Woodstock 50 jaar

Date 16 augustus 2019

We waren er niet bij maar luisterden eindeloos naar de muziek. Laat in de avond, begin van de nacht op Pims kamer. Stoned natuurlijk. Hij had de tripelelpee op de band gezet, zodat hij niet steeds de platen hoefde om te draaien. Van John B. Sebastians I had a dream tot Jimi Hendrix’ Purple Haze lagen we in het halfduister te genieten van het leven in Woodstock. Zelfs in de regen die door de hippies onder leiding van Santana al dan niet met succes bezworen werd. Country Joe McDonald met zijn protestsong tegen Vietnam dat besloten werd met ‘Yippie, I’m gonna die.’ Crosby, Stills, Nash and Young, Joan Baez, the Who met ‘See me, feel me.’ Het debuut van Joe Cocker die met wapperende handjes zijn versie van With a little help from my friends zong. Ten Years After met I’m going home. Muziek die ik dronk, net als de Sunsip waarmee we ons laafden, en die ik nooit meer zou vergeten.

Was het een droom? Honderdduizenden mensen die onder barre omstandigheden feest vierden. Er zullen best wat onaangenaamheden uit de geschiedenis zijn weggepoetst, maar alles heeft zonder relatief veel ongelukken plaatsgevonden. Seks, drugs en rock and roll – het was er allemaal in overvloed. Peace, flowers, freedom, happiness. Tegenwoordig zouden we betwijfelen of dat alles goed zou aflopen met zo weinig controle en voorzieningen. Het zou trouwens niet eens meer toegestaan worden want daarvoor hebben we de maatschappij veel te complex gemaakt met allerlei wetten en regels die iets spontaans in de weg staan. Wat wellicht een van de redenen is dat het nu na vijftig jaar niet gelukt is om het nog eens dunnetjes over te doen. Dat zou trouwens ook niet echt kunnen, want de tijdgeest is zwaar veranderd. We nemen hippies niet meer serieus, vinden het eigenlijk maar indolente slappe mietjes. Vandaag de dag moet je niet meer komen aanzetten in kleurige kleding, versierd met kralenkettingen en bloemen in je haar. Maar in één ding waren ze beter dan wie dan ook. Gelukkig zijn.

Het was geen droom. Het was werkelijkheid. Dat het een droom zou zijn wordt vaak beargumenteerd met het feit dat zoiets niet lang stand houdt. Maar is dat een reëel criterium? Veel elementen onderaan het periodiek systeem overleven niet eens een fractie van een seconde, maar toch hebben ze hun eigen plekje gekregen. Datzelfde argument krijg je ook vaak te horen als je over communes begint: die donderen ook na een paar jaar toch weer in elkaar, zoals dat ook hier in Blaricum een dikke eeuw geleden is gebeurd. Maar als je één witte raaf ziet bewijst dat toch ook dat ze bestaan? Alles is tijdelijk. Ook onze cultuur en onze aarde zijn maar tijdelijk, maar niemand zal zeggen dat ze alleen maar een droom zijn. Bovendien suggereert het woord ‘droom’ dat er iets onechts aan de hand is, en ook daar kun je vraagtekens bij zetten. Het gegeven dat iets überhaupt even bestaan heeft is al bewijs genoeg. Bewijs van een mogelijkheid, een bezieling, de aanwezigheid van iets dat onze huidige orde en verstand te boven gaat. Inspiratie komt met korte flitsen en veel religieuze mensen zeggen dat Jezus nog altijd leeft.

Ik hou van hippies, de vertegenwoordigers van de meest revolutionaire jongerenbeweging die er de laatste tijd geweest is. Omdat ze de weg naar binnen volgden, geluk opeisten. Want als je zelf niet gelukkig bent kun je doen en actie voeren wat je wilt, maar je zult de wereld er niet mee verbeteren. Egoïstisch? Narcistisch? Het is de enige weg. Verbeter de wereld, begin bij jezelf. Geef je zonder schuldgevoel over aan je innerlijke vreugde en omhels alles. Laat je leiden door liefde, vier het leven! Het is bewezen dat dat kan. Al was het maar voor drie dagen, er heeft toen wel iets nieuws massaal van zich laten horen. Ik was er niet bij, maar wel met mijn hart en ik ben daar dankbaar voor. Nog steeds.

  • Facebook
  • Twitter
  • NuJIJ
  • Print
  • PDF
  • Add to favorites

Rookschaamte

Date 5 augustus 2019

Als verslaafdgemaakte heb ik wel eens last van rookschaamte. Alsof ik me verdedigen moet, zoals tegen die gezellige chauffeur. Op het busstation van Huizen halteert de bus daar meestal een minuut of vijf. Motor af, even naar buiten. Ik ook. Om even wat te roken natuurlijk. Maar deze man was het niet daarom te doen, maar om even te bellen. ‘Hou er toch mee op,’ en voor ik het wist vergat ik hem te vragen waarom ik dat eigenlijk zou moeten doen, en hem op het verschil tussen e- en tabakssigaretten te wijzen. Drie kwartier later ging ik op het eindpunt Amstelstation ook weer even zitten dampen, maar zag in gedachten dertig meter voor me de chauffeur nog steeds meewarig naar me kijken. Net zoals ik wel eens voor het BEL-kantoor in Eemnes voorafgaand aan een raadsvergadering aangestaard word door mensen die langskomen. Het is een stukje van mijn imago geworden daar. Gelukkig sta ik daar meestal niet alleen. Stond, moet ik zeggen.

Want griffier Ralph waarschuwde me al toen we op de bus naar Bergen stonden te wachten. ‘Slecht nieuws, Satyamo’ want na de zomer zou het rookverbod niet alleen binnen, maar ook buiten de gemeentelijke gebouwen gelden. Op het hele terrein. Ik zag mezelf al lopen tussen de heen en weer rijdende auto’s op de ruime parkeerplaats, op weg naar de openbare weg vijftig meter verderop, me afvragend waarom auto’s dan eigenlijk wél op die parkeerplaats mogen komen. Dat je binnen, in besloten ruimtes niet mag roken vind ik redelijk, althans voor zover het niet je eigen huis is. Maar buiten, waar de rook meestal al snel opstijgt, zoals op een perron waar de wind dwars door het station waait? Ja hallo? Ik heb meer last van stinkende uitlaatgassen hoor! Op de carpoolplaats hier halteren bussen soms met hun uitlaat twee meter voor mijn neus als ik daar op een bankje zit. Het kost me weken om daar tegenop te roken. En dan zou ik nog tabak moeten gebruiken ook.

Een rookvrije generatie. Kinderen niet met roken confronteren. Prachtig! Maar bij dat BEL-kantoor heb ik nog nooit een kind gezien. Ook de rookruimte binnen het kantoor is inmiddels opgeheven, zodat het zo’n veertig ambtenaren nodeloos moeilijk wordt gemaakt. Ik ervaar dat als gewoon pesten. Net zoals het soms eindeloos zoeken naar een rookplek op het perron. ‘Een tevreden roker is geen onruststoker,’ hoorde je wel eens zeggen. Dus als ontevreden roker heb ik wel eens de behoefte om in opstand te komen. Maak me bijvoorbeeld eerst eens duidelijk wat er zo schadelijk is aan tabakloos elektrisch roken. Maar dat weet niemand, terwijl het toch een stap in de goede richting zou zijn als rokers dat meer zouden gaan doen. Want geen kankerverwekkende tabak. En tabak is gewoon smeriger, voor je het weet plakt en kleeft van alles in je huis als je dat jarenlang binnen doet. Wat een klus om al die cd’tjes weer schoon te maken toen ik ermee gestopt was!

‘Mensen aanmoedigen om te stoppen is wellicht nog te verdedigen. Rokers het leven moeilijk maken is dat niet,’ schrijft ex-roker Frank Hindriks, hoogleraar ethiek en sociale en politieke filosofie in Groningen, vandaag in nrc.next. Hij herinnert de lezer eraan dat volgens de liberale filosoof John Stuart Mill ‘de overheid alleen vrijheidsbeperkende maatregelen mag nemen als daarmee schade op derden wordt voorkomen.’ Hij waarschuwt voor de tirannie van de meerderheid. Dat ‘legt een gebrek bloot van het democratische principe ‘de meeste stemmen gelden’. Daarom is het belangrijk de rechten van minderheden – en daarmee van elke individuele burger – te verankeren in de grondwet.’ Dat psychiatrische patiënten eerst maar eens moeten stoppen met roken, vindt de auteur ook maar onzin. ‘Het lastig vallen met idealistisch maar betuttelend antirookbeleid werkt dan alleen maar averechts.’

Hindriks conclusie is me uit het hart gegrepen. ‘Het rookvrij maken van Nederland klinkt mij iets te totalitair in de oren. Dat roken slecht is voor anderen kun je oplossen met rookplekken. Dat roken slecht is voor rokers betekent kennelijk dat je ze met een belerende vinger van het terrein af kunt sturen. Alsof rokers mindere mensen zouden zijn.’ Tja. Daar sta ik straks als een eenzame James Dean aan de Zuidersingel in de regen. Soms denk ik dat ik maar eens een pakje echte Marlboro moet gaan kopen. Zonder rookschaamte.

  • Facebook
  • Twitter
  • NuJIJ
  • Print
  • PDF
  • Add to favorites

De isheid van het bestaan

Date 30 juli 2019

Bhagwan deed er nog een schepje bovenop met me Satyamo te noemen, Sanskriet voor ultieme waarheid. Want dat heeft me al mijn hele leven al achtervolgd. Wat is waarheid, wat is echt, wat is werkelijkheid? Mijn verslaving aan die onderwerpen is de schuld van Neptunus die aan mijn midhemel staat, en door een exacte driehoek met Mercurius wil ik daarover nog schrijven ook. ‘De waarheid, anders liever dood!’ schreef ik eens aan mijn moeder. Tot mijn verbazing vond ze dat geen mooie woorden. Dat ik psychologie ging studeren heeft ook met dit alles te maken, op zoek naar het ware zelf in het onbewuste. Dat is de schuld van Saturnus en Pluto in mijn achtste huis. Ik wilde altijd al de diepte in. Hoewel ik moet toegeven dat ik het hele Zuiderbad bij elkaar krijste toen ze me voor de eerste keer letterlijk in het diepe gooiden. Ook mijn liefde voor sommige  drugs heeft ermee te maken, net als mijn smachten naar mystiek, maar dat is de schuld van Jupiter die ongeaspecteerd in mijn twaalfde huis staat en ook nog heer van mijn ascendant is, de Boogschutter die zoveel van reizen houdt.

Ik heb altijd geloofd dat je alleen door ontspanning en overgave tot de waarheid, de werkelijkheid, het echte kan komen. Zoals Bhagwan me zei: niet door denken, maar via het hart en intuïtie. Alsof je pas echt objectief kan zijn als je afstand neemt van jezelf, je eigen oordelen. Ik deed dan ook vaak ontzettend mijn best om te ontspannen. Soms met open ogen die niet mochten bewegen zodat het hele visuele beeld in elkaar klapte. Dat was best moeilijk en zelfs fysiek uitputtend. Het duurde een paar jaar voor ik ontdekte dat ontspannen eigenlijk helemaal niet kan omdat ook dat weer iets is wat je doet, iets van het ik of ego. Te vergelijken met de woorden van iemand in mijn boek die zegt dat je niet kan klaarkomen omdat je de klaarkomst moet afwachten. Net zoals je bij Toon Hermans niet om de appelmoes hoort te vragen, maar dient te wachten tot die voorbij komt. Mensen kunnen helemaal niet klaarkomen of ontspannen, hooguit iets bereiken dat daar een slap aftreksel – excusez le mot – van is.

Soms krijg ik koude rillingen van iets dat ik denk of schrijf, en dat zegt me dat het waarheid is. Omdat mijn hele lichaam ermee meetrilt. Een paar keer was dat zelfs een seksuele opwinding die me vertelde dat ik op het goede spoor zat, dat het echt was. ‘Een erectie als wegwijzer,’ grap ik wel eens. Terwijl er fysiek helemaal niets opwindends te beleven was. Een oudere vrouw met wie ik in gesprek was. Een computer waarop ik aan het programmeren was. Waarheid voel ik met mijn lijf dat vibreert. Mijn weg naar waarheid zijn muziek en dans, vertelde Bhagwan me. Met mijn gitaar had ik al zo’n honderd liedjes gecomponeerd, dus daar ontbrak het niet aan. Koude rillingen bij mooie klassieke muziek vertellen me dat er een diepere waarheid in schuilt, dat er ware tonen worden gesproken over een echte andere werkelijkheid. Met dansen heb ik het moeilijker. Dat was vroeger iets waar ik les in kreeg, maar dat heeft me nooit aangesproken. Wellicht omdat al die klassieke dansen alleen maar een echo zijn van een échte dans die zich ongecontroleerd aan me voltrekt. Waar de muziek me meesleept en ik zelf helemaal niets anders doe dan me laten meedeinen op de klanken terwijl ik zelf helemaal stil ben van binnen. Pas dat is dansen voor mij.

Je komt pas tot waarheid, schoonheid, werkelijkheid, echtheid of hoe je het ook noemen wilt door los te laten, overgave, flow. Maar dat zijn dingen die je niet kunt doen. En die je pas overkomen als je na veel moeite ontdekt hebt dat je ze niet in de hand kan hebben. Ik zwierf door kerken en sekten, drugs en satsangs. Bij sommige had ik het al snel bekeken, maar bij anderen hield ik het langer vol zoals in de prachtige verstilde tempels van de Rozenkruisers die mij echter te dogmatisch waren. En het lastige van satsangs vind ik dat je geacht wordt om vragen te stellen, maar die kon ik nooit vinden zonder dat ik al van tevoren het antwoord erop wist. De enige vraag die ik ooit kon bedenken was bij Bhagwan: was dit niet allemaal een grote grap? Ja, dat was het. Aan Bhagwan – en dan heb ik het over de tijd voordat hij naar Amerika ging – heb ik het meeste te danken. Vandaar wellicht dat ik daarom Osho liever Bhagwan noem. Ik lees nog steeds boeken over spiritualiteit. Van Nisargadatta tot Tolle staat er steeds minder nieuws in, maar allemaal vertellen ze op hun eigen manier over de weg naar waarheid, verlichting, en dan veert mijn herkennend hart weer op. Even bijtanken.

Ik ben gewoon moe geworden van vragen of anderen of ik zelf verlicht zijn of niet, welk pad het beste is om tot waarheid, echtheid of werkelijkheid te realiseren. Het gevolg is dat ik maar wat doe. Theosofen en antroposofen maken het voor mij maar nodeloos ingewikkeld, hoe graag ik ook met rode oortjes een boek van Heindel las. Het ingewikkelde moet je ont-wikkeld worden totdat er maar één woord, gevoel of gedachte overblijft. Dan is alles gewoon waar, echt en werkelijk. Niets meer te doen, uitrusten. Is al mijn gezwerf dus zinloos geweest? Ik denk van niet, want anders had ik indertijd geen ontslag genomen bij de Amrobank terwijl me net was aangeboden om in de hypotheeksector verder te gaan. Niks mis mee, maar de psychologie liet me niet los. In zekere zin ben ik een zwerver. Was student, werknemer, werkeloos en uiteindelijk een zelfstandige. Ik ben een rare. Maar dat is de schuld van mijn Zon in Waterman.

We wandelden zondag langs maïs- en korenvelden, zaten stilletjes op een bankje er over uit te kijken. Ik moest denken aan een van mijn eerste liedjes: I awake. Dat speelde en speelt zich hier af. Even niets te zoeken. Ik noem dat de isheid van het bestaan, de ultieme waarheid. Meer is er niet. Einde verhaal.

  • Facebook
  • Twitter
  • NuJIJ
  • Print
  • PDF
  • Add to favorites

Maanziek

Date 21 juli 2019

Raket naar de Maan. Mannen op de Maan. Die verhalen van Kuifje hielden mij als kind zo bezig dat ik ervan droomde voor het slapen gaan. In mijn fantasie was ik zelf natuurlijk de eerste mens op de Maan. Het was zelfs een vervolgfantasie, want twee avonden achter elkaar droomde ik mezelf ermee in slaap. Ik was een jaar of acht. Was al veel bezig met de hemel, sterrenbeelden. Vond het heel belangrijk om te weten dat de aarde in 23 uur, 56 minuten en 4,09 seconden om zijn as wentelde, iets wat nog steeds zo blijkt te zijn. Bouwde rond mijn elfde liever van stokken en lakens een planetariumpje in mijn kamertje dan dat ik buiten met vriendjes speelde. Want mijn vader had me meegenomen naar het planetarium in Den Haag en ik was diep onder de indruk. Met klasgenootje Govert – zijn moeder was volgens mijn moeder ‘gek’ – wilde ik een heuse raket bouwen – iets waar natuurlijk nooit iets van kwam. Evenmin als van die duikboot waarmee ik jaren daarvoor al met schoolvriendje Maarten in de grachten wilde varen. Grote oorzaken, kleine gevolgen.

Het was de tijd van de Spoetnik. Van de Russen die hondje Laika de ruimte in stuurden. Afijn, allemaal nu te zien op de mooie documentaire Chasing the Moon. In mijn eerste studiejaar kletste ik mijn Gereformeerde Vriend (Niet Vrijgemaakt) de oren van het hoofd over het Rad van Von Braun. Twee jaar later zagen we in Londen 2001: A Space Odyssey, en ik was helemaal overweldigd. Nog steeds trouwens. Net als door het lied Brain Damage van Pink Floyd waar een ‘lunatic’ in het gras zit. Van het album The Dark Side of the … Moon. Psychedelica droegen uiteraard ook bij aan mijn liefde voor de kosmos. Aan ruimtelijk inzicht heb ik trouwens nooit gebrek gehad. Als je dat niet hebt schijnt stereometrie een lastig vak te zijn. Weer een paar jaar later kwam astrologie in beeld, misschien omdat ik daarin veel diepere kosmische wetten aanvoelde. En toen ik Vriend ontmoette bleek hij een tijdje sterrenkunde te hebben gestudeerd maar daar toch wat op af te knappen. Omdat het hoofdzakelijk rekenwerk was en astronomen vooral techneuten bleken te zijn, met weinig verwondering over de sterren. En van hun roots in de astrologie moeten ze al helemáál niks hebben. Voor de astrologen: mijn Maan staat in Ram in het vierde huis.

De klassieke vraag. Waar was ik toen de eerste stap op de Maan werd gezet? Vandaag vijftig jaar geleden? Liftend trok ik met mijn Gereformeerde Vriend (Niet Vrijgemaakt) door België. We hadden het daar onlangs nog over toen ik hem in Amsterdam opzocht. Het zal in of bij Oostende geweest zijn dat André met wie we meereden een foto van me wilde maken. Ik vond het best allemaal, en in mijn slipje sta ik zegenend op een paaltje. Hij zou de foto nog opsturen. Dat deed hij niet, maar ik had ook zijn adres en na een herinnering stuurde hij die keurig op. Volgens mijn vriend had hij ook foto’s van me willen maken in een hotelkamer. Hoewel ik me daar niets van herinner kan dat best gebeurd zijn. Die uitnodiging bedoel ik. Kennelijk heb ik dan toen afgewezen. Ik weet niet of ik daar nu spijt van moet hebben of niet. Ondanks het wratje dat ik toen nog op mijn kin had was ik best een mooie jongen. Niet eens zo lang geleden heb ik die foto weer gevonden en hem gescand. Dat gebeurde dus kort voor de eerste voet op de Maan, die plaatsvond op 21 juli om 3:56 uur. In Amerika was het toen nog 20 juli.

In de kantine van een camping in Oostende bleven we lang op om het allemaal te zien. Dat was trouwens een bijzonder verjaardagscadeautje voor mijn vriend die op die 21e juli 21 werd. Maar ik herinner me niets meer van de zwart-wit beelden op de televisie. De Apollo 11, terwijl Waterman het elfde dierenriemteken is. Een grote stap voor de mensheid. Dat was het zeker, hoewel ik me niet herinner daar in de tent nog van gedroomd te hebben. Ik vraag me af of ik de rest van die kampeervakantie er nog aan gedacht heb. Ik herinner me trouwens van die hele vakantie niet meer zoveel. Mijn vriend hoopte – vertelde hij me veel later – dat we op vrouwenjacht zouden gaan, iets waar ik in de verste verte niet had gedacht. Ook niet aan een jongensjacht trouwens, daar was ik echt nog niet aan toe want ik hoopte toch in zijn minst een beetje heteroseksueel te zijn. Samen met een vriend avonturen beleven vond ik veel belangrijker. En nog steeds vind ik vriendschap veel belangrijker dan seks.

The dark side of the Moon. Ik was daar nog niet klaar mee. En wat werd daar trouwens mee bedoeld? Want vanaf de aarde kun je de achterkant van de Maan nooit zien, terwijl het op die achterkant niet altijd donker is want tijdens Nieuwe Maan is het een en al licht daar. Lastig. Met teveel hersenen kun je overal makkelijk een probleem van maken. Hoe dan ook: in de erop volgende jaren werd ik geconfronteerd met mijn eigen ‘dark side’ en was ik soms ook bang om gewoon gek te worden, al dan niet zittend in het gras. Een psychotische aanval in het Vondelpark duurde gelukkig maar een paar uitzichtloze uren. En dat was écht niet leuk! Maar tot vandaag de dag hou ik van de Maan. En ik hoop nog steeds dat de Maan onbesmet zal blijven, iets waarover ik als jongetje al een gedichtje schreef, over haar wonderbaarlijke licht dat me nog steeds elke nacht aanstaarde maar verloren dreigde te gaan onder menselijke nederzettingen.

Osho had het vaak over de Maan. No water no Moon over Chiyono die zich rotschrok toen zij er achter kwam dat ze alleen maar naar een reflectie van de Maan in het water keek. Fingers pointing to the Moon over mensen die alleen naar het wijzende gebaar kijken in plaats van naar de Maan zelf. Kennelijk kan je ook door de Maan verlicht raken. De Maan is vaak het symbool van de moeder, het vrouwelijke en voedende, het koesterende en beschermende, veiligheid, je afkomst, het verleden, je thuis. Ook van vertrouwen, want zelfs na de diepste duisternis tijdens een Nieuwe Maan keert ze weer terug. Door haar reflectie zie je het zonlicht zonder verblind te raken, weet je dat de Zon er zelfs in de nacht nog steeds is. Zo is ook de Maan zelf een al dan niet romantische vinger die stil naar de Zon wijst, die ons herinnert aan de Zon in ons, aan onze diepste afkomst.

De eerste voet op de Maan. Een opstap om verder de ruimte te verkennen, om in het mysterie te duiken. Niet alleen in de ruimte buiten ons maar – nog gevaarlijker – in de ruimte binnen ons die minstens even groot is. Geen wonder dat je daar een beetje gek van kan worden. Maar er is nu eenmaal geen andere weg dan via de Maan. En kinderen en gekken zeggen nu eenmaal de waarheid.

  • Facebook
  • Twitter
  • NuJIJ
  • Print
  • PDF
  • Add to favorites

The grass grows by itself

Date 20 juli 2019

Afgelopen week hebben we een paar dagen bij Piet en Mary gelogeerd. In Leiderdorp, waar alleen een jaagpad hun huis van de Oude Rijn scheidt. Ik leerde Piet een kleine veertig jaar geleden in Poona kennen, waar we kamergenoten waren en heel veel met elkaar optrokken. Lezingen van Bhagwan in de Buddha Hall, waar we ook meditaties deden. Therapiegroepen. Darshans in het Chuang Tzu Auditorium. Sigaretjes roken in de Smoking Temple. Sannyas met Bhagwans duim op je derde oog. Terug uit Poona ging ik vaak bij Piet logeren. Hij had toen nog zijn praktijk aan huis en rookte rustig door tijdens consulten. Bij hem raakte ik verslaafd aan zijn computer – heel primitief allemaal want MS-DOS was nog niet eens uitgevonden. Het huis heeft altijd vol gestaan met spullen, want Piet is een echte knutselaar. Dat laatste is, nu hij vanwege zijn ouderdom wat minder mobiel is, alleen maar erger geworden. Nu is hij bezig met allemaal Tesla-spullen waar ik niks van snap. Elektriseermachines en zo. Ook moesten we zijn zolder zien, en die was volgebouwd met allemaal werktafels met gereedschap waarvan ik nauwelijks weet waar het allemaal voor dient.

Een echte knutselaar. Ook met zijn eigen lijf, maar alleen het woord natriumbicarbonaat is me bijgebleven. Hij vertelde prachtige verhalen over wat hij allemaal in de medische zorg heeft meegemaakt, de laatste jaren dus meer aan de passieve dan aan de actieve zijde. Dat zouden prachtige radiopraatjes geweest kunnen zijn. De meeste werkingen van medicijnen zijn bijwerkingen, bedacht ik achteraf, samenvattend. De ene specialist weet echt niet wat de andere specialist doet, en zo heeft hij wel meer kritiek op de hedendaagse medische wereld. Maar hij vertelt er vrolijk en mild over. Bij Bhagwan hebben we geleerd alles een beetje van een afstandje te bekijken en niet te serieus te nemen, vooral jezelf. We hadden mooi weer meegenomen en zijn die dagen het huis niet uit geweest omdat we in de tuin zaten, of op een bankje in een groenstrook naast het jaagpad dat ze zelf hadden neergezet. Piet genoot duidelijk van onze komst, leefde figuurlijk maar ook letterlijk helemaal op. Zoals we daar zaten moest hij aan Poona denken. Daar leerden we ook dat het ‘doen’ vaak iets van het ego is dat alles onder controle wil houden, waarbij we de woorden van zenmeester Zenerin vergeten.

Sitting silently
Doing nothing
Spring comes
And the grass grows by itself

Bhagwan troostte ons vaak met de geruststelling dat we uiteindelijk, ondanks ons ploeteren en vechten, toch in de oceaan zullen terugkeren. Verlichting is onvermijdelijk. Kennelijk brachten we met onze komst iets van de sfeer van Poona met ons mee. Poona zoals dat was in de jaren zeventig-tachtig. Ook Mary is daarvan onder de indruk, en ze houdt zich bezig met het brengen van gnostiek in de kerk. Ze snapte niet dat een dominee niets wilde weten over de geschriften van Nag Hammadi, of van Jacob Slavenburg en anderen die ons inziens toch beter zijn in het blootleggen van de essentie van het christendom dan de meeste dominees. Ze snapte ook niets van de dakkapellen die Piet op zijn 20 graden schuine dak wil hebben, maar het was niet de eerste keer dat ik onenigheid tussen die twee heb meegemaakt. Ware liefde gaat niet alleen over rozen maar ook over doornen. Hun huis ‘Helena’ heb ik vaak ‘Huize Chaos’ genoemd en als ik Piet vroeger wel eens belde nam hij op ‘met swami Anand Idioot.’ Maar ik hou soms best van chaos. En ook van idioten.

Ik heb natuurlijk ook mijn boek meegenomen, wat Mary fantastisch leek, maar of zij er zo over zal blijven denken is afwachten. Want niet iedereen is gecharmeerd van mijn u- en/of dystopische wereld waarin van het sterven een vrolijk feestje wordt gemaakt. De mooie dagen werden ook nog verlevendigd door Spooky en Ghost, twee jonge katjes die op het ene moment met elkaar aan het vechten waren en op een ander moment als yin en yang in elkaar gekruld op een kussentje lagen te slapen. Soms wisten ze het jaagpad te bereiken zodat ik vroeg waar een schepnet was, en met colonnes voorbijvarende boten vond ik dat ook wel eng. De eerste nacht heb ik weinig geslapen in de omgebouwde wachtkamer. Het tweepersoonsbed was aan de smalle kant zodat ik Vriend teveel wakker hield. Het donsdek was te warm en er kwam veel te veel licht vanaf buiten en de gang. En half wakker trachtte ik me steeds iets concreets voor te stellen bij de formule V = I x R. Moeilijk! Begin jaren tachtig heb ik heel vaak heerlijk geslapen in dit huis, ja, zou ik daar wel willen wonen. Zo ben ik verliefd op een huis met alles wat zich daar heeft afgespeeld en wat erin zit – inclusief Piet en Mary. Ik was toen zelfs nog getuige van hun huwelijk. Jammer dat hun zoon Hans niet langskwam, die ik nog over de vloer zag krabbelen en nu misschien niets liever wil dan op Mars rond te scharrelen. Die planeet is zijn hobby en daarvoor ontwikkelde hij het wetenschappelijke spel Cerberus waaraan je nog steeds mee kunt doen.

Vriend en ik stonden blij en lang met Piet te huggen bij het afscheid. Hij bleef lang met zijn rollator in de voordeur staan toen we vertrokken. En steeds even wuiven. En dan nog eens opnieuw wuiven. En nog een keer omkijken en wuiven. Alsof het de laatste keer zou kunnen zijn. Dank je wel, Piet en Mary! The grass grows by itself.

  • Facebook
  • Twitter
  • NuJIJ
  • Print
  • PDF
  • Add to favorites

Visual snow

Date 3 juli 2019

Een paar nachten geleden lag ik in het donker naar het plafond te staren. Het was eigenlijk een grote warboel van trillende sneeuw. Ik heb dat vaker, maar me er nooit zo druk over gemaakt omdat ik er niet bij stilstond dat het iets abnormaals was. Ik vroeg Vriend wel eens of het bij hem écht donker was in duisternis, en ik kon hem moeilijk geloven toen hij dat bevestigde. Vreemd. Een paar jaar geleden las ik iets over visual snow ofwel oogruis, dat pas in 1995 voor het eerst is beschreven. Het is goed te vergelijken met wat je vroeger op de tv zag als er geen ontvangst was en wat door kosmische straling wordt veroorzaakt.

Omdat het verschijnsel me toch bezighoudt, ben ik de afgelopen dagen weer eens gaan googelen, waarbij een prachtig artikel over dit voor mij zo normale verschijnsel vond. Jammer dat promovendus Onderwater het hier over ‘klachten’ spreekt, want zo ervaar ik het nauwelijks. Hooguit als soms onhandig. Maar wel boeiend dat het geassocieerd wordt met andere mij niet onbekende verschijnselen zoals het zien van migraine-aura’s, nabeelden en nachtblindheid. Zelfs de tinnitus die ik mij herinner van een lsd-trip, terwijl visual snow wordt vaak vergeleken met de effecten van paddo’s en lsd. Ook heb ik wel eens last van repeterende patronen. Een rooster in een trottoir zag ik bijna in de fik vliegen, en fietsend tussen rijen bomen leken mijn hersenen kort te willen sluiten.

‘Ik zie al sinds mijn jeugd overal waar ik kijk, ruis, kleuren en vormen,’ schreef Thom van der Wal een half jaar geleden in een verhaal op Vice Media. Ook die vormen herken ik. Jaren geleden ontdekte ik prachtige abstracte figuurtjes in mooie oplichtende kleuren door mijn gezichtsveld zweven. Heerlijk om naar te kijken, en ik wist dat ik me nooit meer zou vervelen voor het slapen gaan want er was altijd wel iets moois te zien. Maar ze bleken er helaas niet altijd te zijn. Ik ben dat verschijnsel nooit in de literatuur tegengekomen. Hooguit bij Oliver Sacks die het in een boek over migraine over ‘vormconstanten’ heeft. Iets wat daar veel van weg heeft zag ik vorige week in een schilderij van Edgar Fernhout waarop ik meteen verliefd werd. Mijn wereld.

Het schijnt in de hersenen te zitten. Een ‘steady-state hyperexciteerbaarheid van de visuele cortex’. Gezien mijn spirituele status noem ik dat liever ‘overgevoeligheid’ waardoor ik met mijn ogen de kosmische straling als restant van de oerknal kan zien. Dat klinkt allemaal veel mooier. En in mijn geval heeft het natuurlijk niets met drugs te maken omdat ik van nature al een psychedelische persoonlijkheid heb met mijn rare hersenen. Maar dat is voor trouwe lezertjes niets nieuws. Mijn ziel is nooit echt in de stof geland, en het is me onduidelijk waarom dat überhaupt zou moeten.

  • Facebook
  • Twitter
  • NuJIJ
  • Print
  • PDF
  • Add to favorites

Een dagje Bergen

Date 30 juni 2019

Vrijdag zijn we naar het Noord-Hollandse Bergen gegaan, een evenknie van Blaricum dat soortgelijke cultuur, rijkdom en problemen heeft als wij. Een samenwerkingsverband met omliggende gemeenten, zo’n dertigduizend inwoners, prachtige natuur. En net als Blaricum ook een kunstenaarsdorp. We werden dan ook in Museum Kranenburgh ontvangen. Alles bij elkaar opgeteld waren we met twee gemeentesecretarissen, twee griffiers, twee burgemeesters met wethouders aan hun zij, en last but not least zo’n vijfentwintig raadsleden. Nooit eerder was ik daar. Nou ja, begin jaren zeventig was ik met wat vrienden een paar dagen in de Sint-Adelbertabdij in Egmond-Binnen. Daar gaven ze mooie boekjes over spiritualiteit uit, die nog altijd in mijn kast staan, waaronder De wolk van niet-weten. En toen ik heel klein was hebben we een vakantie in Camperduin doorgebracht, waarvan ik me vrijwel alleen herinner dat we de vuurtoren beklommen en voor de grote majestueuze lamp ervan stonden. Allemaal gemeente Bergen nu.

Tijdens de koffie met gebak maakten we wat kennis met elkaar, en ik kon niet nalaten een jongere wethouder te vertellen dat ik een naam miste in de lijst van kunstenaars die in Bergen hebben gewoond. Simeon ten Holt, die van het prachtige tot vandaag de dag vaak uitgevoerde Canto Ostinato. ‘Moeten jullie op het strand uitvoeren!’ stelde ik voor. Want kunst is meer dan alleen beeldende kunst, zoals die van de Bergense School met haar expressionisme waarmee afstand van het impressionisme werd genomen. Ja, net als Blaricum kende Bergen aan het begin van de vorige eeuw een kunstenaarskolonie. Tot die school behoorde ook Edgar Fernhout, een zoon van Jan Toorops dochter Charley. Ik zag wat van zijn abstracte werk tijdens de rondleiding die de directeur ons gaf.

Hoe het werk heet weet ik niet, het was het middelste van een reeks van vijf vierkante panelen, zwart met allemaal kleine figuurtjes erin. Ik nam er een foto van en zie bij de uitvergroting hoe mooi en zorgvuldig al die figuurtjes zijn in witte, grijze, licht- en donkerblauwe kleuren. Een raadsgenootje van mij vond er niks aan, maar ik kan er tijden naar kijken hoewel ik echt niet weet wat ik nu eigenlijk zie. Dat is de kunst van abstractie, schoonheid die aan het denken en logica voorbijgaat en daardoor juist veel wezenlijker wordt ervaren. De meeste menen zien er niets in, maar ik kan er wel Niets in zien. Misschien dat ik daarom veel klassieke muziek mooi vind, waarvoor ook vaak woorden en beelden tekort schieten. Het lijkt zo gemakkelijk allemaal, abstracte kunst. ‘Dat kan mijn kleine kind ook.’ Vergeet dat maar. Wat niet wegneemt dat velen maar wat verf op het doek kletsen en het dan kunst noemen, terwijl het niet veel meer is dan het uitleven van emoties. Echte kunst is wat ik vroeger ‘emotieloze ontroering’ noemde. Voorbij deze wereld, voorbij lichaam en ziel.

Na de rondleiding gingen we naar de Ruïnekerk in het centrum van het dorp. Onze gemeentesecretaris Meryem hield een verhaal over hoe wij in Blaricum omgingen met burgerparticipatie, en wij kregen een verhaal over hoe ze in Bergen omgingen met het splitsen van woningen. Daarna ging iedereen weer aan de vloeibare drugs, buiten in de zon. Een mooi toeristisch plaatsje. Hier en daar werd even gepraat over perikelen in het dorp die door Pauw totaal verkeerd in beeld waren gebracht, geen hoor en wederhoor en zo. Maar geen woord over de oververtegenwoordiging van sofen en intellectuelen, wat samen leek te hangen met relatief veel verzet tegen vaccinatie. Ja, antroposofen en zo waren er ook relatief veel in Blaricum. Artiesten en intellectuelen staan voor mij aan de wortels van cultuur, en als je die veel hebt in je dorp moet je daar blij mee zijn, hoe buitenissig ze zich ook kunnen gedragen.

Na de rijke salade naar keuze werd het tijd om terug naar Blaricum te gaan, na de afspraak dat de Bergenaars een tegenbezoek zouden brengen. Opnieuw in een veel te grote bus, dat wel. Had dit uitstapje ‘op kosten van de belastingbetaler’ nu veel opgeleverd? Op het eerste gezicht misschien niet zo veel, maar het is wel een aanzet om veel van elkaar te leren, elkaar te inspireren, en daarvoor contact met elkaar te houden. Daarvoor is een gevoel van verwantschap, van gezamenlijke roots nodig, en dat is er. En thuis zit ik opnieuw geboeid op mijn mobieltje naar dat schilderij van Fernhout te kijken.

  • Facebook
  • Twitter
  • NuJIJ
  • Print
  • PDF
  • Add to favorites

Hittebestendig

Date 26 juni 2019

Toen ik nog 0 was beleefde ik meteen de heetste junimaand. Ik lag in mijn wiegje en voelde de warme vrede van stille korenvelden om me heen. En nu ik 72 ben maak ik de een na warmste junimaand mee. En meteen de warmste raadsvergadering, de laatste voor het reces. Het was ook een lange vergadering die al om vijf uur begon. Het jaarlijkse ritueel rond de kadernota waarin de financiële hoofdlijnen worden vastgelegd en alle partijen hun beschouwingen presenteren. We waren al begonnen toen de bode nog her en der extra ventilatoren neerzette, zodat het best uit te houden was. Flesjes frisdrank op tafel, en ik moet bekennen dat ik zelfs een flesje Coca-Cola heb opgedronken. Eens in de vijf jaar mag dat wel, zeker als je vijf uur zit te vergaderen, exclusief een pauze van drie kwartier waarin een maaltijd werd aangeboden. Omdat ik weinig tot geen eetlust heb als het warm is, ging ik eerst buiten wat aan mijn elektronische sigaret lurken, waarna ik moed verzamelde om naar de kantine te gaan. Wat is erger: buiten bij 33 graden in de schaduw roken of binnen gaan eten? Dat laatste viel wel mee, daar was over nagedacht. Salades en iets als pitabroodjes die met groenigheid waren gevuld. Toch heb ik er nauwelijks van gegeten.

Wethouder Liesbeth vertelde al na de opening van de vergadering dat de bestrijding van de eikenprocessierups voortvarend werd aangepakt. Op Nextdoor had ik daar al klachten over gelezen en zelf hadden die beesten ook mij, naast de warmte, een slechte nacht bezorgd want jeuken doet toch krabben. Ik was met onze fractievoorzitter Willem meegereden en voordat we haar binnen gingen had ik hem de vlekken op mijn arm laten zien. Waarop hij ook de zijne liet zien, die hij had opgelopen tijdens een lange wandeling met zijn blinde hondje. Ik weet niet waar ik ze vandaan heb, waar ik met die gemene haartjes besmet ben geraakt. Zo’n tien meter voor ons slaapkamerraam staat een prachtige grote eik, maar ik kan er geen nesten in ontwaren. Misschien heb ik ze afgelopen vrijdag opgelopen toen ik in Amsterdam banjerde. Die gemene haartjes waaien met de wind mee en reizen ook op golven zweet naar bedekte delen van je lijf. Maar Willem deed er niet zo moeilijk over, en ik eigenlijk ook niet. Zal wel weer over gaan. Maar lastig is het wel, en voor sommige mensen en kinderen kan besmetting ermee heel vervelend uitpakken. En voor klimaatsceptici kan het een les zijn.

Vandaag is het opeens tien graden koeler. Heerlijk. Hoewel ik me afvraag of zo’n groot temperatuurverschil niet óók een aanslag op je lijf is. Het werd laat vannacht en vanmorgen rond half negen besloot ik te stoppen met krabben en mijn bed uit te drijven en lekker buiten te gaan zitten in de zachte koele wind. Nog steeds in mijn nieuwe hawaïshirt dat ik gisteravond ook aan had. Mag je in zo’n shirt eigenlijk wel naar een raadsvergadering? Met blote bevlekte armen? Ik besloot van wel. Als het aan mij lag had ik zelfs een short aangetrokken in plaats van mijn lange broek. Ik lees discussies over kleding op het werk. Als je er nog een beetje mooi en strak uitziet lijkt wat meer schamele kleding niet zo’n probleem, maar ook ik ben niet meer de mooie jongen die ik vroeger was. Uiterlijk dan. Ik durf echt niet met een croptop over straat! In mijn roman heb ik dat probleem opgelost door alleen jongeren in het subtropische Strandvliet te laten rondlopen zodat iedereen er vrijwel naakt is. Een van de hoofdrolspelers loopt er zelfs vrijwel steeds piemelnaakt rond, realiseerde ik me achteraf. En ik kan hem geen ongelijk geven.

Ik herinner een keer dat ik het nog veel warmer had dan de afgelopen dagen. Maar toen zwierf ik alleen door hartje India. Ik snapte niets van de man die aan de deur klopte van wat een hotelkamer moest voorstellen en die me zijn seksuele diensten aanbood. Goed bedoeld hoor, daar niet van. Maar waar je zin in hebt! In zo’n hitte waar je alleen naar een koele douche en fris Hollands gras verlangt. En toch heeft het iets. Ik bedoel het overleven van de warmte. Na afloop dan, als je de proeve van hittebestendigheid hebt doorstaan. Daar heb ik iets mee, alsof ik levend verbrand wil worden, wat misschien een tikje radicaal is. Tegelijk niet zo gek, want we zijn uiteindelijk uit de zon geboren. Na afloop van de vergadering ging iedereen zoals gebruikelijk weer aan de drugs. Alcohol dan, vuurwater, dat volgens Jellinek de op drie na gevaarlijkste drug is, alleen overtroffen door tabak, heroïne en crack. LSD en paddo’s hangen helemaal onderaan hun lijstje. Nee, geen drank voor mij. Ik snelde naar buiten, waar ik op een bank van de zoelte genoot.

Wethouder Gerard van het CDA, die over het sociaal domein gaat, kwam langs op weg naar zijn auto. Hij kwam erbij zitten en we praatten een poos en we hadden het over allemaal persoonlijke dingen. Hoe en waar we zijn opgegroeid, opleidingen, reizen, filosofie, kortom hoe we in het leven stonden en staan. Hoewel hij altijd keurig in krakend pak loopt, hebben we veel dingen gemeen en mogen we elkaar graag. Die twintig minuten waren voor mij een van de mooiste momenten van een avond vol warm zweet en vlekken van eikenprocessierupsen.

  • Facebook
  • Twitter
  • NuJIJ
  • Print
  • PDF
  • Add to favorites

Verdwijnende sterren

Date 10 juni 2019

Voor elke ster die je ziet, zie je er negen niet. Aldus de titel van een artikel over lichtvervuiling van Marjolijn van Heemstra in De Correspondent dat ik op Facebook zette. En er komt een tijd waarin lezers zich afvragen waar dat allemaal over gaat. Sterren? Wat zijn dat? Die beroemde mensen zie je toch op de televisie en niet in de lucht? Want het wordt nog erger. Het Russische bedrijf StarRocket wil graag haar advertenties in de hemel plaatsen. Heb je meteen het maximale bereik, want iedereen ziet ze. Dat zullen ze in een volgende fase wel persoonlijker willen maken, zodat de één onderbroeken in de lucht ziet hangen en de ander snelle auto’s langs de hemel ziet scheuren. Een fase verder en je ziet dat ook overdag boven je hoofd. Tot vandaag de dag roept dat teveel weerstand op, dus het zal de komende jaren nog rustig blijven daarboven. Maar de reclame-industrie is machtig en keihard, dus volgende generaties zullen hier hoe dan ook mee worden opgescheept.

Waarschijnlijk behoor ik tot een van de laatste generaties die nog van een maagdelijke sterrenhemel heeft genoten, die ooit nog de Melkweg heeft gezien. Want het wordt nog erger, zo las ik dit weekend in een artikel van Bruno van Wayenburg in de NRC. Elon Musks bedrijf Starlink gaat 1.584 satellieten rond de aarde laten draaien zodat iedereen waar ook ter wereld van internet wordt voorzien. Later komen er nog 12.000 satellieten bij. Amazon wil er 3.236 in de lucht, en Samsung lanceert er graag nog 4.600. Als dat allemaal doorgaat zie je in de toekomst alleen maar satellieten in de lucht, met hier en daar een zwak sterretje dat er tussendoor glipt. En zoals we een halve eeuw geleden speurden naar de eerste Spoetnik, zullen sterrenliefhebbers dan speuren naar een échte ster aan de hemel. Een soort urban exploring, maar dan een speurtocht naar de ouderwetse sterren achter al dat hemellicht van satellieten. Er zullen wellicht tijden komen waarin men denkt dat de hemel écht een koepel is, al of niet met een god die zich daar achter verschuilt.

‘Brüder, über’m Sternenzelt muss ein lieber Vater wohnen,’ dichtte Schiller. Ware woorden, mits je ze niet te letterlijk opvat. Want uiteindelijk zijn we allemaal uit sterren geboren, en is onze fascinatie daardoor niets anders dan een diep heimwee om daarnaar terug te keren. Alsof we alleen daar echt thuis zijn. Religie, politiek, en zeker ook de reclamejongens vinden het al millennia lang ongewenst als mensen God gaan ontdekken. Dat is niet goed voor de macht en de handel. Dus worden we al vele eeuwen lang gehersenspoeld door zowel de religieuze als de politieke en commerciële wereld die ons allemaal pseudogodjes aanbiedt opdat we niet verder gaan zoeken. Mensen die God echt vinden, zoals verlichten en mystici, zijn het grootste gevaar dat er is. Die leveren niets op, zijn vaak ongehoorzame rebellen die in hun eigen-wijsheid niet meer vatbaar zijn voor aardse geneugten die geluk en vrede zouden brengen. Niet dat ze niet van aardse dingen genieten, maar er is zoveel meer!

De kosmos is het Al. Het Al is God. Daar is Spinoza het vast mee eens. De mens vervreemden van het Al is dus de mens vervreemden van God, van zijn oorsprong, zijn bron. Soms denk ik dat het het beste is als onze cultuur ten onder gaat. Dat we weer helemaal opnieuw moeten beginnen. Misschien is dat ook niet zo erg. Want we zijn echt niet alleen in de kosmos en je kan op je vingers natellen dat er nog veel meer leven is dan alleen op onze aarde. Ongeveer oneindig gedeeld door één. Maar voor dat besef moet je wel de sterren kunnen zien.

  • Facebook
  • Twitter
  • NuJIJ
  • Print
  • PDF
  • Add to favorites

D-Day

Date 6 juni 2019

D-day. Romantischer kon het bijna niet. Soldaten die zich – nu 75 jaar geleden – doodvochten na in Frankrijk op onder andere de kusten van Calais en Dieppe geland te zijn. De film De langste dag, nog in zwart-wit. Strijd. Sneuvelen – wat was er mooier? Ik was zeventien. In een schriftje met een gele harde kaft schreef ik er zelf een verhaal over in 21 hoofdstukjes. Een vriend, heette het, en van-zelfsprekend ging die vriend dood. Een soort Ode an die Freundschaft, zal ik maar zeggen. Mijn romantiek was ontwaakt. Mooi! Maar het verhaal droop zo van de romantiek dat ik me er nu bijna voor schaam. Niet meer te pruimen. Ik heb het nog de sympathieke leraar Nederlands laten lezen. Die had geen commentaar toen hij het me teruggaf. Waarschijnlijk had hij al door hoe mijn vork in mijn steel zat, en wist hij niet hoe hij daarmee om moest gaan. Een tijdje later is het schriftje zoekge-raakt. Ik onderzocht alle hoeken van mijn kamertje en kasten in het ouderlijk huis, maar heb mijn eerste verhaal nooit meer teruggevonden.

Met Johan begon ik zelfs een oorlogsdocumentatie. Welke slagen er wanneer en waar hadden plaatsgevonden. Net als ik was hij geboeid door dit alles. Er kwam natuurlijk niet veel meer van te-recht dan wat aantekeningen en de ware oorzaak ervan was wellicht dat ik méér op die veertienjari-ge jongen verliefd was dan op de oorlog. Mijn moeder had dat natuurlijk veel eerder door dan ik zelf, maar hij mocht toch rustig bij me blijven slapen. Dat ging niet in min bed, maar daar dacht ik zelf in de verste verte niet aan. Het ging om vriendschap, zijn aanwezigheid, zijn schoonheid – want Johan was, ook volgens mijn moeder, best een mooi jongetje – en misschien ook de geur van zijn haar. Maar seks? Dat bestond nog niet voor me. Ik wist niet veel meer dan dat dat iets was tussen jongens en meisjes. Maar ik snapte niets van meisjes, en nog minder van wat mijn klasgenootjes nou zo interessant aan ze vonden. Ondanks dat mijn moeder me alle ruimte gaf, had ik nog steeds niet door dat seks er wel eens bij zou kunnen horen, dat ik homo zou kunnen zijn. Omdat dat gewoon niet bestond. En áls het al bestond zou het alleen een fase zijn, zoals ik wel eens had gehoord, en waar decennia later zelfs Foudraine in zou blijken te geloven. Fases kunnen heel lang duren.

Later verloor de oorlog zijn romantiek. Vietnam. De PSP met de blote vrouw op posters. We ver-guisden de oorlog, iets wat al begon tijdens mijn keuring voor militaire dienst. Wegens overschot aan babyboomers hadden ze ook mij maar een S5 gegeven en ik vond dat best allemaal. Zag het ook niet zo zitten om gedrild te worden, blindelings commando’s op te volgen van sergeanten die onver-staanbaar naar je stonden te schreeuwen. Bovendien dreigen ze een échte man van je te maken. Ik heb niks met echte mannen – die maken alleen maar de wereld kapot. Is al dat machogedoe echt no-dig om met een leuk leger de vijand te bestrijden? Is het niet juist dat machogedoe wat de oorlog veroorzaakt? Mannen zijn alleen goed om kinderen te krijgen, laat ik een paar vrouwen grappen in mijn boek. Neuken in de keuken en dan meteen de oven in met ze. Stomme wezens, die mannen. Gelukkig hebben ze het de laatste tijd wel eens moeilijk met hun man-zijn. Gaan dan allemaal man-nengroepen in zweethutten doen en zo. Er groeit op zijn minst een beetje bewustzijn.

Nee, het was 75 jaar geleden niet zo romantisch op de Franse stranden. Geen prachtige beelden van een met bloed doordrenkt strand bij een ondergaande zon. Misschien was het wel bewolkt. En zeker was niet iedere jongen zo verlicht dat hij het heerlijk vond om zo pijnlijk te sterven voor de vrede in Europa, niet eens wetend of dat wel bereikt zou worden. En tegelijkertijd heb ik het aan hen te dan-ken dat ik nooit een oorlog aan den lijve heb meegemaakt. Dat klinkt tegenstrijdig, want hoe kan geweld, dus ook tegengeweld, tot vrede leiden? Dat bereik je alleen als beide partijen er op gegeven moment geen zin meer in hebben, zoals Engelsen en de Duitsers die in de Eerste Wereldoorlog in het niemandsland tussen de loopgraven de pest aan alles hadden en samen Kerst gingen vieren. Misschien was dat wel een grotere D-day dan die van driekwart eeuw geleden.

  • Facebook
  • Twitter
  • NuJIJ
  • Print
  • PDF
  • Add to favorites