7 juni 2011
Toen we het over tijd hadden wees Sandra ons op de documentaire Killing Time, die op 7 april 2008 door Noorderlicht is uitgezonden. Hierin legt astrofysicus Julian Barbour uit dat tijd eigenlijk helemaal niet bestaat, een illusie is. Tijd is ‘bedacht door het brein’ om de wereld te kunnen interpreteren, en wat we meten is in feite niets meer dan de verschillen die er tussen verschillende nu’s zijn. Want alleen nu’s bestaan, zodat tijd niet iets lineairs of vloeiends is, geen ‘rivier van tijd’ zoals Newton dat voorstelde. ‘Niet alleen alles uit het verleden is er, en alles wat wij ouderwets lineair de toekomst noemen,’ zegt Barbour, ‘maar ook talloze andere mogelijkheden. Een eindeloos scala aan mogelijkheden, allemaal tegelijk.’ Ik heb wel eens vaker gehoord dat zich dat allemaal in een oneindig aantal parallelle universa afspeelt, maar mijn voorstellingsvermogen is toch iets te beperkt om die oneindigheid te kunnen bevatten. Hoe alles tegelijk gebeurt illustreert Barbour door alle nu’s, in de vorm van polaroidfoto’s die tijdens de opnames van deze documentaire zijn gemaakt, over de tafel uit te spreiden.
Ik vind dat een mooi beeld omdat het mooi aansluit bij iets wat ik soms bij tijd beleef. Namelijk dat het verleden er gewoon is. Waarom zou het verleden minder echt, minder waar, minder reëel zijn dan het nu? En wellicht zijn beelden die wij over de toekomst hebben, zoals verwachtingen en idealen, ook wel heel concreet aanwezig in één van die parallelle werelden waarmee we op de een of andere wijze in contact komen. Uiteraard nemen onze zintuigen niet alles tegelijk waar – daar zouden we een beetje gek van worden – zodat de noodzaak ontstond om in een illusie te leven van een hier dat alleen ons eigen plekje zou zijn en een nu dat alleen het huidige moment zou omvatten. Woorden schieten tekort, want ik zei ‘ontstond’, en Barbour sprak van ‘bedacht’ en dat zijn werkwoorden, processen die op zich weer tijd veronderstellen. Zonder tijd kan niet iets ontstaan en kun je niet iets bedenken. Maar hoe kan tijd uit het tijdloze ontstaan? Wellicht is het inderdaad handiger om te concluderen dat tijd gewoon niet bestaat, en volgens Barbour is dat de manier om de kleinschalige kwantummechanica en de grootschalige relativiteitstheorie met elkaar te verzoenen.
En nu we toch bezig zijn en ontkennen dat tijd bestaat, moeten we dat ook maar voor de ruimte doen. Ruimte suggereert dat iets ergens anders kan zijn, niet hier. Ruimte suggereert dat dingen verschillend kunnen zijn, los van elkaar kunnen staan. Als er geen ruimte is valt alles samen. Heeft alles niet eens met al het andere te maken, omdat het gewoon al dat andere ook is. In echte eenheid is geen relatie meer mogelijk omdat het ene niet verschilt van het andere. Als tijd en ruimte niet bestaan is het holistische wereldbeeld nog maar een zwak stuntelig aftreksel van de onvoorstelbare realiteit waar geen plaats voor ruimte en geen ogenblik voor tijd is weggelegd. Wellicht zitten we hier bij de wortels van het verschil tussen realisme en idealisme. Realisten geloven in wat onze zintuigen waarnemen. In de illusie van tijd, en daarmee in oorzakelijkheid, causale verbanden, bewijsbaarheid, empirie. Idealisten weten dat er meer is tussen hemel en aarde. Dat hun idealen geen fantasieën zijn, maar mogelijkheden die in andere parallelle werelden allang realiteit zijn.
Zo ontdekt de wetenschap wat visionairs en mystici al millennia lang weten. Bijvoorbeeld dat tijd een illusie is. Dat tijd stil kan staan, ofwel eigenlijk niet bestaat. Dat er alleen eeuwigheid is, ofwel alles eigenlijk een groot nu is. Hoewel in het praktische leven kennelijk de illusie van tijd nodig is, betekent dat nog niet dat we dan maar moeten geloven dat het ook echt bestaat. Net zoals het voor een toneelspeler niet best is als hij vergeet dat hij een rol speelt, misleid je jezelf als je de werkelijkheid in stukjes tijd en ruimte verknipt om vervolgens je eigen knipseltjes als de enige echte werkelijkheid te blijven beschouwen. Want zoals er in de ruimte plekken bestaan die je niet direct kan zien, gebeuren er ook dingen die we in het beperkte nu niet waarnemen en die we voor het gemak maar verleden of toekomst noemen. Ja, het kost kennelijk even tijd om te ontdekken dat tijd niet bestaat. Maar als je daar niet de tijd voor neemt zal je ook nooit ontdekken dat er geen tijd is.
Gepost in Psychologie, Spiritualiteit
4 reacties »
2 juni 2011
Mijn hemel. Op een tropisch eiland lekker liggen luieren. Een rum-cola naast me, staren naar de mensen en de zee. De zon die mijn lome lijf verguldt. En verder helemaal niks. Dat is mijn paradijs. En niet van mij alleen. Gewoon genieten van het hier en nu, niets hoeven. Dat is geluk. Dat is waarvoor wij hier op aarde zijn. Om onszelf te bevrijden van het moeten, het willen, het doen, het voortdurende bezig zijn. Daarom ben ik ook een fel tegenstander van het arbeidsethos, want dat propageert het werken voor een doel, voor iets anders, voor de toekomst, voor een ander, voor de economie. De verheerlijking van de arbeid is dan ook vaak een groot struikelblok geweest in mijn omarming van het socialisme. Omdat arbeid helemaal niet adelt maar ons bindt aan de aarde, aan materie en aan geld, en ons allesbehalve in het hier en nu doet leven.
‘Eerst je school afmaken,’ zei mijn moeder, mijn smachten naar ongebreidelde creativiteit en expressie vooruitschuivend als wat tegenwoordig een linkse hobby heet. Want daarna moest ik eerst mijn studie afmaken. En daarna moest ik eerst een baan vinden. En daarna moest ik eerst een gezin stichten. En daarna moest ik eerst voor kinderen zorgen. En zo blijf je dus bezig met rechtse hobby’s als aan de slag blijven, werken, iets doen voor de kost, knokken, vechten en doorpakken. Ergo: nooit toekomen aan dat waar het leven voor bedoeld is: het paradijs vinden in het hier en nu, gewoon genieten van het leven, lanterfanten. Het calvinistische arbeidsethos is voor mij dan ook alles behalve spiritueel te noemen. Ja, dat stelt zelfs alles in het werk om te voorkomen dat je het geluk in jezelf vindt. Stel je voor! Dan kunnen we alle bijbels wel in de papierversnipperaar doen en dominees in de bijstand stoppen.
Laat mij maar lekker slenteren langs lange stranden. Ja, natuurlijk moet er brood op de plank, maar het echte brood, het echte werken ontspringt alleen uit spontaniteit. Het ideaal van het nietsdoen wordt vaak bestreden met het argument dat er helemaal niets gebeurt als je maar een beetje in je zwemslip ligt te luieren en met het mulle zand ligt te spelen. Maar dat is onzin, want pas dan en alleen pas dan borrelen in je lijf en ziel juist die dingen op die echt willen en moeten gebeuren. Het echte werk kan alleen ontspringen uit de bron van het nietsdoen, van ontspanning, van acceptatie. Alleen werk dat helemaal vanuit je eigen bron gebeurt – en dat is voor mij per definitie creativiteit – heeft kwaliteit, is waardevol. De rest is namaak, geforceerd, onbezield. Iets doen of maken alleen maar omdat het moet of omdat het zo hoort of omdat je anders niet overleeft. Maar wat is leven zonder ziel, leven alleen om te werken? Echt goed werk is niet iets dat je doet, maar iets dat je niet kan nalaten.
Mijn hemel. Die is er gewoon al. Het idee dat we niet al lang in de hemel leven is ons aangepraat door priesters en politici, bij wie het altijd weer meer en beter kan. Ik hoef dan ook helemaal niet naar de hemel te varen, omdat ik allang in dat heerlijke zinloze Niets ben. Het is alleen een kwestie van goed opletten. Even alle oordelen opzij zetten en gewoon om je heen kijken. Het strand, het zand, de schelpen, de zee, de blauwe lucht, de felle zon – aarde, water, lucht en vuur zijn al overal om je heen. Alles is allang compleet zoals het is. De hemel is allang op aarde.
Ja, ik weet het. Er zijn mensen die daar heel anders over denken. Maar toch is het mijn overtuiging dat het godslastering en arrogantie is om te beweren dat er ergens in de kosmos ook maar iets gebeurt dat niet goed, lelijk of verkeerd zou zijn. Want dat het een rotzooitje is, is ook maar bedacht, ingefluisterd door een stemmetje dat graag zegt dat iets anders zou moeten zijn als het is. Er is immers nog steeds lijden en pijn! Maar zijn dat ook niet oordelen, illusies? Hoe relatief is pijn als je van zweepslagen kan genieten? Hoe beheersbaar is verbranden als je over gloeiende kolen kunt lopen? Hoe erg is honger als je geniet van het knorrende gevoel in je maag bij het afvallen? Hoe uitputtend is pijn als je afziet voor sportieve prestaties? Bestaat pijn eigenlijk wel? Wat blijft ervan over als je het accepteert, als je je weerstand ertegen verliest en de pijn gewoon pijn laat zijn? Geldt niet ook hier dat uiteindelijk alleen het hier en nu verlossing brengt? Wellicht zal ik zelf op de stoel bij de tandarts ook vragen om mij deze tekst nog eens voor te lezen, maar dat zegt meer iets over mij dan over het waarheidsgehalte van deze woorden.
Mijn hemel. Natuurlijk ga ik me op gegeven moment vervelen. Dat snap ik trouwens nooit bij al die verhalen die over de hemel worden verteld. Alsof daar eeuwig altijd alles goed zou zijn en je daar nooit genoeg van krijgt. Maagden in overvloed. Engelengezang dat je je oren uitkomt. Wolven en schapen die het met elkaar doen. Dat kan een tijdje leuk zijn, maar heeft iemand er ooit bij stilgestaan hoe lang dat eeuwige eigenlijk duurt? Want dat duurt zo lang, dat je op gegeven moment er alles voor over hebt om in godsnaam weer terug te mogen naar de aarde! Waar je dan begint te ontdekken dat je de hemel nooit zult vinden als je hem niet in jezelf vindt. Dat je voor je geluk geen voorwaarden aan anderen en je omgeving kan stellen. Dat het dan niets meer uitmaakt waar je bent, omdat gelukkig zijn jouw keuze is voor een zieletoestand. Dat je zelfs middenin een ellendige wereld voor je eigen hemel mag opkomen, voor geluk durft te kiezen, van het leven mag genieten. Opdat er tenminste van jou iets van een licht, van een andere wereld uitstraalt dat uiteindelijk het enige is dat een mens goed kan doen en dat mensen goed kan doen.
Na deze mooie woorden geschreven te hebben ga ik nu even lekker de tuin in. In de zon. Wellicht onder hevig gekwetter van ruziënde vogels in de kastanje. In steek een sigaartje op en zie dat het goed is. Dan ben ik even God en hoef ik niet naar de hemel te varen omdat ik daar allang ben.
Gepost in Maatschappij en politiek, Spiritualiteit
13 reacties »
25 mei 2011
Een zonnige winderige zondag in Zandvoort. Vloedgolfjes dreigen mijn schoenen te omspoelen. Kwallen en schuim op het strand. Mijn sigaartje wil niet trekken. Dan maar terug naar Mango, de Cubaanse strandtent nummer 19, waar ik buiten op een luie bank wat uit de wind kan zitten niksen. Chillen noemen ze dat tegenwoordig, geloof ik. Al snel beland ik met iemand in een gesprek over privatisering. Tegen de deur wappert een gele vlag met daarop wereldbol die op een tafel ligt, het logo van Mensa. Dit is een dag voor zestien nieuwe leden, waarvan ik er eentje ben.
Op de website www.mensa.nl noemt deze vereniging zich The International High IQ Society. Wat zijn dat nou voor mensen? Dat klinkt allemaal een beetje wereldvreemd, vanuit de hoogte, elitair. Zie ons eens! Maar uit pure nieuwsgierigheid heb ik mij toch onderworpen aan hun vuurproef om lid te worden en toegang te krijgen tot dit merkwaardige verenigingsleven. En waarlijk, mijn hersens zijn niet te licht bevonden, zodat ik me nu officieel hoogbegaafd mag noemen! Dus ook lid worden van deze club! Spannend hoor! Waar heb ik me nu weer in gestort? Alsof ik het met Real Life en Second Life niet al druk genoeg heb, begin ik nu ook nog eens een derde leven! Waarom moet ik nu opeens zo nodig? Misschien omdat de wereld om me heen de laatste tijd steeds dommer lijkt te worden, en ik me werkelijk begin af te vragen of er nou iets met mij of juist met die anderen aan de hand is. En ook omdat ik een donkerbruin vermoeden kreeg dat Mensa wel eens iets totaal anders zoud kunnen zijn dan wat je je meestal voorstelt bij een club van knappe koppen.
In deze hippyachtige strandtent zitten we gemoedelijk bij elkaar. Na een welkomstwoord worden we ingewijd in de geheimen van deze internationale vereniging die over de hele wereld zo’n 110.000 en in Nederland een dikke 4.000 leden telt. De powerpointdia’s vertellen ons niet alleen over activiteiten die worden georganiseerd, maar ook welke vooroordelen er over hoogbegaafden bestaan. Volgens velen zijn ze contactgestoord. Hebben vaak conflicten. Zijn hoog opgeleid in een bètarichting. Voelen zich verheven boven anderen. Snappen alles. Maken geen fouten. En zijn niet (echt) gelukkig. Dat is allemaal dus meestal niet waar! Evenmin als wat in het onderwijs vaak gedacht wordt: die redden zich toch wel! Nee dus. Ze zitten zich vaak in de klas te vervelen, en presteren daardoor middelmatig, met alle gevolgen van dien. Vooroordelen. Het gevaar ervan is dat je er zelf ook in gelooft, en dat gebeurt al te vaak zolang je het niet bij jezelf als een nuchter feit hebt geconstateerd en geaccepteerd.
Maar wat zijn hoogbegaafden dan wel, afgezien van een hoge IQ-score? We ‘hebben een grote variëteit aan interesses,’ wordt ons verteld. ‘Kunnen buiten vaste kaders denken (groot denkraam), hebben een sterk geheugen, zijn nieuwsgierig, kunnen ‘onzichtbare’ verbanden leggen en kunnen snel schakelen.’ Het meeste ervan herken ik wel. Zoals het leggen van die rare verbanden en associaties, die voor anderen vaak onnavolgbaar zijn. En voor mezelf ook trouwens. Maar het roept wel de vraag op wat dit alles nu te maken heeft met het gegeven dat het enige dat we met zijn allen delen het feit is dat we een beetje gunstig door een intelligentietest zijn gekomen. Zelf heb ik de indruk dat intelligentie boven een bepaald niveau kennelijk een soort omslagpunt bereikt: in plaats van meer en sneller te denken, ga je anders denken, wellicht door meer verbindingen tussen je linker- en rechter hersenhelft waardoor het beeldende, associatieve en intuïtieve een grotere rol gaat spelen.
Wat ik niet herken is dat ik een sterk geheugen zou hebben, maar dat zal wel te maken hebben met de Maan in Ram in mijn horoscoop. Op school was het leren van rijtjes en feitjes nooit mijn beste kant (tenzij het me interesseerde), en ook ben ik slecht in het onthouden van namen van mensen, daar moet ik echt goed mijn best voor doen. Met die namen gaan we trouwens spelen op deze middag, want we krijgen een papier uitgereikt met cryptische omschrijvingen van onze achternamen met de opdracht er dan de juiste namen van elkaar bij te zoeken. We houden nu eenmaal van puzzelen, en zo lopen we steeds door elkaar heen om peinzende blikken op elkaars badges te werpen. Ben jij misschien de homo avis? Vang jij veel wind? Of ben je een vorstelijk pleintje? Uiteindelijk wist ik toch ongeveer de helft van de namen met de omschrijvingen te matchen. Het is gewoon leuk puzzelen zonder competitie, want na afloop is eigenlijk niemand geïnteresseerd in wie nou de meeste namen goed heeft.
Tijd voor kringgesprekken, waarin iedereen wat over zichzelf vertelt. Sommigen hebben het moeilijk met hun hoogbegaafdheid, want dat kan ook een handicap zijn en velen voelen dat ook echt zo. Je wordt niet altijd begrepen, en oplossingen die jij aandraagt gaan voor anderen vaak veel bruggen te ver. Zelf vertel ik dat het eigenlijk heel belangrijk is dat de intelligensia eens uit de kast komt, zeker in ons land waar van alles wat boven het maaiveld uitsteekt de kop wordt afgehakt. Veel vooroordelen over hoogbegaafdheid moeten uit de weg worden geruimd, want het is iets totaal anders dan de meeste mensen denken. Maar ik heb het er zelf ook moeilijk mee. ‘Maar het zal wel lukken,’ grap ik. ‘Ik ben homo en heb dus al ervaring met uit de kast komen.’ Ja, ik zal er een weblogje over schrijven, maar zie mezelf nog niet mijn IQ op een visitekaartje drukken zoals sommige Amerikanen doen. Toon je je kaartje met een IQ van 137 en dan krijg je van de ander een kaartje met een van 138 terug… dat lijkt me niks. Wat niet betekent dat je niet blij en trots mag zijn op je gave, zoals anderen dat zijn op een goed sportief lijf of het componeren van mooie muziek, en dat koesteren en trainen.
Dan is er een borrel, waarbij ons verteld wordt dat het in onze kringen niet gebruikelijk is dat men rondjes geeft, want dat zou verplichtend kunnen zijn voor de minder draagkrachtigen onder ons. Daar lijkt me niks mis mee, net zoals met het gebruik dat alle bijeenkomsten goed bereikbaar moeten zijn met het openbaar vervoer. Niet alle mensalen, zoals we onszelf noemen, zijn rijk en hebben een auto. Intussen zijn we een beetje aan elkaar en aan de sfeer gewend. Niemand vindt een ander vreemd of gek en dat geeft een relaxt gevoel van vertrouwdheid, thuis zijn, juist omdat iedereen zo gewoon is. Arm en rijk, studerend en zelfstandig, jong en oud, man en vrouw. Met hobby’s als schieten, motorrijden, geocaching en gewoon spelletjes spelen, zit iedereen gemoedelijk bij elkaar en niemand voelt zich geremd om een beetje afwijkend te doen. In een studentikoze sfeer is het bijna verplicht voor een ieder om zichzelf te zijn en te blijven. Er is dan ook weinig etiquette onder deze, eh… ons vrijdenkers. Inmiddels raak ik in gesprek met iemand die net als ik niet tegen harde geluiden kan, waarmee ook hier opnieuw opvalt dat hoogbegaafdheid vaak gepaard gaat met een verhoogde zintuiglijke gevoeligheid.
Als je zelf niet weet dat je hoogbegaafd bent, ben je eerder geneigd om jezelf ‘normaal’ en anderen ‘dom’ te vinden. Maar als je dat wel van jezelf durft te zeggen en te accepteren betekent dat ook dat je de anderen niet meer ‘dom’ maar gewoon ‘normaal’ vindt. In de praktijk komt het erop neer dat je meer geduld opbrengt om iets uit te leggen en het niet laat bij drie woorden waarmee de ander het dan maar moet doen. En dat je meer geduld opbrengt om naar eindeloze betogen te luisteren terwijl je allang weet wat er bedoeld wordt. Niet iedereen vindt ‘anders zijn’ leuk, wat zeker geldt als je je eigen afwijkende eigenschap of gedrag niet hebt geaccepteerd. Sommige mensalen doen dan ook hun uiterste best om te ontkennen dat ze hoogbegaafd zijn, waarover vaak grappen worden gemaakt. Een mogelijke hertest – die niet bestaat, want je blijft gewoon lid voor de rest van je leven – is voor veel van hen dan ook een nachtmerrie.
Dan is er gezamenlijk eten in de Zandvoortse strandtent. De een vertelt over de OV-chipkaart en de ander had ook in nrc.next gelezen over het boek Bullshit Management en gaat dat snel kopen. Een derde weet ook niet hoe het eten heet dat we op ons bord hebben, en een vierde die politicologie heeft gestudeerd denkt erover om ook maar rechten te gaan studeren, wat mij geen slecht idee lijkt. We drinken onze laatste glaasjes en dan is het weer tijd om op te stappen. Sommigen zitten naar de dienstregeling van de trein te kijken, maar dat ik niks voor mij. Na een afscheid wandel ik nog even naar de zee. Iets verderop strandtent 17 waar ons gezin in de jaren vijftig altijd neerstreek. Een leuke dag was het, in een fijne sfeer. Veel Waterman-energie eigenlijk: mentaal gericht, alternatief bezig en last but not least een wereldgrote groep van gelijkgestemden. Want het is een grote familie waar je geacht wordt elkaar met de voornamen aan te spreken en waar je via het internet van alles en nog veel meer met elkaar deelt. En zo voelt het ook. Heerlijk!
Gepost in Astrologie, Maatschappij en politiek, Psychologie, Uit mijn leven
2 reacties »
19 mei 2011
Doodmoe word ik soms van TNT Post. Er lag weer zo’n kaartje in de bus.
U heeft onvoldoende gefrankeeerde post ontvangen of verzonden.
Kennelijk weet TNT zelf niet meer of ik het heb ontvangen of verstuurd.
Wij begrijpen hoe belangrijk het is om post in goede orde te ontvangen, …
Was me niet opgevallen. Als het regent kan mijn post goed doorweekt zijn.
… daarom hebben wij het desbetreffende poststuk toch verzonden.
Sympathiek!
We verzoeken u de verschuldigde verzendkosten alsnog te betalen.
Verschuldigd? Heb ik iets te weinig gefrankeerd dan?
Met dit kaartje kunt u deze kosten snel en gemakkelijk betalen. Hoe u dat doet leest u op de achterzijde.
Maar over welke post gaat het nou eigenlijk? Iets tussen 20 en 50 gram begrijp ik, want ik moet volgens die achterzijde € 0,92 betalen. In postzegels of met een eenmalige machtiging.
Wilt u het poststuk eerst bekijken? Ga dan naar www.tntpost.nl/betalen.
Ik tik daar een betaalcode in, die later een postincidentnummer blijkt te heten, N01.110518.007589, en zie nog niks. O, ik moet de spatie in mijn postcode weghalen! Wow, daar zie ik de enveloppe: het gaat om een brief van het Alberdingk Thijm College aan iemand die mij totaal onbekend is. Een brief die ik ook bij mijn post aantref en die 13 gram weegt.
Bij binnenlandse post betaalt de ontvanger, bij post naar het buitenland betaalt de verzender.
Huh? Wie bepaalt dat? TNT sommeert me ongevraagd om aan mij ongefrankeerd verzonden post te betalen? Ik herinner me daarover geen afspraak met TNT.
Post ontvangen? U heeft inmiddels een poststuk ontvangen dat onvoldoende gefrankeerd is of u ontvangt dit poststuk binnenkort…
Dat weet ik inmiddels, lieve TNT, want ik ben naar jullie website geweest.
… op het onvoldoende gefrankeerde poststuk is een barcode sticker van TNT Post geplakt zodat u weet om welk poststuk het gaat.
Ja, dat van het Alberdingk Thijm College! En barcodesticker is één woord!
Post verstuurd?
Ja hoor eens, weet TNT nou zelf niet meer of ik post heb ontvangen of verstuurd?
Ontvangt u alleen dit kaartje?
Het is een los kaartje, niets aangehecht of zo. Wel vind ik tussen de rest van mijn post de brief die ik net op de website zag.
Dan heeft u een poststuk met onvoldoende frankering naar het buitenland verzonden.
Nee dus, want ik weet inmiddels om welke brief het gaat. Gelukkig maar dat ik niet teveel naar het buitenland stuur, want met deze mededeling zou ik echt niet meer weten waarover het ging.
PS: wilt u weten welke frankering juist is? U vindt een compleet overzicht van de tarieven op www.tntpost.nl.
Daar moeten ze dan zelf ook eens naar kijken, bijvoorbeeld voor brieven van 13 gram.
Handig, bijvoorbeeld voor uw volgende zending.
Ik maak voor verzending van De Vuurfakkel nog altijd elke twee maanden gebruik van uw diensten, heren! Nog!
Als dit nou de eerste keer was dat ik zo’n kaartje ontving zou ik er nu niet over schrijven. Maar het is structureel. Ik weiger principieel om te betalen voor post die ik ontvang – die moet TNT gewoon niet versturen of terugsturen naar de afzender. Ik doe zo’n kaartje dan ook ongefrankeerd en voorzien van mijn commentaar weer op de bus. In het begin helpt dat niet, zodat ik niet de indruk heb dat ze het lezen. Een paar jaar geleden was dat wel het geval, toen stonden twee TNT-mensen bij me op de stoep, die me probeerden uit te leggen dat ik de afzender was van de aan mij gestuurde post, of zoiets dat alleen maar een manager kan bedenken. Ze zijn afgedropen en ik heb daarna nooit meer iets van hen gehoord. Maar nu wordt het weer kaartjes en aanmaningen en zo verzamelen. Volgens mij hebben ze geen poot om op te staan bij dit soort vorderingen.
Dat post soms nat in de bus komt, dat ik de belastingaanslag van ex-coalitiegenootje Felice in mijn bus kreeg en dat de post op de meest onvoorspelbare tijden al dan niet wordt bezorgd, dat is allemaal nog wel te verteren. Maar dat hier zo’n kinderachtige heibel wordt gemaakt om € 0,46 omdat men niet eens het verschil tussen een ontvanger en een afzender weet, dat geeft echt te denken.
Gepost in Maatschappij en politiek
1 reactie »
14 mei 2011
In mijn jeugdige enthousiaste jaren heb ik indertijd ook vaak aan het eind van de belijdenis gepreveld te geloven in ‘de wederopstanding des vlezes en een eeuwig leven.’ Amen. Ja, ik deed een aantal jaren mee met de Hervormde Kerk, wat natuurlijk uitliep op onenigheid met de dominee. Na een felle brief van mij gaf hij me aan het eind van de dienst een hand, met de minzame mededeling dat we er nog wel eens over zouden praten. Inmiddels begrijp ik dat deze apotheose van de geloofsbelijdenis, de lichamelijke opstanding na de dood, niet een van de gemakkelijkste theologische twistpunten is.
Vanmorgen kwam ik in een internetforum over nondualisme, christendom en gnostiek opnieuw deze kwestie tegen. Iemand zegt dat de oorspronkelijke christenen op basis van de getuigenis van Johannes daar wel in geloofden, waarbij Paulus deze lichamelijke opstanding als een beloning voor gelovigheid in het vooruitzicht stelde. De gnostiek zou in latere tijd onder invloed van Griekse en Oosterse wijsheid een claim op het ware christendom hebben gelegd. Zelf geloof ik het omgekeerde, namelijk dat juist de kerkvaders de gnostiek in het oorspronkelijk christendom in de kiem trachtten te smoren. Want een gnosticus herkent en erkent namelijk god in zichzelf, en heeft daar helemaal geen kerk voor nodig. Niemand kan daar mooier over schrijven dan Jacob Slavenburg, wiens boeken en cursussen mij in deze opvatting hebben gesterkt. Kerk en gnostiek – wat voor mij heel dichtbij, zo niet identiek aan het non-dualisme is – zijn niet te verenigen: de eerste zal altijd de laatste blijven bestrijden, iets waarvan de wrede uitroeiing van de katharen in de dertiende eeuw door de troepen van Innocentius III afschuwelijk getuigt.
Maar eigenlijk vind ik de discussie over al dan niet lichamelijke wederopstanding nogal onbelangrijk. ‘Opstanding’ is voor mij synoniem met iets als verlichting, realisatie, ontwaken in waarheid, ultieme bevrijding, ofwel het hoogste dat er te bereiken valt. Noem het éénwording en/of versmelting met God of het bestaan, het doel van leven en evolutie – het zijn allemaal woorden die uiteindelijk naar dezelfde unio mystica verwijzen, iets waarvan Jezus al bij de zijn doop in de Jordaan heeft geproefd en wat hij met zijn kruisiging heeft gerealiseerd. Bhagwan maakt onderscheid tussen satori en samadhi, waarbij de eerste een niet-blijvende, en de tweede een blijvende verlichting betreft. Die twee worden vaak door elkaar gehaald, met als gevolg dat steeds meer mensen de verlichte gaan uithangen, terwijl ze alleen nog maar hebben geproefd van wat Ken Wilber de ‘one taste’ noemt. Met alle gevolgen en ongelukken van dien, want terwijl ze zelf nog leerling zijn laten ze zich als een spirituele meester aanbidden, en dat kan niet goed gaan.
Voor mij heeft het christendom altijd geculmineerd in de kruisiging op Goede Vrijdag. Niet op Kerstmis, noch op Pasen of Pinksteren, maar tijdens die kruisiging, de ultieme overgave en vernietiging van het ego – datgene dat ons onderscheidt van anderen en de wereld om ons heen, de droom dat wij een afzonderlijke entiteit zijn. Dat doe je niet zomaar, je laten kruisigen, dat is meer dan een masochistisch spelletje. Daarvoor moet je bezeten zijn van een piekervaring van satori, die jou niet meer loslaat. Net zoals je hart je hele leven gestuurd kan blijven door een concert van Mozart, de geur van seringen of de roep van een merel in de nacht, zo geef je je over aan de Geliefde die het Al is. Niet dat je echt fysiek dood hoeft om verlicht te raken, maar geen verlichte zal ontkennen dat hij of zij door een soort stervensproces is heengegaan. Voor mij is dit de ultieme wederopstanding, en dat hoeft niet opgesmukt te worden met een verhaal over een lichamelijk opstaan uit de doden. Want als je verlicht bent, ben je gewoon af. Er hoeft helemaal niets meer. Innerlijke stilte. Gewoon genieten van alles zoals het is. Geen verlangens meer. Eindelijk rust en vrede. Klaargekomen.
Zo, dat heb ik weer mooi gezegd allemaal. Maar ik ben wel blij dat ik daar af en toe van mag proeven.
Gepost in Spiritualiteit
1 reactie »
5 mei 2011
Vandaag is het twintig jaar geleden dat mijn moeder overleed. Op Bevrijdingsdag 1991. Alsof ze zelf die dag daarvoor had uitgekozen. Het was een zondag, en toen ik met een taxi opeens in de straat voor haar huis in Slotervaart stond, hingen bij de buren overal vlaggen te wapperen. Bevrijding! Verdriet, maar ook opluchting. Ze lag er vredig bij en ik aaide haar, en ik had volgens mijn dagboek voor het eerst in mijn leven het gevoel dat ik haar kon aaien. Wel een beetje laat eigenlijk.
Mijn relatie met mijn moeder was berucht in mijn vriendenkring. Daarin kleefde alles door dubbelheid aan elkaar. Ze hield ontzettend veel van me. Teveel dus. Geen wonder dat ik wat narcistische trekjes heb. Ze bewonderde me. En ze vocht ook voor me, bijvoorbeeld om me op een behoorlijke middelbare school te krijgen, wat volgens het schoolhoofd te hoog gegrepen voor me was. En last but not least was ze een overbezorgde en dominante moeder, die haar kinderen toch als een soort bezit beschouwde en ze niet kon loslaten. Ze had zich diep in mijn ziel genesteld en leek overal met me mee te kijken, waar ik ook was. Ze had een heilig geloof in pausen en psychiaters, en toen ik uit de kast kwam vond ze dat ik toch maar eens met een psychiater en een pater moest gaan praten. De eerste kon natuurlijk helemaal niets met mijn verhaal, zodat ik er geen enkele moeite mee had mijn moeder daarmee gerust te stellen. De tweede vroeg nog voordat het gesprek begonnen was of ik nog thuis woonde, want als dat zo was moest ik maar heel snel het huis uit. Gelukkig woonde ik toen al op Uilenstede. Op die studentencampus gingen nieuwe werelden van vrije seks en drugs voor me open, waarover mijn ouders zich niet geheel onterecht zorgen maakten. Stom natuurlijk om hen dat allemaal te vertellen, maar ik hou nou eenmaal van openheid in relaties.
Ondanks alle ruzies en onenigheden heb ik tegelijk mijn mystieke en spirituele tendensen van mijn moeder. Alleen waren ze bij haar bedolven onder angst en onzekerheid, en toegedekt met het katholieke geloof waar ik nooit iets van begrepen heb. Ik geloof zonder meer dat ze een gezonde, gelukkige jeugd heeft gehad – tennissen op mooie zomeravonden in de jaren twintig toen er ook zomertijd was. Ja, ik vind het zelfs aannemelijk dat ze eenheidservaringen heeft gekend. De planeet Neptunus en het twaalfde huis, die niet alleen voor dit soort ervaringen staan maar ook voor eenzaamheid, drugs, verslavingen en andere weerstanden tegen en stimuleringen van dit soort bewustzijn, spelen een dominante rol in haar horoscoop. Haar vader was alcoholist, zelf raakte ze in haar latere leven verslaafd aan slaapmiddelen als Bromural, Valium en Librium totdat ze er huiduitslag van kreeg, waarbij ze eerlijk zei dat ze die nodig had omdat ze allemaal emoties niet aankon. Alsof ze heel bewust de deksel op een put bleef drukken. Die ik er dan weer van af wilde halen in mijn alternatieve wereld van psychotherapie en drugs. ‘De waarheid! Anders liever dood!’ schreef ik haar eens in een enthousiaste brief, maar dat werd me niet in dank afgenomen.
Waar het misgegaan is in haar leven weet ik niet. Wel was een van haar meest traumatische ervaringen het verhuizen uit Blaricum naar Amsterdam in 1952. Iets wat mijn vader per se wilde omdat hij het zat was om zes dagen in de week met de bus heen en weer te forenzen. Maar wat mijn moeder als het verjagen uit het paradijs moet hebben ervaren. En dat was het ook. Ook voor mij, want langs het hoge graan in de eng naar de kleuterschool in het bos lopen is heel iets anders dan trams 7 en 10 op de Weteringschans te trotseren. Het mooie landelijke uitzicht op de boerderij met hooiberg van Borsen en het aangrenzende weiland werd nu vervangen door dat op het Rijksmuseum, druk verkeer voor de deur, boven- en benedenburen, en voor mijn broer het Barlaeus een steenworp verderop. Ik geloof dat mijn moeder het mijn vader nooit vergeven heeft. Ik heb dan ook weinig tot geen herinneringen aan spontaan contact tussen die twee, een lieve zoen, fijne hug of knuffel. Geen wonder dat ze beiden in opstand kwamen toen ik al dat soort dingen ging uitleven die zij zo uitbundig onderdrukt hadden.
In haar laatste jaren zijn mijn ouders, op initiatief van mijn moeder, zeven zomers in Blaricum gaan doorbrengen. In een recreatiehuisje aan de Melkweg, vlak bij de ‘hut van Mie’. Dat was in de jaren tachtig, en vaak zocht ik ze op warme zomerdagen in schamele oranje kleding op. Dan zaten we vaak in de tuin of in het huisje, maar ik wandelde ook met mijn vader door Blaricum waarbij we in de verste verte niet hadden kunnen vermoeden dat ik ook nog eens in dit dorp zou terugkomen om er zelfs in de gemeenteraad te belanden. Maar als ze niet in Blaricum was lag mijn moeder meestal op bed, vaak depressief en kankerend op mijn vader. Tot op haar laatste dagen lag ik in de clinch met haar. ‘Agressie, geïrriteerdheid… Ergernis! Bezig gehouden worden! Door een moeder die steeds maar blijft doen alsof ze dood gaat (…) Ook komt Saturnus verdacht dichtbij mijn Zon (Saturnus is heer Zon),’ schreef ik een paar dagen daarvoor nog in mijn dagboek. Ik geloof dat ik soortgelijke dingen gezegd heb toen ik haar voor de laatste keer zag, want ook haar ziektes gaven haar excuses om niet echt dicht bij elkaar te hoeven komen, om emoties te vermijden. Maar ze was ook echt moe van de chemokuur, waarmee ze dan ook was gestopt. Echt afscheid is er niet geweest. Want over doodgaan werd hooguit in bedekte termijn gesproken.
Was het oneindig verdriet wat ze onderdrukte? Ingehouden woede waarvoor ze bang was? Angst voor intimiteit die haar zo afstandelijk kon doen zijn? Geboren in 1913 was ze wel van een heel andere generatie, met een heel andere mentaliteit dan een babyboomer zoals ik, in wie de normen en waarden uit de jaren zestig zijn ingebrand. Ik ervaar mijn moeder ook als slachtoffer van de katholieke kerk, waarin ze tot haar laatste snik bleef geloven, een instituut dat het leven voor de dood tot een hel maakt. Waarbij ik vurig hoop dat mensen er na de dood nog aan kunnen ontsnappen, ze wellicht nog tijdens het sterven de perverse autoritaire machtswellust ervan doorzien. Zodat eindelijk de deksels weer van de putten kunnen. En mensen weer zonnig, vrolijk kunnen lachen, zoals op een mooie zomeravond in de jaren twintig. Want ondanks de verknipte relatie die ik met mijn moeder had, heb het voor haarzelf verborgen geheim van humor en spiritualiteit van haar gestolen.
In een wereld waarin het steeds meer om uiterlijkheid en oppervlakkigheid gaat, wordt het steeds belangrijker om op Bevrijdingsdag de oorlog in onszelf achter ons te laten. Hopelijk heeft mijn moeder dat in stilte gedaan, toen, op 5 mei 1991.
Gepost in Uit mijn leven
Geen reacties »
27 april 2011
Een vroege zomerse Pasen in Duitsland gevierd. Heb me lekker laten opwarmen door het paasvuur – Hein bracht een biertje – waarbij mijn bril en smartphone gelukkig niet gesmolten zijn. Halfbloot door de bergen gebanjerd. Op terrasjes buiten gegeten en gedronken. Een leuke knaap die ons bediende in Bad Wildungen, waar ik me steeds in een chique badplaats in Zuid-Frankrijk waan. Films bekeken en Risk gespeeld. Dat alles omlijst door veel muziek uit de jaren zestig in de auto en het vakantiehuisje. En op de terugweg de Wewelsburg bezocht, waar zich in de kelder van de noordelijke toren een crypte bevindt, die van 1933 tot 1945 het occulte centrum van de SS moest voorstellen. Het was koud daar. Je kon er alleen komen via een museum dat aan Himmler en zijn vrienden was gewijd. En wat me even opviel was niet zijn dagboek dat ergens gelegen moet hebben, maar juist iets heel gewoons dat ik al honderden keren heb gezien: een echt manlijke Duitse soldaat, een trotse Ariër met ontbloot bovenlijf. De macho. En meteen was ik weer in 2011.
Peter van Rietschoten, die al ruime tijd de mooiste foto’s van het dorpsleven op zijn site Oog op Blaricum laat zien, beval onlangs het boek Wat een hufter! van Bas van Stokkom aan. Daarin is een heel hoofdstuk aan machocultuur gewijd. Als zijnde één van de oorzaken van huftergedrag. Hij noemt onder andere een onderzoek van Motivaction uit 2009 dat spreekt van de ‘grenzeloze generatie’ waar ouderlijke onmacht, opvoedingsonzekerheid en gemakzuchtig verwennen het moderne geëmancipeerde gezin plagen. ‘Het grootste deel van de jongeren is hedonistisch en materialistisch ingesteld. “Jezelf goed voelen” staat voorop. Ze zijn gefocust op uiterlijkheden, kicks, geld, consumptie en netwerken. “Leuk” is de norm geworden. De jongste generatie heeft zich massaal bekeerd tot de commerciële zenders en heeft weinig op met etiquette en regels voor omgangsvormen, veel minder dan hun leeftijdsgenoten tien jaar terug.’ (p. 60-61) Dit alles wordt gewijd aan een veel te permissieve opvoeding, en de stap naar machogedrag is snel gezet. ‘Vrijetijdsarena’s als megadisco’s lijken een premie te zetten op een stoere en onbevreesde houding en het opsnuiven van gevaren.’ (p. 64)
‘Tot in de jaren tachtig stonden deze expressieve aspecten van mannelijk gedrag minder op de voorgrond. Op straat en in uitgaanscentra werd mannelijkheid niet zo sterk geprofileerd. Jongeren ontleenden weliswaar ook prestige aan kicks, stoned zijn of gekke muziek. Maar je opwerpen als een machoman werd geassocieerd met autoritair gedrag.’ (p. 69) Ja, zo herinner ik het me ook. Ik ben geneigd om een scheidslijn rond 1984 te trekken, het jaar waarin de kleurige Nederlandse popgroep Doe Maar zijn hit Macho lanceerde. Die jongens durfden nog te zingen dat ze liever dan lief waren. Of dat ze bang waren. Toen mocht en kon dat nog. En het kan geen toeval zijn dat in die jaren tegelijk de opgang van het neoliberalisme begon, dat immers ook een sterke nadruk legt op zelfzuchtigheid en de stoere sterke Atlas, die als Übermensch de wereld draaiend moet houden en niet gehinderd wil en mag worden door overheid en medemenselijkheid.
Zo lijkt de macho steeds opnieuw terug te keren. Of dat nou is als Romein, als nazi, als jongere, of als neoliberaal, de ongebreidelde manlijke heers- en expressiezucht drijft steeds opnieuw hele werelden en culturen naar de ondergang. Als psycholoog kun je natuurlijk zeggen dat die macho’s een minderwaardigheidscomplex hebben en hun vrouwelijke kanten onderdrukken. Net zoals ik vermoed dat de penislengte van scheurende en knetterende motorrijders niet echt bovenmaats is. Maar misschien ben ik zelf als watje ook wel bang voor macho’s. Ben ik bang voor mijn eigen manlijkheid, en vind ik het daarom zo fijn om zoet en lief met vriendjes om te gaan. Ik vond het al zó moeilijk om het gras bij het vakantiehuisje te maaien! Omdat daarmee wel duizend vrolijke zonnige paardenbloemen het leven moesten laten! Maar misschien was dat wel een goede oefening voor me. Zodat ik straks als een echte man gewoon een boom kan omhakken. Of levende kuikentjes in de hakselaar kan stoppen. En gewoon wat lekker kan rondhufteren. Omdat dat kan.
Gepost in Maatschappij en politiek, Mijn dorp, Psychologie, Uit mijn leven
Geen reacties »
18 april 2011
In januari 1947 begon Mellie Uyldert met De Kaarsvlam. In dezelfde maand werd ik geboren. Dat schept een band, en sinds 2004 verzorg ik dit blad voor de Mellie Uyldert Stichting. Twee jaar geleden overleed mijn Wijze Tante, zodat ik nu alleen voor dit werk verantwoordelijk ben. Ik ben heel blij daarin vaste schrijvers over kruiden en astrologie gevonden te hebben in Nisarg den Brinker en Heidrun Herberth-Labots. Elke Kaarsvlam brengt ook voor mij weer nieuwe verrassingen met zich mee. Daarvoor maak ik graag gebruik van stapels nog ongepubliceerde manuscripten, maar ook van artikelen die decennia geleden al in dit blad hebben gestaan. Waaronder onderstaande boommeditatie, die eerder in het novembernummer van 1968 verscheen.
Men staat rechtop en vrij, de voeten iets uit elkaar, stevig op de grond geplant, de armen schuin omhoog met uitgespreide vingers als takken met bladeren; de ogen gesloten ter concentratie. Terwijl de leidster de woorden uitspreekt (wie alleen is, kan ze in zichzelf spreken of denken of desnoods van een band beluisteren) leeft men zich in het boomwezen in, men wordt een boom:
Ik ben een boom. Mijn wortels grijpen diep in de aarde en zuigen haar voedende krachten op, ik voel ze opstijgen in mij. Hoe zeker en veilig sta ik in Moeder Aarde verankerd!
Een vroege morgenwind doet mijn takken bewegen en de nesten van de vogels wiegen. Kleine geluidjes ontwaken. Een haan kraait in de verte. Mijn liefste vogel vliegt op uit zijn nest tot in mijn top – een verrukte kreet begroet de streep morgenrood die verschijnt aan de kim. Nu vallen de anderen juichend in! Ik draag hun koor op mijn takken en drink de gloed in die opengaat in het oosten. Daar verschijnt zij: de Zon! Haar vurig gezicht komt boven, in het roze-oranje, en mijn sap snelt haar tegemoet, mijn bladeren richten zich op, tintelen doet zij mij! De zon groet mij en mijn broeders bij onze naam, en wij groeten terug, de vogels juichen – als orgelmuziek vervult de zonnekracht heel de lucht. Mijn bladen gaan nu ademen en werken, maken van zonlicht en koolzuur hun groene bladmoes en voedsel voor heel mijn lichaam!
Gelukkig sta ik in het krachtveld tussen aardsteun en zonnezegen, bereidend mijn heil daarvan. De nevel-elfen zijn langs mijn stam omhoog gevlucht. Het wordt warm beneden, de kevertjes kriebelen over mijn stam; de bijen zoemen aan, mijn bloesem opent zich en begint een gesprek met hen. Ik zend mijn geur uit voor heel deze goede aarde, omvlijd door de zonnewarmte. Ik word er slaperig van.
Nu is het middag geweest. Mijn takken en bladeren verslappen (armen dalen). Ik ben verzadigd. Nu vloeien mijn voedzame sappen omlaag langs de bladnerven, de steel, de twijg, door mijn sterke takken mijn stam in, en elke cel drinkt ervan. De zon gaat dalen en laat mij haar vuur in mijn binnenste. Mijn vogels fladderen aan, naar hun nest. Een koele wind fluistert zijn avondgroet door mijn takken.
De zon neemt afscheid in haar groot avond-goud – nu is zij verdwenen. Ik sluit mij, voel de vochtige nevel om mijn voet. Het daglicht kruipt weg. Het ritselt in het gras, de egel en de muisjes komen buiten. Daar verrijst, in statige rust, de lieve Maan. Konijntjes springen tevoorschijn in haar melkwitte licht dat vloeit over de hei. Zij buitelen en dansen en wij bomen staan maar, de elfen spelen verstoppertje om onze stammen, er is veel tinkelend en ritselend gerucht. Maar ik moet mijn nachtwerk doen: mijn cambium voeden dat nieuwe cellen bouwt, voorraden opbergen, reparaties uitvoeren, afgedankt weefsel naar buiten werken voor kleine beestjes. Ik kijk naar binnen in mijn levensbedrijf en daal met mijn sap in mijn wortels af, die oude verhalen vertellen uit aarde’s diepten. Alle gebeuren wordt door haar als geschiedenis opgezogen en ik droom met haar mee, door het maanlicht bedwelmd.
Sterren fonkelen aan. En ik voel hoe mijn takken zich uitbreiden om die gouden vruchten te dragen – terwijl mijn wortelharen voelen en voelen – al wat in de hele aardbol gefluisterd wordt. Ik ben het Al en het Al stroomt door mij heen. Ik ben de wereldboom Yggdrasil.
Morgen zal ik weer krimpen tot één boom in het bos, die zijn werk doet in nemen, omzetten en geven. Een boom die, groeiend uit Zon en Aarde, planten en elfen, dieren en mensen, beschermt, voedt en verheugt.
Diep in mijn binnenste kernhout zal ik blijvend weten, al word ik duizend jaar oud, dat ik het Al in mij draag, opgevouwen overdag, ontplooid in de nacht. Ik ben Yggdrasil. Ik, boom, ben het Al.
Vorige week kreeg ik een e-mail van mijn verhuurder Vesteda. Al eerder schreef ik over het ontgroenbeleid van deze woongalerie. Buren die er nog maar kort wonen hebben geklaagd over de grote boom in mijn achtertuin. ‘De kastanjeboom neemt teveel zonlicht voor deze huurders uit hun tuin weg. Daarnaast staat de kastanjeboom te dicht op de erfgrens. Daarom verzoek ik u dan ook om de kastanjeboom uit uw achtertuin te verwijderen. Met vriendelijke groet.’
Gepost in Spiritualiteit, Uit mijn leven
1 reactie »
13 april 2011
Ik heb schaamlapjes altijd heel spannend gevonden. Als 8- of 9-jarig jongetje was ik medio jaren vijftig al geboeid door plaatjes in het album De Wonderlijke Gebarentaal der Indianen van Meurisse chocolade. Daarop waren vaak halfblote beschilderde indianen te zien, die naast hun veren soms niets meer dan een lapje droegen. Er hing een zweem van zoete geheimzinnigheid om die getekende plaatjes: de gebarentaal – van Aanvallen tot en met Zon – heb ik nooit geleerd, maar schaamlapjes ben ik tot vandaag de dag spannend blijven vinden. En dat was misschien een onbewuste reden voor mij om in de politiek te duiken.
Want maar al te vaak ben je als gemeenteraadslid het schaamlapje voor hogere overheden. Je kan niet om besluiten van het rijk en de provincie heen, maar in de praktijk ben jij de buffer tussen burgers en overheid, ben je de muur waarachter provincie, Den Haag en Europa zich beschermen en die de eerste klappen moet opvangen. Hoewel ik daar hier in Blaricum weinig van merk, worden gemeenteraadsleden meer dan vroeger bedreigd door burgers. Die denken immers dat jij het voor het zeggen hebt in je dorp of stad, wat maar voor zo’n tien procent waar is omdat steeds meer beslist wordt door hogere overheden. Dat de gemeenteraad het hoogste orgaan van het gemeentebestuur is, en dat besluiten zoveel mogelijk van onderop genomen moeten worden – het zogenaamde subsidiariteitsbeginsel – wordt vaak alleen met de mond beleden.
Zo zitten we hier in Blaricum met de dreiging van de aanleg van Hoogwaardig Openbaar Vervoer waarbij onze wijk wordt verpest door betonnen bakken, verdwijnen van groen, gevaarlijke oversteekplaatsen en veel herrie. Die HOV moet Huizen met Hilversum verbinden. Als echt aangetoond was dat je daarmee echt veel sneller en efficiënter vervoer werd gerealiseerd, kon ik me daar nog wel iets bij voorstellen. Maar de plannen ervoor hangen met plakband, paperclips en elastiekjes aan elkaar. Gemeenteraadsleden worden verzopen onder stapels rapporten waarin vaak appels met peren worden vergeleken. Het meest dure en lastige gedeelte dat de meeste tijdwinst zou opleveren, een vrije busbaan langs de A27, wordt op de lange baan geschoven. En last but not least: de tijdwinst blijkt slechts anderhalve minuut te zijn, en daarvoor stelt de provincie 24 miljoen beschikbaar. Wat volgens ons gewoon weggegooid geld is, en daarom hebben we, samen met bewonersgroepen, vorige maand een mooi aanbod gedaan om dit bedrag te bezuinigen door het niet uit te geven. Geen reactie.
Wel reactie! Eergisteren! In de provincie hebben VVD, PvdA, D66 en CDA een coalitieakkoord geschreven, dat volgende week maandag bekrachtigd moet worden. Daarin staat te lezen: ‘5. Wij zetten onverminderd in op de aanleg van een vrij liggende HOV-infrastructuur tussen Huizen en Hilversum. In Blaricum/Huizen kiezen wij daarbij voor het zogenaamde Meenttracé.’ Terwijl besprekingen met de stuurgroep van dit project nog bezig zijn, wordt dwars over de wil en de argumenten van bestuur en bevolking heen gewalst. Kennelijk is men daar in Haarlem niet voor rede vatbaar en besluit men op puur irrationele – dus emotionele – argumenten 24 miljoen gemeenschapsgeld over de balk te gooien, voor iets dat zich steeds meer als een prestigeproject lijkt te ontpoppen. Waardoor de leefbaarheid van onze wijk ernstig wordt aangetast.
Ik merk dat ik daar kwaad over ben. Ontzettend kwaad. Dat politiek eigenlijk slecht is voor mijn bloeddruk en gezondheid. Of misschien juist goed omdat ik er een sterk hart van krijg. Door dit soort gebeurtenissen, waarin burgers niet worden gehoord en de meest absurde beslissingen worden genomen – zoals de verhoging van het griffierecht waarmee Opstelten de rechtsstaat een rotschop geeft – kan ik me steeds meer voorstellen van de kwaadheid en blinde opgekropte woede. Zelfs als die op mij uitgeleefd zou worden. Misschien moet je ook wel een beetje masochistisch zijn om in de politiek te gaan. Of van schaamlapjes houden zoals ik. Alleen wil ik dat niet van een ander zijn – de gedachte vind ik niet echt prettig – en ga ik het liever zelf dragen. Ik zie mezelf wel zitten. In mijn schaamlapje op de trap van het provinciehuis. Het weer staat het toe. Waar zijn de ludieke acties gebleven?
Gepost in Maatschappij en politiek, Uit mijn leven
1 reactie »
3 april 2011
Afgelopen week heb ik op Radio De Nieuwe Mens, ook te vinden op http://www.ridderradio.com, het neoliberalisme eens goed doorgenomen. Van Ayn Rand via Milton Friedman en Alan Greenspan tot en met kredietcrisis, bankrovers en hufters. Ik kreeg er een droge mond van. Op de webcam liet ik het boek De utopie van de vrije markt van Hans Achterhuis zien, en prompt werd de auteur een paar dagen later door Stichting Maand van de Filosofie, Filosofie Magazine en Trouw benoemd tot eerste Denker des Vaderlands. Filosofie raakt de laatste jaren steeds meer in. Eerder schreef ik al over Rob Wijnberg, een filosoof die een half jaar geleden op 27-jarige leeftijd hoofdredacteur werd van nrc.next, dat inmiddels mijn lijfblad is geworden. Er bestaan gelukkig nog altijd mensen die nog kunnen denken.
Waarom aandacht voor het neoliberalisme op een spirituele omroep? Omdat het de donkere, duistere tegenkracht is van de toenemende aandacht voor spiritualiteit gedurende de laatste decennia. Een filosofie die gebaseerd is op de virtue of selfishness en die heel geleidelijk, vooral sinds de jaren tachtig, het maatschappelijke leven ontwricht. Dat willen aanhangers ook: verbeteren heeft geen zin want pas als je een samenleving tot op de bodem afbreekt kun je op schone grond iets nieuws beginnen. De zegeningen van de zelfzucht staan aan de wortels van het geloof in een ongebreidelde vrije markt, die uiteindelijk de enige rechtvaardige toekomst van de mensheid kan brengen. Deze leer rechtvaardigt maatschappelijke en economische experimenten, waarbij zelfs hele landen opgeofferd mogen worden aan experimenten, zoals de Chicago Boys, gesteund door de Amerikaanse regering, dat met Chili deden door Pinochet aan de macht te helpen.
Ik ben echt geschrokken toen ik de wortels van het neoliberalisme ontdekte. Het gevaar van die leer is dat die zo krankzinnig is dat je geneigd bent hem niet meer serieus te nemen, maar inmiddels doordringt zij alle poriën van de samenleving. De ongebreidelde vrije markt betekent feitelijk de macht van de sterksten, en veel topmensen gedragen zich dan ook als de atlassen uit Ayn Rands opus magnum Atlas Shrugged, zonder welke de wereld tot stilstand zou komen. Deze ‘Übermenschen’ hebben helemaal het contact met de werkelijkheid verloren. ING legt alleen aan haar rijke klanten verantwoording af van haar bonusbeleid en geeft daarmee aan er nog steeds niets van begrepen te hebben. Lloyd Blankfein van Goldman Sachs toucheerde onlangs nog even zo’n 19 miljoen dollar.
De Gooi- en Eemlander kopte afgelopen zaterdag met Topsalarissen schaden bedrijfsleven. Gerard Mertens, hoogleraar financiële analyse aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam legt de vinger op de zere plek als het gaat over beloning omdat het beter gaat met het bedrijf. ‘Ze vermelden er niet bij dat de opleving veelal het gevolg is van kostenreducties, onder meer bij het personeel. Het solidariteitsprincipe is topbestuurders kennelijk volkomen vreemd (…) Hoe rechtvaardig is het als de topman tachtig keer zoveel verdient als de laagst betaalde werknemer?’ Als door jouw salarisverhoging tientallen gezinnen in de problemen komen omdat kostwinners op straat komen te staan, waarom is dat dan geen misdaad tegen de menselijkheid, vraag ik me af. En intussen loopt Alan Greenspan, die toch een grote bijdrage heeft gegeven aan de kredietcrisis, nog altijd op vrije voeten rond. Foutje, bedankt.
Een van de redenen waarom ik juist in spirituele kringen aandacht hiervoor vraag is dat in die kringen meestal maar naar de halve werkelijkheid wordt gekeken. In de laatste Koorddanser constateert Linda Wormhoudt wel hoe mensen elkaar steeds ‘licht en liefde’ toewensen – en daar word ik zelf ook soms even niet goed van – maar weinig aandacht geven aan duistere kanten en krachten van het leven. En één zo’n kracht die ons naar Mordor voert is het neoliberale denken wat zich ook manifesteert in het toegenomen individualisme. Op weg naar de uitzending stond mijn trein te wachten op een andere trein die vertraagd was. Dan kun je twee dingen denken. Eigen schuld, dikke bult: als jij vertraging hebt zoek je het zelf maar uit en ik ga niet op je wachten. Of: als ik je nu even voor laat gaan loopt het hele treinennet wellicht wat soepeler. Het is een keuze voor het individu of voor de samenleving als geheel, voor eigenbelang of dat van ons allemaal samen. Voor het hoofd of voor het hart.
Het neoliberalisme kent alleen het hoofd. Vandaar dat managers al het werk tot in de kleinste partjes kunnen opsplitsen en puur rationeel kunnen verdelen. Het gevolg is alleen dat iemand die een straatje moet vegen in 3 minuten en 31 seconden het weggegooide blikje niet zal meenemen omdat dit meer dan 12 cm verwijderd vanaf het verharde wegoppervlak in de berm ligt. En over de mensonterende gevolgen van management in de zorg zal ik het maar niet hebben. Ik vertelde over alle soorten prikzusters, verplegers en andere hulpvaardigen voor mijn moeder, die het huis in- en uitrenden, maar van wie mijn vader echt niet meer wist wie nou eigenlijk waarvoor kwam. Het verstand, de ratio, is maar al te vaak een alleenheerser die alleen aan zijn eigen ikje denkt. Alsof hij geen deel uitmaakt van een veel groter organisch geheel, waarin ook nog iets als verbinding en liefde bestaat. Zo kunnen verstandig lijkende dingen eigenlijk heel dom zijn. Waar alleen de ratio regeert is geen plaats meer voor het hart. Waar geen hart meer is sterft het leven. Maar hoe breng je dat neoliberalen aan het verstand?
Gepost in Maatschappij en politiek, Spiritualiteit, Uit mijn leven
4 reacties »