Cyberwar

Date 25 februari 2011

De regering vindt internet geen primaire levensbehoefte, aldus Verhagen onlangs op nu.nl. Nee, natuurlijk niet, want als er iets is dat de positie van machthebbers bedreigt is het wel het internet! Verhagen en consorten moeten aan de knoppen kunnen draaien, niet de gewone mensen. En dat terwijl deze zelfde minister nog geen jaar geleden in Het Parool oreerde dat internet essentieel is voor de mensenrechten. Kort samengevat: mensenrechten behoren niet tot de primaire levensbehoeften. Niet alleen het CDA ten voeten uit – om over dierenrechten maar helemaal niet te spreken – maar ook typerend voor de domheid van politici. Die nog steeds blijven geloven dat ze de uiteindelijke macht over het internet hebben. Laat ze dat maar geloven, maar ik ben er helemaal niet van overtuigd.

De politiek met zijn ambtenarenapparaat is veel te log en te verdeeld om snel en efficiënt met het internet om te kunnen gaan. Met dank aan de managers die prachtige bestuursmodellen hebben ontworpen die slechts één nadeel hebben: ze vreten geld, tijd en energie, en tegen de tijd dat daar bekend is wat een hashtag is, zijn de digitale media alweer een generatie verder geëvolueerd. De whizzkids zijn de politiek altijd te vlug af en dat is iets wat voor veel machthebbers niet te verkroppen is. Documenten van WikiLeaks nagelen de diplomatie aan de schandpaal door te laten zien dat overheden lang niet zo transparant, open en eerlijk zijn als zij willen doen voorkomen. Dat is hen een beetje teveel van het goede, zodat zij zich nu als laatste grashalm vastklampen aan de mogelijkheden om internet naar eigen believen af te sluiten. Wat ook van domheid getuigt.

Want wat stel je je voor bij het afsluiten van internet? De kabels doorknippen? Alsof dat niet meteen ook de hele economie in elkaar stort. Selectief servers dwingen bepaalde providers af te sluiten, of providers dwingen bepaalde bestanden of streams te blokkeren? Een kind kan weten dat iedereen en alles via allemaal omwegen en trucs uiteindelijk toch te bereiken is, zoals met het Tor-project. En informatie staat niet echt alleen maar op één bepaalde plek op het internet omdat het razendsnel naar andere servers over de hele wereld is gekopieerd. Het internet is als een hologram: je kan het in stukken breken, maar dan blijkt elke scherf op zichzelf ook weer alle informatie te bevatten die in het oorspronkelijke beeld zat. We zijn ons nog maar half bewust van de waarde en de betekenis die het internet heeft en nog gaat krijgen voor de menselijke ontwikkeling op wereldschaal.

Eerste Kamerverkiezingen

Date 24 februari 2011

Volgende week dus de Eerste Kamerverkiezingen. Want wie daar terechtkomen lijkt nu even belangrijker te zijn dan onze wegen, het water en vele andere zaken die door de provincie worden geregeld. Wel maken we het een beetje ingewikkeld door leden van de Eerste Kamer indirect via de provincie te kiezen, maar politieke structuren zitten niet altijd logisch in elkaar. Bovendien gaan we trapsgewijs kiezen voor mensen van wie we verwachten dat ze dingen gaan doen die ze helemaal niet horen te doen! De Eerste Kamer hoort wetten te controleren, of ze goed in elkaar zitten, niet in strijd zijn met andere regelgeving, of ze uitvoerbaar zijn en dat soort dingen. Zoals deze kamer het zelf op haar website zegt: ‘Zij toetst voorstellen voor nieuwe wetten, ingediend door de regering en de Tweede Kamer.’

Deze controle hoort niet politiek te zijn, en als dat wel gebeurt is dit een schoffering van onze democratie. Een voorbeeld daarvan is het ‘nee’ van Hans Wiegel op zijn beroemde nacht in 1999 waarmee hij zich tegen het invoeren van het referendum uitsprak. Ik wil nog steeds niet geloven dat dit geen politieke uitspraak van hem was, en dit gebeuren heeft mijn wantrouwen tegen hem en zijn partij alleen nog maar versterkt. En nu lijken de komende provinciale verkiezingen alleen maar over de macht te gaan: wat zou het fijn zijn als de huidige coalitie samen met de PVV daar geen meerderheid krijgt zodat we alsnog de afbraak van natuur, cultuur en wetenschap van het huidige kabinet kunnen tegenhouden! Degenen die dat hopen verwachten dus dat de door hen indirect in de Eerste Kamer gekozenen de besluiten van de democratisch tot stand gekomen Tweede Kamer ondermijnen.

Eigenlijk zou iemand de Eerste Kamer tot de orde moeten roepen: ‘Jongens, jullie zitten hier om te controleren en niet om politiek te bedrijven!’ Maar ja, als iemand ergens de geur van macht ruikt, is die natuurlijk nog lekkerder dan die van een Hema-worst. Idealen en politieke standpunten zitten soms zo in het bloed verankerd dat je niet altijd oog hebt voor democratisch genomen besluiten. Democratisch genomen besluiten? Je kan je afvragen of dat echt het geval is met zo’n dubieuze gedoogconstructie, en met verkiezingsbeloften die heel snel worden gebroken. Maar mag dat een rechtvaardiging zijn voor het breken van de spelregels van de Eerste Kamer? Ik denk van niet, hoewel ik diep in mijn hartje hoop dat de coalitie en de PVV daar straks geen meerderheid zal krijgen. Al was het maar een signaal naar hen om te laten weten dat ze niet overal even gewenst zijn als ze denken.

Verlichting voor gevorderden

Date 19 februari 2011

Volgens mij is Verlichting voor gevorderden een betere titel voor het boek Het einde van je wereld van Adyashanti, verzorgd door uitgeverij Samsara waar de beste boeken op spiritueel gebied te vinden zijn. Hiermee vergeleken zouden de meeste newage boeken over verlichting beter Verlichting voor dummies kunnen heten. Wat dit boek namelijk zo bijzonder maakt is dat het nu eens niet zozeer gaat over de vraag hoe verlichting wordt bereikt, maar over hoe je dit bewustzijn bestendigt. Wat verlichting is, wordt min of meer bekend verondersteld, en er lijken steeds meer mensen te zijn die deze ervaring in zichzelf herkennen. Helaas wordt deze bewustzijnsstaat vaak theatraal omschreven als een extase en opperste gelukzaligheid, wat volgens mij het wezen van deze ervaring tegenspreekt. Want uiteindelijk is het het gewoonste van het gewoonste dat er te beleven valt. Een paar steekwoorden. Wegvallen van verlangens en identificaties. Weten dat alles goed is zoals het is. Innerlijke rust, vrede en ontspanning. Nergens meer aan gehecht zijn. Bevrijding van angst en conditioneringen. Alles zien zoals het is. Leven in waarheid, zonder oordelen. Zich verbonden weten met het hele bestaan. Wat allemaal is samen te vatten als bevrijding van het ik. Maar uiteindelijk is deze bewustzijnstoestand niet echt te beschrijven.

Verlichting is dan ook het ultieme doel van religie. Dat woord betekent ‘her-verbinden’ ofwel weer één worden met het Al, om het poëtisch te zeggen. Omdat de ik-staat van afgescheidenheid, van dualiteit de oorzaak van onze ellende en lijden is, verlangen we terug naar heelheid, zowel innerlijk als met de wereld om ons heen. We willen onszelf overstijgen, en het grootste obstakel daarbij is dat we het zelf zijn die dat willen, want hoe kan een ik afstand van een ik nemen? De grote paradox is dat verlichting niet iets is dat bereikt kan worden maar alleen iemand kan overkomen. Net als inspiratie kun je het niet zelf oproepen, maar hooguit condities scheppen waaronder het zich wil laten zien. Uitputting van het ik is daartoe een veel gebruikt middel. Monniken die na jaren mediteren en ploeteren de hoop opgeven en zich neerleggen bij het feit dat zij niet hebben bereikt wat ze zochten – dat is het moment waarop verlichting toeslaat, de herkenning van de wereld zoals hij is in al zijn stralende gewoonheid in de vorm van schoonheid, goedheid en waarheid.

Bhagwan maakte onderscheid tussen satori en samadhi. Bij een kortstondige staat van verlichting was volgens hem sprake van satori, en dat is iets dat de laatste decennia steeds vaker voorkomt. Deze bewustzijnstoestand is te vergelijken met de piekervaring van Maslow en kan ook door sommige drugs worden opgewekt. Helaas doen de meeste mensen nog steeds alsof je over iets totaal onbekends en onbereikbaars spreekt als het over verlichting gaat. Ze geloven niet dat er zoiets bestaat, en als het al zou bestaan moet het wel onbereikbaar zijn. Het is uiteraard het ik dat dit zegt omdat het bang is zijn eigen hachje te verliezen, want bij dit soort ervaringen is hij niet meer de baas. Maar satori komt – wellicht als tegenkracht van het toenemend materialisme – steeds vaker voor en juist daarom is het van groot belang dat er handleidingen komen voor mensen die verder willen kijken dan hun eigen satori lang is. Die dit willen bestendigen, zodat het tot een samadhi wordt: leuk dat we met verlichting hebben kennisgemaakt, maar hoe nu verder?

In dit boek vertelt Adyashanti veel over wat er allemaal na zijn verlichting op 25-jarige leeftijd is gebeurd. Want het is niet vanzelfsprekend dat de niet-blijvende verlichting een blijvende verlichting wordt. Mensen kunnen zelfs terugvallen en hij waarschuwt dan ook voor waanideeën die zelfs na de eerste verlichting grip op je kunnen krijgen. Hij noemt het blijven steken in superioriteit, het gevangen raken in depressieve zinloosheid, en het vast blijven zitten in leegte waarbij je weer hecht aan je rol van getuige. Maar ook dat allemaal hoort bij de droomstaat waarin je blijft verkeren zolang je niet verlicht bent, en dat moet je niet ontkennen of bestrijden, maar accepteren als horende bij het pad waarop je je bevindt. Net als energetische zaken als ontlading van energie, het gevoel alsof de bedrading in je hersens verandert zodat je zelfs geheugenproblemen kan krijgen, en het verscherpt worden van de zintuigen en het gevoel. Allemaal dingen waarvan je dus niet hoeft te schrikken als ze je overkomen.

Ik heb het boek nog niet uit, maar ga straks wel twee extra bestelde exemplaren afhalen die ik aan anderen wil geven. Omdat het kan helpen met het ‘Hoe nu verder?’ na ervaringen die steeds alledaagser lijken te worden. En waarvan het zo belangrijk is dat die veel bekendheid krijgt en met zoveel mogelijk anderen wordt gedeeld: het is immers de meest helende en gezonde transformatie die iemand kan doormaken. Want juist de niet-hele, gespleten mens is de oorzaak van niet alleen zijn eigen ziekte, maar ook van zijn omgeving en de hele wereld die hij met zijn ikkigheid besmet. Daarom is het ook van het grootste belang om er heel nuchter mee om te gaan en het te ontdoen van alles wat theatraal is. In het hele boek van Adyashanti komen, althans voor zover ik het nu gelezen heb, geen aura’s, chakra’s en kundalini’s voor. Geen astrale lichamen, hogere zelven, helpende engelen of buitenaardsen. Dat lucht op. Hooguit wat acupunctuur waarmee zijn vrouw Mukti hem hielp om zijn energie te aarden. Eigenlijk is verlichting het meest nuchtere, aardse en normale dat er is.  Ons geboorterecht,  zoals Bhagwan vaak zei.

De magische Bach

Date 7 februari 2011

Waarom is muziek de hoogste kunstvorm? Omdat je er alleen in het hier en nu van kan genieten. Bij een schilderij, beeldhouwwerk of gebouw kunnen je ogen nog heen en weer zoeken en dwalen, het heeft ruimte nodig. Bij een boek, theater of film kan je nog in spanning wachten hoe het afloopt. Het heeft tijd nodig. Bij muziek zit ik nooit te verlangen naar hoe het afloopt, maar geniet ik op het moment zelf van prachtige melodieën en akkoorden. Ook melodieën en akkoorden kunnen alleen bestaan dankzij tijd en ruimte, maar die tijd is alleen het nu en die ruimte alleen het hier. Ja, sommige mensen kunnen heel analytisch naar muziek luisteren, maar dat is niet mijn sterkste kant. Meestal hoor ik door het orkest de instrumenten niet meer. Daarvoor moet ik heel goed opletten. Wat ook zijn voordelen heeft, want pas dan kan ik de magie achter muziek ontdekken. Dat leer ik een beetje van Vriend, soms met partituren erbij want dan kan ik beter luisteren naar wat ik hoor.

Het geheim van echte kunst is dat het helend is. En dat is niet alleen een gevoel, maar ook een zintuiglijke ervaring. Als ik mijn ogen sluit weet ik echt niet waar de muziek klinkt en proef ik iets van een nonlokaal bewustzijn, zoals dat mooi heet. Harmonie verbindt en is daarom helend. In harmonie heeft alles met alles te maken, weerspiegelt alles in alles. Dat zou je magie kunnen noemen, omdat dit niet alleen via het waakbewustzijn verloopt, maar ons hele wezen aanspreekt. In beeldende kunst en architectuur vinden we de gulden snede, waarin de getallen 1,618 en 0,618 magisch zijn. Een goed muziekstuk staat dan ook als een bouwwerk in elkaar. Soms vinden architectuurstudenten elkaar en beginnen een popgroep. Zo ontstond Pink Floyd. Maar Bach had die vooropleiding niet nodig om zijn oeuvre de magie van contrapunt en harmonie mee te geven. Bovendien liet hij het daar niet bij, zoals Vriend en ik zaterdagavond weer mochten ervaren in de Geertekerk in Utrecht.

Daar dirigeerde de inmiddels 82-jarige Gustav Leonhardt het koor en orkest van de Nederlandse Bachvereniging. Mooiere uitvoeringen van Bach dan die van hem, Herreweghe en Ton Koopman zijn nauwelijks denkbaar. Luxe dus, om dit mee te mogen maken. Er werden onder andere drie cantates gespeeld, waarvan ik Herr, wie du willt, so schicks mit mir de mooiste vond. Omdat daarin het koor de tenor, bas en sopraan omhoogtrekt uit de wanhoop en twijfel en je daadwerkelijk voelt hoe ze zich verenigen. Bach laat stemmen en instrumenten uitbeelden wat er gezegd wordt, zoals bijvoorbeeld in de Hohe Messe waar vioolpartijen zich splitsen in het Et incarnatus est: het leven van vlees en bloed is een leven in dualiteit. Als ik Vriend mag geloven, want mijn gebrek aan analytisch vermogen maakt het me moeilijk om dit te horen. Maar ik krijg er wel koude rillingen van en voel een verdriet in me opwellen voor de lange lijdende omweg die we kennelijk moeten maken om uiteindelijk onze goddelijkheid weer te hervinden.

Bach is natuurlijk bekend om zijn muzikale uitbeeldingen. De Matthäuspassion zit er vol van. Wie kent niet het Sind Blitze, sind Donner in Wolken verschwunden met al zijn kwaadheid? Maar knapper dan dit soort muzikale schilderijen zijn de minder opvallende technieken waarmee Bach beroemd is geworden. En dan bedoel ik niet alleen zijn spelen met polyfonie, maar ook dat elke stem ergens voor staat en elke orkestpartij iets symboliseert – of je het nou bewust zo ervaart of niet. Hiermee vergeleken klinkt de muziek van tijdgenoot Händel maar armoedig en vaal. De magie van Bach is dat zijn muziek in welke betekenis dan ook organisch heel is en daarom zo helend kan werken. Hij had dat zelf ook wel nodig want zijn levenspad ging niet over rozen, en dat het memento mori zoveel van zijn composities kleurt verwondert niet na verlies van zoveel kinderen, en dat van zijn vrouw die na een lange reis van hem overleden bleek te zijn.

Toewijding en overgave aan God doordrenkt zijn cantates. Qua beleving staat dat niet zo ver af van wat we tegenwoordig overgave aan het goddelijke in jezelf, of verlies van het ego noemen. Dat soort muziek kan het beste gebracht worden door mensen die zichzelf niet zo belangrijk vinden, zoals Gustav Leonhardt. Hij had een mofje om zijn linkerhand – tijdens een eerder concert dat we eens bezochten had hij al last van kramp – dirigeerde bij bescheiden en bijna onopvallend drie cantates en de Lutherse mis, die merkwaardig genoeg in het Latijn was. ‘Vanwege het liturgische karakter van de muziek verzoekt de dirigent u tijdens en na afloop van het concert niet te applaudisseren,’ stond op een muziekstandaard te lezen. Dat had hij dan mooi verzonnen, want volgens mij houdt hij gewoon niet van applaus en zo. Want als je gaat klappen knikt hij al snel iets van: ‘Zo is het wel genoeg!’ Aan dit soort mensen kun je Bach toevertrouwen omdat ze zijn muziek begrepen hebben. Voor zover ik het begrijp dan, en daarover kan oordelen. Wie ben ik om over Bach te schrijven? Soli Deo Gloria!

Wie ben ik?

Date 30 januari 2011

Niet iedereen herkent mij in de foto die ik op Facebook heb gezet. Maar wat is mijn ware gezicht? Zenmeesters lieten je daarop jaren mediteren. Zeker als je in reïncarnatie gelooft is dat een boeiende vraag, want waarom zou je in je vele levens steeds hetzelfde gezicht hebben als dat waarmee je nu rondloopt? Maar ook binnen één leven kun je je afvragen wat je ware gezicht is. Hoort dat bij de pasgeboren baby, is het de puistenkop van de puber, het volwassen gezicht van iemand in de bloei van zijn leven of het gerimpelde gelaat met het grijze haar van de ouderdom? Is het het echte, natuurlijke gezicht, of is het het opgepimpte en opgesmukte gelaat waarmee veel bewoners hier in Olde- en Nieuwegeppel rondlopen? Welke pasfoto van mezelf vind ik het mooist? Dat is niet altijd de meest recente. Oké, het is alweer een tijdje geleden onder invloed van ik weet niet meer wat, maar onwillekeurig schudde ik mijn hoofd heen en weer. Omdat ik mijn gezicht wilde afschudden, al die lappen vlees hingen er zo onhandig omheen.

Want eigenlijk is een gezicht een masker. En ik kan het weten want ik heb ervoor gestudeerd. Maskerleer. Dat is de juiste vertaling van persoonlijkheidsleer, wat mijn hoofdrichting psychologie was. Het woord persona komt wellicht uit de toneelwereld van de oude Grieken, waar de spelers een masker droegen. Hun woorden moesten daardoorheen klinken, in het Latijn: per-sona. En dat is geheel in overeenstemming met veel oude wijsheidsleren, waarin het wezen van de mens ver achter of diep in zijn lichaam verborgen ligt. Dat heet dan ziel of geest – begrippen die eigenlijk heel vaag zijn omdat iedereen er weer iets anders onder verstaat. Dan gaat het over liefde, verlangens, gedachten en idealen. Het is hoe dan ook iets onnoembaars dat wetenschappers nog steeds niet hebben gevonden, waardoor het niet op anatomiekaarten te vinden is. Sommige wetenschappers gaan zelfs zo ver dat ze zeggen dat bewustzijn niet bestaat, dat het een illusie is. Maar wie is zich dan bewust van die illusie? ‘Bewustzijn bestaat niet’ kan dan een leuke soundbite zijn, maar om te zeggen dat het een wetenschappelijke uitspraak is… Het is juist in die onontdekte gebieden van psychologie en spiritualiteit waarin we ons wezen herkennen, ontdekken wie we werkelijk zijn. Zoals mijn Wijze Tante zou zeggen: ont-dekken. Haal alle kleren en maskers er maar af en toon me wie je werkelijk bent.

Wie ben ik? Ook dat is een vraag waarmee je in de spirituele wereld wordt doodgegooid. De hedendaagse meester Adyashanti vraagt liever wat je bent dan wie je bent. De vraag wie je bent kun je nog beantwoorden met een rol die je in het toneel van het leven speelt, maar de vraag wat je bent roept om de concrete tastbare kern van jezelf. Die heb ik nog niet gevonden, want zodra ik denk ‘Ah, dit ben ik!’ is er weer iets in me dat een stapje achteruit doet en zich afvraagt wie of wat dit nou eigenlijk weet, ziet of zegt. Ik blijf altijd de waarnemer, de getuige, en die kan per definitie zichzelf niet zien of kennen. Geef je queeste naar zelfkennis maar op, en dat is waarschijnlijk ook het doel waarom meester hun discipelen zich op deze vraag laten sufmediteren. Je bent nooit hetzelfde als dat waarmee je je vereenzelvigt. Sommige mensen identificeren zich met hun lichaam, hun mooie uiterlijk, hun spierkracht, hun vitaliteit. Anderen vereenzelvigen zich met hun gevoelens, met wat hun hart hen zegt, met schoonheid en kunst. En weer anderen identificeren zich met hun gedachten en idealen, met intelligentie en wetenschap. Mensen zijn grof te verdelen in doeners, voelers en denkers, en spelen allemaal zo hun eigen rol in het levensspel.

De foto die ik op mijn profiel van Facebook heb gezet toont niet mijn stoffelijke gezicht van vlees en bloed, maar dat van mijn avatar van pixels in Second Life. In die wereld schep je jezelf, en toen ik daar vier jaar geleden mee begon creëerde ik iemand die ik graag wilde zijn, mijn ideaal. En wat iemands dromen en idealen zijn zegt vaak meer over iemand dan zijn uiterlijk zelf. De muziek waar iemand van houdt, de boeken die hij leest, de manier van omgaan met de natuur – ik acht ze wezenlijker dan de lichamelijke vorm waarin iemand verschijnt, zoals op een pasfoto. Vandaar dat je mij niet zult horen zeggen dat ik een verkeerde foto bij mijn profiel heb geplaatst. Want ook dromen en idealen horen bij dit leven, net als virtuele werelden van Second Life en wat niet al. Te zeggen dat iets virtueel is, is op zich al kunstmatig. Alles hoort erbij, het leven is één. Virtual reality bestaat niet.

Gekraakte chips

Date 26 januari 2011

Wat is er nou zo leuk aan het feit dat de OV-chipkaart nu echt helemaal gekraakt is? Waarom geniet ik daar zo van? Humor heeft met gebroken pretenties te maken. Je denkt alles mooi op orde te hebben en dan storten al je ideeën, plannen, schema’s, modellen en constructies als een kaartenhuis in elkaar. Van alle kanten is geroepen dat het ding veilig is, onkraakbaar, en toch zijn er weer mensen die het ding weten open te breken. Maar wat is er nou zo bijzonder aan de OV-chipkaart dat die het doel is geworden van zoveel haat en al deze kraakacties? Dat zijn volgens mij niet de gebreken en tekortkomingen ervan. Daarover is al genoeg geschreven, hoewel die wel getuigen van de lage intelligentie van de makers ervan. Wel leuk zitten programmeren, maar ver van de dagelijkse werkelijkheid waarin mensen bijvoorbeeld op hun kaart iemand willen laten meerijden, of willen kiezen voor het rijden in een andere klasse.

De OV-chipkaart staat symbool voor de sfeer die tot de creatie ervan heeft geleid. Brave new world. Wantrouwen van de eigen klanten staat daarin voorop, want het tegengaan van zwartrijders was het belangrijkste argument om hem in te voeren. Net als de overheid die tot vertrouwen van burgers oproept terwijl ze zelf zowat in het Guinness Book of Records staat voor het afluisteren en bespioneren van hen. Als tweede komt daar de geheimzinnigheid rond de OV-chipkaart bij: nergens wordt gezegd hoe het ding nou eigenlijk werkt. Zo ben ik er nog steeds niet uit hoe er extra saldo op die kaart komt te staan terwijl hij naast mijn toetsenbord ligt tijdens het opwaarderen via internet. En dit grenst aan de sfeer van spionage die met de OV-chipkaart mogelijk is, namelijk dat precies traceerbaar is waar ik ben. Op zich vind ik dat niet zo erg, maar het moet wel mijn eigen keuze zijn, zoals ik ook in de auto mijn gps kan uitzetten. Je kan natuurlijk wel een anonieme OV-chipkaart kopen, maar dan mis je weer allemaal kortingen. Verder is er onduidelijkheid over de tarieven, waarbij je er alleen met grote moeite achter komt hoeveel je per kilometer betaalt en je ook niet van tevoren weet hoeveel je reis gaat kosten. Niet dat mij dat altijd interesseert, maar het is wel raar dat je iets moet kopen zonder te weten wat het gaat kosten. En last but not least is deze kaart de oorzaak van lelijkheid, want stations worden totaal ontsierd zo niet verpest door al die poortjes waardoor mensenmassa’s als vee worden geperst.

Wantrouwen, geheimzinnigheid, spionage, tarieven en lelijkheid getuigen van minachting voor de eigen klanten. De OV-chipkaart heeft zonder meer ook zijn voordelen, al was het alleen maar dat ik niet steeds kaartjes hoef te kopen of van tevoren hoef te weten op welk station of welke halte ik ga uitstappen. Maar op de wijze zoals de kaart nu wordt gebruikt smaakt hij niet lekker, draagt hij bij aan ontmenselijking omdat niemand het leuk vindt gewantrouwd te worden. We willen in vertrouwen als klanten behandeld worden, en als het even kan ook van enige service genieten. De moraal: waar je bang voor bent, dat krijg je. Wantrouw je je klanten, dan krijg je wantrouwen. Ben je bang voor zwartrijders, dan krijg je zwartrijders. Alleen jammer dat dit debacle miljoenen en nog eens miljoenen aan leergeld heeft gekost. De PC-Active verschijnt vrijdag en dan zullen velen hun tanden in hun OV-chipkaarten zetten. Ze kraken zoals ze smaken.

Trippen

Date 21 januari 2011

De drie letters lsd vormen tot vandaag de dag een magisch begrip voor me. Ze betekenen aan de ene kant een ontzaglijk verlangen, maar aan de andere kant een gruwelijke angst voor me. Aan de ene kant plakte ik op het raam van mijn studentenkamer in koeieletters van etalagekarton Leary OK om sympathie voor deze drugsprofeet te betuigen toen hij in moeilijkheden kwam. Aan de andere kant was ik te bang om eens wat meer dan 100 microgram van het spul te nemen, was ik als de dood om te flippen. Dat laatste is een soort paranoïde psychotische toestand waarvan ik wel geproefd heb en die niet echt prettig is, ook omdat je het gevoel krijgt er nooit meer uit te zullen komen. Alex gebruikte graag wat meer drugs dan ik, maar heeft me altijd beschouwd als een uitstekende psychedelische gids, wat in die cultuur gelijkstond aan iemand die een ander uitstekend op zijn trips kan begeleiden opdat er geen nare dingen gebeuren. Als hij tripte en ik nuchter was leefde ik zo met hem mee dat hij vroeg: ‘Trip jij of trip ik?’ Met dat dubbele, de liefde en de angst tezamen en dan ook nog ontzettend in de diepte, heb ik nooit goed om kunnen gaan. Voelde me minderwaardig, te laf om de confrontatie met onbewuste inhouden aan te gaan.

De filosofie van de psychedelie is eenvoudig: omdat we onder invloed minder afweer hebben kunnen we de realiteit beter waarnemen. Bewustzijnsverruiming betekende gewoon dat je méér in je bewustzijn toeliet, minder zaken verdrong, zodat van alles uit het onder- en bovenbewustzijn in het licht kwam. Tegenwoordig zou je zeggen: je wordt er meer open van. Maar het openen van wat Huxley the doors of perception noemde is meer dan alleen een gedachte of gevoel: het is een concrete fysieke veranderde waarneming van de werkelijkheid. Ik zat in het Amsterdamse Bos onder een boom en keek omhoog en zag totaal andere werelden in de bladeren en takken boven me: een boom is geen boom is geen boom. Alles verliest betekenis en zit gewoon heel stil op zichzelf mooi en sprankelend levend te zijn in het hier en nu.

Veel mystieke ervaringen zijn gewoon met drugs te bereiken. Wat eigenlijk heel raar is als je gelooft dat mystiek en zo belevenissen betreft die juist boven het materiële uitstijgen. Maar wellicht zijn drugs een soort antimaterie die juist daardoor materiële belemmeringen wegneemt. De ervaring wordt ook wel met sterven vergeleken, en het is niet voor niets dat Leary, Metzner en Alpert het Tibetaanse Dodenboek als leidraad voor een trip zagen, want ook hier gaat het om het sterven van het ego of het ik, al dan niet gepaard met visioenen en fysieke gewaarwordingen. En nu was het de kunst om ook al dit moois als producties van je hersenen, als maya te onderkennen. ‘Er is helemaal niets, behalve wanneer je bewustzijn het leven inblaast,’ schrijven ze in De Psychedelische Ervaring. Dat niets, het aanschouwen van het Primaire Heldere Licht was echter niet altijd ons doel in die tijd, want we vonden het Secundaire Heldere Licht – waartoe je verviel na het al dan niet ervaren van het eerste licht – met al zijn mooie kleuren en visioenen veel mooier.

Wat mij betreft waren hasj en weed al meer dan voldoende om dit soort ervaringen te krijgen. In tegenstelling tot de felheid, scherpte en wakkerte van lsd waren ze warmer, zachter en dromeriger. En heb ik – niet onbelangrijk! – onder invloed van deze softdrug de lach leren kennen: het onweerstaanbare geschater dat diep mijn holle lijf kietelde en echode. Meestal om niets, maar wellicht juist daarom zo wezenlijk en echt, wat je herkende in de betraande ogen van je reisgenoot. Die voor buitenstaanders totaal onbegrijpelijke lachkick is een psychologische studie waard. Het is een grandioos relativeren, ontdekken dat alles totaal anders in elkaar zit dan je denkt en dat alles één grote grap is. En eigenlijk had ik voor dat getrip helemaal geen drugs nodig, want als ik mijn eigen verhaal Huize Nagtlust lees kan ik niet geloven dat de ik-persoon daar niet knetterstoned is. Toch had ik toen ik dat schreef nog nooit wat gebruikt, echt waar!

Ik hou het er dus maar op dat ik als baby in een ketel met toverdrank ben gevallen, net als Obelix. Dat ik al een beetje een psychedelische persoonlijkheid heb, en dat ik juist daarom extra gevoelig ben voor drugs, zodat die me snel te veel worden. En ik met mijn rijke fantasie dan ook héél goed zonder kan. Andere werelden, van sprookjesvisioenen tot en met Second Life, hebben me altijd geboeid. Volgens sommigen is dat een vlucht, voor mij juist mijn rijkdom. Volgens critici zijn ze onecht, voor mij zijn ze echt. Voor mij geen drugs meer dus. Omdat persoonlijkheden zo verschillen en ze daarom zowel de hemel als de hel kunnen brengen is het zo moeilijk om voor of tegen het gebruik van deze psychedelische drugs te zijn. Afgezien van het feit dat die van vandaag waarschijnlijk niet meer te vergelijken zijn met wat ik vroeger gebruikte. Maar ze kunnen wel soms heel nuttig zijn om materialistische en rationele mensen eens hard met een andere realiteit te confronteren. En als je die eenmaal hebt ervaren, hoe kort ook, kun je die nooit meer ontkennen, kun je nooit meer terug en is je leven veranderd. Zoals Dostojevski de hoofdpersoon van zijn De Idioot laat zeggen: ‘Deze seconde is waarlijk het ganse leven waard.’

Chaos

Date 10 januari 2011

Volgens de tweede wet van de thermodynamica leidt neoliberalisme tot chaos. Dat komt ervan als je je klassieken niet kent. Wellicht vereist dit enige toelichting.

Wat is chaos? In de Griekse mythologie is Chaos de stammoeder van alle goden, is zij de Leegte of het Niets waaruit alles is ontstaan. Haar kinderen waren de Aarde, de Liefde, de Duisternis, de Nacht en de Onderwereld. Die zijn het voorgeslacht van de complexe en bonte godenwereld, die op zich weer één grote chaos is maar toch de Kosmos vorm heeft gegeven. Het woord zegt het al: vormgeven. Dat was nodig want in de chaos was alles nog vormloos, ongestructureerd, zonder grenzen, een grote wanorde. Net zoals een kamer die je afsluit en dan na jaren, eeuwen, millennia of eeuwig later weer eens gaat inspecteren: na een jaartje is het muf en stoffig geworden, na tien jaar moet je je door spinrag en schimmelresten ploegen, na honderd jaar zijn de meubels en gordijnen half aangevreten en bedekt plafondkalk de vloer. En uiteindelijk verliest alles zijn vorm en structuur, heeft alles zich met alles vermengd en verworden tot een dikke brei of mist waarin niets meer van iets anders te onderscheiden is. Zo is chaos de ultieme Eenheid van alles, de opperste Gelijkheid. Alles is één. Of beter gezegd: alles is nog één, want uit deze grijze oersoep gingen de goden de Kosmos scheppen.

Volgens de tweede wet van de thermodynamica heeft alles in een gesloten systeem, dus zonder invloeden van buitenaf, de spontane neiging ongelijkmatigheden af te vlakken. Om het met mooie woorden te zeggen: de entropie neemt toe, wat zich goed laat vergelijken met het groter worden van de chaos. Heeft in een kosmos alles kleurig zijn plekje, vorm en identiteit, in de chaos blijft daar weinig van over. Overigens denk ik dat een chaos ook door heel goed schudden te realiseren is. Neem een doos gesorteerde chocolaatjes, rammel die goed en stevig door elkaar, en je hebt een doos echt gesorteerde chocolaatjes. Eerst betekende gesorteerd nog dat de soorten keurig bij elkaar lagen, en nu betekent gesorteerd dat het een rommeltje is waar alles door elkaar ligt. Maar het leuke van de tweede wet van de thermodynamica is dat je voor het maken van een chaos helemaal niets hoeft te doen, alsof dat een natuurlijke toestand is waartoe uiteindelijk alles vervalt. En dat is nu precies het neoliberale ideaal waar overheidsbemoeienis taboe is en men in principe niet wil ingrijpen in de markt. Het neoliberalisme leidt dus tot chaos. Kijk voor een praktijkvoorbeeld maar naar het functioneren van de Nederlandse Spoorwegen.

Dit alles heeft eigenlijk weinig te maken met de zogenaamde chaostheorie met zijn verhaal over kleine oorzaken die grote gevolgen kunnen hebben. De vlinder die klapwiekt met zijn vleugels en zo aan de andere kant van de wereld een orkaan veroorzaakt. Over onvoorspelbare zaken die vroeger toeval werden genoemd, maar die toch gewoon ouderwets gedetermineerd zijn, zij het op zo’n kleine onzichtbare schaal dat we er in de praktijk niets meer mee kunnen. Neem het weer. We zouden wel op elke vierkante meter van de aardbodem een weerstation kunnen neerzetten om het zo een tikje beter te kunnen voorspellen, maar uiteindelijk hebben die meetkasten ook weer invloed op het weer, zodat een en ander een beetje ingewikkeld, zeg maar onmogelijk wordt. Tegelijk laat zich in zogenaamde fractals zien hoe zich uit die zogenaamde chaos – die alleen zo genoemd wordt omdat haar bron in de praktijk onzichtbaar is en onvoorspelbare gevolgen kan hebben – een prachtige kosmos kan ontwikkelen. Vele mooie voorbeelden van fractals zijn op Wikipedia te zien: werelden binnen werelden, in oneindige herhaling. Wat voor mij altijd heeft geïllustreerd hoe uiteindelijk alles in alles aanwezig is.

Evenmin als volgens de relativiteitstheorie alles relatief is, zoals mijn technische broer me eergisteren uitlegde, zegt de chaostheorie dat er chaos bestaat. Tegenwoordig noemen iets een chaos als we de oorzaken niet kunnen doorgronden, terwijl het bij de Grieken en de thermodynamica wijst op een vormloze toestand van ongestructureerdheid waarin alles met alles is versmolten. Het is wel opmerkelijk dat we juist in onze tijd veel bezig zijn met chaos, waarmee iets verraden van de cultuur waarin we leven. Bij de Grieken was het ook al een rommeltje. Chaos was de opa van de Lucht, Uranos (Uranus), en die was weer de grootvader van de Tijd, Chronos (Saturnus) die weer de vader van Zeus (Jupiter) was maar ook van Poseidon (Neptunus) die in de astrologie weer met chaos wordt geassocieerd. Eigenlijk geniet ik ervan dat die Griekse godenwereld zo’n rommeltje is. Dat is humor. En humor is volgens mij de essentie van spiritualiteit: je denkt alles goed door te hebben en je zaakjes netjes op orde te hebben, en dan blijkt toch weer alles totaal anders in elkaar te zitten dan je dacht. Lol! Daar zit je dan met je goede gedrag als wetenschapper, filosoof, politicus, christen, mohammedaan, boeddhist, sannyasin, rozenkruiser of wat dan ook. Chaos! Heerlijk eigenlijk!

Ik ben verlicht!

Date 3 januari 2011

‘Ik ben verlicht!’ Zo’n uitspraak is binnen de spirituele wereld natuurlijk de ideale publiekstrekker.

Aan de ene kant verzamelt zich in een mum van tijd een kudde volgelingen om je heen, die alles voor je doen, je aanbidden, je financiën wat op orde houden en je allemaal vragen stellen waarvan het antwoord zo voor de hand ligt dat je je afvraagt waarom ze jou ermee lastig vallen. Maar het is wel een heerlijke status natuurlijk, en echt genieten op je stoel in hun midden, met naast je een zeldzame bloem en een glas water waaruit bij tijd en wijle een heel rustige slok kunt nemen. Misschien worden er zelfs dvd’s van je satsangs gemaakt! Daarvoor heb je het wel over om een beetje uitgezogen te worden door een sucking publiek, waarover sjamaniste Linda Wormhoudt zo mooi in het decembernummer van De Koorddanser schreef. Verlichte mensen en bijzondere energetische plekken roepen in alternatieve kringen nu eenmaal een onweerstaanbare graailust op.

Aan de andere kant zijn er tallozen voor wie zo’n uitspraak echt helemaal niet kan. Hoe durf je? Verlichting is het meest heilige dat er is, en bovendien gebeurt dat pas na jaren, zo niet levens van meditatie, oefeningen en ontberingen! Voor verlichting moet gewerkt worden, en niet zo’n beetje ook! Kijk maar naar alle verlichten, hoe zij door de donkere nacht van de ziel zijn gegaan, vol radeloosheid en depressies, en dan maak jij doodleuk een weblogje onder de titel ‘Ik ben verlicht!’ Ja, onder de douche ontdekte ik dat dit toch maar eens gezegd moest worden. Omdat ik dat arbeidsethos zat ben. Want het is uiteindelijk dit geloof in de noodzaak van werk dat ons er juist van afhoudt om gewoon verlicht te zijn. Hij die zegt dat je überhaupt iets moet doen voor verlichting heeft er niets van begrepen. Die gelooft nog in het rechtse voor wat hoort wat, en kent de liefde niet. Aan het werk! En als je niet werken wilt dan schop ik je wel spirituele markt in!

Het ene ego hangt graag de verlichte uit, en het andere ego hult zich graag in nederigheid. Maar allebei zijn het ego’s. En beide leven in de illusie dat er überhaupt een verschil is tussen verlicht zijn en onverlicht zijn. Vanuit onverlichte staat lijkt dat zo: je ziet een deur waar je doorheen moet, maar als je daar doorheen bent zie je achter je dat er helemaal geen deur was! Sterker nog: dat het juist het ego was dat je voortdurend influisterde dat je niet verlicht was. Dat ikje kon natuurlijk niet anders, en ik neem het hem ook niet kwalijk. Maar het blijft wel een leugentje. Niet degenen die zeggen dat ze verlicht zijn, maar zij die geloven dat ze niet verlicht zijn liegen! Gewoon even in het hier en nu je ogen, neus en oren open, de frisse lucht voelen, van je sigaartje genieten, en de op de kale boomtakken hippende vogels vertellen je dat het waar is. Zo eenvoudig is het!

Toch moet ik eerlijk bekennen dat ik niet verlicht ben. Alleen al het feit dat ik met deze uitspraak aan het liegen ben bewijst dat. En deep down interesseert het me niet eens of ik al dan niet verlicht ben. Geef mij maar mijn sigaartje en de in de takken hippende vogeltjes. Er is niets belangrijker dan dat.

De jaren nul

Date 31 december 2010

In nrc.next van vandaag een mooi verhaal van Christiaan Weijts over ‘de jaren nul’, zoals hij het afgelopen decennium noemt en waar hij kennelijk ook het jaar 2010 bij rekent. Omdat we meestal bij 1 beginnen te tellen, is daar ook wel wat voor te zeggen. ‘De jaren nul hebben vooral impact gehad op de onzichtbare wereld, op het virtuele domein, op mentaliteiten, opvattingen, machtsverhoudingen en identiteiten.’ Wat voor mij aangeeft dat de crisis waarin we verkeren eigenlijk een spirituele crisis is: wat is waar, wat is werkelijkheid, wat vind ik eigenlijk, wie en wat bepaalt mijn leven? En last but not least: wie ben ik? Een paar dagen geleden maakte ik per ongeluk een bericht in Facebook met als onderwerp Second Life. En ik vind het eigenlijk heel leuk dat ik in dit netwerk onder mijn ‘gewone’ legale naam werk, maar wel met een portret van de speler van mijn tweede leven, mijn avatar. Bij dat bericht kon ik dus spontaan geen andere zin  schrijven als ‘Wat is mijn ware gezicht?’

‘Dit decennium hebben we geleerd om behalve in de fysieke wereld ook in de virtuele te bestaan, los van ruimte en tijdzones,’ schrijft Weijts verder. Dat geldt ook voor mij, en ik snap steeds minder hoe mensen, waaronder mijn beste vrienden, zonder de virtuele wereld kunnen. Dan wordt je leven toch heel beperkt? In de Ooi- en Geemlander van vandaag schrijft Dick Hofland over sociale netwerken onder de titel ‘Wie veel vrienden heeft heeft geen vrienden’. En ook dat is waar. Hij citeert onder andere filosoof De Mul die drie soorten vriendschap onderscheidt: je hebt de Aristoteliaanse vriendschap waarbij het vooral gaat om samen dingen te doen, de romantische waarbij het gaat om het delen van je diepste gevoelens, en de Kantiaanse waarbij dit niet per se in elkaars aanwezigheid hoeft te zijn. De derde vorm is volgens Hofland ‘de meest nobele, want die is gebaseerd op welwillendheid’ en hij citeert De Mul: ‘Ook als je elkaar tien jaar niet hebt gezien en de ander staat ineens voor je deur, dan ben je meteen weer vriend.’ Vervolgens citeert Hofland ook Marjolijn Antheunis, universitair docent Sociale aspecten van nieuwe media, die bij sociale netwerken liever van connecties spreekt dan van vriendschap: ‘Van de sterke banden heb je er tussen twee en tien. Dat zijn echte, hechte vriendschappen.’ En even verderop zegt ze over vriendschappen die op sociale netwerken ontstaan: ‘Als er nieuwe dingen zijn, ontstaat er altijd zorg. Dat zag je met de komst van de televisie en de telefoon ook. Toen dacht men ook dat mensen elkaar nooit meer zouden zien (…) Maar in absolute termen zijn we door de komst van alle nieuwe mogelijkheden niet eenzamer geworden.’ En Dick Hofland concludeert: ‘Het blijkt ook dat als mensen elkaar online kunnen vinden, ze elkaar in het echte leven eveneens aardiger vinden (…) Je onthult meer over jezelf en daardoor kom je ook meer over de ander te weten.’ Wat me doet denken aan wat John Lopez op 20 december in nrc.next schreef bij een artikel over World of Warcraft: ‘Het gilde waar ik leiding aan geef bestaat uit spelers uit heel Europa. Zij hebben elkaar echter nog nooit ontmoet. Misschien is het juist door die anonimiteit dat het sociale contact binnen een gilde zo belangrijk is. Zonder angst tot veroordeling worden zaken besproken die normaal gesproken bij vrienden en familie zouden blijven.’

Om een lang verhaal kort te maken: het lijkt erop dat zogenaamde ‘virtuele’ contacten steeds meer serieus worden genomen. Dat men gaat inzien dat die heel diep kunnen gaan en niet onder hoeven te doen voor ‘echte’ fysieke relaties. Voor wellicht het grootste deel is er sprake van een hype: het aantal vrienden in Facebook of Hyves of het aantal followers in Twitter lijkt een statussymbool te zijn. Dat de grote massa bijna altijd met iets nieuws aan de haal gaat, wil echter niet zeggen dat er verkeerde ontwikkelingen zijn: ook het hebben van telefoon en televisie was ooit een statussymbool. Het afgelopen decennium hebben sociale netwerken via het internet een enorme vlucht genomen. Dat wil niet zeggen dat we nu opeens tot méér vriendschap in staat zijn, maar wellicht wel tot een andere en meer bereikbare vriendschap, dat er meer mogelijkheden voor gecreëerd zijn. Dat is toch een rijkdom waar ik blij mee ben. Die eenzame mensen meer blijheid, en gehandicapten meer vrijheid kan schenken. De wereld is er het afgelopen decennium een stuk materialistischer op geworden, maar tegelijkertijd worden spirituele perspectieven meer zichtbaar. Bijvoorbeeld in de identiteitscrisis zoals die steeds vaker op persoonlijk en maatschappelijk vlak zichtbaar wordt. Bijvoorbeeld doordat steeds meer mensen de echte vragen gaan stellen. Zoals: wie ben ik? De jaren nul waren een mooie aanloop daartoe. Het blijft spannend allemaal en heel bijzonder om mee te maken.