Naïviteit

Date 30 april 2010

Goedgelovigheid is niet echt een gerespecteerde eigenschap in onze samenleving. Maar ik ben daar wel goed in, met als gevolg dat ik wel eens als een ietwat verstandelijk gehandicapt individu word behandeld. En het gekke is dat dat me dan juist op mijn achterste benen zet! Ja, ik ben naïef! Mag ik? Dat is mijn keuze en ik wens daarin gerespecteerd te worden! Als iemand mij belazert is dat zijn verantwoordelijkheid en niet de mijne! Ik laat me niet corrumperen door steeds maar van alles achter iedereens woorden te moeten zoeken, dus iedereen maar te moeten wantrouwen! Ik heb wel wat anders te doen!

Juist die sociaal opgelegde dwang om altijd rekening te moeten houden met de mogelijkheid dat je belazerd wordt vreet energie en werkt daarom verziekend. Ik wil me helemaal niet hoeven afvragen of iemand me bedriegt of niet. Zelfs al ligt het er dik bovenop, dan blijft toch de leugenaar de schuldige en niet degene die belogen wordt – dat  is toch de wereld op zijn kop! En het gekke is dat de minachting van naïviteit zo vanzelfsprekend is dat dit nooit ter discussie wordt gesteld. Het doet me dan ook goed om in de elektronische Advaita Post van het Advaita Centrum woorden te vinden, die me uit het hart  zijn gegrepen.

‘Krijg door hoe waardevol het is om op een bewuste manier naïef te blijven,’ vertelt Douwe Tiemersma. ‘Je merkt wel dat je dan soms door anderen gepakt wordt, maar vooruit, dat is veel minder belangrijk dan in de open sfeer te blijven (…) Voor de rest zoeken ze het maar uit (…) Dan zie je in die grote helderheid dat juist de anderen onnodig moeilijk doen en jou erbij willen betrekken (…) Heb er maar vertrouwen in, blijf maar bewust naïef. De meeste mensen zijn hiervoor bang: dan word ik beduveld waar ik bij sta.’

Voor de ware naïeveling bestaat de mogelijkheid dat hij belazerd wordt niet eens. En als hij belazerd wordt zal hij dat aan alle kanten ontkennen, want zijn wereld bestaat alleen uit aardige mensen die uiteindelijk toch alleen maar het goede willen. Volgens velen leeft hij in een droom, maar voor hem leven al die ‘normale’ mensen die hun leven vullen met een gecultiveerd wantrouwen in een illusie. Zoals het voor veel ongelukkige mensen een doodzonde is om in hun nabijheid gelukkig te zijn – je lijdt dan immers niet mee – is het voor veel ‘realistische’ mensen onverteerbaar dat je je vertrouwen belangrijker vindt dan belazerd worden.

Voor mij is vertrouwen een basishouding. Die meer goed doet dan een mentaliteit van wantrouwen, waarbij je er a priori van uitgaat dat anderen niet eerlijk zijn, de wereld slecht is en iedereen alleen maar op zijn eigen gewin uit is. Dat zijn allemaal maar ideeën en oordelen uit een denksysteem dat alles wil verdelen tussen goed en kwaad. Terwijl je met open ogen kunt zien dat de dingen gewoon zijn zoals ze zijn, en dat dat allang perfect is, boven alle dualiteit verheven. Voor mij betekent vertrouwen dat ik me daarin thuis weet. Als dat me ontnomen zou zijn, ja, dan was ik echt belazerd!

Het aanrecht

Date 27 april 2010

Eerlijk gezegd ben ik het helemaal met die vrouwen eens. Ik bedoel de Staatkundig Gereformeerde Partijvrouwen, die vinden dat God gelijk heeft door hen uit te sluiten van leidende rollen. Vrouwen die zelf vinden dat het belangrijkste recht dat ze hebben het aanrecht is. Huh? Aanrecht? Ja dat was vroeger een soort werktafel van blik waarop je lekker hakkend en snijdend voedsel kon bereiden, met een kraan en een spoelbak om het schoon te kunnen wassen en zo. Het zal nu ook nog wel bestaan onder een andere, wat mooiere en wellicht Engelse naam, en keurig vierkant vormgegeven door Jan des Bouvrie.

Het is goed dat er naast de vele vormen van privaatrecht en publiekrecht nu ook het aanrecht opgeld doet. En niet alleen bij de Staatkundig Gereformeerde Staatspartijvrouwen, maar ook bij bijvoorbeeld de moslima’s, die vinden dat ze het recht hebben een hoofddoekje te dragen. En terecht, want het zou toch knetterst gek zijn als je belasting zou moeten betalen over de kleding die je droeg! Gelukkig maar dat er geen Wilders was toen ik in oranje kleren met mala rondliep: van top tot teen! Ja, ik verfde zelfs mijn gympjes oranje! En dat alles uit een religieuze overtuiging. Dus fout, want religie is onderwerping en daarmee dus primitief dus verwerpelijk. Gij zult niet van uw religie getuigen! Zover gaat het liberalisme van Wilders nou ook weer niet.

Zoals ik me als sannyasin de vrijheid toe-eigende om Bhagwan al dan niet te volgen en als spirituele autoriteit te erkennen – wat natuurlijk een contradictio in terminis is – gun ik ook de moslima’s hun hoofddoekjes, en het recht zich aan Allah, de man of wat dan ook te onderwerpen. Het recht om weer thuis te zijn. Om kinderen op te voeden, om stof te zuigen, de was te doen, planten water te geven en te koken. Het recht van vrouwen om gewoon weer zichzelf te zijn, om moeder te zijn, verzorgend en koesterend. De meeste vrouwen willen dat nog niet, die trekken liever de broek aan. En dan noemen veel manwijven dat emancipatie. Volgens mij is die hele vrouwenemancipatie bedacht door mannen, met als doel de samenleving van alles wat vrouwelijk is te ontdoen. Waarin ze nog aardig geslaagd zijn ook.

Want geef toe: als er iets is dat de samenleving heeft ontwricht, dan is het wel de vrouwenemancipatie! Met als gevolg dat nu beide partners moeten werken om rond te komen, en dat de kids geen aandacht meer krijgen en hun heil liever in de cyberspace zoeken. Nu is het een echte mannenmaatschappij geworden! En dat is het laatste wat we nodig hebben. Zet hem op, Staatkundig Gereformeerde Partijvrouwen! Zet hem op, moslima’s! Van jullie hangt onze toekomst af! Kom op voor jullie rechten! Leve het aanrecht!

Het geluid van stilte

Date 20 april 2010

Wat was die stilte heerlijk! Dagen achter elkaar geen geraas en gebrom van vliegtuigen in de lucht! Je zou bijna hopen dat die tweede vulkaan in IJsland ook maar stevig gaat spuwen. En dan kan ik moeder Aarde geen ongelijk geven, want ik zou me ook niet prettig voelen met al die mensen die er op mijn vacht een rotzooitje van maken. Kotsen en spuwen ligt dan erg voor de hand. IJsland zet zichzelf wel goed en stevig op de kaart! Eerst dat gedoe met Icesave en nu al die lava in de lucht! Geen vliegtuigen, koude noordenwind… lekker rustig op straat. Je merkt nu pas hoeveel kabaal we bewust en onbewust te verwerken hebben in het ‘normale’ leven. Helaas kwam er zojuist een vrachtwagen bergen verse aarde storten in de buurt. Niet dat ik daar wat op tegen heb. Veel groenonderhoud had je even goed kunnen laten omdat niemand het gemist had als het niet was gebeurd, zodat het eigenlijk weggegooid geld is. Maar goed, ze doen hun best om – op zijn minst volgens hun eigen inzichten – iets moois van de wijk te maken. Met veel kabaal.

‘Stilte is de rijkdom van deze epoque,’ vertelde Toon Hermans al in 1965. Als ik daar nu aan terugdenk moet het toen een heel stille wereld zijn geweest. Want tegenwoordig kan er bijna niets meer gebeuren zonder er kabaal bij te maken. Met iets als natuurlijk of onvermijdelijk geluid heb ik geen moeite. Iets verderop zit al jaren op vaste tijden een knaap op zijn drumstel te oefenen, niks mis mee. Dat buurman bij tijd en wijle zijn motor opstart is ook niet echt erg. Zelfs dat ik de eerste heipalen van onze nieuwe wijk de Oldegeppelermeent de grond in hoor gaan is te verteren. Het zijn juist geluiden die ik als onnatuurlijk en/of overbodig ervaar, die me het meeste storen. Kabaal dat uit auto’s bonkt. Koffers op wieltjes die over het trottoir ratelen. Bladblazers. Brullende motoren op de snelweg. En om de een of andere reden moet ik ook altijd weten wanneer een vrachtwagen bij me in de buurt achteruitrijdt. En dan ook nog al dat kabaal in de lucht, waarbij het soms heel langdurige gedender van één vliegtuig al gauw een miljoen mensen stoort – bewust of niet, het wordt waargenomen, want zelfs tijdens de slaap stijgt de bloeddruk dan even.

In ons coalitieakkoord is nu opgenomen dat er meer aandacht voor geluidsoverlast van de A27 komt, waarbij ook aan het planten van bomen wordt gedacht. Want elk jaar worden de tuinen in mijn wijk minder leefbaar als de wind uit zuidoostelijke richtingen komt, en ik sta op het punt om bij Conrad een geluidsmeter te kopen! Omdat geluidsschermen onbetaalbaar zijn betwijfel ik of we als gemeente er echt veel aan kunnen doen. En hoewel het een rijksweg betreft, laat het rijk ons wat overlast ervan betreft danig in de steek. Veel bomen dus, heel veel bomen, die meteen het fijnstof uitzeven. Ergens in Duitsland reden we langs een Autobahn die aan weerszijden een dikke jas van dicht groen aanhad. Zoiets. Als mensen gekker, neurotischer, gejaagder, kortom steeds zieker worden, dan is dat voor een deel te wijten aan alle herrie waaraan ze soms continu zijn blootgesteld. Het is niet voor niets dat ik vrijwel nooit naar de radio luister en vrijwel geen televisie meer kijk, want ook die media worden geterroriseerd door achtergrondkabaal, voor zover niet iedereen door elkaar heen zit te kletsen.

Maar nu is het even heerlijk stil buiten. Het is wellicht geen echte liberale gedachte, maar wie weet moeten we voortaan het vliegverkeer op een dag in de week stilleggen. Je kan God een heleboel verwijten, maar dat idee van één rustdag in de week was zo slecht nog niet. Toegegeven: Vriend en ik baalden er enorm van toen we het pontje over de Eem niet konden gebruiken omdat het zondag was, zodat we een kilometer of 15 moesten omfietsen. Maar toch zal ik voor de zondagsrust blijven vechten. Niet zozeer om God te bevredigen, maar gewoon omdat het goed is voor de psychohygiëne om bij tijd en wijle naar het geluid van stilte te luisteren. Kabaal kan zijn eigen schoonheid hebben, maar daarvoor moet je wel de achtergrond van je eigen stilte kunnen horen. Zoals Bhagwan het vaak had over ‘the gaps between the words’ is het mooi om te luisteren naar de stilte achter de geluiden, de stilte als de drager van alles wat je hoort. Want als je je niet daarin kan wortelen word je snel gek in onze hectische samenleving. Misschien is al die herrie wel bedoeld om ons te dwingen onze eigen stilte op te zoeken. Héél goed luisteren!

Fanfare

Date 8 april 2010

In mijn jeugd gingen we ’s zomers vaak naar Zandvoort. Daar huurden mijn ouders een huisje en hadden we op het strand altijd een vaste plek bij tent 17 van Zwemmer. Daar waren de winkels op zondag open en vergaapte ik me achter de ruiten aan Matchbox-autootjes. Op het strand verbrandde en vervelde ik regelmatig, want toen als gezond werd beschouwd. We vliegerden en ik hakte met mijn schepje kwallen in stukken. Ook mocht ik een keer Schoolvriendje Maarten meenemen, die nog nooit de zee had gezien. Langs lange trappen beklommen we de watertoren. Zoals gebruikelijk had je in die jaren vijftig een hekel aan alle Duitsers om je heen, en aan alle voorzieningen die voor hen werden getroffen. ‘Zimmer mit Frühstück,’ stond achter veel ramen te lezen. En voor een dranklokaal zat een grote leeuw het bierglas te heffen onder het langzaam en donker roepen van ‘Löööwenbräu,’ wat ik eigenlijk maar eng vond, zeker als dat ook ’s nachts over het dorp zou schallen.

Maar het hoogtepunt van die zonnige dagen was het muziekbandje dat al dixieland spelend over het strand trok. Vier mannen, die met grove blote voeten in het zand niets dan ritmische sprankelende vrolijkheid brachten. Ik ging dan ook altijd een eind met ze mee, en lijk daarin een beetje op de zus van Wim Kan: ‘Er is eens een fanfare voorbij gekomen, is ze mee meegegaan… Nooit meer teruggeweest eigenlijk!’ Want al dit soort muziek, fanfare, dixieland en zo, vind ik héérlijk! Mijn broer draaide Chris Barber’s Jazz Band en The Dutch Swing College Band. En Vriend snapte er niks van toen ik in Pruttel naar de fanfare wilde gaan kijken. In het Vondelpark werd ik eens tot tranens toe ontroerd door een band van tientallen trommelaars. En hier in Oldegeppel was het op Koninginnedag vaak genieten in de tuin van fractievoorzitter Carien, waar de fine fleur van ons dorp op heerlijke live muziek werd getrakteerd: even gewoon het paradijs op aarde.

Ik heb iets met dat soort muziek. Ook met oubolligheid. Liederen als Ik heb hele grote bloemkolen van André van Duin en Yellow Submarine van The Beatles vind ik groots. Juist omdat ze nergens, maar dan ook echt nergens over gaan, omdat ze volmaakt pretentieloos zijn, omdat alleen een diepe humoristische kern overblijft na het wegschillen van woorden waarmee dat toch niet uit te drukken valt. Je zou het ‘volks’ kunnen noemen. In zekere zin is dat waar want echt verfijnd is het niet. Maar het symboliseert wel heel sterk de terugkeer naar het gewone, het alledaagse. De spirituele zoektocht begint terecht met de vraag ‘Is dit alles?’ omdat het platte, onbewuste burgerlijke leven geen bevrediging geeft. Om te eindigen met een uitbundig ‘Ja! Dit is alles!’ omdat het gewone, bewuste alledaagse leven uiteindelijk het mooiste blijkt dat er is.

Professor Vonhoff

Date 5 april 2010

Dat wordt stemmen op de SP straks! Misschien wel voornamelijk om tegenwicht te bieden tegen oprukkend rechts. Want als iets de wereld, mens en milieu naar de verdoemenis helpt, dan komt dat meestal van die kant. Ja toch? Rechts heeft voorrang en dat laten veel liberalen zich geen twee keer zeggen!  Dit soort gedachten laait vurig in me op na het lezen van Vonhoffs column in de Ooi- en Geemlander van afgelopen zaterdag. Misschien is hij geestelijk aan het aftakelen en moet ik daarom eigenlijk medelijden met hem hebben. Maar dat kost me even héél veel moeite met deze man die even de verpersoonlijking van het kwaad voor me is.

Rechtse rakkers hebben het niet op met het milieu, wat Vonhoff nu verwoordde door te stellen dat de klimaatwetenschappers doemdenkers zijn: ‘Helaas is de wetenschap in dat opzicht in de ban van een oprecht geloof in de onheilsboodschap over het klimaat. Zoals gelovigen wel vaker doen negeren zij de kritische geluiden die worden gehoord. Niet alleen worden afwijkende meningen belachelijk gemaakt; wij weten inmiddels dat gegevens op dit punt zijn vervalst en beeldvorming bijvoorbeeld in de film van Al Gore onwaar is.’ Ja, ook klimaatwetenschappers maken fouten, maar zolang de poolkappen smelten geef ik hen de voorkeur van de twijfel. En als je twijfelt kan het heel openbarend zijn om te kijken naar de belangen die achter iemands visie zitten. En wat dat geloof in de onheilsboodschap betreft, is het opmerkelijk dat Vonhoff niet doorheeft dar zijn eigen boodschap ook een geloof is, en dat hij ook zelf bezig is een afwijkende mening belachelijk te maken.

Rechts kiest altijd voor de macht van de sterksten, de slimsten, de rijksten. Dat noemen ze ‘vrije markt’. Je zou het ook kunnen omschrijven als het neoliberale ‘zoek het zelf maar uit’ en het zich onttrekken van maatschappelijke verantwoordelijkheid. Economische groei – lees: een puberaal onbevredigbaar méér en méér – staat voorop! En het milieu belemmert die groei, dat kankergezwel van productie en consumptie dat die heilige moloch moet voeden. Vandaar dat rechtsen de milieumaffia moeten bestrijden, opdat ze in hun P.C. Hoofttractor kunnen blijven rijden, over de aarde kunnen blijven rondvliegen, en de natuur zoveel mogelijk met de grond gelijkmaken, want die staat toch alleen maar in de weg.

Volgens Vonhoff dreigen wij verkeerde prioriteiten te stellen. ‘Dat is het risico als wetenschappers gelovigen zijn geworden en daarom hun onbevangen benadering van problemen en onderzoek overboord hebben gezet.’ Gezien zijn oordeel over klimaatwetenschappers ga ik toch eens opzoeken wat hij zelf eigenlijk gestudeerd heeft. Zou hij een wetenschapper zijn? Een echte professor? Zou hij iets weten van statistisch onderzoek? Wat een chikwadraattoets is, hoe een correlatiecoëfficiënt wordt berekend? Zou hij überhaupt weten wat wetenschap is? Ik betwijfel het. En inderdaad: ik kan geen wetenschappelijke achtergrond bij hem vinden. Hij lijkt alleen iets met geschiedenis te hebben gedaan. Over het omgekeerde van waar hij zo bang voor is, de risico’s als gelovigen wetenschappers worden, zullen we het verder maar niet hebben.

Correspondentie:
Aan Hendrik Lubert Johan Vonhoff, die zich als leek aanmatigt om uitspraken over wetenschappelijk onderzoek te doen, waarover Vondel schrijft:
Maekt men het eeuwigh woort eens ieders innevallen,
Zoo is het allerley, zoo raekt het hooft aen ’t mallen,
Zoo krijght de dwaling kracht.

Identiteit

Date 2 april 2010

‘Op de woorden de, en, ja en eh na, is ik het meest gebruikte woord in de Nederlandse taal,’ schrijven de filosofen Stine Jensen en Rob Wijnberg in hun pas verschenen boek Dus ik ben. Maar waag het niet te vragen wat daarmee wordt bedoeld! Als je dat doet wijst iemand zijn eigen lichaam aan – naar zijn hart of naar zijn hoofd. En dat laatste al gauw met een wijsvinger, want wie stelt nou zo’n idiote vraag! Dat wéét je toch? Nee dus. Jij weet het misschien wel, maar ik weet niet wie ik ben. Ik weet dus niet eens wie niet weet wie hij is. En ook die weet het niet, en waarschijnlijk weet niemand het. Wat eigenlijk heel vreemd is in een tijdperk waarin individualisme en eigen verantwoordelijkheid zo centraal staan. Hoe kun je bijvoorbeeld iets zeggen over bezit of reïncarnatie als je niet eens weet wie er eigenlijk de bezitter is of wat er eigenlijk reïncarneert?

In dit licht is het heel opvallend en hoopgevend dat mensen zo op zoek zijn naar hun identiteit. Zelfs in de gemeente zijn we bezig met het opstellen van een zogenaamde strategische visie waarin de identiteit van Oldegeppel voor de komende dertig jaar in grote lijnen wordt vastgelegd. Want als je zo nodig wilt overleven in je zelfstandigheid is het niet onredelijk dat grote overheidsbazen vragen waarom je zelfstandig wilt blijven, ofwel wat jou als gemeente zo uniek maakt dat je meent niet met andere gemeenten samengevoegd te kunnen worden. Maar ook landelijk zitten we met onze identiteit in onze maag: geconfronteerd met een multicultuur vragen we ons af wat Nederland nu eigenlijk is en wat moeizaam in een canon wordt samengevat, of wat het Europa dat we zowel wel als niet willen nu eigenlijk voorstelt.

Rob Wijnberg, auteur van de bestseller Nietzsche en Kant lezen de krant, is dus samen met Stine Jensen op zoek gegaan naar identiteit. En die ontstaat doordat mensen zich met van alles en nog wat  identificeren, zodat de hoofdstukken titels hebben die allemaal eindigen met ‘dus ik ben.’ Opvallend is dat hierbij een reeks archetypen van stal wordt gehaald, zonder dat de auteurs zich daarvan bewust lijken te zijn. Want de titels van de hoofdstukken, ofwel datgene waarmee mensen zich kunnen identificeren, blijken in grote lijnen overeen te komen met de betekenis van de planeten en de ascendant in de astrologie. Ik denk dus ik ben: Mercurius. Ik voel dus ik ben: Venus. Ik werk dus ik ben: Mars, Ik heet dus ik ben: Zon. Ik hoor erbij, dus ik ben: Uranus. Ik lijd, dus ik ben: Neptunus. Ik heb een verleden, dus ik ben: Maan. Ik heb lief, dus ik ben: Jupiter. Ik word erkend, dus ik ben: Saturnus. Ik consumeer, dus ik ben: Pluto. Ik heb een lichaam, dus ik ben: ascendant. Ik moet toegeven dat dit niet voor honderd procent klopt, maar de grote lijn is opvallend.

Ik ben mezelf, dus ik ben. Zo heet de epiloog van het boek, en ik hoopte op een ontknoping die boven al die identificaties uit zou stijgen. Hoewel het een mooie schets geeft van de huidige grondhouding van onmiddellijke behoeftenbevrediging, waarbij we alles van anderen en de overheid verwachten maar daar zelf steeds minder voor over hebben, gaat het boek totaal niet in op wie of wat zich nou eigenlijk met dit alles identificeert. En dat is jammer. Zeker voor filosofen is het een misser als ze deze meest wezenlijke vraag niet stellen. Wat niet wegneemt dat het genieten is geblazen van dit soort boeken, want het komt vandaag de dag niet vaak meer voor dat mensen überhaupt nog een beetje helder en logisch denken – daar is gewoon geen tijd meer voor in onze snelle samenleving die in een identiteitscrisis lijkt te verkeren. Een crisis die een schaap in wolfskleren zal blijken te zijn, want ‘wie ben ik?’ is eigenlijk een spirituele vraag. Een vraag waarop elk antwoord fout is maar dat wordt alleen na veel missers ontdekt.

Feest voor Bach

Date 22 maart 2010

Gistermiddag was het feest in de Grote Kerk in Naarden. Want Bach werd 325 jaar, en welke plek is beter om dat te vieren dan die beroemde kerk van waaruit jaarlijks de Matthäus het land wordt ingestuurd? Het was lekker lenteweer, dus Vriend en ik zijn wezen fietsen, zo’n tien kilometer vanaf Oldegeppel, dus dat is te doen, zelfs met een koude tegenwind. Bij aankomst kregen we naast de consumptiemuntjes ook witte mokken cadeau, speciaal bedrukt ter ere van de verjaardag van de grootste componist aller tijden. En dat was nog maar het begin van een leuke dag, georganiseerd door de Nederlandse Bachvereniging onder leiding van Jos van Veldhoven. We hadden mooie zitplaatsen bemachtigd en konden alles dus goed zien en horen. Zo kwam direct bij de aanvang ex-minister Plasterk het eerste exemplaar in ontvangst nemen van De geheimen van de Matthäuspassion – Ambacht en mystiek van een meesterwerk, een reader die door de Bachvereniging onder redactie van Pieter Dirksen is samengesteld. Plasterk is een echte goede verteller, een man van het hart die extra aandacht vroeg voor de humor in de Matthäuspassie.

Leo van Doeselaar opende het concert op het orgel. Zijn kunst was op projectieschermen te volgen, waarbij je precies zag wanneer zijn assistent de partituur omsloeg en registers bediende. Dat zouden ze vaker bij orgelconcerten zo moeten doen. Hij speelde Robert Schumanns Fuge über den Namen  B-A-C-H, een melodie van vier noten (de H was vroeger een aanduiding van de B, en de B stond voor onze Bes) die ik zelf ook eens onbewust heb gebruikt toen ik mijn liedje Beautiful Boy schreef. Daarna werd Bachs motet Lobet den Herrn alle Heiden gespeeld en gezongen, gevolgd door zijn beroemde Suite Nr. 2 in b-klein waarvan iedereen – bewust of onbewust–  de Badinerie kent. In zijn toelichting nam Jos van Veldhoven ons mee naar een café waarin dit werk vrolijk als achtergrondmuziek werd gespeeld, en zoiets stelde ik me dan ook voor. Want indertijd was de muziek van Bach nog niet iets dat je uitsluitend muisstil in concertzalen en kerken mocht beluisteren! Hier in de Grote Kerk ging het gemoedelijker toe, ook omdat de eerste vier rijen bestonden uit banken voor kinderen die het ook eens allemaal meemaakten.

Na de pauze kwam het orkest al spelend de kerk binnenwandelen, waarna onverwacht Gustav Leonhardt op het podium verscheen om een toespraak te houden. Daarin vertelde hij grote vraagtekens te zetten bij al die numerologische analyses van Bachs composities. Merkwaardig dat deze bijna 82-jarige man, waarschijnlijk de beste Bachvertolker ter wereld, nog net niet de sprong heeft gemaakt naar de mogelijkheid dat spontaan geschapen werk juist daarom aan bepaalde getalsmatige wetten en verhoudingen voldoet. Verder vroeg hij meer respect voor inconsequenties in het werk van Bach, die wellicht heel bewust door de componist zijn toegepast maar vaak door betweterige uitgevers zogenaamd zijn gecorrigeerd waardoor het werk verminkt raakte. Omdat Bach vaak niet moeilijk deed over het transponeren van werk, gelooft Leonhardt er niet zo in dat elke toonsoort zijn eigen karakter heeft. Kortom: geen mystiek gedoe voor hem, maar gewoon authentiek uitvoeren zoals het was. Wat vervolgens gebeurde met de wereldse cantate Auf, schmetternde Töne der muntern Trompeten die indertijd gewijd was aan koning Augustus III van Saksen.

Daarna werd het echt feest! De kinderen hadden inmiddels een Bachlied ingestudeerd en kwamen dat uitbundig zingen, onder toeziend oog van Bach en koning Augustus III zelf. Gevolgd door applaus en een regen van ballonnen die vanuit de nok van de kerk werden losgelaten. Vriend constateerde dat de meisjes de ballonnen verzamelden en de jongetjes ze daarop kapottrapten. Het was dan ook een hels kabaal als van vuurwerk tussen de muren van de Grote Kerk, wellicht iets teveel voor mijn arme oren. We kregen heerlijke gebakjes uitgereikt en wandelden nog door het koor, waar demonstraties waren van oude ambachten als kalligrafie, papierscheppen, klavecimbels beschilderen, pruiken maken, ganzeveer en rietpen snijden, en het maken van traverso’s. En toen we buiten kwamen stond het draaiorgel De Arabier van Perlee vrolijk Bach te spelen, het Werde munter mein Gemüte dat Bach in veel werken heeft gebruikt, zoals in de cantate Herz und Mund und Tat und Leben, in het koraal Bin ich gleich von dir gewichen uit de Matthäuspassion, en dat ik uit mijn jeugd ken onder de titel Jesu, Joy of Man’s Desiring. En zelfs als het draaiorgel Erbarme dich gaat spelen geniet ik ervan. Niet alleen van de vorigeëeuwse digitale techniek die als geperforeerde kartonnen boekbladen door het leesmechanisme van het orgel schuift, maar ook van de humor van dit soort vrolijke en optimistische noten die te vaak in Bachs werk over het hoofd worden gehoord.

Bewustzijn

Date 14 maart 2010

Bewustzijn is voor mij het grootste mysterie dat er is. Het centrum ervan heb ik altijd in de buurt van de pinealis gelokaliseerd, maar verder kwam ik niet. Met al mijn betrokkenheid met psychedelica kwam ik er niet achter van wat voor soort spul bewustzijn was gemaakt, hoe het eruitzag, welke vorm het had, hoe groot het was, en hoe je het kon in- en uitschakelen alsof het een elektromagnetisch veld was dat je op diverse manieren kon beïnvloeden. Nergens weten we zo weinig over als bewustzijn, terwijl we het vrijwel continu bij ons dragen. Ik identificeer me het liefst met mijn bewustzijn, want dat is immers het onveranderlijke in mij en daarom mijn kern. Maar ik geef toe dat ik het daar laatst tijdens een kanaalbehandeling niet makkelijk mee had! De wereld is vol van zaken die je afleiden van je zelfbewustzijn, wat Bhagwan de getuige noemt. Daarover gaan dan ook veel spirituele tradities – zeker de Advaita Vedanta – en het doet me dan ook goed dat onlangs bij Uitgeverij InZicht een vierde druk is verschenen van Bewustzijn van Alexander Smit (1948-1998).  Ik ken weinig andere boeken die zo levendig en echt ingaan op dit onderwerp. Ik lees dit boek, dat vooralsnog alleen verkrijgbaar is via de website van het tijdschrift InZicht, dan ook met rode oortjes en laat me erdoor tot allerlei ideeën verleiden.

Voor ervaren is bewustzijn nodig, maar voor bewustzijn is geen ervaring nodig – bewustzijn gaat aan ervaring vooraf en schept er de voorwaarden voor. Zoals een filmscherm ook zonder film blijft bestaan, maar een film wel het scherm nodig heeft. Net als het scherm is het bewustzijn neutraal en accepteert het alles dat erop wordt geprojecteerd. Het wordt ook niet besmet, want na welke film dan ook blijkt het nog steeds wit te zijn. En dit alles is mogelijk omdat het bewustzijn zelf geen inhoud heeft en open staat voor alles dat erop wordt geprojecteerd. Het is jammer dat in het dagelijks spraakgebruik het begrip bewustzijn vaak verward wordt met de inhoud ervan. Want bewustzijn is eigenlijk de alles omvattende container van de inhouden in de vorm van waarnemingen, gevoelens en gedachten. Vreemd genoeg is bewustzijn wellicht het beste te vergelijken met de leegte, het niets dat al het bestaande omsluit en in zich heeft. Want alleen het niet-iets kan het iets waarnemen, zoals alleen het subject het object kan zien.

En nu wordt het heel grappig. Want het gegeven dat er zowel subjecten als objecten zijn is helemaal in tegenspraak met dezelfde Advaita, die immers het non-dualisme, de niet-tweeheid propageert. Als alles één is kan er geen verschil zijn tussen subject en object. Dan is eigenlijk alles subject of object! Het leuke is daarbij dat het subject nooit te vinden is, want zodra we alleen nog maar aan het subject denken hebben we het al tot object gemaakt. Ofwel je kunt nooit jezelf vinden, want wat gevonden wordt kan nooit hetzelfde zijn als de vinder. ‘Gedachten of emoties of het lichaam kunnen gelokaliseerd worden, maar bewustzijn zelf niet,’ vertelt Alexander Smit op pagina 154 van het bewuste boek. En iets verderop: ‘Je wezenlijke natuur kan niet gelokaliseerd en daarom ook niet ervaren worden. Wat je ook ervaart, het kan nooit je wezenlijke natuur zijn, hoe prachtig het ook is.’ En verderop vertelt hij op pagina 160: ‘En zolang je jezelf wil verbeteren leef je in waan omdat je niet weet wat dat ‘zelf’ is. Je weet niet wat dat ‘ik’ is. Je sleutelt dus aan iets waarvan je niet weet wat het is. Als je zoiets met een auto zou doen, krijg je op je duvel.’

Zelfkennis is dus onmogelijk, en zo rekent Alexander Smit af met alle zelfonderzoekers die menen daarmee op een spiritueel pad te zijn. En het lijkt erop dat op de bekende vraag ‘Wie ben ik?’ maar één antwoord mogelijk is: ik ben het Niets, de leegte die al het gemanifesteerde omhelst. En omdat ik dat Niets ben, besta ik eigenlijk niet – en daar is Tony Parsons het helemaal mee eens. Maar omdat ik als Niets alles omhels ben ik tegelijk dat Alles, en besta ik ook daarom niet, omdat ik met alles versmolten ben. Een van de meest radicale conclusies uit de Advaita is dan ook dat alles hetzelfde als niets is. Alsof objecten die bestaan uit gevormde volheid niets anders zijn dan samengeperste subjecten, samengetrokken vormloze leegte. Deze mooie woorden zijn nog niet allemaal echt doorleefd, maar ze doemen niet voor niets als een soort intuïtieve wegwijzer in me op. Ze laten zien waarom het staren naar de sterren zo verlokkelijk is en zo’n gevoel van thuis-zijn geeft. Het verlangen om me te laten vallen en oplossen in die donkere stille diepte, alsof dit het mysterie is dat ik zelf ben. ‘Life is not a problem to be solved, but a mystery to be lived,’ zei Bhagwan altijd. De beste manier om zelfkennis op te doen is dan ook om in heimwee op je rug naar de sterren liggen kijken.

Radeloos

Date 11 maart 2010

Vandaag zijn er maar heel weinig gemeenteraden. De raden van de afgelopen periode zijn namelijk om 0:00 uur opgeheven en het is aan de gemeenten zelf hoe laat zij vandaag de nieuwe raden installeren. Sommige gemeenten deden dit al meteen na middernacht, andere zoals wij in Oldegeppel doen dit pas in de avond. Even een radeloze en besluiteloze periode dus, die net zo mysterieus is als het uur tussen 2:00 en 3:00 uur dat straks zomaar verdwijnt als de zomertijd op 28 maart begint.

Even niets. Eigenlijk zou het altijd zo moeten zijn, dat mensen gewoon een beetje aardig met elkaar omgaan en helemaal geen bestuurders, regels en wetten nodig hebben. Dat lijkt een beetje op het liberalisme dat ook zo’n hekel aan regels heeft. Maar dit werkt alleen vanuit een grondhouding van acceptatie en samenwerking, niet bij die van steeds meer willen en concurrentie zoals we dat bij de liberalen zien. Door zijn eigen grondhouding zit het liberalisme zichzelf in de weg en leidt het niet tot vrijheid, maar juist tot onvrijheid.

Vandaag ben ik er dus even niet, omdat Oldegeppel tot vanavond radeloos is. Kunnen we daar tegen? Misschien moeten we geleidelijk aan het aantal radeloze dagen opvoeren om te zien wat er gebeurt. Hoelang zal dat goed blijven gaan zonder dat we elkaar de hersens inslaan? Want als we een dag zonder gemeenteraden kunnen, waarom dan niet twee dagen, een week, een maand?

Vandaag verraden we in stilte, zodat er straks een andere raad in de raadzaal zit. En we krijgen het spannender dan ooit, want ons land staat niet alleen bezuinigingen te wachten, maar lijkt ook een steeds grotere bestuurlijke chaos te worden. Vanavond zal ik met veel anderen weer de belofte afleggen. Niet de eed, want om God te vragen mij te helpen vind ik nogal arrogant. Alsof ik beter dan Hij weet wat goed voor mij en Oldegeppel is.

Preventie of repressie?

Date 8 maart 2010

In welk verkiezingsprogramma stond veiligheid niet hoog genoteerd? Streng optreden! Meer camera’s! Snelrecht! Zwaardere straffen! Meer blauw op straat! Dat laatste roep ik ook al jaren. Wie eigenlijk niet? Het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid! Dat vindt dat de verhouding tussen preventie en repressie zoek is, als ik het bericht hierover op Nu.nl mag geloven. Want met repressie – een mooi woord voor aanpakken die handel! – worden de problemen niet opgelost. En daar kan ik directeur Ida Haisma van dit centrum eigenlijk geen ongelijk in geven.

Preventie is inderdaad niet ‘sexy en daadkrachtig’, lees ik. En dat is ook zo. Wellicht heeft onze rechtse marktgerichte machocultuur van slim en snel doorpakken, van no-nonsense, van arbeidsethos ten faveure van de groei-economie, en vol afschuw van alles dat zacht, lief en geduldig is wel bijgedragen aan de criminaliteit. Als we het vrouwelijke in ons onderdrukken – en bij ons is het dank zij ‘emancipatie’ zelfs zover gekomen dat er nauwelijks nog vrouwen over zijn – vragen we om moeilijkheden! In deze betekenis is er al decennia sprake van repressie, namelijk van de vrouw in ons. En als dan de man teveel doorslaat willen we opnieuw repressie! Maar nu van teveel manlijkheid, zoals van de knaapjes vol hormonen die het leven op straat verpesten. Dat schiet niet op.

Sinds de jaren zestig is de vrouw in ons taboe. Ook in vrouwen zelf. Maar wat je onderdrukt blijft om aandacht vragen. Want alles wil uiteindelijk weer heel worden, één worden – de meest diepe en intrinsieke neiging in al het geschapene. Net zoals alles naar evenwicht streeft waarin alles eerlijk verdeeld is, entropie. Vriend hoorde laatst het woord vermarkting waarmee heel mooi de vinger op de zere wond wordt gelegd. De vrije markt doet immers een beroep op concurrentie en andere macho eigenschappen, en is in bijna alle levensterreinen doorgedrongen, tot en met de media en de politiek.

Preventie begint bij erkennen van het vrouwelijke in ons. Dan wordt het probleem bij de wortels aangepakt. Ik pleit dan ook voor de Partij van de Watjes. Met een geitenwollen sok als symbool. Alleen hippies, mietjes, idealisten, mafkezen, zigeuners, artiesten, punkers, dromers en dat soort volk kunnen de wereld nog redden. Die moeten zich emanciperen, want de echte mannen hebben de wereld nu wel genoeg naar de klote geholpen. Dat is de ware preventie die repressie overbodig zal maken. Op naar de androgyne mens!