Windmolens

Date 21 november 2010

Er staan veel windmolens langs de weg als we in de bus naar Almere rijden. Hoe lang zullen die er nog staan? Want als het aan Hero Brinkman ligt worden ze allemaal weer afgebroken. En hoe lang zullen we trouwens nog in deze bus zitten? Want als het aan Hero Brinkman ligt worden alle onrendabele bussen opgeheven. Jammer als je ’s avonds je moeder nog even een bezoekje wilt brengen, want dat komt er dan niet meer van. Dan had je maar een auto moeten kopen, zodat je haar met 130 kilometer per uur nog even snel een bezoekje kunt brengen. Beetje slechter voor het milieu en wat verkeersslachtoffers meer, maar dat weegt allemaal niet op tegen de tijdwinst die we straks gaan boeken met al dat gescheur over de snelwegen. Veel windmolens langs de weg trouwens! Dat wordt een fikse kapitaalvernietiging! En waarom rijden we hier eigenlijk met de bus? O, een wegomlegging, een paar kilometer omrijden. Vraag 34 over de OV-chipkaart: wordt de rit bij omleggingen meteen ook duurder voor de reiziger? Ach, wie interesseert zich daarvoor… Nee, een beetje sociaal, aardig en lief voor elkaar zijn is een linkse hobby, en velen nemen in het bedrijfsleven of op straat alvast een voorschot op de maatschappelijke verharding die het nieuwe kabinet voor ogen heeft.

Misschien is het wel goed dat het kabinet het sociale en fysieke milieu naar de knoppen helpt. Dat schudt het bedrijfsleven wakker. Neem Unilever bijvoorbeeld, dat duurzaamheid hoog in zijn vaandel voert en haar milieuvoetafdruk wil halveren. Daar zitten kennelijk mensen zoals CEO Paul Polman die verder kijken dan hun neus lang is. Voor wie niet alleen de aandeelhouder heilig is, maar ook de wereld zoals die er over tien, twintig, dertig jaren uitziet. Die ook willen dat hun kinderen en kleinkinderen in een leefbare wereld leven. Nou, dat zijn allemaal zaken die aan Hero Brinkman niet besteed zijn. Natuur en cultuur – weg ermee! Ik dacht dat alleen de VVD daar niet veel van moest hebben, maar ook de PVV blijkt niet de meest hoogstaande mensen in zijn kringen te hebben. Terwijl inmiddels de zaak zo uit de hand gelopen is dat de eerste de beste uit dat geteisem de hele regering kan laten vallen door voor zichzelf te beginnen in de Tweede Kamer. Zo diep is de democratie gevallen. Rutte en Verhagen laten zich dagelijks schminken omdat anders iedereen ziet hoe rood ze blozen van plaatsvervangende schaamte.

Op de terugweg rijden we in het donker. Spelend met de camera’s in de bus kijkt Vriend naar zijn eigen gebaren op het scherm. Ik doe mee met de in het openbaar vervoer geldende mode door voortdurend met mijn mobieltje te spelen. Daarop zie ik met behulp van Google mezelf over de wegen glijden, zodat ik een beetje weet waar ik ben, wanneer we over een brug rijden en of er al dan niet links en rechts van de weg huizen staan in het donker. Of langs een park of bos, terwijl het best zo kan zijn dat door dit gespeel van mij enkele boomblaadjes het leven laten, zoals recent onderzoek suggereert. Ja, ik heb zelf ook indertijd tegen UMTS geprotesteerd, en nu maak ik er zelf vrolijk gebruik van! Nou haal ik het niet bij de overigens wel leuke knaap die de hele rit luidruchtig zit te telefoneren, maar toch. Hoe fanatiek ben ik met dit soort dingen? Aan de ene kant vind ik die technieken van tegenwoordig machtig interessant en wil ik ook niet achterblijven als een wereldvreemde zombie. En beter dan het allemaal te verwerpen is het wellicht om te trachten het zo te maken en te gebruiken dat het mens en milieu geen schade berokkent.

Is het gevecht voor windmolens een gevecht tegen windmolens geworden? Daar lijkt het wel op met de nieuwe regering. Sommigen noemen dit kabinet zelfs ‘Rutte I’, kennelijk opdat er nog meerdere mogen volgen. Moet je de rechtsen hun spel maar laten uitspelen zodat ze vanzelf verzuipen in hun eigen kortzichtigheid? Moet je het marktmechanisme zijn werk maar laten doen? Maar ook dat doet rechts niet, getuige bijvoorbeeld hun steun voor kernenergie. Eigenlijk zijn ze te laf om zelfs iets als een visie te ontwikkelen, want niets doen – de terugtrekkende overheid – en de zaak maar in zijn beloop laten kun je toch nauwelijks zo noemen. Het is geen toeval dat intelligentie en creativiteit meestal hoofdzakelijk aan de linkerkant van het politieke spectrum te vinden is. Zo ontpopt rechts zich als Don Quichot die tegen windmolens vecht en ze voor gevaarlijke reuzen aanziet. Terwijl de natuur ons allerlei energiebronnen gratis en voor niets geeft, en het volstrekt irrationeel is om daar dan geen gebruik van te maken. Geleidelijk komen we er achter dat rechts wel degelijk een utopie heeft, en hoe duidelijker die wordt, hoe minder vrolijk we ervan worden. Misschien worden we nog tijdig wakker geschud. Misschien ook niet, en moet dit allemaal maar gebeuren ergens op een planeetje in een hoekje van de kosmos. Eentje meer of minder maakt ook niet zoveel uit. Foutje, bedankt.

In de wolken

Date 10 november 2010

Zo boven, zo beneden. Als je goed oplet zie je al in de wolken wat zich daaronder gaat afspelen. En dan bedoel ik niet alleen regen, sneeuw en onweer. De wolken weerspiegelen onze bestemming en wellicht waren in magische tijden mensen die er de toekomst uit konden aflezen. Dat het er misschien allemaal een beetje primitief en onwetenschappelijk aan toe ging neemt niet weg dat daar eigenlijk een diepe kern van waarheid in zit. Als we onze ogen eens wat minder op de materiële wereld richten en wat meer op de psychologische, sociale en spirituele werkelijkheden krijgen we wellicht een wat ruimere visie op onze cultuur en maatschappelijke ontwikkelingen. Kortom: ga eens op een wolk zitten, hoe hard de Rolling Stones ook ‘Get off of my cloud’ roepen, en bekijk die eens goed. Dan zie je wat er werkelijk aan de hand is!

We zijn al druk bezig de materiële wereld te verlaten! De uittocht is al begonnen. Waren we vroeger nog jagers en landbouwers, en waren later ambachten en fabrieken het centrum van de samenleving, tegenwoordig hebben ambtenarij, administratie en informatie die rollen overgenomen. Want wie maakt nog iets concreets op zijn werk? De meeste mensen produceren getallen en tabellen, nota’s en beleidsstukken en hangen daarvoor de meeste tijd achter de computer. Sommigen schrijven zelfs weblogs! Onze arbeid dematerialiseert. Dat we het wel echt, stevig en concreet willen neerzetten, en daarom ongegeneerd vieze woorden gebruiken als woonconsument en reisproduct, geeft hooguit aan dat we ons nog krampachtig aan de materie vasthouden, hoewel dat eigenlijk al een losgeslagen schip is dat vervaarlijk steigert op de branding. Vooral in rechtse kringen omarmt men nog graag de materie, getuige de afschuw van kunst, wetenschap en andere linkse hobby’s.

Intussen neemt de wereld van virtual reality een steeds hogere vlucht. De virtuele wereld beperkt zich niet meer tot het lezen van een boek, het bekijken van een film of het genieten van kunst, maar speelt dank zij steeds geavanceerdere techniek een steeds grotere rol in ons leven. We hebben geen zware brillen en handschoenen nodig om ons in andere werelden te wanen, want een speeltje als de Kinect doet ons al snel vergeten dat we in een gewone huiskamer zitten, springen, rollen, staan, dansen of slaan, daarvoor zijn de presentaties aan de overkant immersief genoeg. En dat niet alleen, want steeds vaker zetten we ons hele leven op het internet, alsof we die profielen en avatars op Facebook, Hyves of een MMORPG als World of Warcraft ook werkelijk zijn. Eigenlijk vinden we dat allemaal veel belangrijker dan ‘real life’, identificeren we ons liever met onze idealen en fantasieën om zo te ontsnappen aan de steeds kouder en killer wordende wereld om ons heen.

We zijn de materie zat. Is het een vlucht om niet meer in deze materialistische wereld te willen geloven en leven? Zelfmoord bega je niet zo snel, hoewel dat met voortschrijdende kabinetten wel steeds makkelijker wordt gemaakt. Welk verstandig mens wil er nou eigenlijk leven onder Rutte? Maar de materiële overlevingsdrang is heel groot. Ook omdat we – althans voorlopig – nog niet zonder een materiële springplank naar andere werelden kunnen. Veel mensen leven alleen maar om te overleven, iets waarover ik altijd met mijn moeder van mening verschilde. Wat heeft het leven voor zin als je alleen maar hard aan het werken bent? Is dat echt een voorbeeld voor de kinderen voor wie je dat doet? Zijn het niet juist de zo vaak zielig gevonden hardwerkende Nederlanders – alsof dat niet hun eigen keuze is – die de rotte appels in de samenleving zijn? Allemaal krampachtig en door slaapgebrek voortdurend slapend verslaafd aan materie. Zich er niet van bewust dat ze al lang in andere werelden leven, de illusie van hun concretie niet doorzien.

We hangen steeds vaker aan het internet, alsof alles wat daar geen plaatsje heeft van minder waarde is. We digitaliseren al onze foto’s om ze op sites als Picasa te zetten, alsof ze pas echt bestaan als ze voor iedereen beschikbaar zijn. Wat ook geldt voor tekst, voor muziek, voor filmpjes, voor alles. Alles van waarde wordt niet meer in een kist of kast opgeborgen, en ook niet meer in de eigen computer opgeslagen, maar ergens op het internet in de cloud. Hier hechten we opeens niet meer aan materie, maar aan informatie. We zijn de materie allang aan het overstijgen, en zijn daarmee kennelijk in de wolken.

Uilenstede 198

Date 8 november 2010

Eind 1968 werd de eerste hoogbouw-studentenflat van Uilenstede in Amstelveen opgeleverd. Op 15 november namen wij bezit van eenheid 198 op de zevende verdieping. Veertien luxe kamers die honderd gulden per maand kostten. Maar je had dan wel je eigen douche, wastafel en toilet, een boekenkast, een bureau, een bed, gordijnen en centrale verwarming. En draadomroep. De keuken en de telefoon waren gemeenschappelijk. Pure luxe in die tijd. Afgelopen zaterdag waren we opnieuw bij elkaar en voor velen van ons is het alsof de tijd heeft stilgestaan. Indertijd aan het begin van een studerend en werkend leven, nu aan het eind ervan. Velen zijn inmiddels grootvader en -moeder en diverse ouderdomskwaaltjes steken de kop op, maar niemand van ons voelt zich echt oud. Vragend naar de ware leeftijd van elkaar hoorde ik iemand zichzelf 35 schatten terwijl ik voor mezelf op 20 uitkwam. Wat eigenlijk al oud is, als je je realiseert dat volgens Jonathan Franzen van de roman Vrijheid iedereen eigenlijk 15 wil zijn. In tegenstelling tot de laatste mode zijn we die puberleeftijd ontstegen, want wij geloven nog in fatsoen, verantwoordelijkheid en dat soort ouderwetse aangelegenheden.

Daar zaten we dus in Lelystad bij elkaar. Slechts één bewoner van vroeger liet het afweten. Twee jongens van de afdeling zijn met elkaar blijven optrekken, en een jongen en een meisje zijn later met elkaar getrouwd, en zeven anderen kwamen met hun partner. Ofwel 14 – 1 + 7 = 20 mensen die het uitstekend met elkaar kunnen vinden en net als ik genieten van een vertrouwd gevoel van thuis zijn bij elkaar. En dat ondanks alle verschillen tussen ons: een dominee in emeritaat, een longarts die nog werkt, iemand die in de reclassering heeft gezeten, een fotograaf, een huisarts die ook aan antroposofie deed, een lerares Nederlands, een hydrogeograaf, een gynaecoloog, een uitgever, een ex-bibliothecaris, een psychologe, een jurist, een schrijver en wat niet al… En eh… ja wat ben ik eigenlijk? Lastig uit te leggen, maar dat was vroeger ook al zo geloof ik. Wel werd ik herinnerd aan de marihuanaplant op mijn kamer die na mijn vakantie dank zij de goede zorgen van Casper tot het plafond was gegroeid – ik hing een beetje de hippie uit. Met bijbehorende muziek zoals Pink Floyd, wat door mijn buurman niet altijd werd gewaardeerd want studenten geneeskunde kwamen soms al uit hun bed toen ik er in ging. ‘Goeiemorgen!’ ‘Welterusten!’

Met een groepje bezochten we Batavia Stad, waar we een groepsrondleiding kregen en ook het schip de Batavia van binnen bekeken. Dat had ik een paar jaar geleden ook al met Vriend gedaan, dus ik was gewaarschuwd voor de lage dekken waar je steeds gebukt moet rondlopen om zonder al te veel builen op je kop weer aan wal te komen. We gaan nog steeds met elkaar om als vroeger. ‘Kom op, we gaan de slaafjes zoeken,’ grapte Gert toen we in het schip afdaalden. En ik verwonderde me opnieuw over hoe zo’n driehonderd mensen maanden lang op zo’n schip konden samenleven, en wat voor watjes we inmiddels geworden waren met alle bescherming van medische, materiële en sociale zorg om ons heen. Niet dat dat nog lang zal duren als het aan het huidige kabinet ligt, maar toch… Je was maanden van huis, afhankelijk van wind en weer, ziektes, zeerovers, muiterijen, lijfstraffen en wat niet al, en je was nooit alleen in een moment van stilte. ‘Onze ouders werden nog wakker in koude kamers met ijsbloemen op de ruiten!’ riep ik. Ja, wij babyboomers zijn een verwende generatie. Of beter gezegd: de eerste echt verwende generatie, want hoe hebben onze ouders niet naar ons verlangd in de eerste jaren na de oorlog! En wij maar vinden dat zij eens moesten ophouden met dat gezeur en getreur over de oorlog omdat het leven daar niet voor bedoeld was.

Met de Beatles en de Stones waren wij één en al positiviteit! Dat is ver te zoeken tegenwoordig, zo niet retro, verdacht en/of een linkse hobby. En napratend na het lekkere eten bleek ik niet de enige te zijn die huivert van de recente maatschappelijke ontwikkelingen. Het was echt opvallend zoals velen van ons op dezelfde manier tegen de huidige mislukte democratie aankijken, waarin degene die de meeste macht heeft de minste verantwoordelijkheid draagt. Ja, het is heel bijzonder dat mensen, die eind jaren zestig op een studenteneenheid bij elkaar woonden, tot vandaag de dag bij elkaar komen. En elkaar dan aankijken van: ‘Jij bent ook niks veranderd!’ en ‘Ja, wij weigeren gewoon om te groeien!’ Het is een soort astrale band die we met elkaar hebben. Indertijd al gesmeed door vaak met elkaar op te trekken ondanks de verschillen in smaak, in politieke opvattingen en diverse ruzies en spanningen rond gejatte eieren, niet genoteerde telefoontikken en gebruik van kookplaatjes. Eigenlijk hebben we elkaar en de wereld zonder het te weten een lesje gegeven in houden van elkaar. Hoewel ik het niet over zou willen doen, denk ik nog altijd graag aan die jaren. Niet als heimwee naar een mooi verleden, maar als iets dat er nog steeds levend aanwezig is. Dat maakt me dankbaar en blij.

De Nieuwe Mens

Date 27 oktober 2010

Toch hééft het wat, dat huftermanifest! En het zou me niet verbazen als Rutger Castricum ronduit achter dit redactionele stuk van GeenStijl stond! Ik voel allemaal heerlijke vrijheid in me opborrelen en nu zijn er eindelijk mensen die me van de knopen in mijn maag gaan verlossen! Door te zeggen: ‘Gooi het er maar uit! Zeg maar wat je op je lever hebt! Volg je intuïtie en je onderbuik! Alles mag!’ We moeten ons niet laten terroriseren door linkse fatsoenrakkers, want alle grote mensen waren hufters, non-conformisten die zich niets van anderen aantrokken. Copernicus, Columbus en Darwin hebben de hufterweg voor ons geplaveid! Wij denken niet meer ouderwets in termen van links en rechts, want de tijden van verzuiling en hokjesgeest zijn voorbij! Niets is zo frustrerend als cultuur, normen en waarden! Weg ermee! Beleefdheid, omgangsvormen, je moet er toch niet aan denken, dat is toch zum Kotzen! Wat heerlijk toch om lekker te kunnen trappen en schelden, zonder rekening met een ander te hoeven houden! Het mág allemaal!

Vandaar nu mijn eerste hufterblog. Nu kan ik eindelijk schrijven hoe aantrekkelijk en spannend ik Rutger vind, en op internet allemaal plaatjes van hem zit te bekijken. Dat mooie golvende gouden haar, die heerlijke eigenwijze kop, 31 jaar… Hoe zou hij zijn in bed? Dat lijkt me smikkelen en smullen. Hij is vast gay! Anders maak je geen programma’s met titels als Trots op onze jongens en heb je geen reden om tussen de militairen in Uruzgan te gaan zitten. Daar zit meer achter! Kijk eens hoe hij minister Plasterk knuffelt! En last but not least: hij heeft niet voor niets zo’n grote mond! Daar kan vast een heleboel in! Het is ook zijn hele lichamelijke uitstraling waar ik op val. En zijn heerlijke wat jongensachtige stem! Ik denk dat het filmpje waarin hij onder rokken gaat kijken een afleidingsmanoeuvre is, zoals pubers dat nu eenmaal doen als ze twijfelen aan hun seksuele identiteit. Nee, ik blijf lekker nat dromen over Rutger! Hoe lang zou zijn geslacht zijn? Vast heel lang, want hij is er snel op getrapt. En zijn kontje? Zou hij strings of een boxer dragen? Ja, ik vraag wél welke onderbroek hij aanheeft! Ik heb er zelfs recht op dat te weten!

Zo, nu weet iedereen het van mij. Dat lucht echt op. Heerlijk! Terug naar de jaren zestig. Maak van je hart geen moordkuil. Gooi het maar in de groep. ‘Verhuftering is goed. Verhuftering is vooruitgang. Verhuftering is het hebben van een eigen mening,’ lees ik in het manifest. Doe wat in je opkomt! Bevrijd het beest in jezelf! Mens, durf te leven! Dat is échte vrijheid, dat is écht liberalisme! Pak al die moraalridders, dat linkse boeventuig aan! Weg ermee! Trek je niets aan van kritiek! Luister niet meer! Sluit je aan bij de pioniers!  Wees helder en duidelijk! Kom op voor jezelf! Laat je niet betuttelen door de overheid en maak je eigen wetten! ‘De hufters van vandaag zijn de helden van morgen. Dat is een constatering, geen waardeoordeel,’ lees ik verder. Ik ga toch straks lekker, met mijn middelvinger in de aanslag, scheuren, rechts inhalen en bumperkleven op de snelweg, hoe harder hoe beter! Opzij opzij opzij! Hier kom ik, de hufter, de waardeloze Nieuwe Mens!

Zon in Schorpioen

Date 24 oktober 2010

Als u mij diep in het hart kijkt, moet ik bekennen deze periode van het jaar helemaal niet zo leuk te vinden. En dat niet zozeer omdat de Zon in de Schorpioen staat, maar meer omdat velen hun uiterste best doen om te doen alsof hij niet in de Schorpioen staat! Wat is er heerlijker dan te fietsen in een stille kille herfstmist? Wat ruikt en ritselt er lekkerder dan die bergen gevallen bladeren? Waar fluiten de vogels dieper dan tijdens het blauwe schemeruur? De herfst is een tijd van inkeer, terug op de weg naar abstractie, donkerte en diepte. Het leven hoeft niet meer zo nodig en in een mix van angst en verlangen bezinnen we ons op het sterven, de dood. November slachtmaand – dat klinkt een vegetariër niet echt prettig in de oren, maar zegt wel iets over dit keerpunt in de jaarcyclus.

Helaas is men in het dagelijkse huis-, tuin- en keukenleven echter meestal op de vlucht voor de stilte van het hart. Al vanaf september bereiden we ons, opgejaagd door commercie, voor op de decemberfeesten. Al vroeg liggen pepernoten, taaitaaipoppen en chocoladeletters in de schappen. Het is net alsof we oktober en november maar gauw willen overslaan, en we niet meer de eigen energie en sfeer van deze herfstmaanden mogen proeven. Wat niets anders betekent dan dat we collectief bang zijn voor de intens diepe gevoelens van de Schorpioen. Voor confrontatie met onze eigen kleinheid en sterfelijkheid. Terwijl alleen dan transformatie mogelijk is, wat zo mooi wordt uitgebeeld in de vogel Feniks die uit zijn eigen as herrijst.

Seltsam im Nebel zu wandern. Einsam ist jeder Busch und Stein. Kein Baum sieht den andern. Jeder ist allein, dichtte Hermann Hesse. Onlangs juichte zelfs de popgroep Polarkreis 18 het uit: Wir sind allein! alsof dat het mooiste is dat er is. En dat is het ook, zeker in deze tijd van het jaar. Het memento mori is volgens Jed McKenna van wezenlijk belang op de weg naar transformatie. En daarvoor lenen deze maanden zich uitstekend.

(Voorwoord in De Vuurfakkel, november-december 2010)

De wilde Wilders

Date 19 oktober 2010

‘Wilders is niet goed bij zijn hoofd,’ liet iemand me onlangs weten. Maar dat vond ik toch iets te kort door de bocht. Toen hij begon over kopvoddentax hield ik hem ook wel even voor gezien, want hoe kan er iets goeds voorkomen uit iemand die zo weinig respect heeft voor een anders geloof? Nu kun je wel zeggen dat dat dan een primitief geloof is waar iets als vrouwenemancipatie nog eeuwen in de toekomst lijkt te liggen, maar het kenmerk van respect is dat je anderen neemt zoals ze zijn, juist als je het niet met hen eens bent. Het is geen kunst om gelijkgestemden lief te hebben, maar om juist je vijanden lief te hebben, zoals we in onze christelijke cultuur geleerd hebben. De goeden lijden per definitie onder de kwaden. Toen Wilders dus over die kopvoddentax begon, was dat voor mij aanleiding om hem verder niet meer serieus te nemen en als een haatzaaier te beschouwen.

Maar er is meer aan de hand. Want wat is discriminatie eigenlijk? Wat is vrijheid van godsdienst? Als kind kreeg ik ooit van mijn moeder op mijn kop omdat ik een joods vriendje een jood noemde, en als corrector van ons dorpsblad wei & hei heb ik de grootste moeite met kleine en grote letters als het om Heilige Dingen gaat! Filosoof Rob Wijnberg – sinds kort hoofdredacteur van nrc.next – pleit ervoor om de vrijheid van godsdienst maar af te schaffen. En ‘vervang haar door vrije meningsuiting, vergadering en betoging,’ schreef hij op 3 augustus. ‘Intuïtief voelt bijna iedereen namelijk al dat het predicaat ‘religie’ een historische toevalligheid is. In zijn kern is ieder wereldbeeld immers hetzelfde: een door de verbeelding gefabriceerd antwoord op de vraag wat waar, werkelijk en goed is, vervat in opvattingen die uiteindelijk allemaal gefundeerd zijn op een axioma dat voor waar, werkelijk en goed wordt aangenomen. Of je dat axioma Waarneming noemt (wetenschap), Interne Logica (rationalisme), Vrijheid (liberalisme), Gelijkheid (socialisme) of God – voor de wet moet dat niks uitmaken.’

Daar zit wat in. Waarom mag trippen opeens wel als je er een religie omheen bouwt, zoals met ayahusca? Wat is de reden om religieuze opvattingen te beschermen? Sterker nog: uiteindelijk zijn religies ook gebouwd op meningen, en in die betekenis is er geen verschil tussen een politieke en een religieuze opvatting. Juist daarom wordt het aantrekkelijk om politieke ideeën in een religieus jasje te verpakken, want daarmee wordt onder de vlag van vrijheid van godsdienstuiting een zekere immuniteit en bescherming genoten die in het profane leven ondenkbaar zou zijn. Waar Rob Wijnberg pleit voor het afschaffen van de vrijheid van godsdienst ten faveure van de vrijheid van meningsuiting, wil men in de islamitische wereld echter juist het tegengestelde. Iets waarvan Salman Rushdie, Gregorius Nekschot, Theo van Gogh en vele anderen het levende bewijs zijn en waren. En natuurlijk Geert Wilders zelf. Dan kan wel worden gezegd dat al deze mensen polariseren met hun openlijke kritiek op de islam – het feit alleen al dat ze bedreigd worden getuigt van hun gelijk. En in hoeverre moet je maar zwijgen omdat je bang bent voor agressie en oorlog? Lever je dan al niet vrijwillig een essentieel stuk van jezelf in: vrijheid?

In nrc.next van 14 oktober wijzen Thierry Baudet en David Suurland op grote tegenstellingen tussen islam en christendom: ‘Waar de kernfiguur van het christendom voornamelijk ethische en morele leerregels propageerde en als pacifist gekruisigd werd, was de kernfiguur van de islam een legerleider die vanuit zijn basis in Medina een heel werelddeel aan zich onderwierp. Waar een van de kernboodschappen van Jezus de les was ‘geef aan de keizer wat des keizers is, en aan God wat God toebehoort’ – de theologische grondslag van de scheiding van kerk en staat – daar biedt de islam juist de koppeling van religie en politiek via het rechtssysteem van de sharia. (…) In de Refah-zaak van 2003 oordeelde het Europese hof voor de Rechten van de Mens zelfs dat de sharia onverenigbaar is met de democratische rechtsstaat.’ Iedereen mag geloven wat hij wil, en islamieten mogen van mij geloven dat christenen zwijnen zijn, en ik mag ook de islam een primitieve godsdienst vinden – dat is allemaal vrijheid van meningsuiting. Maar waar moslims geen afstand doen van de sharia en gericht zijn op een totalitaire wereldheerschappij is er iets goed fout. Vrouwen stenigen en homo’s martelen zijn niet echt zaken waar we hier op zitten te wachten.

Eigenlijk zou de hele discussie niet zozeer over de islam moeten gaan, maar over de sharia. Maar kennelijk durven we niet goed in deze materie te duiken, en steken we liever onze koppen in het zand. We willen gewoon niet geloven dat de islam enge politieke opvattingen vertegenwoordigt. Sommigen geloven zelfs liever dat Amerika zèlf de aanslagen op 11 september heeft gepleegd dan dat moslimextremisten dat hebben gedaan. Net zoals de wortels van het neoliberalisme met haar verheerlijking van het egoïsme zó te gek voor woorden zijn dat we het ongeloofwaardig gaan vinden. En wellicht wel net zoals onze ouders voor de oorlog niet konden geloven dat de Duitsers joden vergasten en letterlijk om zeep hielpen. We dromen dat iedereen vredelievend is en dat met een goed gesprek alle problemen de wereld uit kunnen worden geholpen. We geloven in de goedheid van alle mensen en in vreedzame oplossingen, maar die zijn er niet altijd. In plaats van alert te zijn en eens een stevige discussie over de sharia met de moslims aan te gaan, lijken we veel te tolerant, lief en inlevend tegenover krachten die op wereldheerschappij uit zijn.

Maar ‘het lijkt erop dat de meeste moslims in West-Europa vreedzame en betrokken burgers zijn,’ schrijven Baudet en Suurland verder. ‘Maar dat neemt niet weg dat Wilders met zijn kritiek op de islam een belangrijk thema aansnijdt.’ En daar ben ik het dus helemaal mee eens. Wat me alleen dubbel maakt over Wilders is de manier waarop hij dat doet. Als je nodeloos aan het provoceren en polariseren slaat voeg je emotie toe aan een discussie die gewoon met het gezonde verstand gevoerd moet worden. Met wilde emoties win je stemmen, en eerlijk gezegd heb ik geen hoge pet op van veel Henken en Ingrids die op hem gestemd hebben, want die hebben grote onderbuiken en stemmen automatisch op alles dat naar De Tegenpartij van Jacobse en Van Es riekt. Niet alleen wij hier in het westen zien het gevaar van de sharia, veel moslims zien het zelf ook niet. Zoals ik al zei: een stevige discussie graag! Als die nu eindelijk – mét de moslimwereld – goed tot stand komt dan hebben wij dat toch aan de wilde Wilders te danken. Wat niet wegneemt dat ik ideeën als kopvoddentax krankzinnig vind en ik me daarom best kan voorstellen dat sommigen Wilders niet goed bij zijn hoofd vinden.

Bhagwans homo’s

Date 13 oktober 2010

De manier waarop eind jaren tachtig en begin jaren negentig met homo’s werd omgesprongen vormt een zwarte pagina in de geschiedenis van de Bhagwanbeweging. Teveel sannyasins, die geacht werden geen volgeling te zijn van ‘de Bhagwan’ die zichzelf later Osho ging noemen, discrimineerden homo’s. Onder andere uit angst voor het toen dodelijke aidsvirus. Hoewel er relatief veel homo’s dan wel mensen zonder speciale seksuele voorkeur onder sannyasins waren, werden toch vragen gesteld over de veiligheid van het douchen waar eerder een homo had gedoucht, werd een hiv-test verplicht als je de commune in Poona wilde bezoeken, en werden condooms en handschoenen gratis gepromoot. Dat laatste was wellicht zo gek nog niet want de graagte waarmee sannyasins de liefde bedreven had anders wellicht tot de ondergang van de hele beweging geleid. Alles werd goed met bleekwater schoongemaakt, en ik deed mee, zelfs thuis. En ook ik liet me testen op hiv om in 1990 – Osho was net een paar weken daarvoor overleden – een bezoek aan de commune in India te brengen, gevolgd door een rondreis langs plaatsen en plekken waar hij gewoond, gespeeld en gewerkt had, en verlicht was geraakt in Jabalpur.

Toch was Bhagwan niet zo negatief over homoseksualiteit als vaak gedacht wordt. Ik heb daar een echte literatuurstudie van gemaakt, wat leidde tot een compilatie van 21 teksten over dit onderwerp. Daar zitten inderdaad verhalen tussen waar de honden geen brood van lusten, maar er zijn ook enkele teksten waarin Osho roept: ‘Be gay!’ (This is it! # 4, 4 mei 1977) en waarin hij constateert dat homoseksualiteit veel problemen kan oplossen (The goose is out # 3, 3 maart 1981). Het lijkt er vaak op dat Osho meer inspeelt op de manier waarop zijn sannyasins met homoseksualiteit omgaan dan op het verschijnsel homoseksualiteit zelf. Als lid van een minderheid heb je gauw de neiging in een slachtofferrol te vervallen en een eigen cultuur om je heen op te bouwen, en dat gebeurt natuurlijk ook in homokringen. In mijn visie gaat het bij Osho om het loslaten van deze cultivering met de bijbehorende identificaties. Wat vaak opgevat is als een spiritueel argument om homo’s nu ook eens heterogedrag te laten proberen. Terwijl ook nog al te vaak het klassiek psychoanalytische model wordt aangehangen waarin homoseksualiteit een bepaalde fase is, en de daaropvolgende fase van heteroseksualiteit meer echt volwassen is. Ook door Bhagwan, die de groei echter niet bij heteroseksualiteit, maar in een fase van aseksualiteit laat eindigen, het echte celibaat waarin je het allemaal wel bekeken hebt en eindelijk gewoon rustig alleen kunt zijn (Beyond psychology # 20, 22 april 1986).

Vriend kwam aandraven met De Tijd van 11 oktober 1985, waarin een uitgebreid interview met Swami Deva Amrito ofwel Jan Foudraine staat. Daarin vaart hij terecht uit tegen het geloof en zweert hij bij het onderzoeken. ‘Van nu af aan betekent Deva Amrito Hij die in onderzoek is.’ Journalist Van der Eijk ondervraagt Amrito over homoseksualiteit. ‘Homoseksualiteit is een groeiremming,’ vertelt de ex-antipsychiater. ‘Dat zei Freud al en dat is na Freud ook gezegd maar nú mag het niet meer gezegd worden. Het schijnt een taboe te zijn, maar daar heb ik niets mee te maken. Ik ben onderzoeker.’ Dat was moeilijk te verteren voor mij. Enerzijds ben ik Amrito eeuwig dankbaar voor zijn boek Oorspronkelijk gezicht dat me naar Bhagwan heeft geleid, maar anderzijds vind ik dit soort uitspraken verschrikkelijk en niet echt van een onderzoekende geest getuigen. Maar wellicht vindt hij dat zelf inmiddels ook, na een kwart eeuw van nieuwe wetenschappelijke ontdekkingen en inzichten. Waarin steeds duidelijker wordt dat homoseksualiteit eigenlijk heel natuurlijk is en hoe die zijn eigen functie in de biologische wereld vervult. Ja, voor hetero’s is homoseksualiteit onnatuurlijk, maar het omgekeerde is ook het geval.

Al met al gaat het bij Bhagwan allemaal in de eerste plaats om het transcenderen van seks. Niet omdat met seks iets mis is, maar wel omdat dit de manier is waarop mensen zich met hun lichaam identificeren. Heiligen, verlichten, gerealiseerden of hoe je ook de ideale mens mag noemen, allemaal zijn ze boven seks uitgestegen, hebben er niks meer mee. Maar dat wil niet zeggen dat je heilig, verlicht of gerealiseerd wordt door seks te onderdrukken – dat is de hypocrisie die vooral door de kerk is gepredikt en waartegen Bhagwan zo fel fulmineerde. Juist het onderdrukken van seks is de oorzaak van perversieën waardoor de mens nog verder in zijn lichamelijkheid verstrikt raakt. Aan dit thema is onlangs op de website van de Vrienden van Osho aandacht gewijd, en Nandan heeft daarvoor acht teksten van Osho over homoseksualiteit in het Nederlands vertaald, een hele klus! Wel een beetje raar dat je, als je geïnteresseerd bent in wat Osho over het transcenderen van seks vertelt, geconfronteerd wordt met een hoog homoseksgehalte. Maar misschien moet je wel eerst homo zijn voordat je aan transcendentie van seks toekomt. Puntkomma- min-haakje sluiten.

Nu is het tamelijk onbelangrijk om welke variant van seks het gaat. Masturberen, homo, hetero, bi, sm, virtueel of in leer… het maakt allemaal niets uit. In mijn liedje My sexual confession, alweer veertig jaar geleden geschreven, gaf ik aan eigenlijk alleen maar in seksualiteit zelf te geloven. Als iets wat je hele lichaam doortintelt en dat zich niet specifiek rond bepaalde lichaamsdelen nestelt en explodeert. Dat is totale acceptatie en dat is wat ik bij Bhagwan meer dan bij wie ook herkende! Dat is totale overgave, dat is totaal leven. En pas dan kan je totaal sterven. Wat is belangrijker in het leven dan te leren sterven? Heel terecht ziet Jed McKenna het memento mori, het voortdurende en indringende bewustzijn van je eigen sterfelijkheid, als een van de beste methodes om tot verlichting te komen. Als de manier om met het leven klaar te komen. Ik hoop, verwacht, wil en bid dat mijn sterven een groot orgasme zal zijn dat alles overstijgt en waarin ik graag verdwijn. Maar ik beloof niks.

De open bron

Date 8 oktober 2010

Iedereen kijkt naar Geert Wilders en zijn PVV alsof hij en zijn partij het Grote Gevaar zijn dat onze samenleving bedreigt, zo niet ineen doet storten. Maar als je goed kijkt zijn de VVD en het CDA veel gevaarlijker. Omdat ze in zwijgende stilte nog steeds het neoliberalisme aanhangen en daarmee hufterigheid en lafheid vergoelijken. Vandaag las ik dat psycholoog Kees Keizer in Groningen promoveert op het, in mijn eigen woorden gezegd, na-aapgedrag van mensen: ‘Mensen pikken al dan niet bewust signalen van hun omgeving op en volgen dat gedrag,’ citeert nu.nl hem. ‘Het is volgens Keizer funest als mensen die het goede voorbeeld zouden moeten geven, dat juist niet doen. Zoals directeuren die fraude plegen of zichzelf riante bonussen geven. Of agenten die te hard of door het rood rijden.’ De overheid zou een voorbeeldfunctie moeten hebben, en daarom niet het egoïsme, dat aan de wieg van het neoliberalisme staat, moeten verheerlijken. Onder het mom van ‘individualisme’ klinkt dat allemaal minder erg, maar dat neemt niet weg dat het geloof en het stimuleren van de vrije markt het eind van onze cultuur in ras tempo versnelt. Dat is ook de bedoeling, als we Hans Achterhuis mogen geloven, die in De utopie van de vrije markt wortels van het neoliberalisme aantreft bij de schrijfster Ayn Rand: daar heet deze filosofie van de ‘selfishness’ nog objectivisme. Daar is geen plaats voor zorg of cultuur meer, daar geldt alleen het recht van de sterkste, en als je het ideaal van de American Dream niet bereikt is het eigen schuld dikke bult, en had je maar slimmer moeten zijn. Tijdens de verkiezingen hoorde ik iemand de VVD omschrijven als de ‘hufterpartij’. En als Mark Rutte en de zijnen aan de macht komen en niet duidelijk afstand van het neoliberalisme nemen, vrees ik dat dit een rake omschrijving wordt van de nieuwe moraal die over het land gaat waaien, zo niet stormen.

Het gevaar van het neoliberalisme is dat het ideaal ervan zo ongeloofwaardig klinkt dat slechts weinigen geloven dat het echt waar is allemaal. Kom nou, wij willen toch niet de verschillen tussen arm en rijk vergroten? Wij komen toch op voor homoseksuelen en het openbaar vervoer? Wij houden toch rekening met de onrendabelen? Maar de keurige jasjes van de neoliberalen hebben ruime mouwen waaruit wel eens heel veel apen zouden kunnen komen. Je zou je zelfs kunnen afvragen of de onwil om te handhaven – en de daarmee in de praktijk toenemende rechtsongelijkheid – niet al op neoliberale principes is gebaseerd. Het gaat immers om het autonome individu dat zijn eigen grootsheid moet kunnen realiseren, daarbij niet gehinderd door wat dan ook. Niets mag creativiteit in de weg staan, en sommigen hebben recht op rijkdom en macht. Gewoon omdat ze de besten zijn, de atlassen op wiens schouders de wereld draaiend wordt gehouden. Dan moeten er geen zieke kinderen in de straat liggen te sterven, daar heb je alleen maar last van. Ik ken dat zelf ook, die aanvallen van creativiteit – dat voelt dan als iets waarvoor al het andere moet wijken. Waar echter de filosofie van Ayn Rand mank gaat is het feit dat de producten van iemands creativiteit worden beschouwd als het eigendom van de maker. In haar beroemde boek The Fountainhead neemt architect Howard Roark het recht in eigen handen om het door hem ontworpen gebouw te vernietigen. Daarvoor wordt hij op het matje geroepen, en beroemd is zijn verdedigingsrede waarin hij stelt dat de schepper niets en niemand anders dient, want ‘only by living for himself was he able to achieve the things which are the glory of mankind (…) My ideas are my property.’ Het boek is vertaald onder de titel De eeuwige bron, die kennelijk een individueel maaksel en bezit is en blijft. En die zeker niet voor iedereen open staat zolang kunst het bezit blijft van de maker ervan.

Kunst kan nooit een persoonlijke verdienste zijn. Kunst wordt bijna letterlijk ingeblazen en het enige dat iemand tot kunstenaar maakt is dat hij open staat. Hij zal wat technische vaardigheden onder de knie moeten krijgen, maar waarvoor zijn instrumenten zullen worden gebruikt is voor de kunstenaar even verrassend en nieuw als voor hen die zijn maaksel gaan aanschouwen of beluisteren. Als kunst dienstbaar wordt aan de persoonlijkheid, of aan maatschappelijk of politiek gewin, dan wordt het een gedrocht dat door de na-apende mens gekopieerd wordt en zo de wereld steeds verder afleidt van de schoonheid, waarheid en goedheid die echte kunst ons brengt. Als kunst een product is van de persoonlijkheid, het individu of het ego – als zichzelf afscheidende schijnwezens – dan verwordt zij tot een bezit waar de maker macht over heeft en dat niet zomaar gekopieerd mag worden. Maar echte kunst kan en mag nooit het eigendom van wie dan ook worden, want het is het bestaan zelf dat zich via iemand heeft geopenbaard. Daarom is het des te tekenend dat het internet ons confronteert met de onmogelijkheid van kunst als bezit. Alles blijkt deelbaar, kopieerbaar, en voor auteursrechten lijkt er geen plaats meer, ondanks de krampachtige pogingen van instanties als Buma/Stemra om nog te redden wat er te redden valt. Die crisis doet zich trouwens niet alleen in de kunstwereld voor, maar ook in die van de computers. Juist het door commercie ingegeven idee dat je kennis geheim en voor jezelf moet houden, maakt onderlinge afstemming van soft- en hardware voor computers tot de crime die we vandaag de dag door gewenning al bijna normaal zijn gaan vinden.

‘Idee van de eeuw: alles kennis voor iedereen,’ kopte gisteren een artikel in nrc.next. ‘Consumenten die software verbeteren en uitwisselen. Dat is het einde van Microsoft, voorspelt Eben Moglen’. In dit artikel van Philip Huff pleit deze hoogleraar aan de juridische faculteit van de Columbia University in New York voor open source. ‘Moglen gelooft niet in het particuliere bezit van ideeën in een digitaal tijdperk. Hij gelooft in making by sharing. “Wat je digitaal krijgt, kun je digitaal verbeteren. Net als al eeuwen in de wetenschap gebeurt. Je krijgt wat vóór jou is gedaan, verbetert het en deelt het weer verder. Op die manier krijg je een eindeloze distributie van kennis en verbetering (…) Microsofts producten zijn dood,” zegt hij. “Over vijf jaar is de Windows- en Officefranchise zo goed als verdwenen en zullen er alleen nog opensource-besturingssystemen en tekstverwerkers als die van Linux bestaan.” (…) Hoe komen softwaremaatschappijen en muzikanten dan aan hun inkomsten? “Doordat de mensen zullen betalen voor wat ze mooi of belangrijk vinden (…) De enige bedrijven die je willen laten geloven dat dat niet zo is, zijn de bedrijven die bang zijn voor hun portemonnee: Microsoft, Apple, de platenmaatschappijen, Amazon en Google (…)” De uitdaging voor softwaremaatschappijen en muzikanten wordt volgens Moglen om een doelgroep te bereiken van producerende consumenten. Deze “prosumers” moeten bereid zijn iets te betalen aan de makers van kunst of van software, of aan mensen die voor hen iets selecteren uit het aanbod. De basis van de economie van de eenentwintigste eeuw wordt daarom vertrouwen, niet eigendom (…)’

Gelukkig wordt er al veel open source-software gebruikt, vooral in de servers van ons internet waarvan de helft onder het besturingssysteem Linux draait. Steeds meer wordt duidelijk dat met gesloten bronnen niet meer te werken is, zoals blijkt uit de vele patches en updates waarmee we vrijwel dagelijks onze computers moeten opschonen. Want dan is er weer een ‘lek’ ontdekt dat allang gedicht had kunnen zijn als er wat meer samenwerking was geweest. Meer dan ooit blijkt dat persoonlijk of commercieel gewin, in tegenstelling tot wat Ayn Rand beweert, de kwaliteit van producten juist verlaagt in plaats van verhoogt. Haar atlassen kunnen alleen maar misbaksels maken, zoals de wereld van Metropolis. De ongeëvenaarde popgroep Queen heeft in haar clip Radio Ga Ga die wereld als achtergrond gebruikt van een heimwee naar mooie tijden toen de wereld nog leefbaar en de radio nog beluisterbaar was. Die clip is een voorbeeld van kunst die je gratis en voor niets via YouTube tot je kan nemen. Waar ik best vrijwillig wat voor wil betalen omdat het dat waard is. Maar ik weet niet hoe en aan wie. Neoliberalen kunnen wel bovenop die bron gaan zitten alsof het hun eigen bezit is, maar hoe langer ze dat doen, hoe krachtiger de bron uiteindelijk open zal zijn.

Sterrengids

Date 23 september 2010

Op zoek naar iets als werkelijkheid, waarheid of schoonheid, verlang ik naar iets universeels. Iets dat overal altijd geldt. Al dat moderne gedoe waarin het idee van een allesomvattende waarheid wordt losgelaten is niets voor mij. Die opvatting spreekt trouwens zichzelf al tegen omdat ze een universeel geldende waarheid pretendeert te zijn. Hoe tegenstrijdig, paradoxaal en onbegrijpelijk ze ook mag lijken, er blijft voor mij toch maar één waarheid, werkelijkheid en schoonheid bestaan waarbinnen dat alles verenigd is. Alles wat persoonlijk is, is daarom per definitie onecht, niet waar en lelijk omdat je daarmee een stukje van de werkelijkheid hebt geïsoleerd. Het is niet voor niets dat het woord ‘persona’ stamt van het masker dat Griekse toneelspelers droegen. En eigenlijk geloof ik dat er maar één oerdrift bestaan in de mens: dat masker afleggen om weer één te worden met dat kosmische dat ons van alle kanten oneindig diep omhult. Als je deze gedachten vreemd vindt, schaf je dan geen sterrengids aan, want het is juist het bladeren door de Sterrengids 2011, uitgegeven door Stichting De Koepel dat me tot dit soort woorden inspireert. Op de voorplaat staat een prachtige foto van een spiraalstelsel in het sterrenbeeld Eridanus die je uitnodigt voor een kleurige psychedelische reis door een wervelende sterrenkolk.

De meeste mensen weten weinig van wat zich allemaal in de sterrenhemel afspeelt. Dat wordt ook steeds moeilijker te zien omdat de lichtuitstoot jaarlijks met maar liefst 3 tot 6 procent toeneemt. Nederland is, samen met België en Puerto Rico, het meest verlichte land ter wereld, staat op de website van het Platform Lichthinder te lezen. Maar wat heb je aan verlichting als je het Al niet meer kunt zien? Gelukkig zijn er technieken die ons kunnen helpen ons verloren contact met de werkelijkheid weer te herstellen, zoals virtual reality, in dit geval in de vorm van een planetarium. Op zaterdag 16 augustus 1958, ik was toen elf jaar, nam mijn vader me mee naar Den Haag. Met de bus. Daar was een Planetarium naast het gebouw van de Haagse Courant. Daarover schrijft Frank Faber op zijn weblog www.jeugdsentimenten.net, dus ik ben niet de enige die daar mooie herinneringen aan heeft! Overweldigd was ik door de diepe sterrenpracht, en een van de eerste dingen die ik thuis ging doen was zelf een planetarium op mijn kamertje bouwen.

Het bouwen van een planetarium gaat als volgt. Benodigd: 8 latten van ca 1,5 à 2 meter, 1 wit laken, ca 15 m2 gordijnstof, 4 groentekistjes, 3 plankjes van 30 x 150 cm, 1 speelgoedprojector, 1 vel etalagekarton en 1 speld. Bouw van de latten, de gordijnstof en de lakens een blokvormige tent met zijden van ca 1,5 m en een hoogte van ca 2 m. Gebruik hierbij het laken als plafond en laat aan één zijde een opening vrij om het planetarium te betreden. Maak zitplaatsen langs de overige 3 zijden door de 4 groentekistjes in de hoeken te plaatsen en daar de 3 planken op te leggen. Plaats de speelgoedprojector met zijn achterzijde in het midden op de grond, zodat het licht ervan naar boven gericht is. Knip van het etalagekarton stroken van ca 3 cm breed en prik daarin met de speld de patronen van sterrenhemels en sterrenbeelden. Sluit de projector aan op het lichtnet en schuif de kartonnen stroken door de sleuf waar normaliter zich de film bevindt. Nodig klasgenootjes en de juf uit om tegen geringe betaling te komen kijken. Maak niet de fout om (a) je moeder er niet van op de hoogte te stellen als de juf komt en (b) geen rekening te houden met de omvang van de juf, vooral als ze heel aardig is zoals de mijne dat was.

Nou ja, ik bedoel maar. Als kind zat ik al in sterrengidsen, toen nog in oblong-formaat, te neuzen. Wist ik dat een dag maar 23 uur, 57 minuten en 4,09 seconden duurde, hoewel ik nu uit de sterrengids begrijp dat ik dat laatste eigenlijk zou moeten afronden op 4,10 seconden. Weten dat de aarde 150 miljoen kilometer van de zon is verwijderd en het rijtje van de planeten kunnen opdreunen behoort toch tot de basiskennis van een kind? Als klein jongetje had ik al een draaibare sterrenkaart. Ik las ook graag boeken. Totdat ik bij allemaal verhalen over sterrenbeelden las over de heilige Laurentius die ‘levend en naakt op een rooster gebraden’ werd, wat me toch zo machtig op de maag viel dat ik nooit meer verder heb gelezen in dat boek. De sterren stonden verder op een laag pitje, hoewel ze in psychedelische visioenen best een belangrijke rol bleven spelen. In 1968 blies Stanley Kubricks film 2001: A Space Odyssey mijn liefde voor de ruimte en de sterren weer nieuw leven in. In 1980 keek ik met rode oortjes naar Carl Sagans 13-delige documentaire Cosmos, gedragen door prachtige muziek uit onder andere Heaven and Hell van Vangelis. En op zondag 14 augustus 1983 zat ik, na vrijwel exact vijfentwintig jaar, opnieuw in een planetarium, dit keer in het Gaasperpark in de Bijlmermeer. ‘Die muziek!’ schreef ik mijn Gereformeerde Vriend (Niet Vrijgemaakt) een dag later. ‘Daar was het weer! “Shine on you crazy diamond” van “Wish you were here”! De witte koepel boven onze hoofden verdween om plaats te maken voor een invallende schemering waarin steeds meer sterren in de oneindige diepte begonnen te flonkeren. (…) Gedragen door langzame Pink Floyd-akkoorden kwamen er steeds meer sterren aan de hemel en een gevoel van “Hier ben ik thuis” kneep mijn keel dicht en maakte mijn ogen vochtig. Een traan hobbelde over mijn linkerwang. De zwermen van sterren lokten me en ik zou zo in de diepte willen vallen.’

De stap van astronomie van astrologie is heel klein, zeker als je ook nog psychologie hebt gestudeerd en met computers stoeit. Hoewel ik me er in de jaren zestig al een poos mee had beziggehouden, werd ik in juli 1984 pas echt gepakt door de astrologie. In het gras van het Bergwijkpark vlak bij mijn flat in de Bijlmer lag ik enthousiast en serieus opnieuw de astrologie te bestuderen, met alle gevolgen van dien. Natuurlijk las ik ook wat Bhagwan over astrologie te vertellen had. ‘If we look at astrology as a science which disintegrates our egos, which dissolves our “I”, then it is religion.’ zei hij in Bombay op 10 juli 1971. ‘But if we go to the ordinary astrologer for the safety of our egos (…) Astrology means you are not, the universe is; you are not, the cosmos is. It means enormous forces are at work all around, and you are nothing before them. One needs to be attentive to this kind of astrology, but this is possible only when we see ourselves as part and parcel of this vast universe.’

Ik ben maar een deel van de werkelijkheid, en als ik de werkelijkheid, waarheid of schoonheid zoek, kan dat alleen over de kosmos gaan, over het Al, inclusief alle tijd en ruimte. Dan blijkt de stelling ‘ik besta’ onhoudbaar, omdat ik de meeste tijd niet besta en omdat ik me dan nog alleen hier op dit kleine plekje in Oldegeppel bevind. Maar kennelijk is er, geïnspireerd door een vaag bewustzijn van de eenheid van alles, ook een verlangen naar niet-bestaan, naar die transpersoonlijke wereld voorbij het ego, naar het samenvallen en -smelten met het Al. En zijn wij dromers zolang wij geloven dat dat niet al lang het geval is. Ik wil herinnerd worden aan wat ik eigenlijk ben en wat mijn thuis is, en één van mijn gidsen is de Sterrengids. Daarin zie ik niet alleen hoe de sterrenhemel eruitziet, wat de fase van de maan is en waar de planeten zich bevinden. Want ik lees ook over de veranderlijke ster SU Tau die zichzelf ritmisch verduistert door roetwolken uit te ademen, hoe mooi het is als sterren vlak langs de polen van de maan lijken te schuiven, en dat de aarde in een jaar zo’n 10.000 ton gruis- en stofdeeltjes opveegt, wat soms leidt tot lichtsporen die ‘vallende sterren’ worden genoemd. De Sterrengids bevat ook veel voer voor de linker hersenhelft, zoals toelichtingen over tijdberekening, oriëntatie in de ruimte, formules en astronomische constanten, maar dat alles is waardeloos zonder ruimtelijk inzicht van de rechter hersenhelft. Daar heb ik geen gebrek aan, want de sterren zijn mijn gids.

Geluidhinder

Date 17 september 2010

In de komende raadsvergadering komt de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) ter sprake. Daarin wordt het verbod op geluidhinder beperkt tot dat van privéfeesten en vrachtauto’s, terwijl momenteel ook nog geluidhinder door ‘toestellen of geluidsapparaten’ niet toegestaan is. Als argument voor dit ontzien van veel geluidsoverlast wordt deregulering aangevoerd, een rechtse hobby die erop neerkomt dat je geen beleid gaat maken voor zaken waar je geen last van hebt of die niet van toepassing zijn. In veel gevallen is deregulering terecht. Waarom verbieden dat mensen de straat schuin oversteken als niemand zich daaraan stoort en het geen extra gevaar oplevert? Waarom het carbidschieten verbieden als toch al niemand dat doet? In het geval van geluidhinder gaan de samenstellers van deze APV er kennelijk van uit dat niemand last heeft van ‘toestellen of geluidapparaten’ zoals bladblazers, heggenscharen en andere in tuinen bedreven hobby’s zoals muziek spelen en planken schuren. Als ander argument om verbodsregels af te schaffen hoor je vaak aanvoeren dat het niet handhaafbaar is. Een kulargument, want als je het principe ‘de vervuiler betaalt’ volgt, moet die handhaving zichzelf kunnen terugverdienen als hogere overheden daarin meewerken. Zeg dan gewoon dat je niet wil handhaven, dat is eerlijker.

In het centrum van Oldegeppel moet je wellicht met je oren op de grond liggen luisteren om de paarden van vergelegen buren te horen. Maar hier in de wijk Graasland staan de huizen een tikje dichter op elkaar, wat erop neerkomt dat je in sommige jaargetijden continu in de herrie zit. Tot op zekere hoogte is dat onvermijdelijk, maar je moet er wel wat van kunnen zeggen als het een en ander hinderlijk uit de hand loopt, en dan weten dat de gemeente achter je staat. Hier ligt dus een mooie taak voor mij, en tot nog toe heeft die geresulteerd in een amendement waarin ik voorstel om het betreffende artikel ‘zodanig aan te passen dat hierin het artikel 4:6a uit de Modelverordening van de VNG worden opgenomen (…). Het is verboden (…) in de openlucht een geluidsapparaat, een (recreatie)toestel of een (bouw)machine in werking te hebben op een zodanige wijze dat voor een omwonende of overigens voor de omgeving (geluid)hinder wordt veroorzaakt (…)’ Dat komt dus volgende week dinsdag in de raad, en ik zal wijzen op onze hectische 24/7-samenleving en de toenemende overlast van de A27.

Want laten we eerlijk zijn: we kunnen weinig meer doen zonder kabaal te maken. Bovenaan mijn ranglijst van herrieschoppers staan bij mij de RAVO’s. Zo noem ik die schoonmaakwagentjes, waarmee vriend en ik al in de jaren negentig kennismaakten. Vaak zaten we op het marktplein van Harderwijk nog heerlijk op het terras te eten toen zo’n wagentje met zijn pokkeherrie om ons heen kwam bezemen, zuigen, blazen en wat niet al. Tot vandaag de dag is er weinig aan gedaan om wat stiller te werk te gaan, want ook hier in winkelcentrum Oosterweide wordt er klokslag winkelsluiting uitgerukt met zo’n wagentje dat begeleid wordt door gehoorbeschermd personeel met bladerblazers die je tot halverwege de wijk kan horen loeien. Het gekke is dat ik het ook iets zieligs vind hebben, omdat het zo overdone is allemaal. Zoals die achterbuurman, die met veel herrie minuten bezig is geweest met het moeizaam verplaatsen van drie boomblaadjes… Echt gezien! En nu heb ik het nog niet eens gehad over lang bulderdenderende vliegtuigen die per stuk toch gauw door zo’n miljoen mensen al dan niet bewust gehoord moeten worden. Of over die macho motorrijders die je nog kilometers in de omtrek hoort en die zich wat mij betreft te pletter mogen rijden. Als je kabaal wil maken, doe het dan in je eigen iPod, maar val een ander er niet mee lastig! Wie houdt er nog van de stilte? De meeste mensen zijn er eigenlijk bang voor. Je zou je eigen hartslag wel eens kunnen horen…