenmarkt.

Iedereen zal werken! En als er geen werk is dan scheppen we banen en plempen we de wereld vol met overbodige, snel slijtende, onzinnige producten die allesbehalve duurzaam en milieuvriendelijk zijn, bij voorkeur in plastic verpakt. Waarmee we weer banen scheppen voor de managers en reclamejongens die ons laten geloven dat die ons leven zullen verrijken. Terwijl eigenlijk een drie- of vierurige werkdag voldoende zou zijn om veel relaxter, gelukkiger en gezonder te leven. Maar dat gaat mooi niet door omdat werk heilig is. Wie niet werkt zal niet eten. Arbeit macht frei. Ja, als het bezield werk is klopt dat. Maar in plaats daarvan is het een verplichte verslaving geworden die ons bij voorkeur 24/7 bindt. En we laten het allemaal gebeuren! Ontwaakt, verworpenen der aarde!

  • Facebook
  • Twitter
  • NuJIJ
  • Print
  • PDF
  • Add to favorites

Vakkenvuller en zakkenvuller

Date 26 april 2015

Sommige jongens worden in één klap beroemd en in het geval van vakkenvuller Soufian Afkir is dat helemaal terecht. Beroemder zelfs dan zijn tegenpool zakkenvuller Dick Boer die hij tijdens de aandeelhoudersvergadering van Ahold toesprak. Een tragisch figuur, die Boer, die denkt dat hij rijk is omdat hij 3,7 miljoen verdiende in 2013. Je zal maar bekend staan als zakkenvuller, en hoe vertel je dat later aan je kinderen? Dat je één van de velen bent die heeft bijgedragen aan een wereld die aan graaien kapot gaat en de samenleving ontwricht? Die wellicht Albert Heijn zelf zich alsnog in zijn graf doet omkeren door zichzelf zo asociaal te verrijken met zijn erfenis? Nee, ik zou niet in de schoenen van Dick Boer willen staan. Ik zou me doodschamen als ik hem was.

Soufian verdient € 5,96 per uur en vroeg namens Young and United wat meer loon. Niet onterecht, lijkt me. Want voor wat de bestuursvoorzitter verdient moet hij 299 jaar werken. ‘Meneer Boer, wij voelen ons uitgekleed. We doen héél werk, maar krijgen er maar de hélft voor betaald,’ vertelde hij, waarna hij de helft van zijn pak uittrok. Applaus! Eigenlijk zouden al die jongeren gewoon een paar dagen moeten staken. Samen met alle vrijwilligers die immers ook om niet de samenleving overeind houden. Dan ligt meteen het hele land plat. En dit dan volhouden totdat alle graaiers zijn opgestapt en hun dreigement dat ze in het buitenland gaan werken hebben waargemaakt. Opgeruimd staat netjes. Waar zijn de vakbonden trouwens gebleven?

Eigenlijk is het schokkend om te zien dat dit soort sujetten nog altijd openlijk op vrije voeten rondloopt. Misschien dat Boer zich veilig voelde, zo naast graaigenoot Jan Hommen. Wat een zielige vertoning! Zeker als je zijn antwoord vanuit zijn hautaine hoogte hoort: ‘Kijk, uw vraag ligt natuurlijk heel duidelijk op de onderhandelingstafel van de cao’s.’ Volgens mij lag die in de zaal van Muziekgebouw aan ’t IJ. ‘En ik denk dat die daar ook thuishoort en zeker niet in een aandeelhoudersvergadering vandaag.’ Waarom niet? ‘Ehm… Ja, en ook de getallen die u noemt, daar denk ik ook niet dat dat nu vandaag de behoefte is daarop in te gaan.’ Terwijl ik zie dat daar juist wél behoefte aan is. Wel sneu voor Soufian. Mag je vragen stellen op zo’n vergadering, maar krijg je geen antwoord. Hoewel het ontbreken van een antwoord hier wel heel duidelijk is: wij blijven graaien zolang het nog mag en kan!

De plofkip wordt duur betaald…

  • Facebook
  • Twitter
  • NuJIJ
  • Print
  • PDF
  • Add to favorites

De jongen

Date 20 april 2015

Terwijl ik Matisse achter me laat en de trap naar de centrale hal van het museum afdaal valt mijn oog op een kunstwerk dat je bijna over het hoofd ziet en waaraan dan ook veel bezoekers na een blik van enkele seconden voorbijgaan. Een paar studenten zitten en liggen roerloos op de grond, wat op zich wellicht niet zo bijzonder is want het gebeurt wel vaker dat mensen zichzelf in het openbaar tot standbeeld verheffen en zich bewegingsloos in het heden vastprikken zodat er niets meer van hen overblijft dan hun tijdloze zijn te midden van het hectische rumoer van een drukke doorjakkerende wereld waarin iedereen de tijd tracht te doden door nergens bij stil te staan. De natuur is de leermeesteres, in dit geval de leermeester van de kunst. Want een van hen is een jongen met een blonde krullenkop, gekleed in blauwe jeans en bijbehorend denim overhemd, en die wil ik straks eens goed bekijken nadat ik mijn tas uit het kluisje heb gehaald. Want daarvoor zit hij daar, om bekeken te worden, wellicht zelfs om bewonderd te worden. En ik ben brutaal genoeg om dat heel openlijk te doen.

Nooit heb ik begrepen waarom zoveel kunstenaars vrouwen kiezen als hun schoonheidsideaal, wat feministe Germaine Greer noemt ‘de overheersende rol van de vrouwelijke schoonheid in de kunst en de media van de afgelopen periode,’ zoals ze schrijft op de achterflap van het fotoboek De jongen, ‘over mannelijke schoonheid’, dat zij in 2003 het licht liet zien. ‘In de eeuwen daarvoor was het juist de man, en dan met name de opgroeiende jongen, die het schoonheidsideaal beheerste.’ Wellicht vindt zij het van een gebrek aan emancipatie getuigen als vrouwen zich laten gebruiken om door mannen geschilderd, gebeeldhouwd en gefotografeerd te worden, maar het is tegenwoordig ook ‘moeilijk om te erkennen dat veel mannen wel degelijk mooi zijn, in elk geval gedurende een bepaalde periode van hun leven, en dat sommige mannen zelfs van een onthutsende, zeg maar gerust goddelijke schoonheid zijn,’ zoals Greer schrijft in de proloog. In die adolescentie zijn ze geen kind meer en net niet volwassen, verkeren ze in een onzeker niemandsland en wellicht is het een natuurwet dat mensen juist op die leeftijd, in die veel te korte periode het mooist zijn.

Als ik weer in de hal terugkom zit hij daar nog steeds. Kaarsrechtop, met zijn benen voor zich uitgestrekt, steunend op beide handen. Er glimmen spijkers op de pijpen van zijn jeans. Blote voeten in witte sneakers. Heeft hij een pruik op of is het echt mooi blond haar? Eigenlijk hoef ik dat niet te weten – als het maar mooi is, en dat is het. Ik pak mijn mobieltje en ga een meter of vijf van hem vandaan op mijn hurken zitten. Laat de menigte voor en achter me langs lopen. Ja, hij is mooi en kijkt me bijna recht aan. Hij moet zien dat ik hem in mijn lens heb, maar hij blijft onbeweeglijk. Het is alsof ik hem vang terwijl hij door zijn in vrijheid zelfgekozen machteloosheid niets anders kan dan mij aan te kijken. Misschien vindt hij me wel een vieze nicht, maar dat vind ik best allemaal. ‘L’enfer, c’est les autres,’ zei Sartre, en wellicht ben ik wel even de hel voor hem. Met een klik zet ik de tijd stil tot een onherroepelijk en onherstelbaar moment dat nu onbeweeglijk in mijn mobieltje vastzit: 17 april 2015, 17:06 uur. Ik pak mijn tas weer. Het past niet in zijn rol om hem te bedanken zodat ik voor hem naamloos en onbereikbaar het museum uitloop. Niet alle kunst is virtual reality. De zon schijnt.

  • Facebook
  • Twitter
  • NuJIJ
  • Print
  • PDF
  • Add to favorites

Legalize!

Date 15 april 2015

Onlangs bleek dat Opstelten de boel heeft belazerd met zijn argumenten om een stokje te steken voor de teelt en verkoop van wiet, iets waarvoor D66 zich onlangs nog hard maakte. Ja, hoewel de visie van deze partij me niet altijd duidelijk is, ben ik het soms best met D66 eens, zoals met hun ideeën over een basisinkomen. Dat ik het eens ben met zo’n regulering van softdrugs is niet alleen omdat daarmee gezondheidsrisico’s beperkt worden, maar ook omdat het een besparing van zo’n 500 miljoen euro kan opleveren. Een win-winsituatie zou je zeggen, maar voor Opstelten was dat nu even minder belangrijk. Dat blijkt uit een artikel van Freek Schravesande in NRC Weekend van zaterdag 11 en zondag 12 april. Knap trouwens, dat zo’n krant op twee dagen tegelijk kan verschijnen, maar dit terzijde.

Dat tachtig procent van de geteelde wiet naar het buitenland gaat was voor onze ex-minister van Veiligheid en Justitie een reden om de klok van het Nederlandse softdrugsbeleid decennia terug te draaien. Eindelijk zag Opstelten zijn kans schoon om toe te slaan. Jammer alleen dat die tachtig procent allesbehalve wetenschappelijk is onderbouwd, zodat niet anders geconcludeerd kan worden dan dat de uitspraken van deze repressieve mastodont politieke uitspraken zijn. Als raadslid zie ik ook vaak twijfelachtige onderzoeken voorbijkomen waaraan ik niet zoveel waarde hecht, en ook hier is duidelijk gespeeld met interpretaties, het verdonkeremanen van onwelgevallige onderzoeksresultaten en het in het zonnetje zetten van deelresultaten die wél in het politieke straatje passen. Naar representativiteit, betrouwbaarheid en validiteit moet je vaak met een kaarsje zoeken. Waarom zei Opstelten niet gewoon dat hij tegen drugsgebruik was en baseerde hij zich op schijnargumenten? Dan was hij tenminste eerlijk, iets wat wel gepast is voor iemand die over justitie gaat.

Het mag intussen bekend zijn dat zijn politieke voorkeur, de VVD, niet echt de mijne is. Al in de jaren zestig begreep ik niet wat er nu eigenlijk liberaal is aan het verbieden van drugs, en achteraf denk ik dat mijn haat jegens de VVD toen begonnen is. Waarom mocht ik niet mijn jointje roken terwijl zij wel aan de drank mochten? Als je zoiets vindt ben je toch niet goed bij je verstand? Legalisering is niet alleen de beste manier om criminaliteit aan te pakken maar ook om daar een verstandig mee te leren omgaan. Omdat er veel meer ruimte komt voor voorlichting en er meer verantwoorde drugs op de markt komen. Als je alcohol verbiedt gaan mensen zelf de meest enge dranken stoken. Schaarse middelen ben je gauwer geneigd om in grotere hoeveelheden te gebruiken en het hoge THC-gehalte – ook zo’n argument om tegen legalisering te zijn – is wellicht juist het gevolg van een repressief drugsbeleid. Bovendien is nog niet eens aangetoond dat een hoog gehalte schadelijker is dan een laag gehalte, zo lees ik in hetzelfde artikel in NRC Weekend.

Hebben mensen het recht om drugs te gebruiken? Ik vind van wel, en daarmee ben ik kennelijk liberaler dan de VVD. Ben ik verantwoordelijk voor mensen die aan drugs te gronde gaan? Ook hier ben ik het mee eens met mijn ongeloof in de ‘eigen verantwoordelijkheid’. Maar het is juist omdat mensen aan drugs te gronde gaan dat ik geloof in het heil van legalisatie ervan. Ik snap dan ook niets van het huidige rechtse neoliberale beleid dat enerzijds mensen zorgeloos in armoede en ellende stort waardoor mensen eerder aan de drugs gaan, maar dan tegelijk mensen verbiedt om drugs te gebruiken, wat voor hen de enige ontsnapping is aan een keiharde wereld waar het egoïsme verheven is tot ideaal.

Nu Grote Broer Opstelten weg is en wellicht een ander goed betaald baantje heeft, gun ik hem zijn borreltje na een dag als hardwerkende Nederlander. Maar als hij consequent is onthoudt hij zich daarvan. Hoewel ik betwijfel of hij de logica daarvan inziet. Intelligentie is nu eenmaal niet de beste kwaliteit van rechts.

  • Facebook
  • Twitter
  • NuJIJ
  • Print
  • PDF
  • Add to favorites

Stoa

Date 6 april 2015

Als ik de Stoa mag geloven zijn intelligente mensen gelukkiger dan domme mensen. En daarvoor hadden die Grieken en Romeinen ijzersterke argumenten. Bij hen staat emotie tegenover verstand. Sterker nog: emoties zijn het gevolg van verkeerd, onredelijk denken. En emoties zullen je nooit echt bevredigen, anders dan op korte termijn. Het ware geluk is geen emotie maar een innerlijke beleving van rust en vrede. Als we die niet ervaren wil dit alleen maar zeggen dat we een verkeerd idee hebben over de werkelijkheid waarin alles één is en alles met alles samenhangt. De enige juiste weg is de dingen accepteren zoals ze zijn en je niet laten verleiden tot oordelen over wat goed en slecht is, mooi en lelijk en andere schijnbare tegenstellingen. Geluk is altijd in het hier en nu, vrij van nostalgische herinneringen en smachtende verlangens, die ook producten van het denken zijn. Redelijkheid is weten dat alles goed is zoals het is en dat het ook niet anders had kunnen zijn. Het ware weten is zich bewust van de noodzakelijkheid van alles zoals het is, dat iedere zandkorrel precies op zijn eigen plek ligt.

We zijn niet overgeleverd aan toeval, en dat is goed want het is juist de noodzakelijkheid van natuurwetten die ruimte schept om te kunnen zijn wie we zijn, zodat we niet meer hoeven te streven naar iets dat we niet zijn. We zijn niet overgeleverd aan een god of transcendente kracht buiten ons, en het is juist onze onvrijheid die rust geeft, en daarmee openheid om onszelf en de wereld te ervaren en te accepteren zoals ze zijn, wat ware liefde is. We zijn niet overgeleverd aan een noodlot omdat dat alleen maar kan als we menen dat dingen anders zouden moeten zijn dan wij in onze arrogantie denken. Elk mensbeeld, elk wereldbeeld is gebaseerd op emoties van een ik dat streeft naar verbetering, verandering, groei, evolutie, wat allemaal onrust veroorzaakt. Laat alles zijn zoals het is, en accepteer zelfs je emoties opdat die tot rust komen door hen een eigen plek te geven. Doen door niet te doen, zien door niet te kijken, horen door niet te luisteren – laat alle agressie in je waarneming varen want die vergiftigt en vertroebelt de geest en maakt het verschil tussen illusie en werkelijkheid.

De kern van alle religie en mystiek is overgave. Niet uit zwakheid of lafheid, maar uit kracht en moed. De kern van alle religie en mystiek is het verlies van jezelf, of juist het vinden van jezelf door de realisatie dat je veel meer bent dan je ik, je persoonlijkheid, je gedachten en gevoelens. Dat je een losstaand vrij wezen bent is een illusie want alles is met alles verbonden, geen keuze of oordeel is echt de jouwe, geen verantwoordelijkheid of gedachte van jou alleen. Stop met het denken in tweeheden, met het onderscheid tussen jou en de ander, tussen goed en slecht, tussen wenselijk en onwenselijk, tussen mooi en lelijk, tussen leven en dood, tussen echt en onecht, want dat getuigt alleen van onjuist, onredelijk denken. Alleen het ware denken kent zichzelf, weet zijn beperkingen en beseft dat er meer is tussen hemel en aarde dan wat het zelf voor mogelijk houdt. Bevrijd je van onjuist denken dat meent dat er levensproblemen zijn waarvoor oplossingen bedacht moeten worden. Laat je hersenen volwassen worden opdat ze zich niet meer laten meeslepen door angsten en verlangens die ze als kind hebben bedacht. Pas dan is er vrede, ultieme gemoedsrust, ataraxia.

Het is juist hiervoor dat we het denken hebben meegekregen. In spirituele kringen wordt maar al te vaak het denken verketterd omdat het nog een eigenwijs kind is dat meent alle wijsheid in pacht te hebben. Maar gooi dat kind niet met het badwater weg en geef het de tijd om erin gereinigd te worden. Laat het zijn emoties van zich afwassen, zuiver worden. Opdat het zich niet zijn hele leven laat meesleuren door geld, voetbal, werk en andere wanen van de dag. Het is juist het denken dat ons gelukkiger kan maken. Zijn intelligente mensen dan ook gelukkiger dan domme mensen? Dat hoeft niet altijd het geval te zijn, want intelligentie en domheid kunnen soms heel goed samengaan, zoals we bijvoorbeeld zien bij slimme politici. Maar intelligentie geeft wel mogelijkheden om zich de belangrijke levensvragen te stellen, te filosoferen, zich op het spirituele pad te begeven en de waan van de dag te overstijgen. Er is dus wel degelijk verschil. Het zij zo. Echt erg is dat niet want we zitten nu eenmaal niet allemaal in dezelfde klas, maar zullen wel allemaal uiteindelijk volwassen worden. Ook dat is een natuurwet.

Met dank aan Jan Drost wiens verhaal over de Stoa in zijn boek Denken helpt mij heeft geïnspireerd voor deze 500e blog.

  • Facebook
  • Twitter
  • NuJIJ
  • Print
  • PDF
  • Add to favorites

Recent Ouija

Date 1 april 2015

‘Ik zie het niet als een tweede wereld, maar als onderdeel van de onze,’ zegt Ed Atkins in een promotiefilmpje van zijn expositie Recent Ouija, die tot 31 mei te zien is in het Stedelijk Museum in Amsterdam. Een ‘spookhuis’ volgens Nina Polak, die de tentoonstelling bezocht en daarover schreef in De Correspondent: ‘Het overkoepelende onderwerp van Atkins werk is onze verhouding tot een toenemend virtuele cultuur, waarin menselijk contact steeds immateriëler wordt.’ Toen Sjoerd over de tentoonstelling las, dacht hij natuurlijk meteen aan mij, gefascineerd als ik ben door virtuele werelden. Maar ook omdat we in de jaren zestig, samen met anderen, bezig waren met parapsychologie. Het Ouijabord – ideaal om contact met overledenen op te nemen – is ons dan ook niet onbekend. Wij dus afspreken bij het Stedelijk Museum, wat ik ondanks de drukte als gevolg van de stroomstoring die dag toch nog bereikte, zij het met een half uur vertraging en moe van het staan in de bus en van het lopen omdat er weinig trams waren.

De expositie vond plaats in vier halfdonkere ruimtes in de kelder, en het meest was ik onder de indruk van Ribbons dat gepresenteerd werd op drie grote schermen tegelijk. Maar wat was het? Ik zag in prachtige kleuren een mooie jongen roken, drinken, plassen en mompelen om na het zingen van Erbarme dich uit de Matthäuspassion te sterven omdat zijn hoofd als een ballon leegliep. Of het nu om Happy Birthday!! gaat, om Warm, Warm, Warm Spring Mouths, zijn blik liet me niet los omdat hij je overal strak blijft aankijken. Aangevuld met schijnbaar onsamenhangende teksten, geluiden en muziek, belandden we in surrealistische werelden. We waren dan ook lekker op de grond tegen de muur gaan zitten, trachtend dit allemaal te begrijpen, wat natuurlijk hopeloos mislukte omdat dat de bedoeling helemaal niet was. Het deed me denken aan de halve droomwereld van vlak voor het in slaap vallen, ooit heel mooi getoonzet door The Beatles in Revolution 9.

Maar naar wie keken we eigenlijk? Het viel me helemaal niet zo op dat ik naar een avatar zat te kijken in plaats van naar iemand van vlees en bloed. En toen zijn hoofd implodeerde vond ik dat een mooie videotrucage. Eigenlijk hield het me niet zo bezig of ik nu een avatar zag of niet, en evenmin kon ik de expositie net als Nina Polak als een spookwereld ervaren, hoewel de naam ervan dat wel moest suggereren. Als ik blanco de tentoonstelling was binnengelopen zou ik wellicht niet eens aan virtual reality hebben gedacht, waarschijnlijk omdat ik alles niet echt immersief vond: ik werd nergens ondergedompeld en bleef nog steeds in het Stedelijk Museum terwijl ik deze prachtige hedendaagse kunst bewonderde. De spookachtige enge sfeer vond ik juist heel mooi, inclusief het degeneratieve karakter van veel presentaties, met thema’s als dood, seks, drank, wanhoop en zelfbeschadiging. Lelijkheid kan ook heel mooi zijn, het hangt er maar net van af of je het accepteert of niet.

Wel moet ik toegeven dat na afloop de echte wereld wat onecht overkwam, net als na het zien van een film in een bioscoop. En misschien is dat wel terecht omdat het ook zo is. De toeristen die zich voor – of beter: achter – het Rijksmuseum laten vereeuwigen voor, in en op de manshoge letters van ‘I amsterdam’, leven die dan niet in een droom? Dromen we niet continu zolang we niet in het hier en nu leven, zolang we denken, oordelen, angstig zijn en verlangen, zolang we niet alles gewoon laten zijn wat het is? Leven we zonder de directe ervaring van dat wat is niet voortdurend in een zinsbegoocheling? Het belangrijkste dat we van virtual reality kunnen leren is dan ook dat eigenlijk alles virtual reality is. Of dat virtual reality niet bestaat. Zoals Ed Atkins zei: ‘Ik zie het niet als een tweede wereld, maar als onderdeel van de onze.’

  • Facebook
  • Twitter
  • NuJIJ
  • Print
  • PDF
  • Add to favorites

Ben ik mijn brein?

Date 28 maart 2015

Volgens Dick Swaab, de man die beweert zijn brein te zijn, past ons hele geheugen, samen met al onze kennis en overige psychische inhouden, in onze hersenen. Omdat ik me dat moeilijk kan voorstellen, ben ik eens aan het rekenen geslagen. Want als ons geheugen niet in onze grijze massa past heeft hij een probleem, namelijk dat hij zijn brein niet is. En dat wens ik hem van harte toe. Echter als al onze herinneringen en kennis wél in onze hersenen passen heb ik een probleem. Ik ben dus maar eens aan het rekenen geslagen. Heel grove berekeningen, zodat het onderstaande een hoog ‘pak hem beet’-gehalte bevat, maar ik moet ergens beginnen.

Hoeveel informatie kan er eigenlijk in onze hersenen? Ik ga daarbij uit van wat grove getallen die ik op het internet vond. Dat we 86 miljard hersencellen hebben, die allemaal 50.000 verbindingen, synapsen geheten, met andere hersencellen kunnen hebben. En dat een synaps een logische aan/uit-functie heeft, zeg maar één bit vertegenwoordigt. Dan heeft ons geheugen – graag even meerekenen – een capaciteit van 4,3 biljard – zegge 4.300.000.000.000.000 – bits, wat te vergelijken is met 537 TB computergeheugen. Daarvoor hebben we nu nog een kast met 537 harde schijven nodig, maar wellicht staat dat aantal bytes over een paar decennia op een SSD in onze computers. Volgens de Scientific American hebben we zelfs vijf keer zoveel geheugen als de halve petabyte waartoe mijn berekening leidde.

Omdat kennis ooit opgedaan is via de zintuigen, beschouw ik ook al die kennis als herinneringen. De tafel van 7 heb ik er indertijd in moeten stampen – ik herinner me zelfs dat het strafwerk was – door hem te repeteren, een motorische actie van herhaling die echter ook een zintuigelijke ervaring was. De meest essentiële vraag is echter: wat is een herinnering? Ik ervaar dat als een beeld, al dan niet aangevuld met geluid, geur, smaak, warmte, pijn, evenwicht en proprioceptie, samen met meer abstracte exif-gegevens zoals het wanneer en het waar van de herinnering. Om de geheugencapaciteit van zo’n herinnering te bepalen zal ik – het was al eerder gezegd – een slag in lucht moeten slaan.

Hoeveel bits neemt een beeld in beslag? En hoeveel beelden kunnen we ons herinneren? Laten we zeggen dat een ruw beeld in 24-bits kleur in een kubus – het is immers 3D – met ribben van 1000 pixels past. Dat is dan 24 miljard bits. Ervan uitgaande dat ook onze hersenen wel aan iets als datacompressie zullen doen, deel ik dat getal door 10, zodat er 2.400.000.000 bits per beeld overblijven. Omdat herinneringen uit meer dan alleen beelden bestaan, lijken ze een veelvoud van dit aantal aan synapsen nodig te hebben, maar dat valt tegen. Opslag van gecomprimeerd geluid heeft maar zo’n 1 MB per minuut nodig, de menselijke reuk is niet ons meest verfijnde zintuig, onze smaak kunnen we uitdrukken in zoet, zuur, zout en bitter, de warmte, pijn en proprioceptie past makkelijk in twee bytes per plek in ons lichaam waarvan we er hooguit enkele duizenden kunnen onderscheiden, en ons evenwicht zal ook in een paar bytes te coderen zijn. Al met al: peanuts vergeleken met de opslag van beeld.

Dus laat ik het er – ja, het blijft een slag in de lucht – op houden dat in onze hersenen plaats is voor zo’n 1,8 à 9 miljard herinneringen. Met de opslag van één herinnering per seconde zijn onze hersenen ergens tussen onze 57e en 285e verjaardag vol. Enorme getallen! Omdat ik niet aanneem dat we ons elke seconde van ons leven herinneren, maar blij mogen zijn als er uiteindelijk gemiddeld één herinnering per dag overblijft – ook een slag in de lucht – betekent dit dat we na een 80-jarig leven nog maar 70 biljoen bits gebruikt hebben, ofwel tussen de 0,32 tot 1,6% van onze hersencapaciteit van tussen de 4,3 en 21,5 biljard bits. Dit gaat echter alleen nog over herinneringen, terwijl onze hersenen nog veel meer te doen hebben. Neem het autonome zenuwstelsel dat zaken regelt als ademhaling en spijsvertering, en dat de hartslag bijstuurt. Neem onze ingebakken reflexen waarmee we op ons afkomende objecten vermijden en moeten poepen als we angst hebben. En neem, last but not least, het onderbewuste waarvan gezegd wordt dat het veel en veel groter is dan wat in ons bewustzijn zit. Denk maar eens aan de meest gekke dingen die na jaren opeens in je bewustzijn kunnen oppoppen. Maar zelfs als ik dat er allemaal bij optel kom ik nog steeds niet op die halve tot tweeënhalve petabyte in mijn schedel, ook niet als we 10% ervan niet gebruiken, zoals beweerd wordt. Tot nog toe kan Dick Swaab dus helemaal gelijk hebben!

Al die herinneringen passen dus best in onze schedel. Althans als je onze hersenen als een soort computer beschouwt. Met chips op de moederkaart als kortetermijngeheugen en een harddisk als langetermijngeheugen. Wellicht met een eigen bestandssysteem om data te kunnen vinden, een soort FAT32, NTFS of ext4. Met links die verbanden leggen zodat associaties ontstaan. Met de hypothalamus als computerklok. Op zich zijn dat niet zulke gekke gedachten, ware het niet dat je toch vragen kunt stellen bij deze materialistische benadering van de menselijke geest. En dat hersenen wellicht slimmer zijn dan ze zelf kunnen bedenken. Maar er blijft toch een aantal verschijnselen over dat er moeilijk mee te verklaren is.

Neem het waterhoofd, waarbij geconstateerd is dat bij sommige redelijk functionerende mensen na hun overlijden gebleken is dat van hun hersenen weinig meer over was, soms alleen maar wat prut. Maar zelfs dat zou wellicht nog geen probleem hoeven te geven als er maar een coherente 0,32 tot 1,6% van de hersenmassa overblijft. Nog interessanter vind ik de experimenten van Karl Lashley die aantonen dat bij ratten het geheugen zich niet op een bepaalde plek, maar overal verspreid in de hersenen bevindt. Hoewel aan dat experiment best af te dingen is, is het idee van de hersenen als hologram de wereld nog niet uit, met name dankzij het werk van Karl Pribram. Als elke herinnering overal in de hersenen wordt opgeslagen – en ik kan me voorstellen dat die ook een back-up willen bewaren – komen we hoe dan ook synapsen tekort!

Ik heb het er trouwens nog niet eens over gehad dat ook nog iets als denken gebruik maakt van hersencapaciteit, beperkt als ik me heb tot het zintuigelijke en het geheugen. Bovendien is er dan ook nog iets als creativiteit en fantasie. En, last but not least, bevindt zich ook nog – in meerdere of mindere mate – bewustzijn onder het schedeldak. En daar ging het uiteindelijk om bij de vraag ‘Ben ik mijn brein?’ Want als ik mijn brein ben, en ik bewustzijn ben, dan zou bewustzijn dus gewoon fysiek in mijn brein zitten. Maar ik heb nog nooit iemand horen vertellen wat voor spul bewustzijn eigenlijk is. Zodat ik pas geneigd ben om meneer Swaab gelijk te geven als hij me wat bewustzijn in een reageerbuisje presenteert: ‘Kijk, dit is het nou!’ Wat niet uitsluit dat bewustzijn niets anders is dan het energieveld rond hersenactiviteit, dat in een EEG zichtbaar wordt en waarvan de ritmes samenhangen met bewustzijnstoestanden als waken en slapen. Al met al genoeg om over na te denken – mijn hersenen hebben het er maar druk mee.

  • Facebook
  • Twitter
  • NuJIJ
  • Print
  • PDF
  • Add to favorites