The Gateless Gate

Date 30 december 2009

Het leuke van de abstracte computerwereld is dat je er dingen kunt doen die in de dagelijkse realiteit niet voor te stellen zijn. Neem nou de vierde dimensie. Toen ik ooit een progamma voor astrologische geboortenregeling maakte, maakte ik daarvoor heel gewoon een vierdimensionale array. Even makkelijk als welk aantal dimensies dan ook. Terwijl ik me er tegelijk niets bij kan voorstellen. Lengte, breedte en hoogte kan ik zien, maar waarheen verdwijnt de vierde as die loodrecht op die drie staat? Sommigen zeggen dat de tijd de vierde dimensie is, maar ik vraag me nog steeds af of je dan geen appels met peren zit te vergelijken.

In Second Life maakt Robbie deuren die maar één kant hebben, zodat ook hier blijkt dat je met de computer onmogelijke dingen kan doen. Je loopt de disco binnen, en als je dan achter je kijkt is daar opeens een deur. Die deur is dan een object dat aan één kant transparant en phantom is, zodat je er ongemerkt dwars doorheen kan lopen. Een mooi beeld van de echte werkelijkheid, waar we aan de ene kant allemaal muren, grenzen en beperkingen zien, die er vaak niet of nauwelijks blijken te zijn als we ze eenmaal hebben gepasseerd.

Zolang we in de wereld van de dualiteit verkeren lijkt alles bepaald niet één. Alleen al het gegeven dat we al of niet verlicht of gerealiseerd kunnen zijn getuigt van de tweeheid. In onze onverlichte staat moeten we door deuren heen, maar als we daar doorheen zijn gegaan blijken ze niet te bestaan, hooguit een droom geweest te zijn. Bhagwan noemde de toegangspoort voor zijn ashram in Poona The Gateless Gate, wat trouwens ook de titel van één van zijn oudere boeken is. Zo zie je maar weer hoe de computer ons kan helpen om hogere werkelijkheden op het spoor te komen en te illustreren!

Het

Date 25 december 2009

Het. Vooral de laatste jaren kom ik Het vaak tegen. Maar eigenlijk heb ik nog nooit over Het verteld. Aan de ene kant omdat Het zo voor de hand ligt, zo vanzelfsprekend als het zonlicht dat elke dag uit de hemel schijnt. Aan de andere kant omdat er voor Het geen woorden zijn. Dan moet je naar allemaal poëtische en prozaïsche hulpmiddelen grijpen om het onbeschrijfelijke te beschrijven.

Het zindert in de lucht, maar is transparant, zodat het onzichtbaar is. Het is aanwezig, maar ik kan Het niet voelen of betasten. Het straalt onafgebroken een scherp licht uit, maar dat is niet te zien. Het is een voortdurend oplaaiend vuur, maar ik voel geen warmte. Het bruist als water, maar ik kan het niet horen. Het is als een Niets dat ontzettend aanwezig is. Het is als een fontein van energie die ik niet kan waarnemen maar die wel alles verfrist en reinigt. Het is onpersoonlijk, heeft niets met mij te maken, maar voedt en doorstraalt me wel.

Het is er, en tegelijk ook niet. Een spookzon, waarvoor ik misschien ook wel bang ben. Alsof Het een alles verterend monster is dat achter de atomen van de zichtbare en tastbare werkelijkheid schuilt. Voortdurend en overal aanwezig. Alsof Het me achtervolgt, bezit van me wil nemen, en misschien wel het wezen is van alle achtervolgingswaan. Terwijl Het niets anders is dan een sprankelende en dorstlessende aanwezigheid die me vertelt dat de hele wereld en werkelijkheid totaal, maar dan ook echt totaal anders in elkaar zitten dan we altijd hebben gedacht. Dat uit mijn allerbinnenste een diep lachen doet opborrelen om de Grote Grap, de virtualiteit van alles.

Ik vond Het bij Bhagwan, maar ik kom niet meer in Poona omdat het mij daar teveel een Club Med is geworden. Ik vond Het in de tempels van de Rozenkruisers, wiens leer ik echter te serieus, te somber en te chaotisch ben gaan vinden. Ik vond Het gisteren gewoon in mijn door de sneeuw verhelderde woonkamer. En toen vroeg ik me af hoe het toch kwam dat ik nog nooit over Het had geschreven. Het, dat me bij tijd en wijle sprankelend doorzengt en dat ik ook vaak in psychedelische sprookjes ben tegengekomen.

Soms geloof ik dat niets echter is dan het virtuele. Daarover is niet iedereen het met me eens. Toch geloof ik dat we maar al te makkelijk andere werkelijkheden buiten de deur zijn gaan houden door ze als virtueel te bestempelen. Dat klinkt iets wetenschappelijker dan te zeggen dat het namaak is, onzin, gek. Maar Het trekt zich daar allemaal niets van aan en blijft aanwezig, vol van leegte, verstild juichend en onzichtbaar stralend. Hoezo virtual reality… Als er iets is dat virtueel genoemd kan worden, dan zijn we het zelf.

Stuurloos

Date 23 december 2009

Nu de zon in de Steenbok is beland gaan de nachten weer korter worden. Het lijkt een witte kerst te worden dit jaar, maar een echt kerstgevoel heb ik nog niet gehad. Ik heb het druk met De Vuurfakkel, extra bestellingen voor mijn astrologische postorderbedrijf Aries Astro-Services, en de gemeente die 100 bomen méér in de wijk wil kappen dan indertijd in een publicatie was beloofd. Met veel moeite hebben we uitstel van executie gekregen, en nu is het maar afwachten of bewoners helder geïnformeerd zullen worden over de gang van zaken. Maar ik slaap er slecht van, en de inertie van een ambtelijk apparaat – dat zelf ook aan alle handen en voeten gebonden is aan afspraken, regels, verordeningen, vergunningen, begrotingen en wat niet al – maakt het er niet makkelijker op. Moedeloos word ik ervan, en ook mijn slaap begint eronder te lijden.

Begin jaren tachtig logeerde ik vaak bij huisarts Piet in Leiderdorp. Die deed soms ook rare dingen. Toen we een motorritje maakten door de weilanden, belandden we in de sloot. We rookten als ketters, boomden tot diep in de nacht, computerden op de TRS-80, maar ook zeilde er tijdens een ruzie een nachtkastje door het trapgat naar beneden. Alles moest kunnen. Heerlijke tijden dus. Piet leende ook eens van vrienden een boot, waarmee we over de Oude Rijn achter zijn huis gingen varen. Toen gaf hij mij het stuur in handen en ging zelf het dek schrobben! Ik had alleen nog nooit een boot bestuurd en zweette peentjes omdat het ding zo traag reageerde op al mijn heen en weer gedraai aan het rad. Dat beeld heb ik als gemeenteraadslid opeens voor ogen. Een schip dat zo groot en log is, dat er vrijwel niks meer te sturen valt.

Ik vraag me af hoe lang dat nog door kan gaan. Alles blijft maar groter en groter worden. Waarbij het steeds minder bestuurbaar wordt. Vorige week hoorde ik dat hier twee veiligheidsregio’s worden samengevoegd, zodat volgens mij de politie nog verder van de burger komt te staan en de politie een organisatie wordt waar je als lagere overheid steeds minder vat op hebt. En gisteren keurde het kabinet de samenvoeging van de gemeenten Bussum, Naarden, Muiden en Weesp goed. Voor Bussum totaal opgedrongen en ongewenst, een schandelijk besluit zoals er teveel vallen de laatste tijd en waardoor ik steeds meer mijn vertrouwen in hogere overheden verlies. De grootste gotspe was wellicht de 38 miljard die Wouter Bos aan de banken gaf, waarmee hun aan het criminele grenzende gedrag werd beloond en wij er straks met zijn allen voor moeten opdraaien.

Ik heb het al vaker geroepen: ongebreidelde groei is gewoon kanker. Terwijl we hard werken aan het bestrijden van fysieke kanker, geloven nog teveel mensen in de genezende kracht van economische, financiële en bestuurlijke kanker. Die grootgroei begint hier en daar vast te lopen. Schepen vertonen hun eerste scheurtjes en beginnen hier en daar te stranden, een spoor van financiële schade en milieuvervuiling achterlatend. Tot hoever kan dat doorgaan? Waar ligt de kritieke grens, het kantelpunt? Of wordt het niks meer met onze cultuur in het westen?

Dat zat ik me gisteren in de Grote Kerk in Naarden af te vragen tijdens een kerstconcert van de Nederlandse Bachvereniging. Wat een opluchting is het dat er toch nog gezongen wordt. Dat er nog steeds mensen zijn voor wie schoonheid het belangrijkste in het leven is. Ze speelden onder andere het Magnificat van Bach waarvan ik de alt-aria Esurientes implevit bonis zo leuk en humoristisch vind. Een van mijn lievelingsliederen is het Middeleeuwse Von Himmelhoch da komm ich her, dat hier in een bewerking van Johann Hermann Schein werd gezongen. Ja, uiteindelijk kom ik uit de hemel, ben ik net als iedereen een gevallen engel. En het is heel belangrijk om me daarvan bewust te blijven, me te verbinden met het licht dat ik in wezen ben. De uiterlijke wereld, die al dan niet stuurloos ten onder gaat, is niets dan een uitdaging die ik kennelijk moet leren weerstaan om in puur bewustzijn – en niets meer dan dat – te verblijven.

Kapitalisme en milieu

Date 12 december 2009

Af en toe pakt Vriend me bij de oren om me met mijn neus in de zogenaamde realiteit te drukken. Die werkelijkheid is dan vaak iets waar je heel somber en boos van wordt, en waar je weinig tegen kunt doen. Kortom: kommer en kwel, met steeds minder hoop en vertrouwen dat het ooit nog eens goed zal komen met wereld en mensheid. Zo belandden we de afgelopen weken twee keer in een bioscoopje waarvan de zaal vrijwel leeg was. Uiteraard, want slechts weinigen hebben oog voor de rampen die gierend gestaag op ons afkomen. Maar ik had moedig mijn kop uit het zand getrokken en aanschouwde gulzig de beelden van hoe onze aarde systematisch naar de ondergang werd geholpen. Twee films uit 2009, die elkaar heel mooi aanvullen.

De eerste film was Capitalism: A Love Story van Michael Moore. Wat in het begin een onschuldig ideaal leek, de kapitalistische American dream, ontpopt zich als een nachtmerrie. Hier zien we hoe mensen hun schulden niet meer kunnen betalen en hun huis uit worden gezet dank zij de criminele bankwereld. Want Amerika is een ‘plutonomie’ geworden waar 1% van de bevolking alle economische macht in handen heeft. Waar armoede steeds meer om zich heen grijpt en de verschillen tussen arm en rijk extreem groot zijn geworden. Moore gaat dan ook al dat gestolen geld met een winkeltasje in zijn hand bij de banken terughalen. Ook omspant hij Wall Street met een lint om voor een gevaarlijke zone te waarschuwen. Gelukkig is de film niet van humor gespeend, wat de inhoud ervan makkelijker verteerbaar maakt. Want het is heel wat om te zien waartoe het kapitalisme heeft geleid, verbonden als het is met het geloof in de vrije markt en in winst en groei.

Die groei kan alleen maar ten koste van het milieu gaan en daarover gaat de tweede film The Age of Stupid van Franny Armstrong. Daarin stuurt de laatste overlevende van de aarde in 2055 het archief met het verhaal van onze zelfvernietiging de ruimte in. Maar niet voordat hij verteld heeft over het wangedrag van Shell in Nigeria, over een Indiase zakenman die zijn personeel als slaven behandelt en iedereen zoveel mogelijk wil laten vliegen, over een Engelsman die zich hard maakt voor een windmolenpark dat door omwonenden wordt tegengehouden, en over vele klimaatveranderingen die zich voor onze ogen in een onnatuurlijk snel tempo voltrekken. Dit alles geïllustreerd met archiefbeelden die, althans tot 2008, echt zijn. ‘Waarom stopten we de klimaatverandering niet toen we dat nog konden?’ Dat is de cruciale vraag uit de film, die onbeantwoord blijft.

Kapitalisme en milieu zijn onverbrekelijk met elkaar verbonden, en het is dan ook geen toeval dat rechtse politieke partijen dat milieu eigenlijk maar een lastige sta-in-de-weg vinden en de problemen ontkennen, bagatelliseren of ridiculiseren. Maar na het zien van beide films kun je niet meer geloven hoe iemand met een beetje goed fatsoen nog vertrouwen in het kapitalisme en de vrije markt kan hebben. Of hoe iemand de invloed van de mens op het broeikaseffect kan ontkennen. Verreweg de meeste wetenschappers geloven dat menselijk ingrijpen de oorzaak van de klimaatveranderingen is. Dat wil niet zeggen dat de minderheid van milieusceptici ongelijk heeft, want ook wetenschappers maken er vaak een rotzooitje van. Wat te doen bij twijfel? Je intuïtie volgen. Kijken wie er belangen kunnen hebben bij hun standpunt, en hun integriteit onderzoeken. En last but not least een risicoanalyse maken: zolang niet heel zeker is dat de milieusceptici gelijk hebben is het onverantwoordelijk, zo niet misdadig om geen maatregelen te nemen en alles maar zijn gang te laten gaan zodat wellicht straks de aarde opnieuw woest en ledig is.

Uiteraard ben je met milieumaatregelen tamelijk oppervlakkig bezig. Je grijpt het probleem immers niet aan bij de wortels, die op het materialistische vlak bij het kapitalisme liggen. Maar ook dat heeft diepere psychologische oorzaken, zoals gebrek aan vertrouwen en inzicht. En dat wordt weer veroorzaakt door gebrek aan spirituele ontwikkeling in de vorm van ego’s die zich angstig afscheiden van het al. Hoewel een oplossing voor de lange termijn – wat uiteindelijk de enige echte oplossing is – op het spirituele vlak ligt, betekent dat nog niet dat we niet op korte termijn als de wiedeweerga maatregelen moeten nemen om de toekomst van onze aardbol zeker te stellen. Als ik op straat word aangereden moet ik ogenblikkelijk naar het ziekenhuis, en kan ik echt niet liggen wachten op een wijziging van de verkeerswet of een mentaliteitsverandering. Hoewel het hypocriet is als daar niet tegelijkertijd aan gewerkt wordt.

Op het meest diepe spirituele niveau kun je alleen maar zeggen dat alles goed is zoals het is. Al was het alleen maar omdat er geen tweeheid bestaat, zodat ook het woord ‘goed’ hier niet als een juichende extatische toestand moet worden geïnterpreteerd, maar meer als een verstild zijn in het zo-zijn. En juist het feit dat we ons hiervan niet meer bewust zijn is er de oorzaak van dat we alles willen verbeteren en veranderen, met als uiteindelijk resultaat dat we onszelf vernietigen. Waar misschien ook wel niks mis mee is als het zover komt. Omdat dit allemaal bedoeld is om ons los te weken van onze identificaties met de materiële werkelijkheid. Hoewel het best goed is dat Vriend me bij tijd en wijle even bij de oren pakt en me hiermee confronteert.

Zonder grenzen

Date 3 december 2009

Afgelopen zaterdag met Vriend naar Gouda geweest om een dag in het Advaita Centrum mee te maken. De Koorddanser organiseerde daar samen met Douwe Tiemersma en Pia de Blok een workshop Kennismaken met non-dualiteit. Douwe Tiemersma heb ik in 2003 al horen spreken op het Osho-symposium De Wetenschap van het Hart in Egmond aan Zee. Een droge, dorre, mentale wetenschapper lijkt hij, maar als je hem iets verder in zijn ogen kijkt zit daar méér achter. Humor zelfs. Volgens mij, maar ik weet niet of anderen en/of hij zelf dat ook in hem zien. Een Fries is hij, en ik hou wel van die rechttoe rechtaan uit de verse klei getrokken nuchterheid. Bij hem krijgt de uitdrukking no nonsense een positieve lading, heel anders dan hoe Lubbers en consorten in de jaren tachtig onder die vlag het land moreel naar de bliksem gingen helpen, waarin ze nog geslaagd zijn ook. Nee, no nonsense kan ook betekenen dat je naast je verstand en intuïtie ook je gevoel en je eigen ervaring mag, zo niet moet gebruiken. En omgekeerd natuurlijk, zodat je naast je gevoel ook wel eens af en toe mag nadenken, dames Onkruid!

Dat deden we dan ook met Douwe, met een groepje van zo’n dertig mensen. Gewoon ervaren wat er allemaal met mooie woorden in de advaita-literatuur al sinds 800 v. Chr. wordt verteld. Ervaren dat er geen echte grenzen bestaan omdat alles eigenlijk één is. Ken Wilber schreef in 1981 een boek onder de titel Zonder grenzen, waarin hij benadrukt dat grenzen niet zozeer strijdperken hoeven te zijn, maar juist een verbinding kunnen maken tussen twee gebieden. Zo kan je jezelf definiëren als wat zich binnen je huid bevindt, als wat zich buiten je hoofd bevindt of wat zich buiten je bewustzijn bevindt: de buitenwereld ben ik niet, mijn lichaam ben ik niet, mijn onbewuste ben ik niet, zeg je dan. Waarbij het er natuurlijk om gaat dat we dat alles eigenlijk wel zijn. ‘In het eenheids-bewustzijn, het onbegrensd-bewustzijn, breidt het gevoel van zelf zich zo uit, dat het volledig alles omvat wat eens als niet-zelf werd gezien,’ schrijft hij op pagina 58. ‘Je identiteitsgevoel verplaatst zich naar het gehele universum, naar alle werelden, hoog en laag, de zichtbare en onzichtbare, heilig of profaan.’ Waar trek je de grens van je eigen ik? Als je dat een stomme vraag vindt heb je hem waarschijnlijk ook stom beantwoord, want het is iets complexer dan met je vingertje naar jezelf te wijzen. Maar daarvoor moet je wel leren om goed op te letten, goed te kijken, te ervaren!

‘Ga eens met je aandacht naar binnen in je lichaam en word je bewust van je interne zelfsfeer,’ vraagt Douwe ons. ‘Is in deze interne ruimte een scheiding te vinden?’
Nee, mijn lichaam voelt toch echt als één geheel aan.
‘Ga dan met je aandacht naar rechts toe,’ gaat hij verder. ‘Is daar ook nog de gevoelsmatige zelfsfeer of houdt die op bij je huid?’
Tja, moeilijk om die grens precies te voelen, is inderdaad wat vaag…
‘Hoe ver kun je naar rechts gaan zonder dat die sfeer van lichamelijk zelf-zijn wegvalt?´ vraagt Douwe door.
Nou, wat mij betreft maar een paar centimeter.
‘Blijf concreet en nuchter ervaren!’ raadt hij ons dringend aan.
Ja, het gaat om ervaren, niet om mijn gedachten en ideeën daarover. Ik kan echter hooguit voelen dat mijn lichaam in een astrale jas is ingepakt en dat is het dan.
‘Stel je dan ook vast dat je eigen lichamelijke zelfsfeer oneindig is?’ vraagt Douwe. ‘Zo groot als de hele kosmos?’
Nou eh… Nee. Mijn record is uit de jaren tachtig toen ik een keer in diepe ontspanning op bed een grote bol werd die nog net in mijn slaapkamer daar in Eeftink in de Bijlmermeer paste. Op gegeven moment besloot ik mijn lichaam weer tot dat van vlees en bloed te beperken, want dit was zó gemakkelijk en ontspannen dat ik er later altijd weer naar zou kunnen terugkeren. Nooit meer gebeurd.

Maar toch meen ik op mijn manier wel te vermoeden welke richting een en ander heen gaat. Als ik het woord ‘zelfsfeer’ vervang door wat ik hier en nu beleef, schiet ik een stuk verder op.  Ik ben immers door het hier en nu gedefinieerd, en hoe groot zijn de cirkels die ik in tijd en ruimte om me heen trek? Wat zich binnen zo’n cirkel bevindt heet ‘dit’ of ‘nu’ en wat zich erbuiten bevindt heet ‘dat’ of ‘toen’ of ‘straks’. Wat zich in het hier en nu bevindt is een stukje van mij, mijn leefwereld, mijn bezit. Ik omhels het en voel en denk mee. Vrijend met een ‘ander’ weet ik niet eens van wie al die lichaamsdelen zijn! Ik ben het gewoon. Heb daarom empathie, invoelingsvermogen. Medelijden naar ook medevreugde. Hoe ruim is mijn hier en hoe uitgebreid is mijn nu? Net als de bol die ik ooit was, kan ik me voorstellen dat het hier en nu zó rekbaar is dat het zowel een millimeter en -seconde kan bevatten, als de oneindigheid en eeuwigheid. In die betekenis is het overal in het hier, en zijn verleden en toekomst in het nu te ervaren. Nee, niet in zintuiglijke of zogenaamde concrete zin, maar als beleving, als ervaring in je bewustzijn. En daar gaat het toch uiteindelijk om? Dan is er geen plaats meer voor heimwee of verlangen omdat je beleeft dat je al overal en altijd bent. Zoiets.

Second Life in Prana

Date 27 november 2009

In de nieuwe Prana – tijdschrift voor spiritualiteit en randgebieden der wetenschappen – staat een mooi en degelijk artikel over Second Life. Ik zou het zelf geschreven kunnen hebben. Sterker nog: ik heb het zelf geschreven! Ik ben er best trots op dat mijn ideeën nu ook in dit tijdschrift een plaatsje hebben gekregen. Het had wat voeten in de aarde want hoewel filosoof en eindredacteur Hein van Dongen me steeds vertelde dat hij het zo’n mooi artikel vond, wist hij het lange tijd niet in te passen in één van de themanummers van Prana. En zelf ben ik ook een beetje voor die vertraging verantwoordelijk, want het ook nog een tamelijk lang artikel. Maar goed, deze week trof ik zelfs voor mij onverwacht het artikel Second Life – Het leven als spel aan. Compleet met een leuke foto waar ik rond het kampvuur zit met Robbie, Slimmy en Fio, de avatars van vrienden uit Nederland, Duitsland en Italië, die ik nog nooit ‘in het echt’ heb gezien. Ze weten trouwens geen van allen nog dat ze in Real Life te zien zijn in een van de betere spirituele tijdschriften. Want dat is Prana, dat in 1975 is opgericht door Henri van Praag, parapsycholoog en opvolger van professor Tenhaeff, bij wie ik ook nog een blauwe maandag in de Utrechtse collegebanken heb gezeten. Prana is begonnen als de min of meer nuchtere wetenschappelijke tegenhanger van Bres. Ik herinner me nog hoe Gert en ik enthousiast waren toen de eerste nummers ervan verschenen.

Omdat ik nu eenmaal hou van knuppels en hoenderhokken, liefst met veel gekakel en veren, staan er wat uitspraken in die zelfs met Vriend tot pittige discussies leiden. Bij het betreden van de wereld van virtual reality stort je je immers in schijnwerelden, ver verwijderd van het concrete hier en nu, dat meestal gezien wordt als een voorwaarde voor en kenmerk van het enige juiste spirituele pad. Maar dat is voor mij iets te simpel. ‘We kunnen de wereld van Second Life dus zien als een onzichtbare, maar wel degelijk reële wereld,’ schrijf ik. ‘Met andere woorden: wat daar allemaal gebeurt is even echt, heeft een even groot werkelijkheidsgehalte als wat zich in Real Life afspeelt.’ En dat weet ik dan nog te onderbouwen ook. Waarbij ik ook inga op veel gehoorde kritieken op werelden als Second Life. Je vlucht uit de werkelijkheid. Het is een schijnwereld. Het is een wereld van namaak. Je wordt gemanipuleerd door het astrale. Het is verslavend. Wat allemaal natuurlijk best hier en daar waar kan zijn, maar niet echt het alleenrecht is van virtuele werelden.

Eigenlijk geloof ik helemaal niet in virtual reality. Alles is één, dus alles is echt óf alles is onecht. Het staat me tegen om daarbij onderscheid te maken tussen Real Life, abstracte ideeën, fantasieën, dromen, collectief gedragen beelden, mythen, sprookjes en wat dan ook. Als conclusie schrijf ik dan ook: ‘Er is geen reden om aan te nemen dat een virtuele, astrale wereld minder ‘echt’ is dan de niet-virtuele wereld, en omgekeerd. Het zijn gelijkwaardige werelden op verschillende trillingsniveaus. De virtuele, astrale wereld wordt vaag, mistig en ongrijpbaar als je haar niet onder ogen wilt zien, waarbij ze als chaos ervaren kan worden en tot verslaving kan leiden. Maar dit alles verdampt in het niets als ook deze wereld onder ogen wordt gezien als een ‘echte’ wereld, als we ons realiseren dat er meer is tussen hemel en aarde dan het fysieke bestaan. En dat kunnen we alleen door onze materiële bindingen los te laten, door te relativeren, door te spelen. Waarbij we niet in de val moeten trappen van ons aan de fijnstoffelijke wereld te hechten en die te verheerlijken. Uiteindelijk is het leven een luchtige dans door alle werelden.’

Mooier kan ik het niet schrijven. Prana 176, december 2009/januari 2010, met als thema: Goden, Goeroes en Idolen.

Respect

Date 25 november 2009

Respect is retro. Een uitstervende beleefdheid. Is  er überhaupt nog iets om respect voor op te brengen? Waarom zou je?  Respect is hartstikke ouderwets! Je moet de dingen recht voor zijn raap zeggen tegenwoordig. Zonder opsmuk of omhaal. Open en eerlijk alles eruit gooien wat je op je hart hebt. Recht door zee. Respect past daar niet bij. Je gevoel bedriegt je niet, dus zeg maar gewoon wat je op je lippen ligt. Dan zijn je woorden echt en laat je jezelf zien.

Wees spontaan en denk niet teveel na over wat je zegt. Roep maar gewoon wat. Of de ander het begrijpt of leuk vindt doet er niet toe, dat is zijn probleem. Rekening houden met anderen is echt van een vorige eeuw, wollig en sentimenteel. Als hij je niet begrijpt moet hij maar beter luisteren, ook als je zelf niet snapt wat je zegt. Al dat in- en meevoelen staat open communicatie alleen maar in de weg.

Doe niet te moeilijk, getuig niet van een visie want dan verraad je dat je over je woorden hebt nagedacht. Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg. Een woordenschat van 500 woorden voldoet. Zorg ervoor dat je niet kan opschrijven wat je zegt, want dat oogt heel elitair en ontwikkeld. Zeg alles wat je voor de mond komt. Heb schijt aan de luisteraar! We zijn toch niet op de wereld om met elkaar rekening te houden? Die ander zoekt het zelf maar uit!

Ook zelf hoef je niet te begrijpen wat je zegt, dat moet de ander maar aanvoelen. Luisteren doe je niet, want het gaat om wat jij te zeggen hebt, wat jouw mening is. En die is de waarheid en die moeten anderen stevig in hun oren knopen. Respect heb je hooguit voor mensen met wie je het eens bent. Voor een andersdenkende hoef je geen respect te hebben, want die verdient dat niet met zijn verwerpelijke opvattingen. De ander is per definitie stom en gek. Knettergek!

Engelen

Date 17 november 2009

In Second Life zijn we allemaal engelen als we willen. Dat was afgelopen zondagavond dan ook het thema van het dansfeest in de pooldisco van Sweetweed. Robbie had die natuurlijk versierd met platen en beeldhouwwerken van engelachtige knapen. En de vloer had hij omgetoverd tot wolken, zodat we echt in de hemel dansten. Wij: knapen uit Duitsland, Zwitserland, Italië, Spanje, Engeland, Amerika, België en natuurlijk Nederland, die hun avatars als engel hadden uitgedost. Voor zover engelen kleding dragen uiteraard. We hadden natuurlijk wel allemaal vleugels, hoewel die in Second Life niet echt nodig zijn om te vliegen. Want we zijn hoe dan ook engelen daar.

Dat is het leuke van Second Life: velen maken een avatar naar hun eigen ideaal, degenen die ze willen zijn en die ze misschien wel daarom in diepste wezen zijn. Dat echte wezen kan ook vliegen, is onsterfelijk, kan zich teleporteren en wordt niet gehinderd door fysieke behoeften en aftakelingsprocessen. Dat wezen, die avatar is ook ontstaan uit vrije keuze, want de makers van Second Life vertellen niemand hoe het spel gespeeld moet worden. Dat is ook de kracht van Second Life: dat het alle ruimte geeft aan creativiteit, zodat je alles om je heen precies zo kunt maken als je het hebben wilt. Voor sociologen moet het uiterst interessant zijn om te zien hoe zich uit het niets in de loop der jaren een hele leefgemeenschap ontwikkelt.

Vriend vergelijkt Second Life met een poppenhuis, en dat is zo gek nog niet. Zij het dan dat die groter is dan het gebruikelijke huis, winkeltje of benzinestation, en dat je geen idee hebt hoe je medespelers er in real life in het echt uitzien. Voor zover je ‘in het echt’ associeert met de persoon van vlees en bloed die achter de computer in real life Second Life speelt. En voor zover je ‘real life’ verbindt met die persoon, en niet met zijn avatar, ofwel het beeld dat hij van zichzelf heeft geschapen, zijn wezen of ideaal. Het vervelende van de vergelijking met een poppenhuis is echter dat dit speelgoed zou zijn dat alleen voor kinderen is bestemd. Alsof Jezus ons niet opriep om weer als de kinderen te worden! En alsof het niet heel goed zou zijn als volwassenen wat speelser waren. Juist het spel geeft gelegenheid om jezelf en je mogelijkheden te ontdekken, om creatief te zijn. En wat is er belangrijker in het leven dan creativiteit?

De laatste tijd hebben we ook vaker bezoek van Jean, die in real life sinds zijn geboorte in een rolstoel zit, en dus helemaal geen ervaring heeft met lopen en dansen. Zelfs in Second Life bleef hij het liefst in zijn vertrouwde rolstoel aan de rand van de dansvloer toekijken! Eén keer zag ik hem staan, wat een hele stap voor hem moet zijn, letterlijk. Hij heeft slechts één vinger om zijn computer te bedienen, zodat het slecht communiceren is. Maar hij komt vaak terug, en ik kan me voorstellen dat voor dit soort mensen Second Life een bevrijdende uitkomst is. Ook voor zieken en bejaarden die het huis niet meer uitkomen kan een bezoek aan deze wereld uitkomst bieden. Want hoe alleen je misschien in real life achter je computer zit, in Second Life ben je altijd samen, en dat voel je ook zo.

‘Ik ben een god in ’t diepst van mijn gedachten,’ dichtte Willem Kloos. Maar met een engel ben ik ook al tevreden. En als ik die in mezelf vind, dan herken ik hem ook in anderen. Dan is Second Life geen tweederangs leven meer, maar één van de wondertjes waardoor ik iets diepers van mezelf kan ontdekken. Dat kan denk ik trouwens alleen maar op een speelse manier, omdat het daarvoor nodig is om je serieuzere ik even te vergeten.

CO2 of VVD?

Date 12 november 2009

Terwijl straks in Kopenhagen een klimaatakkoord moet worden gesloten en de Club van Rome hard aandringt op fikse maatregelen om een milieucatastrofe te voorkomen, vindt de VVD dat de natuur veel te veel beschermd wordt. ‘De bescherming van natuur en milieu is in Nederland te ver doorgeslagen en staat daarmee overheden en ondernemers in de weg,’ laat Charlie Aptroot weten. Hij vindt de Natuurbeschermingswet en de aanwijzing van Natura 2000-gebieden ‘rampzalig’, als ik het nieuws van Nu.nl mag geloven. ‘Deze gedrochten moeten op korte termijn fors worden aangepast. Provincies en gemeenten en ondernemers pikken het terecht niet langer.’ Van dat laatste begrijp ik niet zoveel, want ik was gisteravond net op een door de Provincie georganiseerde bijeenkomst over een nieuw te bouwen ecoduct over de A1 bij Olde- en Nieuwegeppel, waarin zowel de Provincie als de twee gemeenten juist enthousiast waren over de plannen.

Respect tonen voor andermans opvattingen is niet de sterkste kracht van VVD’ers, iets dat zelfs Mark Rutte niet ontkende toen ik hem daarop aansprak. Alleen al het taalgebruik waarin woorden als ‘milieumaffia’ voorkomen zegt genoeg. Volgens Aptroot zijn de Natuurbeschermingswet en Natura 2000-gebieden ‘gedrochten’. En wat een beetje alternatief ruikt wordt snel badinerend ‘geitenwollen sokken’ aangemeten. Nee, dat past allemaal niet in het snelle wereldje van slim doorpakken, energiek ondernemen, uitdagingen aangaan en kansen grijpen. En zeker niet in de wereld van de ondernemers, die het van de vrije markt moeten hebben. ‘Als iets toch niet te handhaven is, moet je het ook niet willen,’ hoor ik vaak uit die hoek zeggen, maar als er iets is dat niet te handhaven is, dan is het wel die vrije markt. Want die kan alleen functioneren als daarin ook de vrijheid van de ander gegarandeerd wordt. En dat is iets waaraan het juist zo ontbreekt, zodat liberalisme verwordt tot niet alleen de legitimatie van de macht de sterkste, maar ook tot rechtvaardiging van list en bedrog zoals in de reclame- en de bankwereld.

Juist door het gebrek aan controle slaat het liberalisme om in het tegendeel van zijn beginselen, namelijk het beperken van de vrijheid van anderen. Wiegel hield in zijn eentje het referendum tegen, Hoogervorst verbood de alternatieve geneesmiddelen, Vonhoff dwong gemeenten tot een verplicht huwelijk. Hoewel liberalen menen dat overheden zo weinig mogelijk moeten betuttelen, maken zij zich daar zelf wellicht nog het meest schuldig aan, zodat zij niet verwonderd moeten opkijken als ze bij velen een autoritair imago blijken te hebben. Zo is door gebrek aan controle op het marktmechanisme het echte liberalisme verkwanseld aan ordinaire machtswellust, en is dit schijnliberalisme medeverantwoordelijk voor de financiële crisis waarin we nu verkeren.

En dat niet alleen. De markt waarin zij gelooft is niet de vredige gezellige dorpsmarkt, maar een arena van moord en doodslag. Niet een markt waarin samenwerking hoog in het vaandel staat, maar concurrentie en strijd, de ziekelijke rat race om de sterkste te laten winnen. In deze survival of the fittest zal alles wat niet slim maar dom is, en wat niet sterk maar kwetsbaar is het loodje leggen. Hadden ze maar sterker en slimmer moeten zijn, daarvan leren ze, en worden ze groot en sterk. Al dat sentimentele gedoe ook, dat is iets voor softies en mietjes! Ja toch? Daar kun je voor kiezen, voor zo’n natuurlijk selectieproces. Maar ik had begrepen dat de mens juist mens is door oog te hebben voor het kleine en kwetsbare, en de gave om uit liefde voor elkaar de darwinistische dans te ontspringen.

Er is een aan de kredietcrisis gewijde nieuwe druk verschenen van het visionaire verhaal  De Bovenbazen van Marten Toonder uit 1963. Over hoe grootondernemers met de wereld, hun medemensen en het milieu omgaan. Dit boek had aan Charlie Aptroot opgedragen kunnen zijn. Ik zou het jammer vinden, en ook dom van de VVD,  als zijn woorden een serieus partijstandpunt vertegenwoordigden. Want dan zou je je kunnen gaan afvragen wat de grootste natuurramp is: de CO2 of de VVD?

Leve het ambacht!

Date 9 november 2009

In de Kamerkrant van de Kamer van Koophandel is deze maand een artikel over het ambacht te lezen. Mensen die werk met hun handen doen. Volgens Wikipedia kan je daarbij denken aan zeven branches: voeding, productie, uiterlijke verzorging, gebouwverzorging, medische hulpmiddelentechniek, reparatie van consumptiegoederen en de bouw. Daarin zijn in ons land circa 900.000 mensen, ofwel 12% van de beroepsbevolking, werkzaam. Tegelijk bestaat 26% van de Nederlandse ondernemingen uit 210.000 ambachtelijke bedrijven, zodat daar gemiddeld maar de helft van het aantal mensen werkt als in alle ondernemingen. Kleinere bedrijfjes dus, en daar is niks mis mee. Wat mij betreft heeft de grootschaligheid zijn beste tijd gehad, omdat steeds duidelijker wordt dat die de oorzaak is van de onhanteerbaarheid en onbestuurbaarheid waaraan wellicht onze hele cultuur nog eens te gronde gaat. ‘Ga terug naar Dorpsstraat (Ons Dorp)’ is nu de kaart die aan de beurt is.

Want daar is, net als hier in Oldegeppel, het ambacht te vinden. Ook een computerzaak trouwens, maar volgens Wim Hooijmans van het Hoofdbedrijfschap Ambachten mag dat: ‘Oude ambachten als klompenmaker en touwslager zijn verdwenen, maar daarvoor in de plaats zijn nieuwe ambachten gekomen als webdesigner en pc-reparateur.’ Gelukkig maar, want het zou niet best zijn als het ambacht zou verdwijnen. ‘Ambachtelijk werk wordt ondergewaardeerd in de moderne wereld met zijn massafabricage,’ zegt Hooijmans. ‘Het begint al op de basisschool met de Cito-toets. Daar wordt vooral kennis gemeten en geen handvaardigheid (…) Met het talent om met de handen te werken, ben je een loser. Maar ouders en scholen zien dat vaak anders. ‘Als het met je hoofd niet kan, ga dan maar iets met je handen doen,’ zeggen ze vaak. Terwijl er met je handen heel veel mooie beroepen mogelijk zijn.’ Hij pleit voor meer vakbekwaamheid en ziet het liefst een opleidingstelsel naar Duits voorbeeld, waar je achtereenvolgens leerling, gezel en meester kan worden. ‘Ondernemers moeten vooral bezig zijn met de kwaliteit van hun bedrijf,’ zegt hij verder omdat ambachtsmensen heel gepassioneerd met hun vak bezig zijn. Wat me doet denken aan een verhaal in de komende wei & hei over een stratenmaker die helemaal in zijn vak opgaat.

Mensen met een ambacht zijn relatief vaak eigen baas. ‘Ze zijn dan zolang bezig met andere zaken, dat ze te weinig tijd aan hun vak kunnen besteden,’ vertelt Hooijmans. ‘Dat betekent niet dat we zeggen dat een bedrijf moet groeien. Integendeel. De ambachtsman moet vakmanschap en ondernemerschap zó combineren, dat hij maximaal bezig kan zijn met de uitoefening van zijn vak, maar dat hij tegelijkertijd zorgt dat zijn toekomst verzekerd is.’ Dat is de spijker op zijn kop. Want ook ik ervaar als zzp’er dat ik veel te veel tijd kwijt ben aan overhead, aan niet-productief zijn. Zoals het bijwerken van de boekhouding en aan diverse administratieve verplichtingen voldoen. Aan reclame, mailings en e-mail. Aan het buiten de deur, telefoon, fax en e-mail houden van opdringerige medeondernemers. Dat houdt me allemaal af van het echte werk, wat volgens mij altijd iets ambachtelijks is.

Echt werk betekent iets maken met hart en ziel. Iets maken met liefde. Iets maken waar je van houdt. Iets maken met aandacht en daar de tijd voor nemen. Dan heeft het kwaliteit. Ik ben er heilig van overtuigd dat voedsel dat mechanisch wordt geproduceerd minder kwaliteit heeft dan voedsel dat met liefde en aandacht verzorgd is geweest. Dat een auto die met liefde in elkaar is gesleuteld het beter doet dan eentje die van de lopende band rolt. Dat een met idealisme ontwikkeld besturingssysteem voor de computer beter werkt dan eentje dat alleen uit commercieel oogpunt is ontworpen. Liefde bezielt materie, en daarom is ambachtelijk werk altijd te prefereren boven massaproductie. Dat laatste lijkt goedkoper, maar is door gebrek aan kwaliteit uiteindelijk duurder. Ja, goedkoop is duurkoop!

Overigens betekenen de bovengenoemde getallen dat 82% van de beroepsbevolking geen ambachtelijk werk doet. Wat de vraag oproept wat die 7.500.000 mensen dan wel doen. Ik denk dat ze bezig zijn met bezig zijn, met tijd doden, met geld verdienen, met graantjes meepikken van wat de ambachtslieden maken. Bijvoorbeeld door zich als vertegenwoordiger of manager op te werpen. Tot op zekere hoogte is daar niks mis mee, maar dat is toch een beetje uit de hand gelopen. Belastingen en administraties zijn zo ingewikkeld gemaakt dat kolossale kantoorgebouwen gevuld worden met mensen die dat allemaal al dan niet begrijpen, en anderen weer daarmee helpen. Eigenlijk zou 82% van de beroepsbevolking een ambacht moeten uitoefenen en zouden die overhoofdige beroepen maar 18% moeten uitmaken. En niet omgekeerd, zoals nu het geval is. Ik denk dat het heel goed zou zijn voor productie, economie én welzijn als er veel minder managers waren. Die hebben zich veel te veel macht toegeëigend, zoals je dat ook ziet bij de schoolbesturen die inmiddels het halve onderwijs naar de klote hebben geholpen. Als mensen geen vak leren, niet iets hebben waar ze hun hart en ziel in kunnen leggen, gaan ze rare dingen doen. Gevaarlijke dingen zelfs.

‘Veel minder zelfstandige winkels,’ kopt een ander artikel op dezelfde pagina van de Kamerkrant. ‘Vakbekwame zadelmakers met uitstreven bedreigd,’ zegt een verhaal ernaast. Waarom mensen allemaal zo nodig zo hard en veel moeten werken, is me al niet duidelijk. Maar als ze dan gaan werken, waarom maken mensen dan systematisch de verkeerde keuzes? Het lijkt het kabinet Balkenende wel!