25 maart 2011
Gebruiksvriendelijke software is op langere termijn een aanslag op onze mentale vermogens. Gemak dient de mens, heet het. Nee dus. Mijn Wijze Tante voerde zowat haar hele leven een kruistocht tegen het gemak, omdat dit op wat langere termijn alleen maar verslapping teweegbrengt. Had zij het vooral over fysiek gemak, hier gaat het om mentaal gemak. Gebruiksvriendelijke computerprogramma’s worden beter verkocht, maar zijn even slecht voor ons denken als fastfood voor ons lichaam. Het feit dat de woorden gebruiksvriendelijk en gebruikersvriendelijk in de praktijk vrijwel synoniem zijn, toont al aan dat we nauwelijks beseffen dat gebruiksvriendelijke programma’s niet bepaald gebruikersvriendelijk zijn. Want de gebruiker betaalt uiteindelijk met zijn eigen verstand, zoals de fysiek luie mens betaalt met zijn lichaam. Ik kom hierop omdat in het boek Het ondiepe van Nicholas Carr, waarover ik vorige week schreef, een leuk onderzoek uit 2003 van een Nederlandse klinisch psycholoog wordt aangehaald.
Christof van Nimwegen liet ‘twee groepen vrijwilligers een lastige puzzel oplossen op de computer (…) De ene groep gebruikte software die zodanig was ontworpen dat hij zo behulpzaam mogelijk was (…) De andere groep gebruikte een kaal programma en kreeg op geen enkele manier hulp.’ Uiteraard deed de groep die extra hulp van de computer kreeg het in eerste instantie het beste. Maar ‘naarmate de test vorderde, nam de behendigheid van de groep zonder de extra software sneller toe. Op het eind konden degenen zonder de extra software de puzzel sneller oplossen (…)’ (p. 271) Na acht maanden kon de groep die geen hulp had gehad de puzzel zelfs twee keer zo snel oplossen als de groep die hulp had gehad. Een soortgelijk onderzoek waarin twee groepen proefpersonen met behulp van kalendersoftware vergaderingen moesten plannen had hetzelfde resultaat. ‘De bevindingen wijzen er volgens van Nimwegen op dat wanneer we probleemoplossing en andere cognitieve taken uitbesteden aan computers, we daarmee het vermogen verminderen van onze hersenen om “stabiele kennisstructuren – of schema’s op te bouwen”, kennisstructuren die we in nieuwe situaties zouden kunnen toepassen. Een polemist zou het nog scherper zeggen: hoe slimmer de software, des te dommer de gebruiker.’ (p. 272-273)
Software is om te gebruiken, niet om vriendelijk te zijn. Vroeger dacht ik dat denken alleen in de alternatieve wereld taboe was, maar dat geldt ook in de wereld van de vrije markt waar men profiteert van gemakzucht en hoofdzakelijk belust is op kortetermijnwinst. Het is juist deze mentale luiheid, de gebruiksvriendelijkheid die ons de laatste decennia steeds dommer maakt. Zonder gps weten we de weg niet meer. Zonder spellchecker kunnen we niet meer schrijven. Zonder kassa kan een caissière geen wisselgeld meer uitrekenen. En Facebook zoekt wel uit wie mijn vrienden zijn. Dat zijn de offers die we brengen voor het gemak. Net als onze steeds dikker worden lijven zijn ook onze hersenen steeds minder in beweging te krijgen. De vraaggerichte commercie zorgt ervoor dat we altijd in onze eigen kringetjes van vrienden en belangstellingen blijven rondcirkelen, en dat elk alternatief, alle creativiteit in de kiem wordt gesmoord. Gebruiksvriendelijkheid sust ons geleidelijk in een slaap van domheid, die al dieper in de samenleving is doorgedrongen dan we willen weten. Verdomming. Het klinkt als een vloek, maar die roepen we over onszelf uit.
Gepost in Computer en internet, Gezondheid en welzijn, Psychologie
3 reacties »
18 maart 2011
Net op tijd! Het staat nu officieel vast dat ik hoogbegaafd ben, maar daar had ik niet nog een jaar mee moeten wachten. Want daarvoor hang ik teveel aan het internet, en dat schijnt volgens het boek Het Ondiepe – Hoe onze hersenen omgaan met internet van Nicholas Carr nou niet bepaald de intelligentie te bevorderen. Je leert er om snel dingen te vinden en pagina’s te scannen, maar echt lezen is er niet meer bij! Informatie wordt oppervlakkig verwerkt en onze hersenen, die veel plastischer zijn dan we tot op heden vermoedden, passen zich daar keurig bij aan. In mijn eigen woorden: de kwantiteit van de informatie die we tot ons nemen gaat ten koste van de kwaliteit. In zijn boek haalt Carr daarvan talrijke onderzoeken aan, die steeds weer hetzelfde laten zien: hyperlinks en multitasking leiden ons teveel af om onze hersenen een en ander goed te laten verwerken. Je ziet het verschil al als je mensen pagina’s laat lezen met en zonder hyperlinks, en hen dan achteraf overhoort. Dan blijken teksten met hyperlinks veel slechter te zijn doorgedrongen dan die zonder links. Ook voor multitasking geldt een dergelijk verhaal: het tast zaken als geheugen, concentratie en begripsvermogen aan, en zuigt ons in het triviale ‘ondiepe’. Een spannend boek, maar niet echt optimistisch over het internet.
Maar hoe herkenbaar tegelijk! De voortdurende afleiding geeft ons weinig kans om ons in iets te verdiepen. Je kijkt naar een pagina op je scherm. Daar staan allemaal reclames en boodschappen in de marges, en soms er dwars overheen zodat je ze moet wegklikken. Ik ken mensen die van alles doen, zelfs een gedeelte van hun scherm fysiek afdekken, om daarvan verlost te zijn. Tip: diep in de nacht surfen maakt het vaak wat rustiger. Maar dan nog heb je al die hyperlinks in je tekst, waarbij je bewust of onbewust bij elke link weer je hersens aan het werk zet voor de beslissing: volgen of niet volgen? En als je hem volgt moet je weer terug zien te komen. Of juist niet. En terwijl je zo zit te surfen laat een knipperende taakbalk je weten dat iemand met je wil chatten. Of hoor je een geluidje dat er een nieuwe mail is binnengekomen. En voor je het weet ben je ergens anders dan waar je zijn wilde. Plong! Een sms’je in het mobieltje dat naast me ligt! Ook als ik niet online ben brandt mijn smartphone soms in mijn handen om te checken of er nog nieuwe mail is. Of nieuws over de kernramp in Japan. Of iets interessants op Facebook. Of gewoon een grappige tweet van onze wethouder die zijn hond uitlaat. Eigenlijk is internet een pure verslaving van hersencellen die hunkeren naar steeds meer en meer voer om te verwerken.
Maar ik vind het zo ontzettend boeiend allemaal! Wij watermannen hebben nu eenmaal iets met nieuwe technologieën. En het internet heeft ook het grote voordeel dat het mensen met elkaar verbindt. Hoewel dat vaak oppervlakkige verbindingen zijn. Eén echte vriend in real life is beter dan tien vrienden online! Maar ook dat gaat niet altijd op, want het is ook mijn ervaring dat je online niet alleen echte vriendschappen kunt onderhouden of herstellen, maar zelfs nieuwe vrienden kunt krijgen. Zoals in Second Life. Maar dat komt misschien omdat er daar nauwelijks computers zijn en omdat je daar zonder mobieltje rondloopt. Maar het is misschien wel wat onhandig dat je een computer nodig hebt om computers te ontvluchten. En ik moet toegeven dat ik in Second Life maar heel zelden een boek lees. Dat doe ik nog wel vaak in het echte leven. Nog. Want als je een boek aan het lezen bent over waarom mensen geen boeken meer lezen, is de kans groot dat het je laatste boek is. Dank zij het internet, dat maar al te vaak een aanslag op onze intelligentie doet. Waarvan het gebruik dus eigenlijk heel link is. Hyperlink.
Gepost in Computer en internet, Psychologie, Second Life, Uit mijn leven
1 reactie »
14 maart 2011
Zaterdagmiddag lekker door Utrecht gebanjerd. Voor het eerst zacht zonnig weer, dus de straten en de grachten waren overvol. Inclusief een draaiorgel dat Are You Lonesome Tonight? speelde en een straatzanger die achter het stadhuis mooie liedjes zong met een zuivere stem en goed gitaarspel. Wat ik in Utrecht deed? Om één uur moest ik me melden bij Regardz la Vie, een zalencentrum boven de Bijenkorf. Want daar is om de zoveel maanden een testmiddag van Mensa, en zo belandde ik in een groep van zo’n veertig mensen, waaronder veel jongeren, van wie ik niemand kende en die zich graag wilden voorstaan op hun… intelligentie!
Ach ja, je moet wat. Misschien is het juist dat heerlijke gevoel van ‘Waar ben ik nou weer beland?’ dat me, op zoek naar rariteiten en zeldzaamheden, naar deze plek lokte. Want Mensa is een wereldwijde organisatie van mensen die zich hoogbegaafd noemen. En op hun website staat een thuistest die ik heb gedaan, met als resultaat dat mijn intelligentie waarschijnlijk voldoende zou zijn om lid te worden van deze vereniging van bollebozen. Maar daarvoor moest ik wel de eindtest doen, en daarvoor was ik nu hier in Utrecht. Je bent geslaagd als je scoort boven het 98e percentiel, wat wil zeggen dat je intelligenter bent dan 98% van de bevolking. Intelligentie is namelijk per definitie verdeeld volgens een normaalkromme waarvan het gemiddelde 100 en de standaardafwijking rond de 16 is. Voor zover ik iets van statistiek begrijp en de tabellen in mijn vergeelde boek nog steeds kloppen, moet ik dus een IQ van minstens 132,864 hebben om mee te mogen doen in deze club.
Mijn moeder zei me altijd dat ik een IQ van 144 had. Hoewel ze inderdaad royaal was met adviesbureaus en psychiaters, heb ik dat eigenlijk nooit serieus genomen, vooral omdat ze me heel graag, zeg maar te graag beklemmend verheerlijkte. Tijdens regenachtige vakanties in Pruttel speelden Vriend en ik graag testjes uit Prismaboekjes, waaruit vaak onwaarschijnlijk hoge scores tot tegen de 150 kwamen. Even onwaarschijnlijk als de score van 81 die ik onlangs op de Nationale IQ-test van BNN wist te produceren, en waarvan ik een mooi certificaat heb uitgeprint. Zelf heb ik altijd het getal 137 in mijn hoofd, maar weet niet meer waar ik dat vandaan heb. Misschien van tijdens mijn eigen studie, toen ik ook wat stoeide met de Groninger Intelligentie Test en de Wechsler Adult Intelligence Scale, die indertijd zo’n beetje de norm waren.
Maar waarom zou je in je intelligentie geïnteresseerd zijn? Sterker nog: wat is intelligentie eigenlijk? Die vraag geldt voor veel aspecten van je persoonlijkheid, en elke beginner op het spirituele pad weet dat dit weinig zegt over je wezenlijke zelf, en je je daarmee dus niet moet verbinden. In alternatieve kringen is het dan ook not done om veel aandacht aan je verstand te geven, en begeef ik me dus als mindtripper op glad ijs. Het grappige bij dit alles is dat bijna niemand echt weet wat intelligentie nou eigenlijk is. Sommige zeggen gewoon dat intelligentie is wat een zo’n test meet, waarmee die test per definitie 100% valide is. Tegelijk weet eigenlijk iedereen wat intelligentie is – van willekeurige voorbijgangers is dat zelfs redelijk in te schatten zonder dat je een woord met hen hebt uitgewisseld.
Volgens Wikipedia en de vakliteratuur heeft intelligentie met van alles en nog wat te maken, zoals abstract en logisch kunnen denken, met relaties kunnen ontdekken, leggen en doorzien, met inzicht, leren, geheugen en ruimtelijke oriëntatie, om er maar een paar te noemen. Maar volgens anderen gaat het ook om creativiteit en wijsheid, waarmee intelligentie méér is dan alleen het logische rationele verstand, dat ik eigenlijk intellect zou willen noemen. Om het een en ander nog ingewikkelder te maken wordt er ook nog onderscheid gemaakt tussen verschillende soorten intelligentie, waarvan vooral de emotionele intelligentie populair is geworden. Maar wat intelligentie ook is, het lijkt hoe dan ook iets te maken te hebben met je hersenen, en iets te zeggen over hoe geïntegreerd, efficiënt, snel en levendig de bedradingen daar met elkaar omgaan. Zelf geloof ik niet zo in de stoffelijkheid van het denken, maar eerder dat de hersenen en activiteiten daarin een neerslag zijn van iets dat zich op immaterieel niveau afspeelt.
Juist omdat de hersenen er zo’n grote rol bij spelen, lijkt de mate van intelligentie al bij de geboorte meegegeven. Die verandert meestal weinig in de loop van een leven – hooguit een punt of tien schat ik – zodat het eigenlijk heel discriminerend is om mensen te verwijten dat ze dom zijn. Je kunt het ze zelfs niet kwalijk nemen dat ze niet beseffen dat ze dom zijn, want ook dat hoort erbij. Maar voor intelligente mensen is het verdomd moeilijk om domheid te begrijpen, met als gevolg dat je jezelf maar dom vindt. Soortgelijke verhalen las ik van hoogbegaafden, die echt niet snappen wat er nou eigenlijk met hen en de wereld aan de hand is. En als ze er na een excentrieke jeugd achter komen dat ze hoogbegaafd zijn, verklaart dat opeens veel van hun buitenissige gedrag en gedachten. Een te weinig aan hersenen kan een probleem zijn, maar een teveel ook. Je ziet sneller de gevolgen, je kijkt verder dan je neus lang is, je doorgrondt beter de oorzaken, je voelt het wanneer redenaties niet kloppen, je gelooft niet meer in schijnoplossingen en doekjes voor het bloeden.
Hoogbegaafden zijn geen mensen die alleen met elkaar over de relativiteitstheorie praten, in een paar luttele seconden de Rubiks kubus oplossen en wars zijn van gevoel en jolijt. Ze kunnen ook humor hebben, zoals degene die me inschreef en me bij serieuze controle van mijn gegevens betrapte op verwisseling van een IJ en een Y in mijn achternaam, maar daar later weer relativerend om moest lachen. Ze organiseren zelfs spelletjesavonden! Maar tijdens de testzitting had ik weinig warme of koude gevoelens over de deelnemers en wist ik echt niet of dit een club was waar ik bij zou willen horen. Na uitpluizen of wat naast me zat een jongen of een meisje was, en ik voorzichtig wat contact met hem trachtte te maken lukte het me niet om meer dan drie woorden uit hem te krijgen.
En nu maar wachten op de uitslag van de verschillende tests. Ik heb er best mijn twijfels over, maar ook als ik niet mee mag doen zal ik deze club een warm hart toedragen. Omdat het meer dan ooit belangrijk is dat intelligentie zich verenigt. Niet alleen als club waarin mensen elkaar kunnen vinden, maar ook als signaal naar regeringen die alles wat met intelligentie te maken heeft met verve bestrijden en zoveel mogelijk de kop willen indrukken. En niet in het laatst in Nederland. Na afloop wandel ik weer in het zonnige Utrecht, een beetje daas en moe, misschien ook omdat hersenen meer fysieke energie vreten dan we denken. Maar waar gaat dit allemaal eigenlijk over? In Japan woedt een tsunami! En hier in Blaricum maken we ons druk over een snelle buslijn die niemand wil. Terwijl ik zelf kennelijk niets beters te doen heb dan in mijn hersenen te gaan wroeten. Achter het stadhuis zingt Rupert Blackman zijn liefdesliedjes. Ik geniet ervan en koop een cd van hem. Ook daarvoor moest ik misschien wel hier in de domstad zijn. Domstad?
Gepost in Psychologie, Uit mijn leven
6 reacties »
7 maart 2011
Eigenlijk gaat het uitstekend met het milieu! Gelukkig is er een Groene Rekenkamer die ons er bijvoorbeeld op wijst dat een beetje straling eigenlijk best gezond is. Zo mag ik het horen. Want ik heb het niet zo met die overbezorgde en betuttelende maatregelen van de overheid. Neem nou al dat gedoe met asbest. Toen ik het huis van mijn overleden moeder ontruimde en daar vrolijk het asbest verwijderde dat zich bij de open haard bleek te bevinden, brak mijn broer meteen in paniek uit toen hij me daar in die witte wolk zag zitten. Ja hoor eens, ik ben toch geen mietje? Mijn vader liet ons als kinderen fijn met bolletjes kwik spelen omdat dat zo raar hobbelig zwaar in je handen heen en weer rolde. Moet kunnen, daar word je toch groot en sterk van? Tegenwoordig hebben mensen steeds minder weerstand. Geen wonder als je je kinderen overbeschermd opvoedt. Beveiligde stopcontacten, niet te dicht bij de vloer. Flessen bleekwater die je nauwelijks open kan krijgen. Hekjes bovenaan de trap opdat kinderen niet naar beneden donderen. Geen wonder als je volwassenen verplicht helmen op brommers en bouwterreinen te dragen, glazenwassers niet meer op hoge ladders mogen werken en je in de auto niet harder dan 120 kilometer mag rijden. Tien kilometer harder rijden geeft maar 9% meer gewonden in het verkeer, zoals onlangs in Verkeersnet was te lezen, dus moeten we daarvoor onze vrijheid opofferen?
Ik ben het dan ook helemaal niet eens met Jaap Dirkmaat, je weet wel, die jongen die bomen de das wil omdoen. Of zoiets. Ook een mietje trouwens, en afgelopen zaterdag stond een uitgebreid interview met hem in de Gooi en Eemlander. Je kent dat wel: jeremiëren over de Club van Rome, de afbraak van de natuur, het vervuilde grondwater, uitgeputte landbouwgronden en lege zeeën. En dan zijn er weer die grutto’s en korenwolven: opeten die beesten, want daar word ik echt moe van! Alles zou opwarmen en intussen zitten we hier al een dik jaar met koude noordelijke winden waardoor we nauwelijks een behaaglijke zomer hebben gehad. Valt toevallig samen met de overwinning van Rutte sinds maart vorig jaar, en sommige malloten zien daar een verband tussen. Onzin natuurlijk. Eerder toont het aan dat de natuur je grootste vijand is, die dan ook met verve bestreden dient te worden. Al eerder citeerde ik uit De Bovenbazen van Marten Toonder grootmagnaat AWS, voor wie de natuur de vijand van het kapitaal is, een gruwel en een vloek omdat ze gratis werkt. De natuur is er om gehaat te worden. Zo is het toevallig ook nog eens een keer.
Terug naar de Groene Rekenkamer die – ‘eerlijk over het milieu’ – bestuurders graag van haar nieuwsbrieven voorziet. Het is echt te gek wat ze schrijft: ‘De schitterende natuur van Tsjernobyl heeft echt geen last van straling,’ aldus de kop van een artikel van Ron Chesser. Dat wordt echt een feestje als we op 26 april de 25-jarige verjaardag van die kernramp mogen vieren. Terwijl ik dat lees veert mijn hart op. Vooral bij nacht lijkt het me prachtig in die omgeving. Al die oplichtende struiken en bomen, het kleurig verlichte water en de nog altijd nazengende warmte passen precies bij de psychedelische visioenen waarvan ik vroeger zo graag genoot. Misschien moet ik daar maar eens heen om de schitterende gezondheid van de natuur op me in te laten werken. Maar voor ik naar de stralende tuinen van Tsjernobyl ga, wil ik nog even mijn milieustudie afronden. De Groene Rekenkamer adviseert me namelijk om niet zomaar te geloven wat ze zeggen, maar het ook te controleren. Want alleen ‘door confrontatie van opvattingen komt U achter de waarheid.’ Kun je nagaan hoe eerlijk en integer de Groene Rekenkamer is! Ik begin maar meteen: hoe groen is de Groene Rekenkamer? Mmm. Misschien wat chemisch groen, maar niet echt van chlorofyl. Maar wacht eens: als hun naam al misleidt, zou dat dan ook met de inhoud zo kunnen zijn?
Zelf onderzoeken, wie doet dat nou nog vandaag de dag? Toch hoort dat eigenlijk, en daar heb ik voor geleerd. Daar ga ik dan. Hoe natuurlijk is het dat natuur die in miljoenen jaren is opgebouwd binnen enkele decennia verdwijnt? Hoe toevallig is het dat juist nu de dingen gebeuren waarover Robert Long al in 1974 zong dat het aardig uit de hand liep? Hoe wetenschappelijk is het om het Intergovernmental Panel on Climate Change te verketteren omdat er tussen de vele onderzoeken en conclusies enkele zijn aangetroffen die niet betrouwbaar en/of valide zijn? Hoe gevaarlijk is het om milieuscepticus te zijn, zelfs als je 99% kans hebt het gelijk uiteindelijk aan je kant te krijgen, waarmee je aangeeft een risico van 1% te nemen dat de wereld naar de bliksem gaat? Hoe kortzichtig is het om de natuur te haten, waarop Jaap Dirkmaat antwoordt: ‘Goh, wat gek. Wat je eet en drinkt, de benzine voor je auto, wat je voorouders hebben gegeten en gedronken, de kleren die ze droegen, álles wat je gebruikt, komt uit de natuur. Als je niet geïnteresseerd bent in de aarde die je voedt, moet je maar op de maan gaan wonen.’ Zo simpel is het. De zachte krachten laten de laatste tijd te weinig van zich horen. Dus heb ik toch maar € 25 op rekening 159218535 van Das & Boom te Beek-Ubbergen overgemaakt. Omdat ik nu eenmaal van korenwolven, geitenwollen sokken en mietjes hou.
Gepost in Gezondheid en welzijn, Maatschappij en politiek, Uit mijn leven
2 reacties »
27 februari 2011
Gisteren met Ewald meegereden naar Stoutenburg bij Amersfoort, waar hij voor de derde keer met Menno een Dag van Niks organiseerde. Dit duo organiseert graag groepen, en toen ze op een dag helemaal geen programma meer konden bedenken, hadden ze daarmee meteen het antwoord gevonden: laten we met de groep gewoon eens Niks gaan doen! Dus daar zat ik gisteren met vijftien anderen in een kring Niks te doen. Voer voor psychologen. Want Niks wil steeds gevuld worden, zeker als je met zijn allen een kwartier of een half uur voor je uit hebt zitten kijken. Dan gaat opeens iemand mandarijntjes uitdelen. Of een Koorddanser lezen, waarvan hoofdredacteur Ewald een stapeltje heeft meegenomen. Of een liedje op zijn meegenomen gitaar spelen, waarop iemand anders op een dwarsfluit probeert mee te spelen, wat vanwege een onhandige toonaard mislukt. Iets delen met anderen blijkt een niet te stuiten behoefte, maar dat is natuurlijk niet Niks. En uiteindelijk wordt er natuurlijk ook gepraat. Over Niks.
Wat is Niks? De een ziet het nut er niet zo van in. En een ander zoals ik vraagt zich af waarom iets eigenlijk nut of zin zou moeten hebben. Is het ervaren van Niks hetzelfde als er zelf niet meer zijn, als een verlichtingsmoment? Een vrouw vertelt hoe ze verdween bij het kijken naar een beuk. Een ander vertelt dat hij überhaupt niet zoveel ‘ik’ meer voelt, dat hij niet kan zeggen dat dingen van hem zijn. Dat maakt best indruk op me: het zou een goede oefening zijn om alle bezittelijke voornaamwoorden uit je vocabulaire te gooien, zodat je niet meer spreekt over ‘mijn ervaring’, ‘mijn lichaam’, ‘mijn gevoel’ en zo. Is Niks hetzelfde als leegte? Sommigen vinden dat te negatief klinken, maar zelf vind ik dat wel mooi. Het Niks dat als leegte alles in het heelal omhelst en daarom verbindt. Intussen zijn we weer aan het praten over Niks, en dat is niet Niks. Dus zegt iemand dat ze het leuk zou vinden als we weer een tijd stil zouden zijn. Wij gehoorzamen graag, nadat Menno nog even de stilte geplaagd heeft met een schreeuw.
In de pauze, die gewoon uit het Niks ontstond, wandelden we over de modderige paden rond het kasteel annex klooster annex conferentiecentrum. Het was even zonnig en ik praatte al sigaartjes rokend met de gitaarspeler over popmuziek en met een groenlinkse knaap over politiek. In het bos werden boomstammen in plakjes gezaagd. En weer in de kring gezeten deelt mijn buurvrouw haar laatste Merci-chocolaatjes met me. Wordt er weer gezwegen, gelezen en gepraat. Gaat mijn buurvrouw een sprookje vertellen. Gaat iemand Menno masseren. Ga ik brutaal fotootjes van deelnemers maken. Soms wordt het Niks gevuld omdat iemand vindt dat er toch iets moet gebeuren. Die vindt Niks dan maar Niks. Maar soms wordt het gevuld omdat iemand Niks gewoon Niks laat zijn, waaruit vanzelf dan iets spontaans ontstaat. Dan is Niks niet Niks. Vindt niet alle spontaanheid, creativiteit en echtheid zijn oorsprong in dat Niks? Is Niks niet de schoot waaruit het Iets geboren is?
Terug in Ewalds auto op de A1 praten we nog na, en begin ik te betogen dat het heelal nooit ontstaan is. Omdat het altijd al heeft bestaan, oneindig ver terug in de tijd, zoals het ook oneindig in de ruimte bestaat. En neem ik me voor om een volgende keer hem uit te leggen dat Niets eigenlijk hetzelfde is als Iets. Alles is Niets, en Niets is Alles. Maar dat vinden sommige mensen maar Niks, en dan moet ik dat weer helemaal vanaf het begin (dat er niet was) gaan uitleggen. Een leuke dag over Niks, waarvoor ik wel vroeg op moest en maar een paar uur geslapen heb. Maar ja, voor Niks gaat de zon op. Vanuit Ewalds huis weer terug naar huis gefietst. In de regen. Maar daar was Niks mis mee. Een dagje Niks, dat is niet Niks, en ik teken er graag voor.
Gepost in Spiritualiteit, Uit mijn leven
13 reacties »
25 februari 2011
De regering vindt internet geen primaire levensbehoefte, aldus Verhagen onlangs op nu.nl. Nee, natuurlijk niet, want als er iets is dat de positie van machthebbers bedreigt is het wel het internet! Verhagen en consorten moeten aan de knoppen kunnen draaien, niet de gewone mensen. En dat terwijl deze zelfde minister nog geen jaar geleden in Het Parool oreerde dat internet essentieel is voor de mensenrechten. Kort samengevat: mensenrechten behoren niet tot de primaire levensbehoeften. Niet alleen het CDA ten voeten uit – om over dierenrechten maar helemaal niet te spreken – maar ook typerend voor de domheid van politici. Die nog steeds blijven geloven dat ze de uiteindelijke macht over het internet hebben. Laat ze dat maar geloven, maar ik ben er helemaal niet van overtuigd.
De politiek met zijn ambtenarenapparaat is veel te log en te verdeeld om snel en efficiënt met het internet om te kunnen gaan. Met dank aan de managers die prachtige bestuursmodellen hebben ontworpen die slechts één nadeel hebben: ze vreten geld, tijd en energie, en tegen de tijd dat daar bekend is wat een hashtag is, zijn de digitale media alweer een generatie verder geëvolueerd. De whizzkids zijn de politiek altijd te vlug af en dat is iets wat voor veel machthebbers niet te verkroppen is. Documenten van WikiLeaks nagelen de diplomatie aan de schandpaal door te laten zien dat overheden lang niet zo transparant, open en eerlijk zijn als zij willen doen voorkomen. Dat is hen een beetje teveel van het goede, zodat zij zich nu als laatste grashalm vastklampen aan de mogelijkheden om internet naar eigen believen af te sluiten. Wat ook van domheid getuigt.
Want wat stel je je voor bij het afsluiten van internet? De kabels doorknippen? Alsof dat niet meteen ook de hele economie in elkaar stort. Selectief servers dwingen bepaalde providers af te sluiten, of providers dwingen bepaalde bestanden of streams te blokkeren? Een kind kan weten dat iedereen en alles via allemaal omwegen en trucs uiteindelijk toch te bereiken is, zoals met het Tor-project. En informatie staat niet echt alleen maar op één bepaalde plek op het internet omdat het razendsnel naar andere servers over de hele wereld is gekopieerd. Het internet is als een hologram: je kan het in stukken breken, maar dan blijkt elke scherf op zichzelf ook weer alle informatie te bevatten die in het oorspronkelijke beeld zat. We zijn ons nog maar half bewust van de waarde en de betekenis die het internet heeft en nog gaat krijgen voor de menselijke ontwikkeling op wereldschaal.
Gepost in Computer en internet
3 reacties »
24 februari 2011
Volgende week dus de Eerste Kamerverkiezingen. Want wie daar terechtkomen lijkt nu even belangrijker te zijn dan onze wegen, het water en vele andere zaken die door de provincie worden geregeld. Wel maken we het een beetje ingewikkeld door leden van de Eerste Kamer indirect via de provincie te kiezen, maar politieke structuren zitten niet altijd logisch in elkaar. Bovendien gaan we trapsgewijs kiezen voor mensen van wie we verwachten dat ze dingen gaan doen die ze helemaal niet horen te doen! De Eerste Kamer hoort wetten te controleren, of ze goed in elkaar zitten, niet in strijd zijn met andere regelgeving, of ze uitvoerbaar zijn en dat soort dingen. Zoals deze kamer het zelf op haar website zegt: ‘Zij toetst voorstellen voor nieuwe wetten, ingediend door de regering en de Tweede Kamer.’
Deze controle hoort niet politiek te zijn, en als dat wel gebeurt is dit een schoffering van onze democratie. Een voorbeeld daarvan is het ‘nee’ van Hans Wiegel op zijn beroemde nacht in 1999 waarmee hij zich tegen het invoeren van het referendum uitsprak. Ik wil nog steeds niet geloven dat dit geen politieke uitspraak van hem was, en dit gebeuren heeft mijn wantrouwen tegen hem en zijn partij alleen nog maar versterkt. En nu lijken de komende provinciale verkiezingen alleen maar over de macht te gaan: wat zou het fijn zijn als de huidige coalitie samen met de PVV daar geen meerderheid krijgt zodat we alsnog de afbraak van natuur, cultuur en wetenschap van het huidige kabinet kunnen tegenhouden! Degenen die dat hopen verwachten dus dat de door hen indirect in de Eerste Kamer gekozenen de besluiten van de democratisch tot stand gekomen Tweede Kamer ondermijnen.
Eigenlijk zou iemand de Eerste Kamer tot de orde moeten roepen: ‘Jongens, jullie zitten hier om te controleren en niet om politiek te bedrijven!’ Maar ja, als iemand ergens de geur van macht ruikt, is die natuurlijk nog lekkerder dan die van een Hema-worst. Idealen en politieke standpunten zitten soms zo in het bloed verankerd dat je niet altijd oog hebt voor democratisch genomen besluiten. Democratisch genomen besluiten? Je kan je afvragen of dat echt het geval is met zo’n dubieuze gedoogconstructie, en met verkiezingsbeloften die heel snel worden gebroken. Maar mag dat een rechtvaardiging zijn voor het breken van de spelregels van de Eerste Kamer? Ik denk van niet, hoewel ik diep in mijn hartje hoop dat de coalitie en de PVV daar straks geen meerderheid zal krijgen. Al was het maar een signaal naar hen om te laten weten dat ze niet overal even gewenst zijn als ze denken.
Gepost in Maatschappij en politiek
3 reacties »
19 februari 2011
Volgens mij is Verlichting voor gevorderden een betere titel voor het boek Het einde van je wereld van Adyashanti, verzorgd door uitgeverij Samsara waar de beste boeken op spiritueel gebied te vinden zijn. Hiermee vergeleken zouden de meeste newage boeken over verlichting beter Verlichting voor dummies kunnen heten. Wat dit boek namelijk zo bijzonder maakt is dat het nu eens niet zozeer gaat over de vraag hoe verlichting wordt bereikt, maar over hoe je dit bewustzijn bestendigt. Wat verlichting is, wordt min of meer bekend verondersteld, en er lijken steeds meer mensen te zijn die deze ervaring in zichzelf herkennen. Helaas wordt deze bewustzijnsstaat vaak theatraal omschreven als een extase en opperste gelukzaligheid, wat volgens mij het wezen van deze ervaring tegenspreekt. Want uiteindelijk is het het gewoonste van het gewoonste dat er te beleven valt. Een paar steekwoorden. Wegvallen van verlangens en identificaties. Weten dat alles goed is zoals het is. Innerlijke rust, vrede en ontspanning. Nergens meer aan gehecht zijn. Bevrijding van angst en conditioneringen. Alles zien zoals het is. Leven in waarheid, zonder oordelen. Zich verbonden weten met het hele bestaan. Wat allemaal is samen te vatten als bevrijding van het ik. Maar uiteindelijk is deze bewustzijnstoestand niet echt te beschrijven.
Verlichting is dan ook het ultieme doel van religie. Dat woord betekent ‘her-verbinden’ ofwel weer één worden met het Al, om het poëtisch te zeggen. Omdat de ik-staat van afgescheidenheid, van dualiteit de oorzaak van onze ellende en lijden is, verlangen we terug naar heelheid, zowel innerlijk als met de wereld om ons heen. We willen onszelf overstijgen, en het grootste obstakel daarbij is dat we het zelf zijn die dat willen, want hoe kan een ik afstand van een ik nemen? De grote paradox is dat verlichting niet iets is dat bereikt kan worden maar alleen iemand kan overkomen. Net als inspiratie kun je het niet zelf oproepen, maar hooguit condities scheppen waaronder het zich wil laten zien. Uitputting van het ik is daartoe een veel gebruikt middel. Monniken die na jaren mediteren en ploeteren de hoop opgeven en zich neerleggen bij het feit dat zij niet hebben bereikt wat ze zochten – dat is het moment waarop verlichting toeslaat, de herkenning van de wereld zoals hij is in al zijn stralende gewoonheid in de vorm van schoonheid, goedheid en waarheid.
Bhagwan maakte onderscheid tussen satori en samadhi. Bij een kortstondige staat van verlichting was volgens hem sprake van satori, en dat is iets dat de laatste decennia steeds vaker voorkomt. Deze bewustzijnstoestand is te vergelijken met de piekervaring van Maslow en kan ook door sommige drugs worden opgewekt. Helaas doen de meeste mensen nog steeds alsof je over iets totaal onbekends en onbereikbaars spreekt als het over verlichting gaat. Ze geloven niet dat er zoiets bestaat, en als het al zou bestaan moet het wel onbereikbaar zijn. Het is uiteraard het ik dat dit zegt omdat het bang is zijn eigen hachje te verliezen, want bij dit soort ervaringen is hij niet meer de baas. Maar satori komt – wellicht als tegenkracht van het toenemend materialisme – steeds vaker voor en juist daarom is het van groot belang dat er handleidingen komen voor mensen die verder willen kijken dan hun eigen satori lang is. Die dit willen bestendigen, zodat het tot een samadhi wordt: leuk dat we met verlichting hebben kennisgemaakt, maar hoe nu verder?
In dit boek vertelt Adyashanti veel over wat er allemaal na zijn verlichting op 25-jarige leeftijd is gebeurd. Want het is niet vanzelfsprekend dat de niet-blijvende verlichting een blijvende verlichting wordt. Mensen kunnen zelfs terugvallen en hij waarschuwt dan ook voor waanideeën die zelfs na de eerste verlichting grip op je kunnen krijgen. Hij noemt het blijven steken in superioriteit, het gevangen raken in depressieve zinloosheid, en het vast blijven zitten in leegte waarbij je weer hecht aan je rol van getuige. Maar ook dat allemaal hoort bij de droomstaat waarin je blijft verkeren zolang je niet verlicht bent, en dat moet je niet ontkennen of bestrijden, maar accepteren als horende bij het pad waarop je je bevindt. Net als energetische zaken als ontlading van energie, het gevoel alsof de bedrading in je hersens verandert zodat je zelfs geheugenproblemen kan krijgen, en het verscherpt worden van de zintuigen en het gevoel. Allemaal dingen waarvan je dus niet hoeft te schrikken als ze je overkomen.
Ik heb het boek nog niet uit, maar ga straks wel twee extra bestelde exemplaren afhalen die ik aan anderen wil geven. Omdat het kan helpen met het ‘Hoe nu verder?’ na ervaringen die steeds alledaagser lijken te worden. En waarvan het zo belangrijk is dat die veel bekendheid krijgt en met zoveel mogelijk anderen wordt gedeeld: het is immers de meest helende en gezonde transformatie die iemand kan doormaken. Want juist de niet-hele, gespleten mens is de oorzaak van niet alleen zijn eigen ziekte, maar ook van zijn omgeving en de hele wereld die hij met zijn ikkigheid besmet. Daarom is het ook van het grootste belang om er heel nuchter mee om te gaan en het te ontdoen van alles wat theatraal is. In het hele boek van Adyashanti komen, althans voor zover ik het nu gelezen heb, geen aura’s, chakra’s en kundalini’s voor. Geen astrale lichamen, hogere zelven, helpende engelen of buitenaardsen. Dat lucht op. Hooguit wat acupunctuur waarmee zijn vrouw Mukti hem hielp om zijn energie te aarden. Eigenlijk is verlichting het meest nuchtere, aardse en normale dat er is. Ons geboorterecht, zoals Bhagwan vaak zei.
Gepost in Spiritualiteit
1 reactie »
7 februari 2011
Waarom is muziek de hoogste kunstvorm? Omdat je er alleen in het hier en nu van kan genieten. Bij een schilderij, beeldhouwwerk of gebouw kunnen je ogen nog heen en weer zoeken en dwalen, het heeft ruimte nodig. Bij een boek, theater of film kan je nog in spanning wachten hoe het afloopt. Het heeft tijd nodig. Bij muziek zit ik nooit te verlangen naar hoe het afloopt, maar geniet ik op het moment zelf van prachtige melodieën en akkoorden. Ook melodieën en akkoorden kunnen alleen bestaan dankzij tijd en ruimte, maar die tijd is alleen het nu en die ruimte alleen het hier. Ja, sommige mensen kunnen heel analytisch naar muziek luisteren, maar dat is niet mijn sterkste kant. Meestal hoor ik door het orkest de instrumenten niet meer. Daarvoor moet ik heel goed opletten. Wat ook zijn voordelen heeft, want pas dan kan ik de magie achter muziek ontdekken. Dat leer ik een beetje van Vriend, soms met partituren erbij want dan kan ik beter luisteren naar wat ik hoor.
Het geheim van echte kunst is dat het helend is. En dat is niet alleen een gevoel, maar ook een zintuiglijke ervaring. Als ik mijn ogen sluit weet ik echt niet waar de muziek klinkt en proef ik iets van een nonlokaal bewustzijn, zoals dat mooi heet. Harmonie verbindt en is daarom helend. In harmonie heeft alles met alles te maken, weerspiegelt alles in alles. Dat zou je magie kunnen noemen, omdat dit niet alleen via het waakbewustzijn verloopt, maar ons hele wezen aanspreekt. In beeldende kunst en architectuur vinden we de gulden snede, waarin de getallen 1,618 en 0,618 magisch zijn. Een goed muziekstuk staat dan ook als een bouwwerk in elkaar. Soms vinden architectuurstudenten elkaar en beginnen een popgroep. Zo ontstond Pink Floyd. Maar Bach had die vooropleiding niet nodig om zijn oeuvre de magie van contrapunt en harmonie mee te geven. Bovendien liet hij het daar niet bij, zoals Vriend en ik zaterdagavond weer mochten ervaren in de Geertekerk in Utrecht.
Daar dirigeerde de inmiddels 82-jarige Gustav Leonhardt het koor en orkest van de Nederlandse Bachvereniging. Mooiere uitvoeringen van Bach dan die van hem, Herreweghe en Ton Koopman zijn nauwelijks denkbaar. Luxe dus, om dit mee te mogen maken. Er werden onder andere drie cantates gespeeld, waarvan ik Herr, wie du willt, so schicks mit mir de mooiste vond. Omdat daarin het koor de tenor, bas en sopraan omhoogtrekt uit de wanhoop en twijfel en je daadwerkelijk voelt hoe ze zich verenigen. Bach laat stemmen en instrumenten uitbeelden wat er gezegd wordt, zoals bijvoorbeeld in de Hohe Messe waar vioolpartijen zich splitsen in het Et incarnatus est: het leven van vlees en bloed is een leven in dualiteit. Als ik Vriend mag geloven, want mijn gebrek aan analytisch vermogen maakt het me moeilijk om dit te horen. Maar ik krijg er wel koude rillingen van en voel een verdriet in me opwellen voor de lange lijdende omweg die we kennelijk moeten maken om uiteindelijk onze goddelijkheid weer te hervinden.
Bach is natuurlijk bekend om zijn muzikale uitbeeldingen. De Matthäuspassion zit er vol van. Wie kent niet het Sind Blitze, sind Donner in Wolken verschwunden met al zijn kwaadheid? Maar knapper dan dit soort muzikale schilderijen zijn de minder opvallende technieken waarmee Bach beroemd is geworden. En dan bedoel ik niet alleen zijn spelen met polyfonie, maar ook dat elke stem ergens voor staat en elke orkestpartij iets symboliseert – of je het nou bewust zo ervaart of niet. Hiermee vergeleken klinkt de muziek van tijdgenoot Händel maar armoedig en vaal. De magie van Bach is dat zijn muziek in welke betekenis dan ook organisch heel is en daarom zo helend kan werken. Hij had dat zelf ook wel nodig want zijn levenspad ging niet over rozen, en dat het memento mori zoveel van zijn composities kleurt verwondert niet na verlies van zoveel kinderen, en dat van zijn vrouw die na een lange reis van hem overleden bleek te zijn.
Toewijding en overgave aan God doordrenkt zijn cantates. Qua beleving staat dat niet zo ver af van wat we tegenwoordig overgave aan het goddelijke in jezelf, of verlies van het ego noemen. Dat soort muziek kan het beste gebracht worden door mensen die zichzelf niet zo belangrijk vinden, zoals Gustav Leonhardt. Hij had een mofje om zijn linkerhand – tijdens een eerder concert dat we eens bezochten had hij al last van kramp – dirigeerde bij bescheiden en bijna onopvallend drie cantates en de Lutherse mis, die merkwaardig genoeg in het Latijn was. ‘Vanwege het liturgische karakter van de muziek verzoekt de dirigent u tijdens en na afloop van het concert niet te applaudisseren,’ stond op een muziekstandaard te lezen. Dat had hij dan mooi verzonnen, want volgens mij houdt hij gewoon niet van applaus en zo. Want als je gaat klappen knikt hij al snel iets van: ‘Zo is het wel genoeg!’ Aan dit soort mensen kun je Bach toevertrouwen omdat ze zijn muziek begrepen hebben. Voor zover ik het begrijp dan, en daarover kan oordelen. Wie ben ik om over Bach te schrijven? Soli Deo Gloria!
Gepost in Muziek, Spiritualiteit, Uit mijn leven
2 reacties »
30 januari 2011
Niet iedereen herkent mij in de foto die ik op Facebook heb gezet. Maar wat is mijn ware gezicht? Zenmeesters lieten je daarop jaren mediteren. Zeker als je in reïncarnatie gelooft is dat een boeiende vraag, want waarom zou je in je vele levens steeds hetzelfde gezicht hebben als dat waarmee je nu rondloopt? Maar ook binnen één leven kun je je afvragen wat je ware gezicht is. Hoort dat bij de pasgeboren baby, is het de puistenkop van de puber, het volwassen gezicht van iemand in de bloei van zijn leven of het gerimpelde gelaat met het grijze haar van de ouderdom? Is het het echte, natuurlijke gezicht, of is het het opgepimpte en opgesmukte gelaat waarmee veel bewoners hier in Olde- en Nieuwegeppel rondlopen? Welke pasfoto van mezelf vind ik het mooist? Dat is niet altijd de meest recente. Oké, het is alweer een tijdje geleden onder invloed van ik weet niet meer wat, maar onwillekeurig schudde ik mijn hoofd heen en weer. Omdat ik mijn gezicht wilde afschudden, al die lappen vlees hingen er zo onhandig omheen.
Want eigenlijk is een gezicht een masker. En ik kan het weten want ik heb ervoor gestudeerd. Maskerleer. Dat is de juiste vertaling van persoonlijkheidsleer, wat mijn hoofdrichting psychologie was. Het woord persona komt wellicht uit de toneelwereld van de oude Grieken, waar de spelers een masker droegen. Hun woorden moesten daardoorheen klinken, in het Latijn: per-sona. En dat is geheel in overeenstemming met veel oude wijsheidsleren, waarin het wezen van de mens ver achter of diep in zijn lichaam verborgen ligt. Dat heet dan ziel of geest – begrippen die eigenlijk heel vaag zijn omdat iedereen er weer iets anders onder verstaat. Dan gaat het over liefde, verlangens, gedachten en idealen. Het is hoe dan ook iets onnoembaars dat wetenschappers nog steeds niet hebben gevonden, waardoor het niet op anatomiekaarten te vinden is. Sommige wetenschappers gaan zelfs zo ver dat ze zeggen dat bewustzijn niet bestaat, dat het een illusie is. Maar wie is zich dan bewust van die illusie? ‘Bewustzijn bestaat niet’ kan dan een leuke soundbite zijn, maar om te zeggen dat het een wetenschappelijke uitspraak is… Het is juist in die onontdekte gebieden van psychologie en spiritualiteit waarin we ons wezen herkennen, ontdekken wie we werkelijk zijn. Zoals mijn Wijze Tante zou zeggen: ont-dekken. Haal alle kleren en maskers er maar af en toon me wie je werkelijk bent.
Wie ben ik? Ook dat is een vraag waarmee je in de spirituele wereld wordt doodgegooid. De hedendaagse meester Adyashanti vraagt liever wat je bent dan wie je bent. De vraag wie je bent kun je nog beantwoorden met een rol die je in het toneel van het leven speelt, maar de vraag wat je bent roept om de concrete tastbare kern van jezelf. Die heb ik nog niet gevonden, want zodra ik denk ‘Ah, dit ben ik!’ is er weer iets in me dat een stapje achteruit doet en zich afvraagt wie of wat dit nou eigenlijk weet, ziet of zegt. Ik blijf altijd de waarnemer, de getuige, en die kan per definitie zichzelf niet zien of kennen. Geef je queeste naar zelfkennis maar op, en dat is waarschijnlijk ook het doel waarom meester hun discipelen zich op deze vraag laten sufmediteren. Je bent nooit hetzelfde als dat waarmee je je vereenzelvigt. Sommige mensen identificeren zich met hun lichaam, hun mooie uiterlijk, hun spierkracht, hun vitaliteit. Anderen vereenzelvigen zich met hun gevoelens, met wat hun hart hen zegt, met schoonheid en kunst. En weer anderen identificeren zich met hun gedachten en idealen, met intelligentie en wetenschap. Mensen zijn grof te verdelen in doeners, voelers en denkers, en spelen allemaal zo hun eigen rol in het levensspel.
De foto die ik op mijn profiel van Facebook heb gezet toont niet mijn stoffelijke gezicht van vlees en bloed, maar dat van mijn avatar van pixels in Second Life. In die wereld schep je jezelf, en toen ik daar vier jaar geleden mee begon creëerde ik iemand die ik graag wilde zijn, mijn ideaal. En wat iemands dromen en idealen zijn zegt vaak meer over iemand dan zijn uiterlijk zelf. De muziek waar iemand van houdt, de boeken die hij leest, de manier van omgaan met de natuur – ik acht ze wezenlijker dan de lichamelijke vorm waarin iemand verschijnt, zoals op een pasfoto. Vandaar dat je mij niet zult horen zeggen dat ik een verkeerde foto bij mijn profiel heb geplaatst. Want ook dromen en idealen horen bij dit leven, net als virtuele werelden van Second Life en wat niet al. Te zeggen dat iets virtueel is, is op zich al kunstmatig. Alles hoort erbij, het leven is één. Virtual reality bestaat niet.
Gepost in Second Life, Spiritualiteit, Uit mijn leven
2 reacties »