Geen commentaar

Date 31 augustus 2009

Vandaag hoorde ik de golfjes lachen. Ze kletterden zo vrolijk en speels tegen de rotsjes dat je kon voelen dat ze er echt plezier in hadden. Op een plekje, ergens achter die grote parkeerplaats, heb ik een tijdje naar dat waterige koddige wereldje zitten kijken. Er was net een helikopter achter me opgestegen na een hele tijd een loeiend geluid gemaakt te hebben. Ik vind dat zo’n sensatie, vooral als hij van de grond loskomt: zo’n mooi gezicht dat de koude rillingen me over mijn rug lopen. Snel scheurde hij over de baai weg, boven Sainte Maxime en verdween  in een mum van tijd als een stipje in de blauwe lucht. En toen de rust van die kletterende golfjes die zich als kleine kinderen steeds op de rotsjes te pletter stortten…

Tot zover een passage uit mijn dagboek van 29 augustus 1980, waar mijn oog op viel. Net als het jaar ervoor was ik alleen in Saint-Tropez. Maar nu als sannyasin, in oranje kleren, met mala. Waarschijnlijk lekker bloot in tuinbroek, mijn lievelingsoutfit in die dagen. Het was de eerste van zeven zomers waarin mijn ouders een huisje in Oldegeppel hadden gehuurd, en mijn moeder raadde me aan om nog eens naar Saint-Tropez te gaan, gaf me er wellicht geld voor, want het waren niet mijn rijkste jaren. Daarna ben ik er nooit meer geweest, misschien omdat het onmogelijk bleek om daar opnieuw dezelfde extatische ervaringen op te doen als het jaar ervoor. Als ik iets heel moois heb meegemaakt heb ik soms de neiging om dat juist niet te willen herhalen. Toen, daar, op die plek was het mooi en goed, en zoiets is onherhaalbaar.

Schoonheid is niet iets groots, maar juist dat wat eenvoudig en simpel is. Golfjes die tegen de rotsjes klateren: ze zijn gezien, ze zijn gehoord, ze zijn geproefd. Misschien dat ik me vandaag zou ergeren aan het kabaal van de helikopter, maar toen genoot ik ervan. En 29 jaar later getuigt een weblog nog van hen, op die dag, op die plek, waar het gewoon gebeurde. Alles was goed zoals het was. Er was geen commentaar.

Stiltefobie

Date 29 augustus 2009

Mijn vader begreep het niet. Op de Haagseweg zag hij een vrachtauto naar Amsterdam rijden, waarop te lezen was: ‘Eieren’. Maar hij zag ook een andere vrachtauto richting Den Haag gaan, waarop ook in grote letters stond: ‘Eieren’. Kennelijk was er grondig iets mis, en dit gebeurde al in de jaren zestig! Toen is de overbodige ingewikkeldheid dus al begonnen.

We droomden van computers en robots, van een geautomatiseerde maatschappij. Daarin zouden we veel meer tijd voor onszelf overhouden omdat we nog maar een paar dagen per week hoefden te werken. Maar vreemd genoeg heeft al die technologische ontwikkeling ons alleen maar meer werk opgeleverd! Kan vroeger de huisvader alleen genoeg verdienen om een gezin rond te laten komen, tegenwoordig moet ook de vrouw aan het werk – mede uit vrijwillige keuze omdat ze ook een man wilde worden. Nu is het natuurlijk makkelijk om ons slachtoffer te voelen van een uitbuitend economisch systeem, maar daarvoor hebben we kennelijk wel zelf gekozen, net als vrouwen hun emancipatie wel zagen zitten. Ja, hoe je het ook wendt of keert – ik ben ervan overtuigd dat een manier van samenleven de concretisering is van collectieve wensen.

Die hoeven niet bewust te zijn, ook onbewuste wensen kunnen een grote rol spelen. Of onbewuste angsten als tegenhanger en motivatie daarvan. En met ‘onbewust’ bedoel ik niks geheimzinnigs, maar gewoon dat we even (of een leven lang) liever niet aan bepaalde dingen willen denken, en ze daarom maar voor een poosje vergeten. Ik denk dat hele volkeren gestuurd worden door onbewuste angsten en verlangens, waardoor er heel andere dingen gebeuren dan ze zich collectief bewust zijn. Vandaar mijn overtuiging dat een volk de regering krijgt die het verdient. Het was allemaal zo goed bedoeld in de jaren zestig, maar inmiddels…

Kennelijk hebben we zelf gekozen voor deze Alle Dagen Heel Druk-samenleving. Uit angst. Ja, uit angst! Want wat is er bedreigender dan vrije tijd? Voor een creatieve elite is dat leuk. Zelfontplooiing is een morele plicht, zegt D66 nu, en daar ben ik het natuurlijk ronduit mee eens. Maar is dat nou echt iets waar de meeste mensen op zitten te wachten? Wat moet je doen als je geen werk meer hebt? Gepensioneerd bent? Teveel mensen verbinden de zin van hun bestaan aan hun baan! Daarmee hebben ze vaak in hun leven ‘iets bereikt’, wat dat ook moge betekenen. Wat als dat werk er niet meer is? Vissen, klaverjassen, en op kinderen passen?  Zolang de meeste mensen bang zijn voor alleen zijn, stilte en duisternis blijft dat ADHD-veld als een drukkende wolk boven ons hangen en ons opjagen tot meer, meer en nog meer.

In zekere zin hebben de jaren zestig ons met onze grootste angsten geconfronteerd: gewoon gelukkig zijn in het hier en nu, onbevangen genieten van het leven, het wonder dat Woodstock was. Drugs, ook zoiets engs. Vrouwelijke jongens, heteronichten, wat moet je met die watjes? Popmuziek die gewoon mooi is en geen bonkende bassen nodig heeft, dat vergt overgave en creativiteit! Communes – het idee al! Leven in het hier en nu, doodeng!

Alle gaten moeten gevuld worden, want elk moment van stilte zou wel eens tot angst, tot bezinning kunnen leiden. We hebben de media en reclame geschapen om onze verdoving in stand te houden. Last but not least zijn we allemaal werk gaan creëren, dat eigenlijk volstrekt overbodig is! Zodat nu de post door drie verschillende mensen wordt bezorgd. Zodat we de gekste dingen uitvinden die we nog serieus nemen ook, zoals priorityzegels en pafpalen. Zodat elke bestuurlijke scheet een nieuwe huisstijl en startceremonie krijgt. Met als gevolg dat vrachtwagens met eieren elkaar tegemoet blijven rijden. Het hele eiereten is dat we eigenlijk op de vlucht zijn voor ontspanning, zelfontplooiing, stilte, duisternis. Want dan komen we onszelf tegen, en dat vinden we toch nog steeds een beetje eng. Dan blijken we plotseling heel gek in elkaar te zitten, allemaal angsten te hebben, onvoorspelbaar als een kind te zijn en vol rare gevoelens te zitten. Nee, nu liever even niet, dat schept maar verwarring en onduidelijkheid. Dus hechten we aan onze stiltefobie, overschreeuwen we onszelf en onze buren, en blijven we nergens meer even bij stilstaan.

Belaj knaboj

Date 20 augustus 2009

Vorige week belandden we middenin de KEI-week in Groningen. Dat is de kennismakings- en introductieweek voor nieuwe studenten, en dat zal de hele stad weten ook. Overal zwerven zogenaamde KEI-groepjes rond met voor ons ondoorgrondelijke opdrachten, zoals het spelen van een anti-monopolyspel op het plein achter de Harmonie. Op de Grote Markt een podium en een tribune, waar een discussie wordt gevoerd over privacy op het internet. Op de Vismarkt tientallen standjes van studentenverenigingen, sportverenigingen en zelfs een standje dat Esperanto aan de man brengt. Esperanto! In mijn boekenkast staan nog steeds de vier deeltjes van de cursus Esperanto programita van Hermann Behrmann van rond 1970 waarvan ik er indertijd twee heb doorgewerkt. Ook heb ik sinds die tijd een Prisma woordenboek Esperanto. En nu wordt me allemaal foldermateriaal toegestopt, waarin onder andere een verwijzing naar hun website www.esperantocursus.tk waar je online gratis een cursus kunt volgen. Bovendien krijg ik vier A4-tjes met onder andere grammatica, oefeningen en een beknopte woordenlijst.

In het hotel ga ik meteen aan de slag, en uit het gemak waarmee ik het tot me neem blijkt dat ik me er eerder mee heb beziggehouden. Oefening 1: Vul de uitgangen in: Bijv.: de mooie jongens = la bel-AJ knab-OJ. Dat is een goed begin! Zeker hier in Groningen, waar we net als vorig jaar een nachtje in het Martini-hotel doorbrengen. Zelden zie ik zoveel mooie, leuke, brutale, verlegen, frisse en levenslustige jongens om me heen! Ik geniet graag van de energie die ze uitstralen, van hun jeugd en onbevangenheid, hun enthousiasme en betrokkenheid. Vroeger zou ik iets moeten of willen met die jongens, maar omdat dit steeds minder het geval is krijg ik juist gemakkelijker contact met hen. Soms groeten ze me zelfs op eigen initiatief, wellicht omdat ze ergens voelen dat ik ze leuk vind maar niet veel meer van hen wil dan in verwondering om schoonheid in hun aanwezigheid te zijn.

Maar al te vaak denk je als oudere alles beter te weten. Je hebt immers levenservaring opgedaan, bent het betrekkelijke van alles in gaan zien, weet inmiddels alles beter dan al die knapen die nog nat achter hun oren zijn. Je hebt werelden aan je voorbij zien trekken, machthebbers zien komen en gaan, modes en rages zien opgaan, blinken en verzinken. Je hebt gezien en geleerd dat de wereld lang niet zo maakbaar is als je dacht, dat iedereen weer opnieuw het wiel gaat uitvinden, dat het hier op aarde een rommeltje is en dat dit ook altijd zo zal blijven. Je laat steeds meer identificaties met de wereld en zelfs met jezelf los. Met dat alles is niks mis – het is zelfs logisch en natuurlijk – maar voor je het weet voel je jezelf hoger of verder dan al die in de marge scharrelende jongeren, en ga je er boven staan. Zo bouw je zelf mee aan een generatiekloof, die velen als een natuurlijk en onvermijdelijk fenomeen beschouwen, zonder erbij stil te staan dat elke scheiding tussen mensengroepen problemen veroorzaakt. Zo ontwikkelen jongeren terecht hun eigen taal, maar wat zou het mooi zijn als we allemaal dezelfde taal spraken!

Natuurlijk kunnen die belaj knaboj (kaj, komprenebla per si mem, ankaŭ la belaj knabinoj) iets leren van ons, ouderen. Maar wij kunnen ook veel van hen leren. Bijvoorbeeld om gewoon enthousiast en onbezorgd van het hier en nu te genieten. Om in idealen te geloven en ervoor tegen de klippen op te blijven vechten. Om open te staan voor technologische ontwikkelingen en van alles daarover te leren. Eigenlijk wil ik ook van alles weten over chatten, mobieltjes, iPods, Hyves en veel dingen die de jongeren zo bezighouden. Hoewel? Twitteren gaat me net iets te ver! Maar ik wil ook weten hoe zij nou staan tegenover de kredietcrisis, het broeikaseffect, religieuze polarisatie en andere enge ontwikkelingen waar zij nog heel lang mee moeten leven. Wat jongeren vaak hebben en wat ouderen vaak verloren hebben is in één woord samen te vatten: echtheid. Wat je ook puurheid, spontaniteit zou kunnen noemen. Ouderen zijn daarvoor vaak te bedachtzaam, leven al in hun eigen andere wereld. Waar op zich niks mis mee is, zolang ze zich maar niet afsluiten voor die van de jongeren. En zolang dat het geval is willen jongeren ook niet zoveel van ouderen weten.

Andere werelden. Daarover discussieerden we onder het eten buiten, bij de voortreffelijke Italiaan Giovanni op het Zuiderdiep. Echt aan te bevelen! Het was een zoele zomeravond in een stad die bruiste van het leven. In deze wereld, om het maar zo te noemen. Deze wereld, die zonder de andere werelden nooit zou hebben kunnen bestaan. Omdat zij de verstoffelijking, de concretisering is van ideeën. Ja, ik mag Plato wel met zijn ideeënleer, dezelfde Plato die ook zijn eigen opvattingen had over hoe jong en oud elkaar konden bevruchten.

Andere werelden

Date 18 augustus 2009

Vriend is het er niet mee eens. Laten we maar eens beginnen met in deze wereld volledig bewust aanwezig te zijn! Dat lukt al bijna niemand, zodat het voor slechts weinigen is weggelegd zich met andere werelden in te laten. Bovendien hoor je gerealiseerde mensen zelden over die andere werelden spreken. Alsof ook zij zeggen dat je maar moet beginnen met in het hier en nu, in deze werkelijkheid je zaakjes op orde te hebben, zoals het ook ongepast is om altijd maar lekker op vakantie te gaan terwijl je thuis een rommeltje achterlaat.

Maar hoe kan iemand in deze wereld bewust of verlicht worden, zonder geïnspireerd te zijn door andere werelden? Is bijvoorbeeld schoonheid niet iets dat uit een andere wereld komt, en geldt dat niet ook voor het gevoel van rechtvaardigheid? Als we Darwin mogen geloven zit de hele evolutie mechanisch en liberaal in elkaar: de kat eet de vogel eet de worm. Alles kiest de weg van de minste weerstand en denkt alleen maar aan eigenbelang. Niks geen schoonheid en rechtvaardigheid in de grofstoffelijke materiële wereld! We zien die pas wanneer ze doorstraald is met, bezield is door andere, hogere werkelijkheden!

Zonder schoonheid en rechtvaardigheid – die volgens mij dus niet tot deze wereld behoren – is best leven mogelijk. Hoewel de vraag is of je dat ‘leven’ mag noemen, want het houdt dan niet veel meer in dan óverleven. ‘Niet bij brood alleen,’ zei mijn moeder vaak. Terecht, want met brood alleen blijft alleen een grauwe kale ongeïnspireerde en materialistische wereld over, waar het ongebreidelde liberalisme hoogtij viert en de zon langzaam achter vervuilde wolken verdwijnt. Geld maakt niet gelukkig. Hoewel dit vaak gezegd wordt door mensen bij wie dit alleen voor anderen geldt, blijft dit toch een waarheid als een koe. Want hoeveel mensen zitten met al hun materiële rijkdom ongelukkig en ontevreden te zijn, zeker hier in Oldegeppel?

Juist het ontkennen van die andere werelden maakt de wereld mechanisch, zakelijk en koud, net zoals de Verlichting dat deed door religie af te zweren. Want als er één onverlichte periode in de geschiedenis was, dan is dat wel de Verlichting met alle desastreuze gevolgen van haar rationele materialisme.

Hebben verlichten het nooit over deze andere werelden? Volgens mij hebben ze het nergens anders over!  Jezus zei al dat zijn koninkrijk niet van deze aarde was. Velen, van mystici tot sjamanen en lsd-gebruikers, drukken deze werelden bij gebrek aan beter uit in beelden die ze visioenen of reizen noemen. Anderen gaan nog nooit gehoorde – en soms ongehoorde – muziek maken. Weer anderen maken teksten en gedichten, of een mooi beeld of een prachtig gebouw, en ga zo maar door. De bron van dat alles komt uit andere werelden en ‘deze’ wereld wordt pas mooi als ik daarin iets van zo’n andere wereld ontmoet, zoals de gulden snede.

Nee, verlichten noemen dat alles misschien niet bij name, maar waar komt hun weten anders vandaan? Je kan pas héél zijn als je het leven in zijn totaliteit ervaart. Met het vinden van het koninkrijk in jezelf – waar al die verlichten het in hun eigen woorden over hebben – openbaren zich ook de koninkrijken buiten jezelf. Maar je zou ook kunnen zeggen dat diverse werelden helemaal het terrein niet zijn van spirituele meesters, evenmin als ze vertellen over digitale elektronica of hemelmechanica. Het gaat immers om het loslaten van alle identificaties met alle werelden!

Maar als je iets onderzoekt, iets leuk vindt of erover verwonderd bent, zegt dat nog niet dat je je ermee identificeert. Als ik zeg in Second Life iets van zo’n wereld te ervaren bedoel ik niet zozeer dat de daar opgebouwde virtuele werelden ‘echter dan echt’ zouden zijn, maar dat ik me verbonden weet met een veld waar het mogelijk blijft om bijvoorbeeld met anderen te communiceren zonder dat we fysiek bij elkaar aanwezig zijn. Dat kan je als een gemis ervaren, maar ook als een voordeel omdat verschillende fysieke en psychische belemmeringen niet meer in de weg staan, en misschien juist daarom meer wezenlijk contact met anderen plaatsvindt. Misschien dat kunst om dezelfde reden mooi is, omdat je ook daar meer in verbinding staat met ideeën, met de ziel van iets dat uit een andere wereld komt.

Zelfkennis

Date 12 augustus 2009

Rond het wakker worden heb ik rugpijn. Gewoon voelen, die pijn. Alsof ik iets interessants meemaak en onderzoek. Wat voel ik nou eigenlijk? En waar voel ik het? Kan ik de pijn laten zijn wat het is? Kan ik die meestal onbewuste verkramping loslaten? Ja, dat gebeurt als ik het even laat gaan, me op die plek ontspan. Maar ontspannen is niet iets dat ik kan doen. Alleen aandacht helpt daarbij. Aandacht is warmte, de pijn wordt warm, gaat trillen en schokken, komt in beweging. Mind over matter. Mijn eigen lichaam is het meest evidente bewijs dat psychokinese bestaat.

Allemaal mooi en aardig. Nu weet ik wel waar de pijn zit, maar zodra die een beetje lijkt op te lossen vraagt een ander pijnpunt iets hoger in mijn rug aandacht. Het zijn net kinderen: ik óók! Eens per maand laat ik me door Prabhu behandelen, die me dan sommige punten zo heftig laat voelen dat ik me machteloos voel met al mijn mooie woorden over loslaten van identificaties en zo. Maar ook dan weet hij vaak, geassisteerd door mijn diepe uitademingen, de pijn op te lossen, in soms gloeiende warmte te laten versmelten met mijn lijf. Waarna ik zeker weet dat ik géén masochist ben.

Allemaal goed en wel. Maar wie of wat voelt nou eigenlijk de pijn? Waar is die waarnemer, die getuige van dit alles eigenlijk? Ik meen hem te kunnen betrappen in mijn hoofd, waar de lichtstralen van het beeld, de luchtgolven van het geluid en de sensatiegolven uit mijn lichaam lijken samen te komen. Maar als ik de waarnemer waarneem, neem ik dus niet de echte waarnemer waar, het echte bewustzijn waarin dit alles verschijnt. Ik zoek me al jaren suf, en kan mijn eigen bewustzijn niet eens vinden! Ik weet dat dat logisch is – het oog kan zichzelf nu eenmaal niet bekijken. Maar mijn verstand kan dat niet vatten, zoals het ook niet snapt dat het heelal oneindig diep is en je met een ruimteschip eeuwig door kunt blijven reizen.

Dingen horen nu eenmaal ergens te zijn, begrensd te zijn, hun vaste plek te hebben. Althans volgens het verstand. Dat kan met oneindigheid en eeuwigheid geen kant op. Evenmin met iets dat er wél is, maar dat tegelijk onvindbaar, niet te lokaliseren is. Zoals mijn eigen bewustzijn, dat de getuige is van dit alles, het subject dat ik ben. Misschien geeft dit wel het meest belangrijke verschil tussen psychologie en spiritualiteit aan. In de psychologische wereld draait alles om zelfkennis, terwijl het in de spirituele wereld onmogelijk is om jezelf te kennen. In de psychologie gaat het om vinden van jezelf, bij spiritualiteit om het verliezen van jezelf.

Virtuele schizofrenie

Date 8 augustus 2009

Zapruder Inc., voor ‘alternatieve waarheid en bewustmakend nieuws’, plaatste onlangs een bijdrage onder de titel Wordt virtuele schizofrenie een reëel gevaar? De auteur, die zich Antagonizer noemt, meent te zien dat door het continu online zijn op het internet het virtuele leven steeds meer het reële leven binnendringt. Waarbij het gevaar op de loer ligt dat de interesse voor het leven in de realiteit afneemt en zelfs als ongewenst ervaren wordt. Het hebben van zowel een virtuele als een reële identiteit kan leiden tot onrealistische ambities door de virtuele werkelijkheid ‘waarin niets is wat het lijkt’. Zo wordt ‘virtuele schizofrenie’ geboren en de vraag rijst hoe je die gaat behandelen. ‘Ik denk dat ik vast wat patenten ga aanvragen. You never know…,’ eindigt deze blog, die veel reacties oproept. En terecht.

Om te beginnen heb ik ‘schizofrenie’ altijd een vage term gevonden. Want een korte zoektocht op het internet leidt al snel tot de constatering dat dit geen ‘gespleten persoonlijkheid’ of zo betreft. ‘De gespletenheid bij schizofrenie uit zich niet, zoals vaak wordt gedacht, in een meervoudige persoonlijkheid, maar in een beeld waarbij de samenhang in het denken, tussen waarneming en gedachten en tussen emoties en gedachten in ernstige mate is afgenomen, althans voor anderen minder goed invoelbaar is,’ schrijft Wikipedia waarbij die gespleten persoonlijkheid doorverwezen wordt naar de dissociatieve identiteitsstoornis. Maar toegegeven: gebruik van het woord ‘schizofrenie’ maakt het natuurlijk wel wat sensationeler: voor je het weet zie je Jekyll and Hyde-achtige taferelen voor je met subpersoonlijkheden die van elkaars bestaan niets willen weten. Wat in de virtuele wereld helemaal niet het geval is.

Net zoals het veroordelen van druggebruik volgens de Franse filosoof Jacques Derrida eerder op morele en politieke gronden plaatsvindt dan dat het op medische argumenten gebaseerd is, zou je kunnen zeggen de moeite die velen hebben met het virtuele leven eigenlijk op morele en/of politieke argumenten gestoeld is. Daarin wordt dan, net als bij drugs, heel duidelijk gesteld wat ‘echt’ en ‘reëel’ is, en worden andere ervaringen die niet aan die definitie voldoen gestigmatiseerd als ziek, onecht, een vlucht, asociaal, of noem maar op. De afwijking wordt gecreëerd, de menselijke ervaringen worden gesplitst in zogenaamde echte en onechte ervaringen, waarbij men eraan voorbijgaat dat elke ervaring per definitie echt is.

Dat schrijft ook Merethan als reactie op de blog, wat in feite hetzelfde is wat Robbie me in Second Life vaak vertelt: ‘het is niet minder ‘echt’ dan lijfelijk ergens aanwezig zijn. Wat ‘echt’ is en wat niet is sowiezo een ervaring. Je dromen zijn heel echt totdat je je wijsmaakt dat het maar een droom was.’ En over de ‘echtheid’ van de virtuele wereld denkt ook P.uncia anders, want ‘karakters loochenen zich niet en al helemaal niet als iemand zich anoniem kan uiten.’ Je kan virtuele werelden, net als de werelden die druggebruik oproepen, als tegenstrijdig aan de ‘werkelijkheid’ beschouwen, maar wellicht is het slimmer om ze te zien als een uitbreiding van je wereld, een aanvulling waar je je voordeel mee doet. Bijvoorbeeld om, zoals Anjalis schrijft, ‘tussen alle crap virtueel ‘geestverwanten’ te kunnen vinden die in een fysieke omgeving niet aangetroffen zouden kunnen worden alleen al vanwege de beperking van interactie in fysieke omgeving die gebonden is aan grenzen van onderlinge afstand.’

Weerstand tegen virtuele werelden is vaak gebaseerd op oneigenlijke gronden. Dat ze minder ‘echt’ zouden zijn ontstaat uit een heel beperkte definitie van de werkelijkheid. De dagdromer wordt verweten dat hij niet aanwezig is in het hier en nu, maar wie zegt dat dat het geval is? Nee, hij is in een ander hier en nu, in een andere wereld. Die andere wereld – of het een virtuele wereld van internet is, of die van drugs of dromen of wat dan ook – is echter voor buitenstaanders een ongrijpbare wereld waar hij geen vat op krijgt. Daarom ben ik geneigd om Derrida groot gelijk te geven en te geloven dat de veroordeling, criminalisering of ontzegging van toegang tot andere werkelijkheden gebaseerd is op de angst om macht over anderen te verliezen. Die virtuele wereld moet keurig in de hand worden gehouden in de vorm van films en boeken, maar mensen mogen daar niet zomaar hun eigen gang gaan om in astrale gebieden een beetje rond te gaan rommelen.

Het woord ‘virtueel’ betekende oorspronkelijk iets als manlijkheid, kracht, deugd en zelfs wonder. In plaats van onecht had het meer iets van ‘als mogelijkheid of vermogen aanwezig,’ wat in 1992 nog in de Van Dale werd genoemd, maar op het online woordenboek niet meer te vinden is. Het begrip virtueel heeft volgens mij niet met onecht of echt te maken, maar eerder met een andere wereld die niet ‘schijnbaar aanwezig’ is, maar even reëel is als real life. ‘Boeiend wordt het pas als de stroom uitvalt,’ schrijft Inanna. Ja, daarover kan ik meepraten, want toen ik vorige week met Robbie en Carl zat te praten was opeens alles weg en stond het halve huis in het donker. Waartoe een computer in staat is! Zes dagen zonder! Maar ik heb toch rustig geslapen, ook omdat ik wist dat mijn virtuele vrienden deze dagen aan mij dachten zoals ik aan hen.

Commercie

Date 30 juli 2009

Het zal duidelijk zijn dat commercie bij mij niet hoog in het vaandel staat. Maar dat neemt niet weg dat ik veel bewondering heb voor kleine ondernemers. Bij mij in het winkelcentrum is naast Albert Heijn een groentewinkel die betere en versere waar levert dan de grootgrutter die zijn komkommers in plastic verpakt. Gelukkig. Maar hoe lang nog? De ‘kleintjes’ kunnen alleen overleven door een betere kwaliteit te leveren, iets dat omgekeerd evenredig lijkt te zijn met de grootte van supermarktketens, die het juist vanwege hun grootte moeilijk hebben om verse en gezonde waar te leveren. Dat compenseren ze dan met kleur- en smaakstoffen, en datgene waardoor voedsel voedt – ik noem het prana maar sta open voor elk ander woord – ontbreekt. Dat kan je niet opsluiten in plastic doosjes waarin tegenwoordig alles van basilicum tot tompoezen verpakt is: het is immers toch afbreekbaar dus we kunnen er véél meer van gebruiken! Nee, geef me dan die heerlijke tomaten van dat groentewinkeltje maar, waarvan je proeft dat ze echt zijn.

Als ik zeg een hekel aan commercie te hebben, bedoel ik dus die handel, waar kwantiteit verheven wordt boven kwaliteit. Aan die verheerlijking van groei, waarbij het alleen maar om grotere omzetten gaat, zodat de directie per definitie altijd ontevreden is want het kan altijd méér. Zelfs Microsoft is nog niet groot genoeg gegroeid, want die wil nu weer de markt van de zoekmachines opslorpen. Grappig is dat niemand ziet dat dat voortdurend méér willen hebben bij kleine kinderen hoort, en de wil om steeds maar te groeien een astrale kanker is. Dat men voor die groei over lijken gaat hoeft verder geen betoog meer, want allerlei reclame en spam maakt de openbare en privéruimte steeds minder leefbaar en doet steeds meer mensen op de vlucht slaan voor radio en televisie. En dat niet alleen, want producten worden ook zo gemaakt dat ze snel versleten of gegeten zijn. Ik moet daarbij altijd denken aan mijn broer, die me in de jaren zestig erop wees dat je de rollen beschuit volgens de verpakking in de lengte moest openmaken, zodat je ze dan minder goed kan bewaren dus sneller gaat opeten. Daaraan denk ik tegenwoordig als ik een zak drop tracht open te maken, waarbij het plastic een zodanige scheurrichting heeft dat de helft van de dropjes voor je het weet op straat ligt. Beetje paranoïde? Minder chocolaatjes in een doosje, toiletrollen iets minder breed maken… De commercie let echt wel op de kleintjes! Dat soort dingen heb ik indertijd al van mijn broer geleerd.

Commercie kan dus nooit volwassen worden, is nooit uitgegroeid. Daarom moet alles wat verkocht wordt niet te voedzaam zijn, en ook niet te lang meegaan. De relatie tussen natuur en commercie is treffend verwoord door Marten Toonder in De Bovenbazen, waar grootmagnaat AWS in strip 4986 buldert: ‘De natuur is de vijand van het kapitaal. De natuur werkt gratis! En gratis is een vloek! Een gruwel! Niet de natuur moet produceren! Wij moeten produceren! Wij! Wijzelf!’ En de relatie tussen slijtage en commercie illustreert Toonder in De Slijtmijt, waar AWS in strip 6944 buldert: ‘Terwijl de wereld schreeuwt om grotere slijtage worden er nog steeds huizen gebouwd, die langer dan tien jaren meegaan. Onverantwoordelijk, Steenbreek! Misdadig!’ Hoe treffend wordt hier de wereld van de grootindustriëlen weergegeven! Maar intussen zitten we decennia later nog steeds met de brokken, en lijken we nog steeds niet door te hebben dat de verheerlijking van de ongebreidelde en ongecontroleerde groei de maatschappij steeds meer ontwricht. Omdat het steeds meer wil. Omdat het steeds ontevreden is. Omdat het gelooft in de toekomst en niet in het hier en nu.

Windows voor digibeten

Date 29 juli 2009

Wat Vriend betreft is het uit. Met Windows. Ik kan me daar wel iets bij voorstellen, want ook ik krijg er steeds een grotere hekel aan. Zijn ergernissen hebben allemaal te maken met het gebrek aan open source, zodat je niet weet wat er allemaal in zit. Dat heeft natuurlijk een commerciële bedoeling, want als iedereen zou weten wat er in zit kan ook iedereen het gaan namaken. Zo hebben veel producten hun geheimen, net als Coca Cola waarvan niemand weet wat de essentiële bestanddelen ervan zijn. Het is juist dit ontbreken van openheid dat het zo gigantisch moeilijk maakt om het op andere soft- en hardware te laten aansluiten. Dat er mede toe bijdraagt dat om de haverklap updates en upgrades nodig zijn en je soms meer met computeronderhoud bezig bent dan het ding zelf te gebruiken. En een milieuramp is wegens alle tijdschriften die vol staan met artikelen over hoe je Windows het beste kan beveiligen, schoonmaken, versnellen en oppimpen, wat eigenlijk allemaal niet nodig zou hoeven zijn als het een kwaliteitsproduct was geweest. Dat is het alleen maar tijdens de eerste dagen na een nieuwe installatie. Daarna raakt het systeem geleidelijk steeds meer vervuild, en wordt het werkend gehouden met elastiekjes, paperclips en plakbandjes, zogenaamde patches.

Geheimzinnigheid is een van mijn problemen met Windows. Mijn harddisk staat te ratelen maar ik weet niet waarom. Er zit een register in, maar niemand zegt uit welke bestanden dat nu eigenlijk bestaat. Tijdens opstarten laadt hij minuten lang allemaal programma’s die ik waarschijnlijk helemaal niet nodig heb en die door de cryptische namen ervan niet te identificeren zijn. Tijdens het afsluiten het omgekeerde verhaal.

Onlogica is ook iets dat teveel in Windows voorkomt. Als ik in Outlook op de knop ‘Afdrukken’ druk, vraagt hij eerst naar de printer die gebruikt moet worden, maar in Word staat voor je het weet de standaardprinter te ratelen. Als ik in Powerpoint een fotoalbum wil maken, dan moet ik dat zoeken achter ‘Invoegen’ en ‘Nieuwe afbeelding’. Als ik in Word een eindnoot wil invoegen moet ik dat zoeken achter een submenu ‘Voetnoot…’ Echt logisch denken leer je er niet van.

Betutteling is Windows ook niet vreemd. Zo worden in Word ongevraagd witruimtes tussen alinea’s ingevoegd, worden witruimtes ook wel eens ‘spaties’ genoemd, terwijl spaties ongevraagd worden meegemarkeerd als je een woord aanklikt. En hoe vaak heeft Windows me niet verwezen naar de map ‘Documents en settings’ waarin ik nooit wat bewaar? Ja, dat is allemaal om het gebruikersvriendelijk te maken – een ander woord voor aanpassing aan een zo groot mogelijk publiek.

Deze drie: geheimzinnigheid, onlogica en betutteling. Ik heb hierboven het aantal voorbeelden beperkt, maar veel lezers zullen ze wel kunnen aanvullen. En misschien vind ik die betutteling wel het meest erg! Alles moet in hapklare brokken worden geleverd zonder een beroep te doen op enige intelligentie of wil om iets te begrijpen. Dat is commercie: intelligente mensen moeten zich aanpassen aan de algemene domheid. Op school leerde ik het verschil tussen een IJ en een Y, en in de telefoongids stond vervolgens IJmuiden onder de Y. Zo kan commercie nooit bijdragen aan intelligentie of verheffing, want het zal zich altijd richten op dat wat zoveel mogelijk mensen kunnen begrijpen of aanvoelen.

Kortom: Windows is niet alleen voor digibeten, Windows maakt digibeten.

We zijn dus weer druk bezig met Ubuntu, een Linuxdistributie die ik ook al een tijdje op mijn multi-boot-computer heb draaien. En nu we het er toch over hebben: Vriend vond een oude SoftwareBus uit 1998 met het volgende artikel. Ik citeer.

Het volgende verhaal circuleert al een tijdje op het Web. Het heeft ook al in NRC-Handelsblad gestaan, maar dat leest niet iedereen. Het is ongetwijfeld apocrief, maar misschien vindt u het net zo leuk als wij:
Bill Gates zei onlangs: “Als General Motors net zo boven op de techniek had gezeten als de computerindustrie, zouden we nu allemaal in auto’s rijden die $ 25 kosten en 250 km rijden op een liter brandstof.”
Hierop antwoordde General Motors (GM) met het volgende persbericht: “Als GM op dezelfde manier met technologie omging als Microsoft, dan:
1. Zou uw auto er minstens twee keer per dag zonder aanwijsbare reden mee ophouden. U zou dit gewoon accepteren, de auto herstarten en verder rijden.
2. Zou u elke keer als de verkeerstekens vernieuwd werden, een nieuwe auto moeten kopen.
3. Zouden alle meters vervangen kunnen worden door een display, met daarop twee woorden: ‘algemene fout’.
4. Zou Apple een auto maken die op zonne-energie liep, vijf keer zo snel was en drie keer zo eenvoudig te bedienen, maar slechts op 5% van de wegen zou worden toegelaten.
5. Zou de airbag eerst vragen: ‘Weet u het zeker?’ voor ie afging.
6. Zou u bij een GM-auto ook alle wegenkaarten van een bepaald merk moeten kopen, of u dat nu wel of niet wilde of nodig had. Als u zonder deze kaarten zou willen rijden leverde de auto maar 25% van de normale prestaties.
7. Zou maar een persoon tegelijk in de auto kunnen rijden, tenzij hij Car95, Car98 of CarNT heeft. En dan moeten de zitplaatsen nog wel apart worden aangeschaft.
8. Zou je bij elke GM-auto opnieuw moe­ten leren autorijden, omdat niets op dezelfde manier functioneert.
en de topper:
9. Zou je op de ‘Start’-knop moeten drukken om de motor te kunnen afzetten.”

Einde citaat. Het is een verhaal dat overal rondgezworven heeft, maar dat nog steeds leuk is om te vertellen. Mmm. Nu eens kijken wat er met die Windows Media Player aan de hand is, die zichzelf niet wil installeren, zodat ik niet naar Uitzending Gemist kan kijken…

Maan

Date 21 juli 2009

Waar ik was toen de eerste voet op de maan werd gezet? In de kantine van een camping in Bredene, bij Oostende in België, waar ik met mijn Gereformeerde Vriend (Niet Vrijgemaakt) tijdens een lift-vakantie was beland. Daar zagen we in de eerste nachtelijke uren van 21 juli 1969 Neil Armstrong op het maanoppervlak afdalen en hoorden we zijn beroemde woorden “That’s one small step for a man, one giant leap for mankind.” Dat het de Apollo 11 was die de mens hierheen had gebracht, en de Waterman het elfde dierenriemteken was, maakte dit wel extra bijzonder. Bovendien was mijn vriend een paar uur daarvoor net 21 jaar geworden, wat toen gold als een bijzondere leeftijd, want ‘volwassen’, net als de mensheid dat nu zou worden nu hij zijn eerste stappen op buitenaardse grond had gezet.

De eerste stappen op de maan waren niet alleen een fysieke kennismaking. Er was veel meer aan de hand, want de maan is niet alleen een brok rotsachtige materie dat trouw om de aarde cirkelt. De maan verlicht de nacht en geeft veiligheid, is als een moeder die ons koestert en over ons waakt. De maan trekt aan de zeeën en oceanen, heerst over het water en daarmee – als we Masaru Emoto mogen geloven – over ons geheugen, waarbij ze hecht aan conditioneringen en aan het vertrouwde verleden dat we immers steeds hebben overleefd. Maar de maan is ook veranderlijk in dit alles, kan door haar verschillende schijngestalten best wispelturig zijn. Kortom: de maan bestaat ook in de astrale en mentale wereld, en vertegenwoordigt onze persoonlijkheid, de vorm waarin ons goddelijke zelf gegoten is, met al zijn rariteiten en hebbelijkheden.

De maan is een afspiegeling van en doorgang naar de zon die ons ware zelf vertegenwoordigt, onze oorsprong. De zon staat voor onze individualiteit, die verder gaat dan verleden, veiligheid, voeding, volk en vorm. In de astrologische termen kan de verhouding tussen de zon en de maan, als heersers over de tekens Kreeft en Leeuw, afgeschilderd worden als die tussen hoger en lager zelf, tussen het hart en maag, tussen creativiteit en conditionering, tussen idee en vorm. Je zou de reis naar de maan dus ook kunnen opvatten als de reis naar de persoonlijkheid, een soort collectieve psychotherapie. En dat past ook mooi in het tijdsbeeld van eind jaren zestig, begin jaren zeventig. Steeds werd duidelijker we onze zelfrealisatie of zelfactualisatie, zo niet verlichting in de weg stonden met onze eigen beperkte persoonlijkheid die zich liever onder een deken van romantisch maanlicht koesterde.

De maan is dus enerzijds een opstap voor een reis naar de zon, maar kan anderzijds juist ons ware zelf verduisteren. In de zomer van 1999 waren Vriend en ik naar Alex in Zuid-Duitsland gereisd, om daar de zonsverduistering van 11 augustus mee te maken. In een arcadisch landschap braken de wolken op het juiste moment, zodat we met onze Zeiss-brilletjes precies konden volgen hoe steeds een grotere hap uit de zon werd genomen. En juist de laatste hap maakte de zonsverduistering zo bijzonder: opeens keek ik met blote ogen naar de zon, de natuur trok zich naargeestig terug, maar vogels bleven fluiten in het onnatuurlijk verlichte landschap. Het ging waaien en de ervaring dat de zon en de maan precies op één lijn met mij stonden deed me bijna knielen en bidden van dankbaarheid. Zo moest de wereld er hebben uitgezien toen Christus gekruisigd was…

Zo veel als er gefantaseerd is over reizen naar de maan – van Jules Verne tot en met Kuifje – zo weinig hoor je over reizen naar de zon. Misschien speelt de zon minder tot de verbeelding omdat je er geen vaste voet op kan zetten of omdat zijn hitte verzengend is – dingen waar de persoonlijkheid nu eenmaal niet van houdt. Daarom is het des te meer genieten van de film Sunshine uit 2007, met de niet te versmaden Cillian Murphy, waarbij je bij het naderen van de zon steeds meer voelt van het wezen van haar warmte en straling. De zon als hart van ons zonnestelsel, de zon als het hart van jezelf.

De eerste stap op de maan, vandaag 40 jaar geleden, was dus niet alleen fysiek een ‘gigantische sprong voor de mensheid’, maar had ook iets met de spirituele ontwikkeling van ons mensen te maken. En wel in die betekenis dat we wellicht in die periode meer dan ooit onze persoonlijkheid gingen verkennen – persoonlijkheid als schenker van noodzakelijke voeding en veiligheid, maar tegelijkertijd als belemmering om bij onze ware aard te komen. Mijn lievelingsgroep Pink Floyd heeft dat heel mooi verwoord in de songs Brain damage en Eclipse, de apotheose van het muzikale bouwwerk The dark side of the moon uit 1973:

all that is now,
all that is gone,
all that’s to come,
and everything under the sun is in tune,
but the sun is eclipsed by the moon.

Onder de zon is alles goed, maar de zon wordt verduisterd door de maan, de persoonlijkheid die zelfs tot gekte, maanziekte, kan leiden. “There is no dark side of the moon really,” wordt daar nog even zachtjes aan toegevoegd. “Matter of fact it’s all dark.” Het maanlicht is eigenlijk zonlicht en daarom sluit dit meesterwerk van Pink Floyd dan ook af met hetzelfde geluid van het kloppende hart waarmee alles begon. Het hart ofwel de zon als levengever en bron.

Vandaag is dus ook mijn Gereformeerde Vriend (Niet Vrijgemaakt) jarig! In de fysieke wereld zien we elkaar de laatste jaren niet veel, maar het zal trouwe bezoekers van mijn weblog inmiddels duidelijk zijn dat dat niet het enige criterium voor vriendschap is. Sommige vrienden ervaar je nu eenmaal als je familie en blijven zo een deel van je leven uitmaken. En blijf je daarom feliciteren. Ik wens deze vriend, met wie ik in mijn studententijd en ook daarna zoveel heb meegemaakt, dan ook nog vele gelukkige jaren toe.

Dag Simon!

Date 15 juli 2009

Ook ik heb Simon Vinkenoog goed gekend. Grapje. Het waren hooguit een paar korte contacten. Als studenten stond we eind jaren zestig aan zijn raam aan de Noordermarkt te kloppen, waar we kennelijk nogal stoorden. Maar ons Popgezelschap lukte het wel om hem, net als Johnny the Selfkicker, een avond te laten vullen in een zaal ergens in Amstelveen. In de pauze – tijd voor een goed gesprek leek me – rookte hij zwijgend zijn jointje. Vele jaren later stuurden Nandan en ik hem wel eens een nieuw product van mijn Aries Astro-Services, en daaraan wilde hij dan nog wel eens aandacht geven in zijn rubriek Wereld in Beweging in het vermaarde en geliefde boekjesmagazine Bres. Of had hij iets op mijn website of in een mailing gelezen waardoor hij opeens reclame voor me ging maken. Het laatst eind 2006 op zijn webstek omdat ik iets had geschreven over de horoscoop van 21 december 2012. Het is meteen jijen en jouwen alsof je elkaar al jaren kent, en zo hoort het ook in die wereld.

Wat ik met hem deelde was een angst voor de angst. En dan bedoel ik niet zozeer flippen door gebruik van drugs, maar het zetten van grote vraagtekens bij mensen die ons maar al te graag in de ban willen brengen van sombere toekomstvoorspellingen, bij het doemdenken dat ook in alternatieve kringen hoogtij kan vieren. Zo heb ik het wel eens moeilijk met Marcel Messing en zijn boek Worden Wij Wakker? Daar moest Simon dus ook niks van hebben: ‘ik ben er ook van overtuigd dat er nog allerlei zeer onaangename dingen de mensheid te wachten staan, maar ik ben er op tegen ze angst aan te jagen. Ieder mobiliseert het geweten of bewustzijn op een andere manier!’ Met rode oortjes heb ik bijvoorbeeld het boek van Griffin over 11 september gelezen, maar ik kan zo weinig met die complottheorieën. Ze jagen angst aan voor onzichtbare en ongrijpbare entiteiten waarop je alleen maar met machteloosheid kan reageren. Omdat ze per definitie aan je blik ontsnappen en je er geen vat op kunt hebben. Omdat ze te bevestigen noch te ontkennen zijn. Geen energie in steken, geen aandacht geven: als ze bestaan kunnen ze daar vast niet tegen. Niet serieus nemen, erom lachen dus.

Natuurlijk trok ik een paar boeken uit de boekenkast, die ik eigenlijk nooit gelezen heb, zodat ik ook ik me nu – net al vele anderen – wellicht in de literatuur en de gedichten van Vinkenoog zal gaan verdiepen. In zijn dikke boek Liefde viel mijn oog op het woord lachkick, misschien wel één van de meest wezenlijke elementen van het high zijn. Een lach die heel diep vanuit je binnenste opborrelt en al je cellen lijkt te kietelen. Een bulderlach die uit je lijf lijkt te spetteren, maar die niet uit te leggen is aan iemand die dat niet kent. Omdat het om trivialiteiten gaat, om niets. Omdat het om diepdoorvoelde on-zin gaat, omdat de werkelijkheid toch weer totaal anders is dan we zo serieus dachten. De lachkick die tegen de binnenkant van je huid echoot, en waarbij je elkaar diep begrijpend in de tranende ogen kunt kijken. Alles is dan één grote grap en daarin schuilt ontzettend veel wijsheid waarvan je je heel letterlijk kunt laten doordringen.

Als ik aan Simon denk, ga ik terug naar de jaren zestig. Denk ik aan iemand die zich vol enthousiasme in alles kon storten en hij aan één leven lang niet genoeg leek te hebben. Die komt vast nog vaak terug, zoveel hield hij van het leven, die heeft vast nog helemaal geen zin in Verlichting en zo. Ik heb ook wel eens gedacht dat hij een warhoofd was, een mafkees, een chaoot. En misschien was hij dat ook wel, maar dat kunnen ook complimenten zijn voor iemand die het leven vreugdevol viert. Die zijn toorts aan beide zijden laat branden, zoals Osho dat noemde. “Door de toegenomen massa-media-kommunikatie is het hoe langer hoe moeilijker een verouderd wereldbeeld hoog te houden, uit de smeltpot der gebeurende veranderingen zal slechts de waarheid overblijven,” schrijft hij in Proeve van kommunikatie. “Leugens en vooroordelen zullen naar het verleden worden verwezen, waarin de mens zijn fouten onbewust beging omdat hij nog niet genoeg wetenschap bezat, te star was, te autoritair, te bijgelovig. Veel deskundigen laten hun waarschuwende stem horen: dat de wetgeving veroudert, dat het onderwijs een verouderd instituut is, dat de politiek een leeg spel wordt, dat beraadslaagd zal moeten worden over de modaliteiten van een toekomst waarin automatisering zorgdraagt voor de menselijke bevrijding van de arbeidsplicht, als de nu nog zo geheten ‘vrije tijd’ kreatiever vervuld zal worden dan op dit ogenblik het geval is.” Dat schreef hij in 1967. Woorden die ik nu in 2009 graag laat weerklinken.