De wilde Wilders

Date 19 oktober 2010

‘Wilders is niet goed bij zijn hoofd,’ liet iemand me onlangs weten. Maar dat vond ik toch iets te kort door de bocht. Toen hij begon over kopvoddentax hield ik hem ook wel even voor gezien, want hoe kan er iets goeds voorkomen uit iemand die zo weinig respect heeft voor een anders geloof? Nu kun je wel zeggen dat dat dan een primitief geloof is waar iets als vrouwenemancipatie nog eeuwen in de toekomst lijkt te liggen, maar het kenmerk van respect is dat je anderen neemt zoals ze zijn, juist als je het niet met hen eens bent. Het is geen kunst om gelijkgestemden lief te hebben, maar om juist je vijanden lief te hebben, zoals we in onze christelijke cultuur geleerd hebben. De goeden lijden per definitie onder de kwaden. Toen Wilders dus over die kopvoddentax begon, was dat voor mij aanleiding om hem verder niet meer serieus te nemen en als een haatzaaier te beschouwen.

Maar er is meer aan de hand. Want wat is discriminatie eigenlijk? Wat is vrijheid van godsdienst? Als kind kreeg ik ooit van mijn moeder op mijn kop omdat ik een joods vriendje een jood noemde, en als corrector van ons dorpsblad wei & hei heb ik de grootste moeite met kleine en grote letters als het om Heilige Dingen gaat! Filosoof Rob Wijnberg – sinds kort hoofdredacteur van nrc.next – pleit ervoor om de vrijheid van godsdienst maar af te schaffen. En ‘vervang haar door vrije meningsuiting, vergadering en betoging,’ schreef hij op 3 augustus. ‘Intuïtief voelt bijna iedereen namelijk al dat het predicaat ‘religie’ een historische toevalligheid is. In zijn kern is ieder wereldbeeld immers hetzelfde: een door de verbeelding gefabriceerd antwoord op de vraag wat waar, werkelijk en goed is, vervat in opvattingen die uiteindelijk allemaal gefundeerd zijn op een axioma dat voor waar, werkelijk en goed wordt aangenomen. Of je dat axioma Waarneming noemt (wetenschap), Interne Logica (rationalisme), Vrijheid (liberalisme), Gelijkheid (socialisme) of God – voor de wet moet dat niks uitmaken.’

Daar zit wat in. Waarom mag trippen opeens wel als je er een religie omheen bouwt, zoals met ayahusca? Wat is de reden om religieuze opvattingen te beschermen? Sterker nog: uiteindelijk zijn religies ook gebouwd op meningen, en in die betekenis is er geen verschil tussen een politieke en een religieuze opvatting. Juist daarom wordt het aantrekkelijk om politieke ideeën in een religieus jasje te verpakken, want daarmee wordt onder de vlag van vrijheid van godsdienstuiting een zekere immuniteit en bescherming genoten die in het profane leven ondenkbaar zou zijn. Waar Rob Wijnberg pleit voor het afschaffen van de vrijheid van godsdienst ten faveure van de vrijheid van meningsuiting, wil men in de islamitische wereld echter juist het tegengestelde. Iets waarvan Salman Rushdie, Gregorius Nekschot, Theo van Gogh en vele anderen het levende bewijs zijn en waren. En natuurlijk Geert Wilders zelf. Dan kan wel worden gezegd dat al deze mensen polariseren met hun openlijke kritiek op de islam – het feit alleen al dat ze bedreigd worden getuigt van hun gelijk. En in hoeverre moet je maar zwijgen omdat je bang bent voor agressie en oorlog? Lever je dan al niet vrijwillig een essentieel stuk van jezelf in: vrijheid?

In nrc.next van 14 oktober wijzen Thierry Baudet en David Suurland op grote tegenstellingen tussen islam en christendom: ‘Waar de kernfiguur van het christendom voornamelijk ethische en morele leerregels propageerde en als pacifist gekruisigd werd, was de kernfiguur van de islam een legerleider die vanuit zijn basis in Medina een heel werelddeel aan zich onderwierp. Waar een van de kernboodschappen van Jezus de les was ‘geef aan de keizer wat des keizers is, en aan God wat God toebehoort’ – de theologische grondslag van de scheiding van kerk en staat – daar biedt de islam juist de koppeling van religie en politiek via het rechtssysteem van de sharia. (…) In de Refah-zaak van 2003 oordeelde het Europese hof voor de Rechten van de Mens zelfs dat de sharia onverenigbaar is met de democratische rechtsstaat.’ Iedereen mag geloven wat hij wil, en islamieten mogen van mij geloven dat christenen zwijnen zijn, en ik mag ook de islam een primitieve godsdienst vinden – dat is allemaal vrijheid van meningsuiting. Maar waar moslims geen afstand doen van de sharia en gericht zijn op een totalitaire wereldheerschappij is er iets goed fout. Vrouwen stenigen en homo’s martelen zijn niet echt zaken waar we hier op zitten te wachten.

Eigenlijk zou de hele discussie niet zozeer over de islam moeten gaan, maar over de sharia. Maar kennelijk durven we niet goed in deze materie te duiken, en steken we liever onze koppen in het zand. We willen gewoon niet geloven dat de islam enge politieke opvattingen vertegenwoordigt. Sommigen geloven zelfs liever dat Amerika zèlf de aanslagen op 11 september heeft gepleegd dan dat moslimextremisten dat hebben gedaan. Net zoals de wortels van het neoliberalisme met haar verheerlijking van het egoïsme zó te gek voor woorden zijn dat we het ongeloofwaardig gaan vinden. En wellicht wel net zoals onze ouders voor de oorlog niet konden geloven dat de Duitsers joden vergasten en letterlijk om zeep hielpen. We dromen dat iedereen vredelievend is en dat met een goed gesprek alle problemen de wereld uit kunnen worden geholpen. We geloven in de goedheid van alle mensen en in vreedzame oplossingen, maar die zijn er niet altijd. In plaats van alert te zijn en eens een stevige discussie over de sharia met de moslims aan te gaan, lijken we veel te tolerant, lief en inlevend tegenover krachten die op wereldheerschappij uit zijn.

Maar ‘het lijkt erop dat de meeste moslims in West-Europa vreedzame en betrokken burgers zijn,’ schrijven Baudet en Suurland verder. ‘Maar dat neemt niet weg dat Wilders met zijn kritiek op de islam een belangrijk thema aansnijdt.’ En daar ben ik het dus helemaal mee eens. Wat me alleen dubbel maakt over Wilders is de manier waarop hij dat doet. Als je nodeloos aan het provoceren en polariseren slaat voeg je emotie toe aan een discussie die gewoon met het gezonde verstand gevoerd moet worden. Met wilde emoties win je stemmen, en eerlijk gezegd heb ik geen hoge pet op van veel Henken en Ingrids die op hem gestemd hebben, want die hebben grote onderbuiken en stemmen automatisch op alles dat naar De Tegenpartij van Jacobse en Van Es riekt. Niet alleen wij hier in het westen zien het gevaar van de sharia, veel moslims zien het zelf ook niet. Zoals ik al zei: een stevige discussie graag! Als die nu eindelijk – mét de moslimwereld – goed tot stand komt dan hebben wij dat toch aan de wilde Wilders te danken. Wat niet wegneemt dat ik ideeën als kopvoddentax krankzinnig vind en ik me daarom best kan voorstellen dat sommigen Wilders niet goed bij zijn hoofd vinden.

Bhagwans homo’s

Date 13 oktober 2010

De manier waarop eind jaren tachtig en begin jaren negentig met homo’s werd omgesprongen vormt een zwarte pagina in de geschiedenis van de Bhagwanbeweging. Teveel sannyasins, die geacht werden geen volgeling te zijn van ‘de Bhagwan’ die zichzelf later Osho ging noemen, discrimineerden homo’s. Onder andere uit angst voor het toen dodelijke aidsvirus. Hoewel er relatief veel homo’s dan wel mensen zonder speciale seksuele voorkeur onder sannyasins waren, werden toch vragen gesteld over de veiligheid van het douchen waar eerder een homo had gedoucht, werd een hiv-test verplicht als je de commune in Poona wilde bezoeken, en werden condooms en handschoenen gratis gepromoot. Dat laatste was wellicht zo gek nog niet want de graagte waarmee sannyasins de liefde bedreven had anders wellicht tot de ondergang van de hele beweging geleid. Alles werd goed met bleekwater schoongemaakt, en ik deed mee, zelfs thuis. En ook ik liet me testen op hiv om in 1990 – Osho was net een paar weken daarvoor overleden – een bezoek aan de commune in India te brengen, gevolgd door een rondreis langs plaatsen en plekken waar hij gewoond, gespeeld en gewerkt had, en verlicht was geraakt in Jabalpur.

Toch was Bhagwan niet zo negatief over homoseksualiteit als vaak gedacht wordt. Ik heb daar een echte literatuurstudie van gemaakt, wat leidde tot een compilatie van 21 teksten over dit onderwerp. Daar zitten inderdaad verhalen tussen waar de honden geen brood van lusten, maar er zijn ook enkele teksten waarin Osho roept: ‘Be gay!’ (This is it! # 4, 4 mei 1977) en waarin hij constateert dat homoseksualiteit veel problemen kan oplossen (The goose is out # 3, 3 maart 1981). Het lijkt er vaak op dat Osho meer inspeelt op de manier waarop zijn sannyasins met homoseksualiteit omgaan dan op het verschijnsel homoseksualiteit zelf. Als lid van een minderheid heb je gauw de neiging in een slachtofferrol te vervallen en een eigen cultuur om je heen op te bouwen, en dat gebeurt natuurlijk ook in homokringen. In mijn visie gaat het bij Osho om het loslaten van deze cultivering met de bijbehorende identificaties. Wat vaak opgevat is als een spiritueel argument om homo’s nu ook eens heterogedrag te laten proberen. Terwijl ook nog al te vaak het klassiek psychoanalytische model wordt aangehangen waarin homoseksualiteit een bepaalde fase is, en de daaropvolgende fase van heteroseksualiteit meer echt volwassen is. Ook door Bhagwan, die de groei echter niet bij heteroseksualiteit, maar in een fase van aseksualiteit laat eindigen, het echte celibaat waarin je het allemaal wel bekeken hebt en eindelijk gewoon rustig alleen kunt zijn (Beyond psychology # 20, 22 april 1986).

Vriend kwam aandraven met De Tijd van 11 oktober 1985, waarin een uitgebreid interview met Swami Deva Amrito ofwel Jan Foudraine staat. Daarin vaart hij terecht uit tegen het geloof en zweert hij bij het onderzoeken. ‘Van nu af aan betekent Deva Amrito Hij die in onderzoek is.’ Journalist Van der Eijk ondervraagt Amrito over homoseksualiteit. ‘Homoseksualiteit is een groeiremming,’ vertelt de ex-antipsychiater. ‘Dat zei Freud al en dat is na Freud ook gezegd maar nú mag het niet meer gezegd worden. Het schijnt een taboe te zijn, maar daar heb ik niets mee te maken. Ik ben onderzoeker.’ Dat was moeilijk te verteren voor mij. Enerzijds ben ik Amrito eeuwig dankbaar voor zijn boek Oorspronkelijk gezicht dat me naar Bhagwan heeft geleid, maar anderzijds vind ik dit soort uitspraken verschrikkelijk en niet echt van een onderzoekende geest getuigen. Maar wellicht vindt hij dat zelf inmiddels ook, na een kwart eeuw van nieuwe wetenschappelijke ontdekkingen en inzichten. Waarin steeds duidelijker wordt dat homoseksualiteit eigenlijk heel natuurlijk is en hoe die zijn eigen functie in de biologische wereld vervult. Ja, voor hetero’s is homoseksualiteit onnatuurlijk, maar het omgekeerde is ook het geval.

Al met al gaat het bij Bhagwan allemaal in de eerste plaats om het transcenderen van seks. Niet omdat met seks iets mis is, maar wel omdat dit de manier is waarop mensen zich met hun lichaam identificeren. Heiligen, verlichten, gerealiseerden of hoe je ook de ideale mens mag noemen, allemaal zijn ze boven seks uitgestegen, hebben er niks meer mee. Maar dat wil niet zeggen dat je heilig, verlicht of gerealiseerd wordt door seks te onderdrukken – dat is de hypocrisie die vooral door de kerk is gepredikt en waartegen Bhagwan zo fel fulmineerde. Juist het onderdrukken van seks is de oorzaak van perversieën waardoor de mens nog verder in zijn lichamelijkheid verstrikt raakt. Aan dit thema is onlangs op de website van de Vrienden van Osho aandacht gewijd, en Nandan heeft daarvoor acht teksten van Osho over homoseksualiteit in het Nederlands vertaald, een hele klus! Wel een beetje raar dat je, als je geïnteresseerd bent in wat Osho over het transcenderen van seks vertelt, geconfronteerd wordt met een hoog homoseksgehalte. Maar misschien moet je wel eerst homo zijn voordat je aan transcendentie van seks toekomt. Puntkomma- min-haakje sluiten.

Nu is het tamelijk onbelangrijk om welke variant van seks het gaat. Masturberen, homo, hetero, bi, sm, virtueel of in leer… het maakt allemaal niets uit. In mijn liedje My sexual confession, alweer veertig jaar geleden geschreven, gaf ik aan eigenlijk alleen maar in seksualiteit zelf te geloven. Als iets wat je hele lichaam doortintelt en dat zich niet specifiek rond bepaalde lichaamsdelen nestelt en explodeert. Dat is totale acceptatie en dat is wat ik bij Bhagwan meer dan bij wie ook herkende! Dat is totale overgave, dat is totaal leven. En pas dan kan je totaal sterven. Wat is belangrijker in het leven dan te leren sterven? Heel terecht ziet Jed McKenna het memento mori, het voortdurende en indringende bewustzijn van je eigen sterfelijkheid, als een van de beste methodes om tot verlichting te komen. Als de manier om met het leven klaar te komen. Ik hoop, verwacht, wil en bid dat mijn sterven een groot orgasme zal zijn dat alles overstijgt en waarin ik graag verdwijn. Maar ik beloof niks.

De open bron

Date 8 oktober 2010

Iedereen kijkt naar Geert Wilders en zijn PVV alsof hij en zijn partij het Grote Gevaar zijn dat onze samenleving bedreigt, zo niet ineen doet storten. Maar als je goed kijkt zijn de VVD en het CDA veel gevaarlijker. Omdat ze in zwijgende stilte nog steeds het neoliberalisme aanhangen en daarmee hufterigheid en lafheid vergoelijken. Vandaag las ik dat psycholoog Kees Keizer in Groningen promoveert op het, in mijn eigen woorden gezegd, na-aapgedrag van mensen: ‘Mensen pikken al dan niet bewust signalen van hun omgeving op en volgen dat gedrag,’ citeert nu.nl hem. ‘Het is volgens Keizer funest als mensen die het goede voorbeeld zouden moeten geven, dat juist niet doen. Zoals directeuren die fraude plegen of zichzelf riante bonussen geven. Of agenten die te hard of door het rood rijden.’ De overheid zou een voorbeeldfunctie moeten hebben, en daarom niet het egoïsme, dat aan de wieg van het neoliberalisme staat, moeten verheerlijken. Onder het mom van ‘individualisme’ klinkt dat allemaal minder erg, maar dat neemt niet weg dat het geloof en het stimuleren van de vrije markt het eind van onze cultuur in ras tempo versnelt. Dat is ook de bedoeling, als we Hans Achterhuis mogen geloven, die in De utopie van de vrije markt wortels van het neoliberalisme aantreft bij de schrijfster Ayn Rand: daar heet deze filosofie van de ‘selfishness’ nog objectivisme. Daar is geen plaats voor zorg of cultuur meer, daar geldt alleen het recht van de sterkste, en als je het ideaal van de American Dream niet bereikt is het eigen schuld dikke bult, en had je maar slimmer moeten zijn. Tijdens de verkiezingen hoorde ik iemand de VVD omschrijven als de ‘hufterpartij’. En als Mark Rutte en de zijnen aan de macht komen en niet duidelijk afstand van het neoliberalisme nemen, vrees ik dat dit een rake omschrijving wordt van de nieuwe moraal die over het land gaat waaien, zo niet stormen.

Het gevaar van het neoliberalisme is dat het ideaal ervan zo ongeloofwaardig klinkt dat slechts weinigen geloven dat het echt waar is allemaal. Kom nou, wij willen toch niet de verschillen tussen arm en rijk vergroten? Wij komen toch op voor homoseksuelen en het openbaar vervoer? Wij houden toch rekening met de onrendabelen? Maar de keurige jasjes van de neoliberalen hebben ruime mouwen waaruit wel eens heel veel apen zouden kunnen komen. Je zou je zelfs kunnen afvragen of de onwil om te handhaven – en de daarmee in de praktijk toenemende rechtsongelijkheid – niet al op neoliberale principes is gebaseerd. Het gaat immers om het autonome individu dat zijn eigen grootsheid moet kunnen realiseren, daarbij niet gehinderd door wat dan ook. Niets mag creativiteit in de weg staan, en sommigen hebben recht op rijkdom en macht. Gewoon omdat ze de besten zijn, de atlassen op wiens schouders de wereld draaiend wordt gehouden. Dan moeten er geen zieke kinderen in de straat liggen te sterven, daar heb je alleen maar last van. Ik ken dat zelf ook, die aanvallen van creativiteit – dat voelt dan als iets waarvoor al het andere moet wijken. Waar echter de filosofie van Ayn Rand mank gaat is het feit dat de producten van iemands creativiteit worden beschouwd als het eigendom van de maker. In haar beroemde boek The Fountainhead neemt architect Howard Roark het recht in eigen handen om het door hem ontworpen gebouw te vernietigen. Daarvoor wordt hij op het matje geroepen, en beroemd is zijn verdedigingsrede waarin hij stelt dat de schepper niets en niemand anders dient, want ‘only by living for himself was he able to achieve the things which are the glory of mankind (…) My ideas are my property.’ Het boek is vertaald onder de titel De eeuwige bron, die kennelijk een individueel maaksel en bezit is en blijft. En die zeker niet voor iedereen open staat zolang kunst het bezit blijft van de maker ervan.

Kunst kan nooit een persoonlijke verdienste zijn. Kunst wordt bijna letterlijk ingeblazen en het enige dat iemand tot kunstenaar maakt is dat hij open staat. Hij zal wat technische vaardigheden onder de knie moeten krijgen, maar waarvoor zijn instrumenten zullen worden gebruikt is voor de kunstenaar even verrassend en nieuw als voor hen die zijn maaksel gaan aanschouwen of beluisteren. Als kunst dienstbaar wordt aan de persoonlijkheid, of aan maatschappelijk of politiek gewin, dan wordt het een gedrocht dat door de na-apende mens gekopieerd wordt en zo de wereld steeds verder afleidt van de schoonheid, waarheid en goedheid die echte kunst ons brengt. Als kunst een product is van de persoonlijkheid, het individu of het ego – als zichzelf afscheidende schijnwezens – dan verwordt zij tot een bezit waar de maker macht over heeft en dat niet zomaar gekopieerd mag worden. Maar echte kunst kan en mag nooit het eigendom van wie dan ook worden, want het is het bestaan zelf dat zich via iemand heeft geopenbaard. Daarom is het des te tekenend dat het internet ons confronteert met de onmogelijkheid van kunst als bezit. Alles blijkt deelbaar, kopieerbaar, en voor auteursrechten lijkt er geen plaats meer, ondanks de krampachtige pogingen van instanties als Buma/Stemra om nog te redden wat er te redden valt. Die crisis doet zich trouwens niet alleen in de kunstwereld voor, maar ook in die van de computers. Juist het door commercie ingegeven idee dat je kennis geheim en voor jezelf moet houden, maakt onderlinge afstemming van soft- en hardware voor computers tot de crime die we vandaag de dag door gewenning al bijna normaal zijn gaan vinden.

‘Idee van de eeuw: alles kennis voor iedereen,’ kopte gisteren een artikel in nrc.next. ‘Consumenten die software verbeteren en uitwisselen. Dat is het einde van Microsoft, voorspelt Eben Moglen’. In dit artikel van Philip Huff pleit deze hoogleraar aan de juridische faculteit van de Columbia University in New York voor open source. ‘Moglen gelooft niet in het particuliere bezit van ideeën in een digitaal tijdperk. Hij gelooft in making by sharing. “Wat je digitaal krijgt, kun je digitaal verbeteren. Net als al eeuwen in de wetenschap gebeurt. Je krijgt wat vóór jou is gedaan, verbetert het en deelt het weer verder. Op die manier krijg je een eindeloze distributie van kennis en verbetering (…) Microsofts producten zijn dood,” zegt hij. “Over vijf jaar is de Windows- en Officefranchise zo goed als verdwenen en zullen er alleen nog opensource-besturingssystemen en tekstverwerkers als die van Linux bestaan.” (…) Hoe komen softwaremaatschappijen en muzikanten dan aan hun inkomsten? “Doordat de mensen zullen betalen voor wat ze mooi of belangrijk vinden (…) De enige bedrijven die je willen laten geloven dat dat niet zo is, zijn de bedrijven die bang zijn voor hun portemonnee: Microsoft, Apple, de platenmaatschappijen, Amazon en Google (…)” De uitdaging voor softwaremaatschappijen en muzikanten wordt volgens Moglen om een doelgroep te bereiken van producerende consumenten. Deze “prosumers” moeten bereid zijn iets te betalen aan de makers van kunst of van software, of aan mensen die voor hen iets selecteren uit het aanbod. De basis van de economie van de eenentwintigste eeuw wordt daarom vertrouwen, niet eigendom (…)’

Gelukkig wordt er al veel open source-software gebruikt, vooral in de servers van ons internet waarvan de helft onder het besturingssysteem Linux draait. Steeds meer wordt duidelijk dat met gesloten bronnen niet meer te werken is, zoals blijkt uit de vele patches en updates waarmee we vrijwel dagelijks onze computers moeten opschonen. Want dan is er weer een ‘lek’ ontdekt dat allang gedicht had kunnen zijn als er wat meer samenwerking was geweest. Meer dan ooit blijkt dat persoonlijk of commercieel gewin, in tegenstelling tot wat Ayn Rand beweert, de kwaliteit van producten juist verlaagt in plaats van verhoogt. Haar atlassen kunnen alleen maar misbaksels maken, zoals de wereld van Metropolis. De ongeëvenaarde popgroep Queen heeft in haar clip Radio Ga Ga die wereld als achtergrond gebruikt van een heimwee naar mooie tijden toen de wereld nog leefbaar en de radio nog beluisterbaar was. Die clip is een voorbeeld van kunst die je gratis en voor niets via YouTube tot je kan nemen. Waar ik best vrijwillig wat voor wil betalen omdat het dat waard is. Maar ik weet niet hoe en aan wie. Neoliberalen kunnen wel bovenop die bron gaan zitten alsof het hun eigen bezit is, maar hoe langer ze dat doen, hoe krachtiger de bron uiteindelijk open zal zijn.

Sterrengids

Date 23 september 2010

Op zoek naar iets als werkelijkheid, waarheid of schoonheid, verlang ik naar iets universeels. Iets dat overal altijd geldt. Al dat moderne gedoe waarin het idee van een allesomvattende waarheid wordt losgelaten is niets voor mij. Die opvatting spreekt trouwens zichzelf al tegen omdat ze een universeel geldende waarheid pretendeert te zijn. Hoe tegenstrijdig, paradoxaal en onbegrijpelijk ze ook mag lijken, er blijft voor mij toch maar één waarheid, werkelijkheid en schoonheid bestaan waarbinnen dat alles verenigd is. Alles wat persoonlijk is, is daarom per definitie onecht, niet waar en lelijk omdat je daarmee een stukje van de werkelijkheid hebt geïsoleerd. Het is niet voor niets dat het woord ‘persona’ stamt van het masker dat Griekse toneelspelers droegen. En eigenlijk geloof ik dat er maar één oerdrift bestaan in de mens: dat masker afleggen om weer één te worden met dat kosmische dat ons van alle kanten oneindig diep omhult. Als je deze gedachten vreemd vindt, schaf je dan geen sterrengids aan, want het is juist het bladeren door de Sterrengids 2011, uitgegeven door Stichting De Koepel dat me tot dit soort woorden inspireert. Op de voorplaat staat een prachtige foto van een spiraalstelsel in het sterrenbeeld Eridanus die je uitnodigt voor een kleurige psychedelische reis door een wervelende sterrenkolk.

De meeste mensen weten weinig van wat zich allemaal in de sterrenhemel afspeelt. Dat wordt ook steeds moeilijker te zien omdat de lichtuitstoot jaarlijks met maar liefst 3 tot 6 procent toeneemt. Nederland is, samen met België en Puerto Rico, het meest verlichte land ter wereld, staat op de website van het Platform Lichthinder te lezen. Maar wat heb je aan verlichting als je het Al niet meer kunt zien? Gelukkig zijn er technieken die ons kunnen helpen ons verloren contact met de werkelijkheid weer te herstellen, zoals virtual reality, in dit geval in de vorm van een planetarium. Op zaterdag 16 augustus 1958, ik was toen elf jaar, nam mijn vader me mee naar Den Haag. Met de bus. Daar was een Planetarium naast het gebouw van de Haagse Courant. Daarover schrijft Frank Faber op zijn weblog www.jeugdsentimenten.net, dus ik ben niet de enige die daar mooie herinneringen aan heeft! Overweldigd was ik door de diepe sterrenpracht, en een van de eerste dingen die ik thuis ging doen was zelf een planetarium op mijn kamertje bouwen.

Het bouwen van een planetarium gaat als volgt. Benodigd: 8 latten van ca 1,5 à 2 meter, 1 wit laken, ca 15 m2 gordijnstof, 4 groentekistjes, 3 plankjes van 30 x 150 cm, 1 speelgoedprojector, 1 vel etalagekarton en 1 speld. Bouw van de latten, de gordijnstof en de lakens een blokvormige tent met zijden van ca 1,5 m en een hoogte van ca 2 m. Gebruik hierbij het laken als plafond en laat aan één zijde een opening vrij om het planetarium te betreden. Maak zitplaatsen langs de overige 3 zijden door de 4 groentekistjes in de hoeken te plaatsen en daar de 3 planken op te leggen. Plaats de speelgoedprojector met zijn achterzijde in het midden op de grond, zodat het licht ervan naar boven gericht is. Knip van het etalagekarton stroken van ca 3 cm breed en prik daarin met de speld de patronen van sterrenhemels en sterrenbeelden. Sluit de projector aan op het lichtnet en schuif de kartonnen stroken door de sleuf waar normaliter zich de film bevindt. Nodig klasgenootjes en de juf uit om tegen geringe betaling te komen kijken. Maak niet de fout om (a) je moeder er niet van op de hoogte te stellen als de juf komt en (b) geen rekening te houden met de omvang van de juf, vooral als ze heel aardig is zoals de mijne dat was.

Nou ja, ik bedoel maar. Als kind zat ik al in sterrengidsen, toen nog in oblong-formaat, te neuzen. Wist ik dat een dag maar 23 uur, 57 minuten en 4,09 seconden duurde, hoewel ik nu uit de sterrengids begrijp dat ik dat laatste eigenlijk zou moeten afronden op 4,10 seconden. Weten dat de aarde 150 miljoen kilometer van de zon is verwijderd en het rijtje van de planeten kunnen opdreunen behoort toch tot de basiskennis van een kind? Als klein jongetje had ik al een draaibare sterrenkaart. Ik las ook graag boeken. Totdat ik bij allemaal verhalen over sterrenbeelden las over de heilige Laurentius die ‘levend en naakt op een rooster gebraden’ werd, wat me toch zo machtig op de maag viel dat ik nooit meer verder heb gelezen in dat boek. De sterren stonden verder op een laag pitje, hoewel ze in psychedelische visioenen best een belangrijke rol bleven spelen. In 1968 blies Stanley Kubricks film 2001: A Space Odyssey mijn liefde voor de ruimte en de sterren weer nieuw leven in. In 1980 keek ik met rode oortjes naar Carl Sagans 13-delige documentaire Cosmos, gedragen door prachtige muziek uit onder andere Heaven and Hell van Vangelis. En op zondag 14 augustus 1983 zat ik, na vrijwel exact vijfentwintig jaar, opnieuw in een planetarium, dit keer in het Gaasperpark in de Bijlmermeer. ‘Die muziek!’ schreef ik mijn Gereformeerde Vriend (Niet Vrijgemaakt) een dag later. ‘Daar was het weer! “Shine on you crazy diamond” van “Wish you were here”! De witte koepel boven onze hoofden verdween om plaats te maken voor een invallende schemering waarin steeds meer sterren in de oneindige diepte begonnen te flonkeren. (…) Gedragen door langzame Pink Floyd-akkoorden kwamen er steeds meer sterren aan de hemel en een gevoel van “Hier ben ik thuis” kneep mijn keel dicht en maakte mijn ogen vochtig. Een traan hobbelde over mijn linkerwang. De zwermen van sterren lokten me en ik zou zo in de diepte willen vallen.’

De stap van astronomie van astrologie is heel klein, zeker als je ook nog psychologie hebt gestudeerd en met computers stoeit. Hoewel ik me er in de jaren zestig al een poos mee had beziggehouden, werd ik in juli 1984 pas echt gepakt door de astrologie. In het gras van het Bergwijkpark vlak bij mijn flat in de Bijlmer lag ik enthousiast en serieus opnieuw de astrologie te bestuderen, met alle gevolgen van dien. Natuurlijk las ik ook wat Bhagwan over astrologie te vertellen had. ‘If we look at astrology as a science which disintegrates our egos, which dissolves our “I”, then it is religion.’ zei hij in Bombay op 10 juli 1971. ‘But if we go to the ordinary astrologer for the safety of our egos (…) Astrology means you are not, the universe is; you are not, the cosmos is. It means enormous forces are at work all around, and you are nothing before them. One needs to be attentive to this kind of astrology, but this is possible only when we see ourselves as part and parcel of this vast universe.’

Ik ben maar een deel van de werkelijkheid, en als ik de werkelijkheid, waarheid of schoonheid zoek, kan dat alleen over de kosmos gaan, over het Al, inclusief alle tijd en ruimte. Dan blijkt de stelling ‘ik besta’ onhoudbaar, omdat ik de meeste tijd niet besta en omdat ik me dan nog alleen hier op dit kleine plekje in Oldegeppel bevind. Maar kennelijk is er, geïnspireerd door een vaag bewustzijn van de eenheid van alles, ook een verlangen naar niet-bestaan, naar die transpersoonlijke wereld voorbij het ego, naar het samenvallen en -smelten met het Al. En zijn wij dromers zolang wij geloven dat dat niet al lang het geval is. Ik wil herinnerd worden aan wat ik eigenlijk ben en wat mijn thuis is, en één van mijn gidsen is de Sterrengids. Daarin zie ik niet alleen hoe de sterrenhemel eruitziet, wat de fase van de maan is en waar de planeten zich bevinden. Want ik lees ook over de veranderlijke ster SU Tau die zichzelf ritmisch verduistert door roetwolken uit te ademen, hoe mooi het is als sterren vlak langs de polen van de maan lijken te schuiven, en dat de aarde in een jaar zo’n 10.000 ton gruis- en stofdeeltjes opveegt, wat soms leidt tot lichtsporen die ‘vallende sterren’ worden genoemd. De Sterrengids bevat ook veel voer voor de linker hersenhelft, zoals toelichtingen over tijdberekening, oriëntatie in de ruimte, formules en astronomische constanten, maar dat alles is waardeloos zonder ruimtelijk inzicht van de rechter hersenhelft. Daar heb ik geen gebrek aan, want de sterren zijn mijn gids.

Geluidhinder

Date 17 september 2010

In de komende raadsvergadering komt de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) ter sprake. Daarin wordt het verbod op geluidhinder beperkt tot dat van privéfeesten en vrachtauto’s, terwijl momenteel ook nog geluidhinder door ‘toestellen of geluidsapparaten’ niet toegestaan is. Als argument voor dit ontzien van veel geluidsoverlast wordt deregulering aangevoerd, een rechtse hobby die erop neerkomt dat je geen beleid gaat maken voor zaken waar je geen last van hebt of die niet van toepassing zijn. In veel gevallen is deregulering terecht. Waarom verbieden dat mensen de straat schuin oversteken als niemand zich daaraan stoort en het geen extra gevaar oplevert? Waarom het carbidschieten verbieden als toch al niemand dat doet? In het geval van geluidhinder gaan de samenstellers van deze APV er kennelijk van uit dat niemand last heeft van ‘toestellen of geluidapparaten’ zoals bladblazers, heggenscharen en andere in tuinen bedreven hobby’s zoals muziek spelen en planken schuren. Als ander argument om verbodsregels af te schaffen hoor je vaak aanvoeren dat het niet handhaafbaar is. Een kulargument, want als je het principe ‘de vervuiler betaalt’ volgt, moet die handhaving zichzelf kunnen terugverdienen als hogere overheden daarin meewerken. Zeg dan gewoon dat je niet wil handhaven, dat is eerlijker.

In het centrum van Oldegeppel moet je wellicht met je oren op de grond liggen luisteren om de paarden van vergelegen buren te horen. Maar hier in de wijk Graasland staan de huizen een tikje dichter op elkaar, wat erop neerkomt dat je in sommige jaargetijden continu in de herrie zit. Tot op zekere hoogte is dat onvermijdelijk, maar je moet er wel wat van kunnen zeggen als het een en ander hinderlijk uit de hand loopt, en dan weten dat de gemeente achter je staat. Hier ligt dus een mooie taak voor mij, en tot nog toe heeft die geresulteerd in een amendement waarin ik voorstel om het betreffende artikel ‘zodanig aan te passen dat hierin het artikel 4:6a uit de Modelverordening van de VNG worden opgenomen (…). Het is verboden (…) in de openlucht een geluidsapparaat, een (recreatie)toestel of een (bouw)machine in werking te hebben op een zodanige wijze dat voor een omwonende of overigens voor de omgeving (geluid)hinder wordt veroorzaakt (…)’ Dat komt dus volgende week dinsdag in de raad, en ik zal wijzen op onze hectische 24/7-samenleving en de toenemende overlast van de A27.

Want laten we eerlijk zijn: we kunnen weinig meer doen zonder kabaal te maken. Bovenaan mijn ranglijst van herrieschoppers staan bij mij de RAVO’s. Zo noem ik die schoonmaakwagentjes, waarmee vriend en ik al in de jaren negentig kennismaakten. Vaak zaten we op het marktplein van Harderwijk nog heerlijk op het terras te eten toen zo’n wagentje met zijn pokkeherrie om ons heen kwam bezemen, zuigen, blazen en wat niet al. Tot vandaag de dag is er weinig aan gedaan om wat stiller te werk te gaan, want ook hier in winkelcentrum Oosterweide wordt er klokslag winkelsluiting uitgerukt met zo’n wagentje dat begeleid wordt door gehoorbeschermd personeel met bladerblazers die je tot halverwege de wijk kan horen loeien. Het gekke is dat ik het ook iets zieligs vind hebben, omdat het zo overdone is allemaal. Zoals die achterbuurman, die met veel herrie minuten bezig is geweest met het moeizaam verplaatsen van drie boomblaadjes… Echt gezien! En nu heb ik het nog niet eens gehad over lang bulderdenderende vliegtuigen die per stuk toch gauw door zo’n miljoen mensen al dan niet bewust gehoord moeten worden. Of over die macho motorrijders die je nog kilometers in de omtrek hoort en die zich wat mij betreft te pletter mogen rijden. Als je kabaal wil maken, doe het dan in je eigen iPod, maar val een ander er niet mee lastig! Wie houdt er nog van de stilte? De meeste mensen zijn er eigenlijk bang voor. Je zou je eigen hartslag wel eens kunnen horen…

Humor

Date 10 september 2010

Mahakashyapa had het door. Die glimlachte alleen maar toen Boeddha zweeg en alleen een bloem liet zien. Want waarheid is uiteindelijk niet in woorden uit te drukken, en in het enkele geval dat dat wel een beetje lukt blijft er een voor de meeste mensen abstract beeld over waar ze weinig mee kunnen. Dat alles één is leeft alleen maar voor hen die ervan hebben geproefd, maar zal door anderen begroet worden met de opmerking dat dit heel aardig klinkt maar verder zo vaag en nietszeggend is dat hij of zij er niets mee kan. Uiteindelijk zit alles heel anders in elkaar dan wat religieuzen en wetenschappers na duizenden jaren ploeteren hebben ontdekt. Want dan vinden ze uiteindelijk een natuurwet, en dan blijkt bijvoorbeeld de wereld van de kwantummechanica niet mee te doen. Zo is er altijd wel een spelbreker die alles weer op zijn kop zet.

Dat is humor. Dat gaat altijd over het uitglijden van pretenties, van het ego en daarom is het verlichtend. Daarom is humor de kern van spiritualiteit. Een stille guitige, wellicht voor velen ondoorgrondelijke glimlach die je in je hart meedraagt. De optimale relativiteit van alles. Je denkt de oplossing van een groot vraagstuk gevonden te hebben en die wordt dan, bij voorkeur door iets kleins dat je over het hoofd hebt gezien, totaal onderuit gehaald. Je had weer eens iets bedacht en opnieuw blijk je niet echt logisch bezig te zijn geweest, heb je niet opgelet. Of nog beter: je dacht met logica iets opgelost te hebben, maar vergat dat ook geloof in logica een geloof is dat niet altijd met de feiten in overeenstemming hoeft te zijn. Feiten die je eigenlijk niet kunt beschrijven omdat je ze met elke kwaliteit die je hen toedicht tekort doet.

Verlichting heeft niet alleen met licht te maken, maar ook met licht. Elke zwaarte is weggenomen, en dat gebeurt door humor en dat lucht op. Ook afgelopen nacht droomde ik weer dat ik kon vliegen en dat dat zo ontzettend eenvoudig was, je moest alleen de kneep ervan even doorhebben. In mijn dromen ben ik verlicht en ik laat me graag leiden door mijn dromen. In wat voor werelden die dromen zich ook afspelen, ik houd van ze. Omdat ze mijn ankers zijn, en een hoger realiteitsgehalte lijken te hebben dan veel van wat er in de zogenaamde echtheid van de dagelijkse werkelijkheid lijkt te gebeuren. De meeste mensen dromen niet ’s nachts maar overdag. Ik ook, en ik hou er niet van om zogenaamd wakker te worden. Want dan kom ik weer terecht in die wereld waarin alles een rotzooitje is, en waarin dat waarschijnlijk ook altijd zo zal blijven. Maar uit mijn dromen heb ik de humor meegenomen, zodat ik ervan kan genieten dat dit niet ideale ideaal is.

Zonder last

Date 4 september 2010

Piet Hein Donner heeft de drie ‘dissidenten’ Klink, Koppejan en Ferrier binnen het CDA gevraagd zich te binden aan de uitkomst van het CDA-congres. Zeker voor iemand die rechten heeft gestudeerd is dat heel merkwaardig, want Donner zou moeten weten dat dat helemaal niet kan. Volksvertegenwoordigers worden geacht ‘zonder last’ te stemmen, maar daar lijkt deze ex-minister van Justitie niets van af te weten. Waarmee deze keurige gereformeerde heer ook zelf een beetje dissident lijkt. Volgens Wikipedia betekent ‘zonder last’ dat ‘een volksvertegenwoordiger zich niet mag laten opdragen in een stemming een bepaald standpunt in te nemen. De vertegenwoordiger moet op basis van eigen inzicht en overtuiging een oordeel vellen.’ Het is dus niet verplicht om een partijstandpunt te volgen als je het daar niet mee eens bent. Je bent onder andere om je eigen inzichten en overtuigingen bij een partij gekomen, maar daar eenmaal gearriveerd blijf je vrij. Dat is heilig in onze democratie, net als een zekere immuniteit. Zo staat in de Gemeentewet te lezen (artikel 22): ‘De leden van het gemeentebestuur en andere personen die deelnemen aan de beraadslaging kunnen niet in rechte worden vervolgd of aangesproken voor dan wel worden verplicht getuigenis af te leggen als bedoeld in artikel 165, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering over hetgeen zij in de vergadering van de raad hebben gezegd of aan de raad schriftelijk hebben overgelegd.’ Vandaar dat het voor volksvertegenwoordigers zo gemakkelijk is om zomaar wat te roepen…

De oorzaak van het stemmen ‘zonder last of ruggespraak’ ligt in de onwerkbaarheid die ontstaat als elke volksvertegenwoordiger eerst zijn fractie of partij moet raadplegen voordat hij een stem uitbrengt. Wikipedia vertelt daarover dat in de tijd van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden afgevaardigden tijdens Statenvergaderingen steeds hun opdrachtgevers moesten raadplegen. Zodat er bijvoorbeeld in Friesland eerst naar 11 steden en 30 grietenijen (voorlopers van gemeenten) moest worden gereisd, waardoor besluitvorming niet echt opschoot. Vandaar de uitdrukking ‘op zijn elfendertigst’. Het werd volksvertegenwoordigers dus een stuk makkelijker gemaakt, en daarmee kregen ze ook meer vrijheid. Dat wordt natuurlijk niet altijd gewaardeerd, want het betekent dat elke vertegenwoordiger uiteindelijk zijn eigen weg kan gaan, zonder zich iets van partij- of coalitieafspraken aan te trekken. Artikel 27 van de Gemeentewet bestaat uit één korte regel: ‘De leden van de raad stemmen zonder last.’ Een volksvertegenwoordiger kan hooguit uit de partij worden gezet, en dat is het dan. Maar ook binnen onze raad heb ik wel eens gezien dat iemand van het CDA een fractiegenoot voor iedereen zichtbaar min of meer verbood om bepaalde meningen te ventileren. Dat kan dus helemaal niet. Dat de vorming van een nieuwe regering nu niet veel sneller gaat dan tijdens de Statenvergaderingen van toen, komt misschien ook omdat velen zich niets meer aantrekken van dat stemmen zonder last. Dat maakt het heel lastig!

Gewoon even niets

Date 2 september 2010

Even een kwartiertje op een bankje aan de Weesperzijde. Uitkijken over de Amstel. Sigaartje. Af en toe flitsen stil mensen voorbij, die zich vlijtig gezond trachten te joggen. Vraag me af wat ze horen in hun oordopjes. Ouderen roeien in een snelle boot voorbij, en ik herinner me ook nog een blauwe maandag geroeid te hebben in mijn studententijd. Misschien wel drie keer, ik weet het niet meer. Roeien was meer iets voor mijn vijf jaar oudere broer, die bij Nereus zat. Hij was ook lid van het corps en zo, echt ontgroend, en leefde toch een beetje in een andere wereld dan ik. Links van me zit op een bankje verderop een studente aantekeningen te maken op een klassieke blocnote met lijntjes. Massa’s studenten verzamelen zich in de gebouwen achter me, maar ze kijken niet allemaal even fris en uitgeslapen uit hun oogjes. De zon beschijnt me van achteren, wat raar aanvoelt omdat ik gewend ben dat de zon uit westelijke richtingen schijnt. Dan glijdt een plezierbootje voorbij over de nazomerse Amstel. Ik kijk voor me uit en voel me heerlijk leeg. Gewoon even niets.

Het is een zondige dag voor mij. Ik heb ook al een satékroket gegeten, wat altijd een kunst is omdat die voor je het weet als een slappe lul uit je handen glijden en dan nog vies doen ook. Maar ik vind ze lekker. Nee, met mijn sigaartje en die kroket moet ik niet aankomen in alternatieve kringen, die doen mijn spirituele imago geen goed. En alsof dat niet al genoeg is, ga ik ook nog met mijn mobieltje spelen. Dat vertelt me dat ik nu aan de overkant van de Amstel zit, wat op zich leuk is om te weten. Ik check mijn e-mail, en eigenlijk vind ik het juist rustgevend om hier en daar in mijn elektronische brievenbus te kijken. Dan heb ik minder hartkloppingen als ik thuis mail ga checken. In de politiek nog steeds onderhandelingen, hoewel die volgens mij hoe dan ook tot een Christen Democratische Afgang zullen leiden. Al bijna drie maanden, en dat noemen ze volwassen mensen… Na twee sigaartjes wandel ik verder langs de Amstel. Zoals gebruikelijk rijden brommers zowel op het fietspad als de rijbaan.

Ik druk gezagsgetrouw op het knopje dat me straks groen licht zal geven om over te steken. Wandel de Berlagebrug over. Ja, daar is dan het botenhuis van Nereus, dat er wat aftands uitziet. Amsteldijk. Eerst loop ik wat aan de kant van het Amstel die ik door woonboten en hun tuinen niet kan zien. Op gegeven moment wordt het fietspad zo smal dat ik liever oversteek, wat wel eng is omdat er soms hard wordt gereden. De Jozef Israëlskade straalt me met uitbundig groene boven het water hangende bomen prachtig tegemoet. Bouwvakkers bouwen steigers. Sterke mannen, die heel vroeg uit hun nest zijn gekomen. Ze zien er wat afgepeigerd uit. Zoals de meeste mensen. Het leven is niet gezond meer. Maar toch is alles goed op deze nazomermorgen. Ik heb gelezen dat filosofen zich druk maken over de zin en het doel van het leven. Niet alleen filosofen trouwens. De meeste mensen schijnen het heel erg te vinden als zou blijken dat alles zinloos en doelloos was. Terwijl dat juist het mooie van het leven is.

Niets boven Groningen

Date 25 augustus 2010

Er gaat niets boven Groningen. En dat is helemaal waar! We zijn er vorige week weer een paar dagen geweest, en net als vorige jaren geniet ik daar van de ontspannen en gemoedelijke sfeer, waar je hooguit één hufter per dag tegenkomt. Ik vroeg mij af of dat wellicht met de politieke aard van deze provincie te maken had, want ik weet niet beter of we bevinden ons hier in socialistische, zo niet communistische contreien. En linkse mensen zijn toch minder hard en streng voor elkaar en anderen dan rechtse mensen. ‘“Linksheid” en “talent” gaan nu eenmaal vaak samen,’ schrijft Jan Kuitenbrouwer in nrc.next van vandaag, en misschien is dat ook iets dat ik proef. Wat niet wil zeggen dat de mensen in deze stad allemaal links hebben gestemd, want het gaat eerder om een sfeer, iets dat in de grond en gebouwen bewaard is gebleven.

Deze keer zijn we in het Stripmuseum geweest, een van de weinige musea die niet aan het verbouwen zijn en die je daarom gewoon kunt bezoeken. Er gaat wat door je heen als je allemaal stripfiguren en boeken ziet, waar je al decennia lang niet meer aan hebt gedacht. Hoewel ik de Arend met Daan Durf op de voorpagina nog steeds nergens heb teruggevonden. Veel aandacht voor Jan Kruis, de auteur van Jan, Jans en de kinderen, die dit jaar de Marten Toonderprijs heeft gekregen. Er waren ook Peanuts, waarvan ik nog altijd een stripje zoek waarin Snoopy zijn hok niet uitdurft omdat hij bang is door een ijspegel aan de dakrand doorboord te worden. ‘Ik ben teveel ik om te sterven,’ mijmert hij. Wat leuk! Oude boeken van Sjors en Sjimmie. De eerste Kapitein Rob. De kleine boekjes van Dick Bos (die ik trouwens niet leuk vond).  De eerste Donald Duck uit 1952, waarin het beroemde verhaal Donald Duck als brandweerman, waaraan ik onlangs refereerde toen het tijdens een bijeenkomst met de Oldegeppelse brandweer ging over de opleiding van vrijwilligers. Niet iedereen begreep waarover ik het had (maar de burgemeester gniffelde), want te weinig mensen kennen hun klassieken. Daar horen strips zeker bij!

We hebben de Martinitoren beklommen. Nu er hekken zijn geplaatst die je beschermen tegen die mysterieuze zuigkracht van de diepte die ook wel hoogtevrees wordt genoemd, durfde ik wel! Eerst wurmden we ons 174 treden door nauwe wenteltrapjes naar de eerste trans op 40 meter hoogte. Prachtig uitzicht, waar je in het noorden de Waddenzee nog net niet kan zien. Na nog eens 77 treden belandden we achter het uurwerk op 56 meter hoogte. Daar stond een straffe koude wind, dus lang zijn we daar niet gebleven. In de toren hingen overal klokken, veel meer dan ik dacht, en ik moest er niet aan denken dat die zouden kunnen luiden terwijl je er zo dicht bij bent. Er was een klavier waarmee vroeger het carillon werd bespeeld, en een tamelijk klein mechanisme dat de wijzers van de klok de juiste tijd deed aanwijzen: stukjes mechanica waar je hart bij smelt bij het zien van de schoonheid van eenvoud en afwerking. Ja, dat kan me echt ontroeren, net zoals toen ik ooit in het Spoorwegmuseum oude locomotieven zag. Overigens vond ik dat klimmen erg meevallen, maar dat komt misschien ook omdat ik dagelijks thuis veel oefen door voor het allerkleinste wissewasje al als een eekhoorn over de trap op en neer te roetsjen.

We hebben gegeten in het Pannekoekschip en Het Pakhuis. En in De Pintelier hadden ze zowel Kasteelbier voor Vriend als donkere Leffe voor mij. Op al die plekken zaten we vaak tussen veel jonge mensen, want vorige week was de KEI-week, de Kennismakings- en Introductieweek voor aankomende studenten. Dan trekken KEI-groepjes door de stad om die in alle facetten te leren kennen. Het bier vloeit rijkelijk tot vroeg in de morgen, zodat tot het middaguur de stad heel stil is omdat nergens een student te bekennen is. De Grote Markt werd om de halve dag verbouwd omdat er nu eens een muziektent moest staan, maar later weer een strandje werd gecreëerd voor beachvolleybal en om te loungen, zodat ik eindelijk weet hoe je dat doet. Kijkend naar al die eerstejaars realiseerde ik me wat een geweldige overgang het is om van scholier opeens student te worden, en kon ik me voorstellen dat sommigen het nauwelijks kunnen behappen om vanuit ouderlijke vleugels opeens op je eigen zelfstandigheid te worden geworpen. Als dat maar goed gaat, denk ik dan wel eens bij het aanschouwen van waterige kateroogjes. En het gaat natuurlijk niet altijd goed, en Groningen is niet altijd positief in het nieuws, zoals blijkt uit de veelbesproken hiv-zaak en het feit dat er soms mensen van de Martinitoren sprongen. Het is dat ik me hier in Oldegeppel uitstekend op mijn plek voel, maar anders zou ik er graag wonen. Ook om de geweldig mooie gebouwen, zoals die van de Rijksuniversiteit aan de Broerstraat. Er gaat niets boven Groningen.

Homopaaltjes

Date 14 augustus 2010

Wat heerlijk toch dat homo’s nu hun eigen plekjes krijgen! Plekjes voor vlekjes. Nu ook in het Kralingse Bos in Rotterdam. Om lekker in de open lucht van alles met elkaar te doen. Eigen pretparken waar ze allemaal dingen mogen die God en Allah verboden hebben. De spanning van het zien van zondigheid en het gezien worden van je eigen ondeugd. Heerlijk is dat, net als stiekem met een vriendje in een portiek staan te rotzooien, wetende dat je elk moment betrapt kunt worden in je toegeeflijkheid van voor anderen onnatuurlijke maar voor jezelf uiterst natuurlijke behoeften. Wat worden wij homo’s toch verwend! We hoeven alleen maar de paaltjes te volgen en komen vanzelf in ons stoeiparadijs terecht. Dat de voetjes op de pictogrammen van de paaltjes – twee omhoog tussen twee omlaag – kennelijk door onervaren ambtenaren zijn gemaakt, mag ons niet deren, want we doen het heus wel op onze eigen manier.

Max nam me wel eens mee naar zo’n park of een sauna. Het heeft hem uiteindelijk zijn leven gekost, maar hij is nooit haatdragend geweest naar de knaap die hem aan de toen nog geheid dodelijke ziekte heeft geholpen. Dat was jaren negentig, toen F7 niet alleen ‘einde’ betekende in WordPerfect, maar ook de locatie van de aidsafdeling in het AMC aangaf. En toen ik daar op die halfdonkere afdeling afscheid van hem nam, zei ik toch nog automatisch ‘Tot ziens’ bij een laatste wuiven. Ja, hij cruiste er vrolijk op los en had er tot zijn laatste snik weinig spijt van. Maar het was niks voor mij. Waarom weet ik niet, hoewel dat misschien wel mijn redding is geweest toen. Misschien deed het me zo weinig omdat ik het allemaal zo weinig romantisch, zo aards, zo fantasieloos, zo weinig erotisch vond. Erotiek is iets dat ik door mijn hele lichaam wil voelen tintelen, van mijn tenen tot in mijn vingertoppen. Klaarkomen is iets dat mijn hele lijf moet verbranden, en zich niet moet beperken tot een ontladende ontspanning in mijn kruis. Dat is misschien waarom ik me wat verveelde in het park, de sauna en bij het bekijken van porno.

Sommige mensen doen daar moeilijk over. Zelfs hier in Oldegeppel vinden sommige bestuurders het geen prettig idee dat bij het strandje homo’s tussen de struiken kunnen rotzooien. Ze moeten immers hun hond rustig kunnen uitlaten zonder met al die vrijheid en blijheid geconfronteerd te worden. Nou zou ik persoonlijk het niet op een hondenuitlaatplek willen doen, en wellicht stellen ook andere homo’s geen prijs op hondenbezoek – je moet toch niet denken aan zo’n hijgende lap tong over je heen! Dus die jongens zullen heus niet op die hondenroutes de liefde gaan bedrijven. Je moet echt je best doen om er last van te hebben, dus echt snappen doe ik die kritiek niet. Afijn, dat pleit weer voor de VVD, die vrijheid in haar vaandel heeft staan en alles doet voor homo-emancipatie.

Maar eigenlijk ben ik tegen die paaltjes. En dat niet alleen omdat het potenrammers de weg wijst, maar ook omdat het avontuur daarmee ook verdwijnt. Bovendien wil ik als homo helemaal niet voor paal staan! Het is toch van de gekke dat mensen in de natuur niet natuurlijk mogen zijn? Een eeuw geleden kwam Oldegeppel in opstand tegen de christenanarchisten die het zomaar waagden om in hun commune naakt te lopen! Het is toch de wereld op zijn kop als de mensen die kleren aantrekken anderen gaan verplichten om dat ook te doen? En dat we ondanks alle seksuele revoluties nog altijd moeilijk doen over van alles dat met seks te maken kan hebben? Waarom niet genieten, meeleven en blij zijn om een vrijend stel mensen als je dit tegen het lijf loopt? Geweld en oorlog, criminaliteit en marteling, honger en epidemieën zijn nog wel te verhapstukken. Maar niets lijkt zo erg als met liefde geconfronteerd te worden.