Dualisme

Date 25 april 2008

Zoals er bij organisaties vaak sprake is van een algemeen bestuur en een dagelijks bestuur, waarbij het algemeen bestuur de baas is en een dagelijks bestuur benoemt dat verantwoordelijk is voor het reilen en zeilen van een en ander, zo is ook in bestuurlijk Nederland sprake van een verdeling van functies, taken en bevoegdheden. Het algemeen bestuur is te vergelijken met de gemeenteraad, Provinciale Staten of het parlement, het dagelijks bestuur met het college van burgemeester en wethouders, Gedeputeerde Staten en ministers. Gemeenteraadsleden, Provinciale Staten en het parlement staan aan het hoofd van de gemeenten, de provincies en het land. Terecht, want zij zijn het die door het volk zijn gekozen.

In 2002 is met de wet Dualisering het bestuurlijke dualisme in gemeenteland van kracht geworden. Hierin worden de taken en bevoegdheden van de gemeenteraad en die van het college duidelijk gescheiden, en hierdoor is het bijvoorbeeld onmogelijk geworden dat gemeenteraadsleden tegelijk wethouder zijn, zoals tot die tijd mogelijk was. De gemeenteraden hebben hierin een volksvertegenwoordigende en een bestuurlijke taak. Om te kijken wat er anno nu van dat dualisme is terechtgekomen, deed bureau Daadkracht onlangs een Raadsledenonderzoek, waaraan ik ook heb meegedaan. ‘Gekeken naar de (theoretische) doelstellingen van het dualisme en de empirische resultaten van dit onderzoek is de conclusie dat raadsleden zich anno 2007 meer dan gewenst bezighouden met bestuurlijke taken in plaats van volksvertegenwoordigende taken. Ook besteden raadsleden meer tijd aan het raadswerk dan binnen het dualisme wenselijk geacht wordt,’ staat daarin als onderzoeksresultaat te lezen.

Met andere woorden: raadsleden zouden zich meer met volksvertegenwoordiging moeten bezighouden, en minder met besturen. Dat klinkt heel helder, maar is eigenlijk heel vaag. Om te beginnen vult niet iedereen het begrip volksvertegenwoordiging hetzelfde in. De een vindt dat hij continu de wijk in moet, organiseert buurtbijeenkomsten en vecht voor referenda. Maar de ander meent dat hij een aantal jaar gewoon zijn gang kan gaan omdat hij gekozen is, en heeft geen zin om zijn oren naar alle nukken en grillen van het volk te laten hangen, omdat hij dan helemaal tot niets komt. De laatste voelt zich al volksvertegenwoordigend bezig als het bezig is met het besturen zelf. Dat bestaat uit een kaderstellende en een controlerende taak. Kaderstellend. Wat wordt daar nou mee bedoeld? Wisten we het maar!

Door hogere regelgeving hebben lagere overheden steeds minder in de melk te brokkelen. Als je iets wil, dan moet het ook van de provincie, de staat en Europa mogen. En als Europa, de staat en de provincie iets willen moet je je daaraan aanpassen. Tot op zekere hoogte is dat redelijk, maar als hogere overheden iets tegen de wil van lagere overheden en bevolking doordrukken, als het geen draagvlak heeft zoals de Betuwelijn, dan leidt dat tot een protest dat op langere termijn de macht van die hogere overheid zal uithollen. Een lichaam kan nu eenmaal niet of slecht overleven als het zijn eigen lichaamsdelen verziekt. Dat je je ook als gemeente aan hogere regelgeving met voldoende draagvlak moet conformeren is niet per definitie verkeerd, dat gebeurt pas als het subsidiariteitsbeginsel wordt genegeerd: laat besluiten plaatsvinden op een zo laag mogelijk bestuurlijk niveau, zo dicht mogelijk bij de betrokkenen. Met andere woorden: laat Europa niet beslissen over de lantaarnpalen in het dorp!

Wat dit met kaders te maken heeft? Vaak krijgen we als gemeenteraadsleden te horen dat we ons alleen met de ‘kaders’ en niet met details zouden mogen bezighouden. Maar dat staat nergens geschreven, en ik voel me ook niet echt geroepen om me daaraan te houden. Natuurlijk is dat lastig voor een uitvoerende organisatie als gemeenteraadsleden zich niet beperken tot de grote lijnen, maar zich met lantaarnpalen gaan bemoeien. Dat heet dan een ‘veel te klein kader’, en als raadslid ‘moet je je daar niet mee bezig willen houden.’ Maar slenterend over het Damrak in Amsterdam neem ik het die gemeenteraad juist erg kwalijk dat ze zich indertijd niet met lantaarnpalen hebben beziggehouden! Kleine oorzaken kunnen heel grote gevolgen hebben. Anderzijds wordt het je als raadslid niet altijd gemakkelijk gemaakt als je je alleen met de grote lijnen bezig wil houden, want dan zie ik liever een paar A4-tjes met de belangrijkste conclusies en wijzigingen in mijn brievenbus, dan de complete stapels raadsstukken met rapporten die kilo na kilo nog net door de brievenbus passen.

En dan die andere kant van het besturen: het controleren. Daarvoor moet je wel al die boekwerken uitvlooien, want als we dat niet hadden gedaan zaten we straks met een drukke verkeersweg dwars door het park, een megalomane landmark en een McDonald’s in de wijk! Vaak hebben de uitvoerders niet de affiniteit met de leefomgeving die raadsleden wel hebben. Nee, ik hou wel van gemeenteraden die lastig zijn en het college waar nodig op de nek zitten. En eigenlijk is het dualisme daar zelf de oorzaak van: het stelt twee partijen tegenover elkaar. Dat niet alleen. Het vindt dat de raad zich meer bezig moet houden met volksvertegenwoordiging – terwijl die daar zelf het exponent van is! – en minder met besturen, zoals in kaderstelling en controle. Dat lijkt de wereld op zijn kop. Want de raad staat wel aan het hoofd van de gemeente! Ik als raadslid dus ook. Hihi.

OV-chipkaart

Date 18 april 2008

Wordt het ooit nog wat met die OV-chipkaart? Is het niet verstandiger om ons verlies te nemen en het hele project af te blazen? Zijn de kosten ervan intussen niet een veelvoud van wat het gaat opbrengen? En wie gaat dat straks betalen? De reiziger? En dat allemaal om het zwartrijden tegen te gaan? Terwijl dit juist het zwartrijden stimuleert, zoals ook Windows door zijn arrogante opstelling uitdaagt tot kraak en braak? En wie heeft om de OV-chipkaart gevraagd? De enigen die er rijker van worden zijn de leveranciers van al die poortjes en kaartlezers. Ik zou wel eens willen weten voor hoeveel miljoenen euri al van die dingen in het land staan en zitten te niksen, en of ze überhaupt nog iets zullen doen voordat ze zijn afgeschreven.

Tegen het principe van de OV-chipkaart heb ik niks. Integendeel zelfs. Maar ik wil wel net zo makkelijk als met een strippenkaart kunnen controleren of ik het juiste bedrag betaal. En net zo makkelijk mijn geld terugkrijgen als er een verkeerd bedrag wordt afgeboekt. Wat dit alles betreft waren mijn eerste ervaringen ronduit slecht: op een zonegrens werd een zone teveel berekend, en op station Duivendrecht stond de klok van een kaartlezer verkeerd zodat ik veel te veel betaalde. Het is van de gekke dat ik dat kennelijk nog moet controleren allemaal. En dat mij wel € 35 berekend wordt als ik zwartrij, maar dat ik geen € 35 krijg als het bedrijf mij oplicht.

Ik heb weinig vertrouwen in de techniek die ervoor moet zorgen dat het juiste bedrag van mijn OV-chipkaart wordt afgeschreven. Als ik in de bus zit zie ik te vaak dat verkeerde haltes worden aangekondigd, dat het systeem helemaal niet werkt, of dat het uitvalt omdat er bijvoorbeeld een afwijkende route wordt gereden. In de Amsterdamse tram zag ik onlangs op de display van lijn 3 staan dat hij naar station Muiderpoort reed terwijl ik toch echt de andere kant op ging. En toen ik daar op het Centraal Station boven het perron wilde zien waar de eerste metro heen ging, stond er doodleuk ‘Zie voorkant trein’ te lezen. En op de trein zelf zie ik aan de zijkant vaker een verkeerde dan de goede bestemming. Als zelfs dit soort dingen nog maar half werkt, geeft mij dat weinig vertrouwen.

Maar ook het onbegrijpelijke zone- en strippensysteem moet afgeschaft worden. En dan heb ik het niet over die rare eerste basisstrip waarvoor je nog geen meter vervoerd wordt, maar over de idiote kronkelige wegen die nu gevolgd worden om passagiers van A naar B te brengen. Dat is veel efficiënter te maken door al die zones in de prullenmand te gooien en de vervoerbedrijven naar de hemelsbreed afgelegde afstand tussen in- en uitstaphalte te laten afrekenen, wat ook eerlijker en logischer is. Met Google Earth heb ik eenvoudig nagemeten hoeveel de bus omrijdt als ik vanaf station Blikkum naar huis ga. Hemelsbreed is die afstand 7,27 km. Maar door veel geslinger door Zandwijk leg ik 14,22 km af, bijna het dubbele! Als Connexxion me echter alleen die 7,27 km in rekening mag brengen, zullen ze me echt niet alle buitenwijken van Zandwijk laten zien! Bovendien moet hemelsbreed afrekenen dank zij gps makkelijk te realiseren zijn. De slingerende routes kosten de gebruikers niet alleen meer tijd, maar ook meer geld. Omdat er door meer zones wordt gereden, en omdat de overstaptijd sneller verstreken is. Het unieke van het reisproduct wordt dan dat je meer betaalt voor minder. Zo gek is het openbaar vervoer geworden.

Wat mij betreft zouden twee maatregelen de OV-chipkaart een beetje acceptabel maken. Afrekenen naar hemelsbreed afgelegde afstand, en teruggave van € 35 indien blijkt dat teveel is afgeschreven van de OV-chipkaart. Gelijke monniken, gelijke kappen. Maar zelfs dan word ik niet blij van de OV-chipkaart. Omdat ik met vele anderen vaak zal vergeten uit te checken, wat pure winst oplevert voor het vervoerbedrijf. Omdat ik als slachtvee door poortjes word geperst, die de stationshallen ontsieren en minder begaanbaar maken. Omdat ik kennelijk beschouwd word als een potentiële zwartrijder. Omdat ik nog te weinig zicht heb op de tarieven. De strippenkaart is ook geen lolletje, maar dat ik met de OV-chipkaart ‘altijd een geldig vervoerbewijs op zak’ heb, zegt nog niet dat het openbaar vervoer zelf verbetert. Integendeel zelfs. Onlangs was op het Centraal Station van Amsterdam te zien hoe het openbaar vervoer zelf ontspoort. Als dit tegen een redelijk tarief snel, efficiënt en comfortabel was, zouden er veel en veel meer mensen gebruik van maken. Maar nu is het zijn geld eigenlijk niet waard, en zo wordt indirect het zwartrijden gestimuleerd.

Het openbaar vervoer wordt nog steeds niet serieus genomen. Wellicht omdat degenen die erover beslissen er zelf weinig gebruik van maken en geen ervaringsdeskundigen zijn. Zoals ik.

Sportief

Date 9 april 2008

Het afgelopen weekend met Marcel op de Kalmthoutse heide doorgebracht. Wandelen, eten, slapen en veel, veel praten. En dan gaat het niet alleen over computers, waarbij hij me enthousiast maakt voor het gratis ‘open source’ besturingssysteem Linux als alternatief voor Windows Vista als XP niet meer ondersteund wordt. Dan gaat het ook over politiek. ‘Het CDA moet verboden worden,’ concludeert hij logisch uit het gegeven dat kerk en staat gescheiden moeten zijn. Marcel heeft net als ik een gloeiende hekel aan Balkenende, die hypocriet steeds over normen en waarden praat en tegelijkertijd ronduit staat te liegen. We namen ook door voor welke maatschappelijke sectoren de overheid zou moeten zorgen. En zo kwamen we terecht bij sport.

Mijn sportieve reputatie is kort. In de jaren zestig fietste ik met een schoolvriend naar het Harzgebergte. In de jaren zeventig heb ik één keer gebowld. In de jaren tachtig wandelde ik een keer van Zandvoort naar Leiden. In de jaren negentig ging ik met Vriend een paar keer kanovaren in het Amsterdamse Bos. In de jaren nullig fiets ik relatief veel. Ja, dat is het geloof ik wel zo’n beetje, op wat tafeltennissen, badmintonnen en zwemmen na. Nu moet ik bekennen nooit sportieve aspiraties te hebben gehad. Heb zelfs een hekel aan sport. Niet zozeer aan de sport zelf, maar om de sfeer eromheen. Wat is er überhaupt voor sportiefs aan sport? Waarom zou je je als overheid daarvoor moeten inzetten?

Is sport echt zo gezond? Onlangs las ik dat per jaar 150 à 200 mensen er een hartstilstand van oplopen. Sport veroorzaakt een volkshysterie die alle media terroriseert. Sport levert wielrenners die fietspaden en wegen opeisen en nog nooit van verkeersregels hebben gehoord. Sport zorgt ervoor dat auto’s sportief kunnen zijn. Sport dompelt ons in een overrompelende reclamewereld. Sport zorgt ervoor dat partijen elkaar bevechten, met alle emoties van spelers en publiek die daar bij schijnen te horen. Sport zorgt voor rare hobbies als TT-races en op zwijnen jagen. Dat heeft toch niks met gezondheid te maken? Als overheid moet je toch geen hobbies gaan financieren? Evenmin als je als verzekeraar gipsvluchten zou moeten vergoeden. Is het sportief om anderen te laten opdraaien voor de kosten nadat je zelf het risico hebt genomen? Maar in plaats van hier nog heel lang over door te loggen kan ik beter verwijzen naar het leuke boek (met veel leuke plaatjes) Lichamelijke oefening van Midas Dekkers. Sport is helemaal niet sportief!

De vele mensen die zich jarenlang hebben voorbereid op de Olympische Spelen kunnen deze zomer laten zien wat sportiviteit werkelijk is. Met niet te gaan kunnen ze daar een voorbeeld van geven, dat meer geschiedenis zal schrijven dan al het brons, zilver en goud dat er te behalen valt. Mens sana in corpore sano, een gezonde geest in een gezond lichaam, is een twijfelachtige uitspraak, want ik ken teveel fysiek gezonde mensen met een verziekte geest. Ik geloof eerder dat een gezonde geest voor een gezond lichaam zorgt! Sportief zijn is iets dat verder reikt dan het goed functioneren van je eigen lijf. Het gaat ook om dat van anderen, die net als wij nu eenmaal ook een lichaam nodig hebben om in te leven. In Tibet bijvoorbeeld. Ja, wegblijven, collectief! Een prachtig en krachtig geweldloos protest. Dat zou echt sportief zijn!

Misselijke meneren

Date 4 april 2008

Wat heb je toch een misselijke meneren! Sommige zijn zelfs echt een gevaar voor de volksgezondheid. Ik bedoel: als ik alleen maar over ze lees stijgt mijn bloeddruk al. Of is dat mijn probleem, en kan die ander dat niet helpen? Ik ben voor vrije meningsuiting, wat dus ook geldt voor mensen waar ik het niet mee eens ben. Hoe meer, hoe beter eigenlijk. Dat schept… hoe heet het ook alweer… transparantie, maakt de zaken helder. Dan maar hartkloppingen, want ook de meest funeste opvattingen moeten in het daglicht worden gezet. In het donker is het moeilijk vechten. Ja, het internet is een echte zegen omdat alles in de openbaarheid komt en niets meer verborgen kan blijven, zelfs niet in China. Maar dit terzijde, want het gaat nu over een gastcolumn in een tijdschrift, hoc loco De Zaak. Ter discussie, dus niet de mening van de redactie vertegenwoordigend. Hoop ik.

‘Nederland staat stil,’ roept Charlie Aptroot, woordvoerder Economische Zaken voor de VVD in de Tweede Kamer. Daarom wil hij veel geld stoppen in nieuwe wegen, alsof het niet veel efficiënter zou zijn al dat geld te stoppen in een eindelijk eens wat behoorlijk openbaar vervoer, waarin mensen rustig op hun laptopjes kunnen werken. Aptroot vindt ook dat bezwaar maken niet meer mogelijk zou moeten zijn voor de ‘professionele dwarsliggers’ en alleen voorbehouden zou moeten zijn aan direct betrokkenen. Ik mag me dus helemaal niet meer bemoeien met waar het elders goed fout gaat, zoals met de uitbreiding van Schiphol. ‘Met jou heb ik niks te maken!’ wordt me dan teruggeschreeuwd. ‘Waar bemoei je je mee?’ Wat ik trouwens altijd een stomme vraag vind, want dat is meestal heel duidelijk te zien. Maar wie blind is kan vaak nog horen, dus ik schreeuw maar ten overvloede: ‘Met het milieu, met volksgezondheid, met de wereld waarin nog andere mensen leven, weet u nog?’

Het ontslagrecht moet versoepeld worden, vindt Aptroot. Dat werknemers misschien beter werken als ze meer zekerheid over hun toekomst hebben en niet als een te exploiteren wegwerpproduct worden behandeld, moet kennelijk nog tot het bewustzijn van veel werkgevers doordringen. Opvallend is dat in deze discussies het ontslagrecht altijd de werknemers betreft die kennelijk nooit de werkgevers mogen en kunnen ontslaan…

Het onderwijs moet meer prestatiegericht zijn en gericht zijn op het werken in bedrijven. Wat bedoelt Aptroot hier nou mee? Dat het voldoende is als er overal Nyenrode Universities komen en de rest niet meer hoeft? Dat intelligentie en visie eigenlijk overbodig zijn? Let ook op zijn woorden ‘gericht op het werken in bedrijven’! Dus niet gericht op zelfstandig ondernemerschap, maar onderwijs dat opleidt tot loonslaaf. Zonder al te snel wat te willen roepen begin ik me toch af te vragen wat meer te prefereren is: nu een loonslaaf te zijn of een slaaf te zijn in het oude Rome. Ja, dat ga ik echt eens onderzoeken!

Voor innovatie pleit Aptroot ook voor meer ruimte voor genetische manipulatie van gewassen en voor dierproeven. Plant en dier zijn ondergeschikt aan de mens. Dierproeven mogen niet meer beperkt en verhinderd worden door ‘terroristische dierenactivisten’. En ons eeuwenlang gekweek met bloembollen is toch ook genetische manipulatie? Iets als liefde en respect, en een vooruitziende blik op de consequenties van zijn omgangsvormen met het milieu zeggen alles over het niveau van deze meneer. Jammer dat een partijtop zo iemand niet terugfluit, op het matje roept met de voorzichtige vraag of zijn ideeën over liberalisme niet even heel misschien per ongeluk een tikje te ver gaan.

Ik heb lang naar zijn foto gekeken. Blauw streepjespak, armen over elkaar, lachend. Zelfgenoegzaam, tevreden, zie mij nou eens! Doet zijn best om erudiet over te komen en getuigt daarmee van zijn gebrek daaraan. Wil ook heel graag als een wijze vader overkomen. Ik vraag me af wat zijn kinderen en kleinkinderen zullen denken als ze later deze foto terugvinden in een wereld die hun vader en opa zo vurig voorstond. Ze zullen waarschijnlijk niet trots op hem zijn, want als ik me die wereld voorstel krijg ik allemaal enge Bijbelse, zo niet Koranse visioenen. En realiseer ik me dat mijn lievelingsfilm Soylent Green nog steeds in mijn dvd-collectie ontbreekt. Echt aanbevolen voor hen die opvattingen als die van Charlie Aptroot aanhangen. Om te zien waartoe het allemaal zal leiden als hij zijn zin krijgt.

Stroomstoring

Date 31 maart 2008

Misschien komt het omdat ik psycholoog ben, dat ik meer geloof in de macht van het onbewuste dan in die van het bewuste. Ik bedoel, gisteren viel opeens de stroom uit en dan is het even zo stil in huis. Het is geen akoestische stilte, maar een stilte alsof er even een druk, een geladenheid wegvalt waardoor de bomen buiten weer even rustig kunnen ademhalen. Adaptatie heet dat. Als een zintuigcel bij voortduring blootstaat aan sterke stimulatie (naar intensiteit en frequentie) neemt de reactiesnelheid van de cellen af. Na weer verlaging van stimulatie, vindt door de zintuigcel juist overreactie plaats, door verandering van de gevoeligheidsdrempel, lees ik in het Encyclopedisch Woordenboek van de Psychologie. We kennen dat allemaal: het geluid van een ventilator, koelkast of wegverkeer horen we niet meer. Of beter gezegd: we horen het pas als we het niet meer horen, dan treedt een overreactie op, met het gevoel van: er mist iets. Maar intussen hebben we onbewust aan veel invloeden blootgestaan.

En dat is toch even schrikken, want die onbewuste invloeden werken minstens even sterk – zo niet veel sterker – dan de bewuste invloeden. Juist omdat ze onbewust zijn kunnen ze stiekem ongemerkt hun gang gaan en ons zo laten wennen aan junkfood en UMTS, aan geluids- en lichtoverlast en aan stank en aan wat niet al. En dat is iets waar de commercie graag gebruik van maakt: wat niet bewust tastbaar en meetbaar is telt niet mee, heeft geen recht van spreken. We zijn gewend aan dingen en omstandigheden in een mate die we enkele decennia geleden nog voor onmogelijk hielden. Juist omdat het allemaal heel geleidelijk is gebeurd. Onbewust. Ook in de reclamewereld wordt graag misbruik van de psychologie gemaakt door ons te bombarderen en te manipuleren met beelden en gevoelens die lang in het onbewuste blijven hangen. De meeste mensen denken dat ze kunnen denken. Dat ze bewust beslissingen nemen. Vergeet het maar. De meeste beslissingen zijn al genomen voordat ze überhaupt tot bewustzijn zijn gekomen, zoals wetenschappers hebben aangetoond.

Bewustzijn is dan ook de grootste vijand van machthebbers en handelaren. Want bewustzijn betekent oplettendheid. Bewustzijn betekent sensitief zijn. Bewustzijn betekent openstaan voor méér dan je eigen ik-wereldje. Bewustzijn betekent meeleven met anderen en de natuur. Bewustzijn betekent eerlijkheid, objectief naar jezelf en anderen kijken. Bewustzijn betekent principes en vooronderstellingen laten varen. Bewustzijn betekent kijken naar dat wat is, gewoon in het hier en nu zonder daar allemaal conclusies en oordelen aan te verbinden. Bewustzijn betekent openstaan voor andere werelden dan alleen de zichtbare materiële werkelijkheid. Bewustzijn betekent stil kunnen zijn van binnen, durven zwijgen opdat je de werkelijkheid ervaart zoals die is. Zeg me hoe je met de stilte omgaat en ik zeg je wie je bent. Ik vond het goed om even de stilte te proeven toen de stroom uitviel. Niet alleen die merkwaardige astrale stilte in de lucht, die vroeger ook bij dodenherdenkingen te proeven was. Maar ook de stilte van vrijheid, van het onbereikbaar zijn zoals dat vroeger tijdens vakanties was. Opdat we niet vergeten wat stilte is, zouden elektriciteitsbedrijven eigenlijk elk jaar verplicht een paar keer gestoord moeten zijn.

Fitna

Date 28 maart 2008

Lente 2001. Amsterdam, metrostation De Vlugtlaan. Vriend en ik zijn net uitgestapt. Terwijl we nog even op het perron staan gaat een raampje naast ons open. Spuug. Spuug. Het raampje klapt dicht en de metro rijdt snel weg. Ik voel een klodder speeksel in mijn haren. Durf die niet aan te raken. ‘Jij ook?’ ‘Ja, ik ook.’ En we stonden elkaar niet eens te zoenen of zo! Terwijl we over straat wandelen blijf ik die klodder voelen. Het voelt goed. Bijna als een zegen. Omdat die helderheid schept, me doet weten waar ik aan toe ben. Ik weet niet of alle moslims op de hele westerse cultuur spugen, maar deze moslims spuugden wel op ons. Letterlijk.

Mag ik dit schrijven? Of ben ik dan ook haatzaaiend, onnodig kwetsend voor een hele bevolkingsgroep? De meeste islamieten hebben toch niet op me gespuugd? Maar deze gebeurtenis is wel tekenend voor het gebrek aan respect dat wij in het westen vaak voelen. Respect voor mensen met een ander geslacht of geloof. Of een andere seksuele gerichtheid. Dat is ook heel moeilijk voor een geloof dat alleen in zichzelf gelooft, en afvalligen met de dood bedreigt. Met een boek waarin gewoon enge dingen staan. Die niet eens buiten een context gehaald kunnen zijn, want die is er niet eens omdat de Koran geen verhalenboek is zoals de Bijbel. Het boek ligt al een half jaar op tafel, maar al zijn lofprijzingen en leefregels stimuleren me niet tot het lezen ervan. Bhagwan sprak over talrijke religieuze en mystieke geschriften uit oost en west en het is opvallend dat hij nooit een lezingencyclus aan de Koran heeft gewijd

Van Fitna word ik heel stilletjes. De film laat de meest duistere zijden van de islam zien, en maakt zichtbaar tot welke perversiteiten een absoluut geloof kan leiden. Wij christenen konden er trouwens ook wat van, hebben volken massaal uitgemoord, legaliseerden slavenhandel en marteling. Maar in het westen hebben we die duistere tijd al lang achter ons, hebben we een renaissance en een verlichting meegemaakt die voor de islam nog toekomstmuziek zijn. Het meest betreurenswaardig is echter dat er zo weinig geluiden uit islamitische kringen zelf komen, die afstand nemen van haatzaaiende imams, en de misstanden zoals die in Fitna worden getoond veroordelen.

Hopelijk wordt die stilte doorbroken en komt nu een echte discussie op gang. Ik denk dat Geert Wilders die graag tegemoetziet. Die moet komen, want alles is beter dan het stille zwijgen van de kleine miljoen islamieten in ons land. Is wat in Fitna wordt vertoond alleen het werk van enkele godsdienstfanaten met hun aanhangers, waarvan de meeste islamieten afstand nemen? Of wordt dit stilzwijgend door de meesten van hun gemeenschap gedragen? Kunnen ze bepaalde passages uit de Koran relativeren, zoals wij bepaalde teksten uit de Bijbel met veel korrels zout nemen? In hoeverre brengen islamieten respect op voor onze westerse cultuur? Als je in landen gaat wonen waar je geen respect kunt opbrengen voor de heersende normen en waarden, wat doe je daar dan? Het is een echte beproeving voor het westen om antwoorden te krijgen, eventueel af te dwingen op deze vragen. Een fitna waarvan onze westerse cultuur alleen maar kan groeien als zij hem durft aan te gaan.

Babyboom

Date 24 maart 2008

Vandaag het leuke Boekenweek 2008-boekje Laat me niet alleen van Renate Dorrestein gelezen. Over hoe we tegen ouderdom aankijken en daarmee omgaan. Over hoe oud worden eigenlijk taboe is en we van alles verzinnen en doen om maar bij een jongere generatie te horen. Het zijn de babyboomers – zoals de kinderen van de geboortegolf van na de oorlog worden genoemd – die in de jaren zestig de maakbare wereld hebben bedacht en die het nu pertinent verdommen om zelf oud te worden. Ze kleden zich als kinderen, werken alle rimpels weg, gaan reizen en golfen, kortom, staan nog volop in het leven in hun tweede jeugd. Ook doodgaan is geen probleem want als het lichaam niet meer doet wat je wilt, komt er op afroep meteen iemand met een spuitje dat je ervan verlost. Want het leven moet wel leuk blijven natuurlijk. Meedoen. Erbij horen. Hangouderen moeten weg. ‘Ouwe lullen moeten weg,’ zoals Koot en Bie al in 1984 zongen. ‘Ouwe lullen staan alleen maar in de weg.’

Hoe herkenbaar! Zeker voor een babyboomer zoals ik. ‘We hadden allemaal vaders die Golden Fiction-sigaretten rookten en moeders die Sunlight-zeep gebruikten. We speelden met hoelahoep, knikkers, jojo en diabolo. We kochten een zak koekkruimels voor een dubbeltje en Bazooka Joe-kauwgom voor een stuiver, die we dan in twee stukken in onze mond propten terwijl we het Bazooka Joe-stripje lazen dat in de wikkel zat. We maakten grote veranderingen mee.’ (p. 9) ‘Voor een kwartje kochten we een zakje chips,’ kan ik daaraan toevoegen. ‘Daarin zat een klein blauw vetpapieren baaltje met zout, zodat je dat zelf kon doseren.’ Voor de jongere lezers geeft Renate hier een daar een toelichting als er een moeilijk woord verschijnt. ‘[Een merklap is een borduurwerkje. Borduren was vroeger een algemeen wenselijk geacht tijdverdrijf voor vrouwen en meisjes, en een kunst die ik zelf ook nog heb geleerd, op school bij de nonnen. Nonnen waren de bruid van Jezus. Zij droegen een soort boerka.]’ (p. 11)

Een finale conclusie is dat de babyboomers het aan zichzelf te danken hebben als ze door de samenleving worden uitgespuugd. ‘Het is immers deze generatie geweest die de jeugd superieur heeft verklaard en de ouderdom inferieur, en die deze boodschap decennia lang hartstochtelijk heeft uitgedragen. Het is weinig vruchtbaar om empathie of solidariteit te verwachten van jonge mensen die altijd voorgeleefd hebben gekregen dat de ouderdom iets voor sukkels en losers is.’ (p. 48) Onze generatie is straks een blok aan het been van de jongeren, die wellicht niet staan te trappelen om ons op te vangen als blijkt dat ons eigen leven lang niet zo maakbaar is als we dachten. Het aantal 65-plussers zal in 2050 verdubbeld zijn van twee naar vier miljoen, citeert Renate het Centraal Bureau voor de Statistiek, zes gepensioneerden op elke tien werkenden. Als dat maar goed gaat!

Ja, wij vonden in de jaren zestig inderdaad dat onze ouders het niet goed hadden gedaan. Ze bleven maar zeuren over die oorlog en hoe blij ze met ons waren toen het weer vrede was. Ja, daar word je inderdaad een beetje narcistisch van. Maar intussen ging de oorlog gewoon verder, maar nu in Vietnam en daar protesteerden onze ouders niet tegen. Te vaak wordt vergeten dat we in een verstikkende wereld leefden van autoritaire politiek en valse religie, zodat een explosieve doorbraak niet kon uitblijven. We verfoeiden het arbeidsethos en alles dat ons tegenhield om gewoon van het leven te genieten. Want onze ouders hadden ons van alles geleerd, behalve gewoon gelukkig zijn, en dat moesten we dus zelf uitvinden. Gemangeld tussen twee superstaten die elkaar met een atoomoorlog bedreigden, wisten velen van ons dat de weg alleen in onszelf te vinden was en hadden we tegelijk het idealistische idee dat de wereld te verbeteren was. Zo worden de jaren zestig gekenmerkt door enerzijds maatschappelijke acties van onder andere provo’s zoals stakingen, oproeren, demonstraties, (soms ludieke) acties en bezettingen, en anderzijds spirituele speurtochten van de hippies die zich in de werelden van oosterse religies en softdrugs hadden begeven. Provo’s kun je narcistisch noemen omdat ze zo heilig in hun eigen wereldbeeld geloofden, en hippies omdat ze in zichzelf zochten en niet in de buitenwereld. Natuurlijk ging niet alles zoals de bedoeling was, maar er was toch sprake van een decennium waarin even iets van een andere wereld, het watermantijdperk, leek door te breken.

‘No nonsense!’ riep Lubbers zodra hij de kans kreeg, daarmee de afbraak aankondigend van de nieuwe verworvenheden die boven het materialistische, econogesanctioneerde uitstegen. Geld, macht en bezit werden weer tot de hoogste waarde verheven, en dat is tot vandaag de dag alleen maar verergerd. Daaraan doen de christenen – waarvan je zou zeggen dat ze méér kennen dan alleen het aardse – even hard mee. Harder zelfs. Het lijkt een strijd van oude godsdienst tegen nieuwe religie, waarbij de eerste zijn best doet om de jaren zestig en babyboomers zwart te maken door ze als narcisten of zwevende idealisten af te schilderen. Wellicht is er dan ook een heimelijk, eventueel onuitgesproken, mogelijk astraal verbond tussen de christenen en islamieten om alles, maar dan ook alles in het werk te stellen om te voorkomen dat de mens vrij wordt, dat iets van de jaren zestig zich zal herhalen.

‘We bewijzen onszelf noch onze samenleving een dienst met de instandhouding van de illusie van de leeftijdloze unileeftijd en het pathetisch najagen van jeugdigheid,’ schrijft Renate op de laatste pagina. ‘Iedere leeftijdsfase moet haar eigen intrinsieke waarde terugkrijgen. Kinderen kunnen dan weer echt kinderen zijn, volwassenen worden weer volwassen en als oudere mag je op je eigen manier oud zijn.’ (p.61) Ware woorden. Maar ze vergeet echter dat in de jaren zestig wel degelijk oude mensen mochten bestaan. Wie kent niet het liedje When I’m Sixty-Four van de Beatles? Was Castaneda’s Don Juan soms een jeugdige indiaan? Was Jean-Paul Sartre die met studentenopstanden meeliep niet een ‘oude lul’ van 60? Hieruit krijg ik toch de indruk dat Renate niet goed oppakt wat de essentie is van de jaren zestig, die in het leven van babyboomers zo centraal staan. Wat niet echt verwonderlijk is trouwens. Want ze schrijft wel dat ze een babyboomer is, maar ze is het niet. Omdat ze pas in 1954 is geboren.

Maar het blijft een kostelijk boekje. Omdat zo raak beschreven is hoe mens en maatschappij alles in het werk stellen om de herinnering aan verval en dood maar zoveel mogelijk te vermijden. Maar is het alleen uit angst dat zo we hechten aan optimaal functioneren en fysieke schoonheid? Volgens mij kan dat ook komen vanuit het weten dat we diep van binnen ook werkelijk dat ideaal zijn, en dat we dat vorm willen geven, concretiseren. Omdat het oorspronkelijke model, beeld, matrix, wezen van ons sprankelt van pure schoonheid. Dat klinkt inderdaad wat narcistisch. Maar ja, ik ben nu eenmaal een babyboomer.

Matthäus in de Grote Kerk

Date 17 maart 2008

‘Wat is er nu anders aan deze uitvoering?’ overhoort Vriend me als we in de pauze even de benen strekken. We zijn bij de meest klassieke uitvoering van de Matthäuspassion die er is, die van de Nederlandse Bachvereniging met Jos van Veldhoven in Naarden. Wat hulpeloos kijk ik om me heen in de drukke Grote Kerk, die volgehangen is met plasmaschermen omdat nu ook opnamen worden gemaakt voor internet-tv.
‘Tja, eh… Het openingskoor werd weer wat langzamer gespeeld, zoals vroeger… Die jongetjes in witte pijen met rode kragen die achter de dirigent stonden te zingen…’
‘Maar wat hoor je nu eigenlijk? Wat maakt deze uitvoering nou anders dan andere?’ blijft hij doorvragen, want als hij les geeft in Bach laat hij me graag een beetje zweten.
‘Tja, eh, wat moet ik zeggen… Is opera het goede antwoord?’
‘Precies! Opera! Een aangedikte opera!’
Ik begrijp een beetje wat hij bedoelt. Hier wordt een verhaal uitgebeeld, een toneelstuk opgevoerd, meer gedaan dan alleen een muziekstuk uitgevoerd. Mag dat?

Ik geniet ervan. Krijg een dikke keel van ontroering. Want het dringt tot me door dat zich hier een van de hoogtepunten van de westerse cultuur afspeelt. Hoe hier een verhaal dat diep in de volksziel verankerd ligt wordt belevendigd en beleefd. En dat gaat niet over een rechtvaardige god of mensen die wonderen doen. Evenmin gaat het om geboden en leefregels met de bijbehorende dreigementen. Het gaat over onszelf, op zoek naar overgave vanuit een diep al dan niet bewust weten dat we uiteindelijk weer in het Al zullen moeten verdwijnen, als een druppel in de oceaan opgaan. Over iemand die zich schrijnend verlaten voelt als zijn vrienden hem in de steek hebben gelaten. Als iemand die peentjes zweet bij de gedachte dat hij straks uiterst pijnlijk vastgetimmerd zal worden. Die gewoon hartstikke kwaad wordt omdat hij er helemaal alleen voor staat. En vraagt of dat niet voor even of altijd uitgesteld kan worden. Het innerlijke gevecht tussen de status quo en een nieuw leven, tussen angst en vertrouwen, waarbij hij toch weet dat het goddelijke veel groter is dan hijzelf met al zijn zondetjes kan aanklunzen.

Ich verleugne nicht die Schuld
aber deine Gnad und Huld
ist viel größer als die Sünde
die ich stets in mir befinde.

Het is het verhaal van iemand die er bewust voor kiest zich te laten kruisigen. Een masochistisch verhaal, maar hoe zou het anders kunnen nadat een ik zich met veel sadistisch geweld eerst in de stof heeft moeten inkleven om erachter te komen dat hij terug moet? Hoe kan iemand zich thuisvoelen als hij nooit verdwaald is geweest?

Dit verhaal, dat in ons collectieve bewustzijn verankerd ligt staat diametraal tegenover wat we in de wereld van de werkelijkheid om ons heen zien. Waar graaien en verraden, liegen en bedriegen, klikken en laten stikken nog ruimschoots getolereerd worden, wellicht in de stille hoop dat we dat zelf ook eens een keertje mogen doen. Maar ergens, dieper dan die heimelijke wens, weten we kennelijk toch dat we met onze egoïstische ikjes – of moet ik zeggen: ikkige ego’tjes? – op de verkeerde weg zijn en nemen we met het indrinken van dit verhaal alvast een voorproefje van wat ons te wachten staat. Om er vast aan te wennen. Natuurlijk staat er in de bijbel veel onzin. Zijn de twee testamenten kunstmatig aan elkaar geplakt, zijn veel verhalen rond Jezus verzonnen en hebben de meeste evangelisten Jezus nooit in levende lijve ontmoet. Des te wonderlijker is het dat ondanks dit alles de kern ervan behouden is gebleven.

Ik wist niet dat ik van opera hield! Vriend waardeert het niet zo, geloof ik. Voor je het weet ben je meer met je persoonlijke interpretaties bezig dan met Bach zelf. Hij gelooft niet dat Bach de Matthäus in deze overdreven operavorm in het bekrompen en benepen Leipzig had durven uitvoeren. Ja, Vriend is een echte Bach-kenner, leest moeilijke boeken erover zoals Bach en het getal van Kees van Houten en Marinus Kasbergen. Monteert op de computer zijn eigen cd’tjes, waarbij hij desnoods stukken versnelt of verlangzaamt met behoud van toonhoogte. Laat me partituren meelezen en vertelt over uitvoeringspraktijken. Als het even kan neemt hij me mee naar lezingen. En naar uitvoeringen zoals deze. Die ik heel mooi vind, dat meet ik af aan wat ik eraan beleef. Of de boodschap overkomt. En dat komt ie. God overvalt me weer eens en ik vind het nog prettig ook.

Spirituele politiek

Date 13 maart 2008

‘Nieuwe politieke partij voor al uw horoscopen,’ schreeuwt een kop in Dagblad de Pers van afgelopen dinsdag ons tegemoet. Het gaat over de op die dag om tien voor elf op te richten Partij voor Mens en Spirit waarmee oprichtster Lea Manders vijf tot zes zetels in de kamer hoopt te halen. Een beetje dom artikeltje, met vragen als ‘Hoeveel zetels gaat u halen volgens de waarzeggers?’ waarop Lea gelukkig nuchter antwoordt: ‘Waarzeggers bestaan niet.’ Mijn zegen heeft ze. Ik ken haar nog van vroeger, toen ze in 1995 veel stampei veroorzaakte binnen het Nederlands Genootschap van Praktizerende Astrologen, waar zij toen voorzitter van was. Ze ging bij Ralph Inbar aan tafel zitten in een zevendelige televisieserie die over astrologie ging, en dat werd binnen de astrologische vakvereniging niet overal gewaardeerd. Omdat dit programma positief afstak tegen veel astropulp in de media, droegen Nandan en ik haar een warm hart toe en mengden we ons ongegeneerd tussen het publiek in de studio. De spanningen binnen de astrologische vakvereniging leidden ertoe dat zij uiteindelijk haar eigen astrologische vakvereniging begon, zodat we er nu twee hebben: de Astrologische Vakvereniging Nederland, die later ontstaan is uit een samengaan van het NGPA met de vereniging van medische astrologen, en de Astrologische Associatie van Lea Manders.

Een ook de Partij voor Mens en Spirit is weer een soort afsplitsing. In dit geval van een groep mensen die zich onder de naam Spiritueel Politiek Initiatief bezighoudt met spirituele politiek. Daarover wilde Ewald, die ook hoofdredacteur van de Koorddanser is, eens een avondje met me brainstormen. Want net als Lea Manders ben ik ook gemeenteraadslid met een nogal alternatief beroep, en wellicht zou ik vanuit die achtergrond een en ander kunnen bijdragen. Zo belandde ik een paar weken geleden op een zondagavond in het donkerbruine Pake Pieksta, waar we brainstormden over wat spirituele politiek nu eigenlijk zou kunnen zijn. Hij vertelde me over de bijeenkomsten van de S.P.I., waarvan ik inmiddels een analysedocument en de beginselverklaring met rode oortjes had gelezen. Met een even enthousiast hart had ik ook kennisgenomen van Die Violetten in Duitsland, een partij die qua visie en praktijk uitstekend in elkaar zit. Maar voor Lea en een groepje om haar heen ging het kennelijk te langzaam en als een donderslag bij heldere hemel bleek ze opeens haar eigen Partij voor Mens en Spirit begonnen te zijn. Ze wilde iets doen, aan de slag, niet eindeloos blijven nadenken en schrijven. En Ewald wilde natuurlijk weten wat ik me voorstelde bij spirituele politiek.

Hij bood me een sigaartje aan dat ik me lekker liet smaken, hoewel dat voor de rook niet echt nodig is bij Pake Piekstra. Net toen ik met de beginselverklaring van haar partij wapperde, wipte coalitiegenootje Felice van de VVD even langs: ‘Leuk dat jullie over ons praten! Weet je wat het is? Wij gaan een heleboel van D’66 overnemen! Want dáár zijn de echte denkers, maar zij zijn geen doeners, zoals wij!’
‘Ja, daar ben ik het mee eens,’ grapte ik. ‘Bij de VVD wordt inderdaad veel gedaan, maar niet gedacht!’ en we gaven elkaar wat vrolijke porren. Met Felice ben ik altijd aan het dollen, ook vlak vóór en na raadsvergaderingen. Want net als ik vindt ze dat een beetje humor en lichtheid in de politiek geen kwaad kan. Met haar ben ik opeens hartstikke heteroseksueel, en misschien neem ik wel eens een voorbeeld aan haar. Bijvoorbeeld door eens als een echte relnicht de raadszaal te betreden, wat door velen met angst en beven tegemoet wordt gezien. Bestaat spirituele politiek? Het antwoord is hiermee al een beetje gegeven, want diep van binnen geloof ik dat humor an sich al iets spiritueels is. Omdat het relativeert, lucht geeft, ruimte schept, alles ontdoet van zwaarte en serieusheid die maar al te vaak de dingen alleen maar erger maakt dan ze al zijn.

Wat is spiritualiteit eigenlijk? Tegenwoordig wordt van alles en nog wat ‘spiritueel’ genoemd. Een paar dagen geleden kwam er reclame in mijn mailbox voor het Business Spiritualiteit Magazine Nyenrode van de gelijknamige school die zich godbetert ook nog univerity mag noemen. Dat blad gaat dan over ‘zingeving van het management’ alsof er al geen onzingeving genoeg is! Ik bedoel maar. Straks krijg je een cursus spiritueel SUV-rijden hier in Oldegeppel, wedden? Dat schiet niet op. Dus moet er eerst eens een duidelijke definitie van spiritualiteit komen. Ik liet Ewald lezen wat ik onlangs in De Vuurfakkel heb gepubliceerd: Licht brengen door de bewustwording van de eenheid van al dat is, niet alleen in de zichtbare wereld maar ook in en met de onzichtbare werelden, zowel in heden, verleden als toekomst. Eenheid, niet alleen in ruimte, maar ook in tijd. Is nu eenmaal sinds eigen heugenis een stokpaardje van me. Maar Ewald vond het geloof ik te algemeen, kon er niet zoveel mee. Terwijl het de kern van al het holisme is – in welke betekenis dan ook – dat door volgens mij integere spirituele bewegingen wordt omarmd. Dit betekent dat je je realiseert dat er veel méér werelden zijn dan alleen het mensenrijk dat te vaak uitsluitend met zichzelf rekening houdt. De Partij van de Dieren is zonder meer een stap in de goede richting!

Tegelijk geloof ik eigenlijk niet dat spiritualiteit iets is dat je in hokjes van bepaald gedrag kan onderbrengen. Omdat het niets zegt over wat je doet, maar alles zegt over hoe je het doet, over de kwaliteit die je je daden meegeeft. Een verstokte roker of een slager kan ook spiritueel zijn. Ik vecht tegen UMTS-masten en voor bomen, maar dat is zinloos als ik dat niet doe vanuit een eigen spirituele volwassenheid. Centraal staat daarin dat ik niet mezelf maar het geheel centraal stel, dat ik over mijn eigen persoonlijkheid met zijn eigen wensjes en angstjes durf heen te stappen. Waardoor ik ook met kleine resultaten tevreden kan zijn en niet zo nodig hoef te scoren. Zodat ik niet vloekend thuiskom als mijn amendement of motie niet door de raad gedragen wordt terwijl ik toch meen het gelijk aan mijn zijde te hebben. Dat ik zie dat een volk uiteindelijk de overheid krijgt die het verdient. En dat het volk ook mij als haar vertegenwoordiger verdiend heeft, waarbij ik opkom voor dat waarvoor ik gekozen ben. Met een spirituele politieke partij is dus niks mis, bijna alles is beter dan wat waarmee we het nu moeten doen. Maar die zal wel door spirituele mensen gedragen moeten worden!

Depressie

Date 12 maart 2008

De barometer stond gisteren heel laag en hoewel hij nu weer naar 990 millibar is opgekropen stormt het hevig buiten. Ik hoor de boomtakken tegen de dakpannen slaan. Ben bang dat dit niet altijd even goed blijft gaan als tot nog toe het geval is. Heb weer een beetje last van hoofdpijn en moeilijk kunnen lezen vanaf het wit oplichtende beeldscherm. Ben een beetje depressief. Ja, ook ik ken dat gevoel! Maar wat heeft dat nou met luchtdruk te maken? Nou, als die buiten afneemt word ik letterlijk opgeblazen en ben ik veel te vol van mezelf. Wat volgens mij een basiskenmerk van depressie is: opgesloten zijn in jezelf, somberheid, het niet meer zien zitten, geen uitweg meer zien, een gevoel van gevangenschap. Allemaal dingen die eigenlijk alleen maar over jezelf gaan en waarbij geen gaatje of luikje meer openstaat naar de buitenwereld. Een gevoel dat zo erg kan zijn dat het tot zelfmoord leidt. Een gevoel waar je niet uit kan komen omdat het in zichzelf verstrikt raakt. En er is ook niet uit te komen, want het kenmerkende van depressie is het geloof dat je door niets meer verlost kan worden, ook niet door een therapie of pillen.

Maar goed. Therapie is teveel gevraagd, maar een pilletje slikken willen mensen nog wel eens doen tegen somberheid. Zodat antidepressiva inmiddels zoveel worden geslikt dat het nuttiger zou zijn om eens hier een kruistocht tegen te beginnen dan tegen alcohol en drugs. Want die pillen nemen de oorzaak niet weg, doen je leven in een schijnwereld wat zich hoe dan ook eens zal wreken, wellicht pas tijdens het sterven of daarna. De oorzaak die ligt in een ultiem gevoel van afgescheidenheid van de buitenwereld, een gevangen zijn in zichzelf, het voelen van de ultieme consequentie van het hebben van een ik dat weigert zich over te geven aan een hogere realiteit. In spirituele kringen wordt wel gesproken over the dark night of the soul, vaak als laatste fase voordat iemand verlicht raakt, bevrijd wordt van de overbetrokkenheid met zichzelf. Want de meeste mensen maken de fout zich met zichzelf te identificeren. In dit licht is depressie een heilige ziekte. Bij te lage luchtdruk wordt je lijf letterlijk opgeblazen, en zo is dit ook met het ik dat alleen maar aan zichzelf kan denken en erachter komt dat dat eigenlijk verschrikkelijk is.

Maar depressie is ook iets waarover je nauwelijks durft te schrijven omdat je er wellicht anderen mee kwetst. En humor is natuurlijk helemaal uit den boze! Je moet voorzichtig omgaan met mensen die depressief zijn of kunnen worden, want anders worden ze nog depressiever als ze al zijn. Of doe je hen verdriet. Of worden ze kwaad, wat vaak op ingehouden verdriet wijst. Natuurlijk is er verdriet! Wie zou dat niet hebben als hij zich realiseerde al héél lang het moederhuis verlaten te hebben? Al millennia lang doelloos rondlummelend in Second Life, Third Life, Fourth Life en in nog verdere uithoeken van het heelal? Die hij dan ook nog voor de enige echte reële wereld heeft aangezien? Een verdriet dat echter tegelijk van de diepst mogelijke ontroering getuigt, waar gevoel zijn polariteit verliest en er alleen maar is. Is het niet een ultiem smachten naar overgave, naar meedansen met het bestaan, naar opgaan in het Al, dat op de loer ligt en waar je in een depressieve bui nog even niets van wil weten? Maar dat er ondanks jou nog altijd is en je zelfs nooit verlaten heeft?

Mijn moeder die depressief op bed ligt in haar kamer. Buiten is het groene leven van de bomen, heerst er vrede en is het stil. Een beeld dat ik nooit vergeet. Hoe kan iemand somber zijn terwijl er niets dan die stilte en vrede is? Terwijl er niks aan de hand is? Kijk gewoon naar that which is, zou Bhagwan zeggen, want de rest bestaat alleen maar uit gedachteconstructies, verlangens en herinneringen, angsten en opvattingen, geloven en oordelen, hechtingen en conditioneringen. En dan merk je dat er niet alleen niets aan de hand is, maar dat er zelfs Niets aan de hand is. Dat jij eigenlijk helemaal niet zo belangrijk bent, en dat ook helemaal niet hoeft te zijn. Dat geeft pas ontspanning! En daar zijn we hard aan toe in onze samenleving. Depressie als spirituele ziekte. Hoe raar dat ook in deze context klinkt, betekent dit ook dat er hoop is. Hoe we met depressies omgaan – drogeren of erkennen als existentieel noodzakelijke fase – zegt iets over hoe we als samenleving tegenover spiritualiteit staan.

Intussen staat de barometer op 1001 en is de storm een beetje geluwd. Het KNMI heeft het weeralarm ingetrokken en alle pannen zitten nog op het dak. Depressies komen en trekken voorbij en als ik niet bij tijd en wijle zo’n bui had gehad was mijn leven vast minder mooi geweest.