Levensboek

Date 7 november 2009

‘Bloggers zijn blijer,’ staat boven Marcels weblog te lezen. Ik geloof dat dat echt zo is. Mensen die dagboeken bijhouden schijnen ook gelukkiger te zijn. Waarom? Omdat dat plekken zijn waar je heerlijk jezelf kunt zijn. Maar dat niet alleen: door woorden te gebruiken dwing je jezelf ook een beetje tot meer helderheid over jezelf, tot meer eerlijkheid en openheid voor wat er allemaal in je omgaat. En last but not least helpt dit alles om afstand van jezelf te nemen, want juist door het lezen van je eigen woorden kun je je verwonderd afvragen: ‘Heb ik dat allemaal geschreven?’ En hoe langer geleden je die woorden hebt geschreven, hoe moeilijk wordt het om jezelf daarin terug te herkennen. Dan begin je te merken dat je veel van dat alles dus niet bent, dat het niet meer is dan een verhaal. Maar dat moet wel geschreven worden.

Tegelijk zie je rode draden oplichten door alles wat je geschreven hebt. ‘Goh, dacht ik er toen en toen ook al zo over? Beleefde ik het indertijd al op dezelfde manier? Voelde ik me toen ook al zo?’ En dan zie je wat meer wezenlijk bij je hoort, wat wellicht steeds opnieuw het licht wil zien en waarvoor soms woorden tekortschieten. Zo vergroten weblogs je zelfkennis zodat ze heel therapeutisch kunnen werken. Net als dagboeken. ‘Het is een nieuw jaar en ik heb besloten een dagboek te beginnen en bij te houden,’ staat in het mijne op pagina 1 van 1 januari 1963 (dinsdag) te lezen. Nou, dat heb ik geweten! Mijn eerste weblog is van 11 januari 2006. ‘Vanmorgen las ik in een oudere Computer!Totaal hoe je een weblog maakt, en omdat ik bij de tijd wil blijven heb ik dat eens geprobeerd,’ schreef ik die dag in mijn dagboek. ‘En het is inderdaad heel eenvoudig. Heb er al een eerste verhaaltje, vier alinea’s op gezet onder de titel Een nieuw begin.’

Onder die titel heb ik van mijn eerste 123 weblogs een boek gemaakt, dat bij Lulu te bestellen is. Het is 273 pagina’s dik geworden. En gebonden, want dat is het waard, als ik zo vrij mag zijn. Het is per slot mijn leven, en dat verdient geen flodderjasje. Ja, dat voelt echt zo. Alsof mijn leven verpakt wordt in een boek, zodat ik straks wat rustiger kan sterven. Omdat van alles gezegd is, geschreven is. Omdat er een getuige is die het bewaart. Omdat het astrale veld van het internet erover waakt. Alsof dat alles belangrijker is dan mijn stoffelijke leven in dit lichaam. Is er eigenlijk iets belangrijkers te doen dan creatief te zijn? Sommige mensen maken kinderen, ik doe het op een andere manier. En als ik me zo op mijn eigen wijze heb voortgeplant hoef ik niet meer zo nodig. En of er überhaupt één iemand zal zijn die het boek bestelt en leest is eigenlijk ook niet zo belangrijk. Het klinkt bijna magisch allemaal, maar zo voelt het wel.

Maar zijn die verhaaltjes van mij dan zo bijzonder? Eerlijk gezegd weet ik dat niet. Een merel zingt in de nacht, een verliefde hoort hem zingen en zijn hart springt op. Is dat belangrijk? Nee, want er zijn miljoenen verliefd en ook miljoenen merels die zingen. Heel gewoon dus. Ja, omdat dat laat voelen wat schoonheid is, omdat het ons met een diepere werkelijkheid verbindt. Heel bijzonder dus. En daarvan getuigen – het zingen van een merel, de stilte vlak voor zonsopgang, de koude vochtigheid van mist, de geur van seringen, de blijheid van verliefd zijn – is voor mij zowat het doel van het leven. Gerard Reve heeft ook iets dergelijks, en zou misschien zeggen: ‘Het is gezien.’ Een levenswerk dus, te bestellen bij Lulu. Over wat ik meemaak. In de concrete wereld. In die van fantasie en gedachten. In die van Second Life. Hier en daar met herinneringen gelardeerd. Het was een flinke klus om te maken, maar het is dan ook heel mooi geworden, al zeg ik het zelf. Ideaal om naast je bed te leggen en af en toe een stukje uit te lezen. Om even in een andere wereld te duiken.

Overal en altijd

Date 31 oktober 2009

Hier en nu! In die traditie is mijn generatie en soort mensen opgegroeid. En wat heb ik op mijn kop gehad als ik aan het dagdromen was! Dat ik daarmee ook in het hier was, maar alleen in een ander hier, sloeg niet echt in. Smoesjes. En wat kon ik romantisch verlangen of mijmeren over het verleden! Dat ik daarmee ook in het nu was, maar alleen in een ander nu, kon ik niet echt verkopen. Dat waren allemaal uitvluchten en smoesjes. Angst was het van mij, angst om in het echte hier en nu te leven! En wat dat echte hier en nu was, dat werd me desnoods fysiek ingegoten. Therapie heette dat. Ik moest eerst maar eens aarden en gronden voordat ik mocht uitvliegen. Ik zat teveel in mijn hoofd en te weinig in mijn gevoel. Ik moest in mijn lijf gaan zitten en leren omgaan met seks en pijn. Ik moest mijn eigen verdriet opgraven en janken. Kortom het door het regiem van therapeuten voorgeschreven hier en nu was het enige legitieme startpunt voor verdere ontwikkeling. Ja, een confrontatie met jezelf in dit hier en nu kan bij tijd en wijle geen kwaad, maar veel therapieën blijven een subtiele vorm van egotripperij waar je nooit bent uitgegroeid.

Omdat het hier en nu zich vrijwel altijd beperkt tot de materiële werkelijkheid blijft het ook beperkt. Wat is dat hier eigenlijk? Een oneindig klein puntje in de ruimte? Mijn eigen lijf? De kamer waarin ik ben? De straat waarin ik woon? Dat wordt er allemaal niet bij verteld! Vaagheid alom! Hoe ruim is dat hier eigenlijk? Hoe groot zijn de cirkels die ik als grenzen om me heen trek, om aan te geven wat ik als hier en wat ik als daar ervaar? Je kunt de zichtbare wereld als criterium aanwijzen: hier is wat ik zie en daar is wat ik niet zie. Maar wat vlak achter me gebeurt ervaar ik ook als hier terwijl ik het niet kan zien. Ook het al dan niet tastbaar aanwezig zijn kan de grens tussen hier en daar niet markeren, want wat er in mijn eigen lijf of in mijn computer gebeurt kan ik niet echt beetpakken en toch is dat allemaal hier aanwezig. Zo is eigenlijk elke grens kunstmatig omdat het gaat om ervaring, beleving. Afhankelijk van mijn staat van bewustzijn beleef ik mijn eigen lijf of mijn dorp als hier. Zo kan ik het hier niet beperken tot een materiële werkelijkheid die de therapeuten me vaak opdrongen. Het begrip bewustzijnsverruiming kan je letterlijk opvatten als een verleggen van de grenzen van wat je hier noemt, van wat bij je hoort, waarmee je je identificeert.

Iets soortgelijks geldt voor het nu. Want wat is dat nu eigenlijk? Een oneindig klein moment tussen verleden en toekomst? De huidige seconde? Wat ik aan het doen ben? Het huidige uur? Vandaag? Deze week? Dit jaar? Ook hier is het moeilijk om grenzen te bepalen. Als ik ver in de sterrenhemel kijk zie ik werelden van duizenden jaren geleden, maar ik beleef ze als bestaand in het nu. De kosmos zoals die er nu uitziet is niet echt. Want veel sterren die ik zie schijnen niet meer, en andere zie ik nog niet omdat hun lichtstralen nog naar me onderweg zijn. Niet alleen vraag ik me af hoeveel verleden en toekomst ik nog als het nu ervaar, maar ook hoeveel verleden en toekomst in het nu al aanwezig is. En waarom zou de werkelijkheid zich beperken tot alleen dat oneindig kleine tijdstip dat we nu noemen? Waarom zou 2009 meer waard zijn dan 1968, waarom zou 2009 meer bestaan dan 1968? Waarom bestaat niet alles gewoon tegelijkertijd?

Dat met dat leven in het hier en nu is leuk bedacht, maar als je echt dat hier en nu gaat ervaren, beleef je steeds meer het hier als overal en het nu als altijd. Starend in de diepe sterrenhemel snapt mijn verstand niets van de oneindigheid, maar lokken de sterren me graag in de oceaan van leegte die alles omvat. Ik vang een glimp op van wat het is om met alles verbonden te zijn. De sterren laten me de ruimte zien. Oneindig diep en tegelijk o zo dichtbij, gekoesterd in mijn hart.

Klokkendans

Date 24 oktober 2009

Vanavond is er weer werk aan de winkel. Dan moeten alle klokken een uur teruggezet worden. En omdat in steeds meer dingen klokken zitten, is het elk jaar weer meer werk. Van Friese klok tot en met mobieltjes en vaste telefoons, van thermostaat tot en met computers, van televisie tot en met stereo-installatie, ze moeten allemaal even wat extra aandacht hebben. Sommige klokken zetten zichzelf een uur terug, anderen steevast niet. En bij een enkele weet je niet wat er gebeuren zal, zodat daar morgen de klok wellicht een extra uur teruggezet blijkt te zijn. Na al dit werk betekent het wel dat ik een uurtje extra mag slapen, wat ook een troost is voor het feit dat er nu koude tijden gaan aanbreken. Dit in tegenstelling tot het voorjaar waarin ik graag een uurtje slaap inlever voor de in aantocht zijnde warme tijden.

In de jaren zestig moesten we er niet aan denken. Zomertijd! Dat was iets heel ouderwets en bovendien ging je toch niet zo kunstmatig met de tijd zitten knoeien? Maar toch zijn we er op 3 april 1977 weer mee begonnen. Toen was ik die nacht in gay-disco De Viking in Amsterdam, waar ik voor het eerst van dit magische wonder genoot, om uiteindelijk een uur eerder dan gebruikelijk met de nachtbus weer thuis in de Bijlmer te belanden. En de dagen erna was het ’s avonds opeens veel langer licht. Heerlijk! Dat was mijn moeder vergeten in de zomertijdloze jaren tussen de oorlog en 1977. Ze meende dat de zomeravonden in haar jeugd veel mooier waren, maar was vergeten dat de zon toen ook een uur later onderging…

Hoewel ik haar daar nooit over heb horen spreken, denk ik toch dat mijn Wijze Tante het daar volstrekt mee oneens was. Met het instellen van zomertijd bedoel ik. Want die maakt de tijd nog onnatuurlijker dan hij al is. Ze vond het überhaupt al wat zielig dat wij mensen horloges en klokken nodig hadden. Maar ja, zonder die dingen is het slecht horoscopen maken en astrologie was voor haar toch wel de Wetenschap der Wetenschappen.

Ja, tot 1892 hadden we een heel natuurlijke tijd: als de Zon op zijn hoogste punt stond was het 12:00 uur ’s middags. Deze zogenaamde werkelijke plaatselijke tijd was echter een beetje onhandig bij het samenstellen van dienstregelingen en spoorboekjes, en zo heeft men bedacht om de wereld in tijdzones te verdelen, waarbij de 24 uren van de dag werden uitgesmeerd over partjes van 15 graden, te beginnen bij Greenwich. Het gevolg is wel dat wij hier in Nederland – pak hem beet op 5 graden oosterlengte, terwijl we de tijdzone van 15 graden oosterlengte aanhouden, Central European Time – zo’n 40 minuten voorlopen op de werkelijke plaatselijke tijd. Pas om 12:40 uur staat de Zon op zijn hoogste punt. En in zomertijd doen we daar nog een uur bovenop en staat de Zon pas om 13:40 uur op zijn hoogste punt!

In de winter leven we dus een uur natuurlijker dan in de zomer. Dank zij onze klokken! Natuurlijkheid past denk ik ook beter bij de winter, want dat is wat mijn Wijze Tante noemt de tijd van abstractie, in tegenstelling tot de zomer, waar het tijd is voor concretie.  Voor mij betekent abstractie teruggaan naar de bron, het vinden van jezelf, introversie, en concretie het indalen in de materie, het verliezen van jezelf en extraversie. Eigenlijk zijn beide natuurlijk, horen ze als een soort ademhaling bij elkaar. En het is ook heel natuurlijk dat we dat ritme nog eens benadrukken door onze klokken ermee in overeenstemming te brengen. Zodat we onbewust toch juist dat doen wat goed voor ons is!

Maar de overgang blijft altijd even wennen. Want ik weet nu al dat Vriend morgenavond, als ik een half uur na middernacht mijn managerswerk in gay-disco Sweetweed in Second Life heb voltooid, zal roepen: “Eigenlijk is het al half twee hoor!”

Orbs

Date 21 oktober 2009

Flits flits flits deden Marcel en ik onlangs in het donkere bos rond Oasis op de Kalmthoutse Heide. Als er in het weekend iets te doen is in ons Wijze Tante Centrum, gaan we er meestal vrijdag al heen. Dan drinken we eerst een Leffe dubbel uit het vat bij De Kroon tegenover de kerk, alvorens  naar het landhuis te rijden. Op zaterdag eten we in de Pyramide, waarbij Marcel graag een paar woordjes Arabisch met het personeel wisselt, want die taal is een hobby van hem. En onlangs liepen we na het eten langs de hei en in het bos in de duisternis met onze camera’s willekeurig in het rond te flitsen. Misschien niet echt vriendelijk om dat in een natuurreservaat te doen, maar we wilden weten wat er eigenlijk waar was van de verhalen die ik over orbs in De Koorddanser had gelezen. Ja, over orbs. Dat zijn raadselachtige bolletjes die je met het blote oog niet ziet, maar die je later wel op foto’s ziet verschijnen die je met flitslicht hebt gemaakt. Die lijken dan zomaar in de lucht te zweven, en niemand weet hoe ze eigenlijk op de film, heu: de CCD van de digitale camera belanden. En ja hoor, Marcel en ik hadden er ook een paar te pakken. Eentje zat op het gras achter het huis, andere zweefden tussen de takken in het donker.

“Ik vrees dat het toch stofdeeltjes zijn,” concludeerde Marcel na afloop teleurgesteld. En dat vond ik ook het meest voor de hand liggen. Wat mij betreft konden het ook regendruppels zijn, want het had die avond een beetje geregend en wie weet vielen er nog een paar nakomertjes uit de bomen. Jammer dat het zo gewoon was allemaal, want je kunt hierover natuurlijk heerlijk speculeren. Omdat dit verschijnsel me toch niet echt lekker zat kocht ik een rijk geïllustreerd boek erover, Het Orb Project van theoloog Ledwith en fysicus Heinemann. Na toch doorgelezen te hebben in een afschrikwekkend en onleesbaar Woord vooraf van professor Tiller, wordt me verteld dat voor deze orbs geen alledaagse verklaring is te vinden, maar dat ze uit een andere wereld of dimensie komen, of emanaties van (meestal goede) geesten zijn.

Ledwith verklaart waarom we tóch foto’s kunnen maken van onzichtbare entiteiten: het flitslicht zet in de orbs een proces van fluorescentie in werking, waardoor deze infrarood licht gaan uitstralen. En dit blijkt inderdaad gezien te worden door een digitale camera. Hou maar een afstandsbediening voor je lens, druk een knopje ervan in en bekijk dit op het schermpje van de camera. Zo bekeken straalde mijn afstandsbediening inderdaad licht uit, zij het niet rood maar blauw. Heinemann ziet vooral veel orbs rond gebedsgenezers en meent dat het geesten zijn die contact met mensen zoeken. Dat hadden ze begin jaren tachtig al gedaan in het Joegoslavische dorp Medjugorje, waar veel kinderen en jongvolwassenen Maria zagen verschijnen. Dat kreeg echter niet genoeg publiciteit en zodoende zijn deze hogere entiteiten zich als orbs gaan manifesteren. Voor mij blijft het echter een raadsel waarom deze wezens, die meestal als hoogintelligent worden beschouwd, niet op een directere manier contact met de mensheid zoeken. Bijvoorbeeld door een radio-uitzending te kapen, zoals Jan van Rijckenborgh in zijn Démasqué voorspelde.

Een half jaar geleden was ik teleurgesteld door een aantal foto’s die ik in een oude school had genomen. Omdat deze verbouwd ging worden tot nieuw gemeentehuis, waren we er met raad en college op bezoek. Ik ging de foto’s nog eens bekijken en enkele ervan staan vol met orbs, zo vol dat een van de foto’s er echt door verpest is. Omdat er al veel breekwerk had plaatsgevonden, waarvan de foto’s duidelijk getuigen, heb ik al die oplichtende bollen als reflecties van stofdeeltjes gezien, en tot vandaag de dag ben ik er niet van overtuigd dat dat niet zo is. Mensen met veel ervaringen met orbs zeggen dat ze het verschil tussen een stofdeeltje en een echte orb kunnen zien, maar dat werd me uit dit boek niet echt duidelijk. Zo zouden orbs zich soms ook half achter een object of boom verschuilen, wat dan bewees dat ze geen stof- of vochtdeeltjes waren. Maar waar ik in dit boek halfverstolen orbs zie, is dat meestal achter nogal lichte objecten, zodat ik niet echt duidelijk kan zien dat ze er daadwerkelijk achter zweven.

Ondanks alles blijven orbs een raadselachtig verschijnsel. Natuurlijk hoop ik dat orbs uit een andere wereld komen. Want ik hou van andere werelden, dat mag inmiddels bekend zijn. Maar het kunst- en vliegwerk waarmee hier orbs tot hogere entiteiten worden verheven is me toch een beetje te ver gezocht.

Paradoxen

Date 7 oktober 2009

Ik hou van paradoxen. Dat is al tijdens mijn doctoraalstudie begonnen, dus alweer zo’n 30 jaar geleden. Daar hield ik eens een referaatje waarvan ik me niets meer herinner dan dat studiegenootje Paul het waardeerde hoe ik ruimte schiep voor paradoxen. Want die hebben eigenlijk geen bestaansrecht in wetenschappelijke gremia. En toch… Ik hou van die logische innerlijke tegenstrijdigheden. Bovendien is de wereld er vol van. En ook hier, op de psychologische faculteit, kwam ik ze tegen.

Bijvoorbeeld in de cursus gedragstherapie, gegeven door Aad Burger. Die was leuk, spannend en leerzaam om mee te maken. Daar leerde je hoe je van homo’s hetero’s kon maken, maar toen ik in de uitwerking van een opgave daarover van hetero’s homo’s ging maken gaf Aad me ruiterlijk een 10! Hoewel homofobie niet behandeld werd, stond indertijd alles in het licht van het zogenaamde fobieënproject, en dus leerden we veel over deze angsten voor specifieke objecten en situaties. Radicale methoden als flooding, ofwel iemand gewoon een langere tijd met zijn sterkste angst confronteren – ja, dat helpt echt! Maar ook wat rustiger therapie: angst = spanning, dus zal de angst afnemen naarmate je het object van je angst ontspannen benadert. Dat heette dan successieve approximatie en systematische desensitisatie. Ontspanningsoefeningen dus.

En wij maar oefenen met onze angsten – soms in vivo, maar vaak in vitro ofwel alleen in gedachten. Het behaviorisme waarop gedragstherapie is gebaseerd is niet geïnteresseerd in onbewuste processen (om nog maar niet te spreken van bovenbewuste processen!), zodat angst en spanning al snel identiek zijn. Behavioristen als Pavlov, Skinner en Watson moesten dus weinig hebben van diepere oorzaken, een in mijn ogen materialistische benadering die ik nooit echt heb aangehangen. Wat niet wegneemt dat gedragstherapie gewoon ontzettend praktisch is, bijvoorbeeld als iemand volgende week een enge vliegreis moet maken.  Maar achter iets als hoogtevrees zit volgens mij niet alleen angst, maar ook een verlangen, namelijk om je heerlijk in die diepe ruimte te laten vallen.

Aad zei altijd dat we ons ‘boerenvarkensverstand’ moesten gebruiken, maar intussen leerden we wel iets dat volgens datzelfde verstand onmogelijk was: ontspannen. Want ontspannen is actie, en actie is niet ontspannen. Dat doorzag Bhagwan heel goed en daarom ontwikkelde hij meditaties waarbij mensen zich tot het uiterste moesten inspannen om juist daardoor de ontspanning te ervaren, zoals in dit nogal gecultiveerde filmpje van de Dynamic Meditation nog een beetje te zien is. Maar hoe dan ook: mensen blijken zich kunnen ontspannen, en dat is een paradox. Net als kinderen kunnen worden opgevoed tot zelfstandigheid. Net als goeroes hun discipelen kunnen leren om uiterlijke autoriteit van zich af te schudden: ‘When you meet a buddha on the road, kill him!’ Ook dat was een lievelingsuitdrukking van Bhagwan, en zijn boeken onder de titel Zen: The Path of Paradox behoren tot mijn lievelingskost.

Het leven is één grote paradox. Het ‘boerenvarkensverstand’ kan heel praktisch en noodzakelijk zijn om te leven en te overleven, maar tracht er geen diepere problemen mee op te lossen. Daar is het niet voor bedoeld. De werkelijkheid kent niet die tegenstellingen waar het verstand zo graag mee speelt. En als je iets over de werkelijkheid, de waarheid wil vertellen kan dat niet anders dan in paradoxen. Die gaan voorbij wetenschap en logica, en bloeien in de wereld van proza en poëzie die over een veel diepere werkelijkheid vertellen.

Bomen dempen geluid

Date 1 oktober 2009

Vorige week heb ik iets leuks gedaan in de raad. Er kwam namelijk een Bomenstructuurkaart voorbij, met daarin de streefbeelden voor de belangrijkste wegen in Oldegeppel. In de inleiding werd ingegaan op de functies van bomen: klimatologisch, ecologisch, verkeersveiligheid, ruimtelijk, recreatief, sociaal-psychologisch, invloed op de luchtkwaliteit… Wat ik daarin miste was het feit dat bomen ook geluid tegenhouden. Daarover had ik al eens een discussie met een ambtenaar die bleef ontkennen dat dat het geval was. Dat mensen ’s winters meer last van geluid hebben kwam volgens hem niet omdat de bomen hun bladeren dan hebben verloren, maar omdat koude, droge lucht het geluid beter geleidt. Zeggen ze. Het geluiddempende effect van bomen is dus psychologisch, zoals een andere ambtenaar nog tijdens een rondetafelgesprek bevestigde.

Ik heb in de raad eerlijk laten weten dat ik eigenwijs ben. Maar daarvoor had ik wel gestudeerd – de burgemeester heeft ooit uitgezocht dat ik eigenlijk een master of science ben. En dat betekent dat ik kritisch ben, ook naar wat autoriteiten en wetenschappers allemaal zeggen. Want die houding mis ik maar al te vaak: als de deskundigen het zeggen, dan zal het wel waar zijn. Maar het KNMI voorspelt het weer niet altijd goed, evenmin als economen de kredietcrisis hebben voorzien. Ik had het er dus moeilijk mee dat ik in dit geval niet kritisch zou mogen zijn.

En zo belandde ik bij de essentie van mijn betoog. Maakt het eigenlijk wat uit of de geluiddempende werking van bomen tussen de oren zit of niet? Placebo’s werken toch ook? Het gaat toch uiteindelijk om de ervaring? Het gegeven dat iets een psychologische oorzaak heeft, maakt het daarom toch niet minder waar? Ooit mocht iemand van de GG&GD een andere woning krijgen, niet omdat de UMTS-mast aan de overkant van zijn huis hem werkelijk last bezorgde, maar alleen omdat hij psychisch leed aan het idee van kwalijke straling.

Het leuke is dat deze discussie eigenlijk gaat om de echtheid, het realiteitsgehalte van subjectieve ervaringen, tegenover die van de meetbare objectieve materiële wereld. Het aannemen van een amendement zoals deze van mij zou voor ‘wetenschappers’ wel eens een ongewenst tipje van de ijsberg boven water kunnen halen. Met verstrekkende gevolgen als dat niet in de kiem wordt gesmoord. Het tast rechtstreeks het materialistische wereldbeeld aan. En als dat uit de hand gaat lopen, gaan allemaal financiële belangen een rol spelen. Niet alleen dat je wellicht bomen langs snelwegen moet gaan planten, maar ook dat bijvoorbeeld homeopathie weer nieuwe kansen krijgt. Waarbij ik trouwens niet alleen helemaal niet geloof dat het tussen de oren zit – net als bij de geluiddemping van bomen – maar ook de geldigheid van dit argument als dat wel het geval zou zijn bestrijd.

Het presidium vond achteraf wel dat over sommige onderwerpen te lang werd gepraat. Nou, dat zal dan wel. Het staat nu geschreven in de Ooi- en Geemlander. Vanaf nu dempen bomen geluid in Oldegeppel, want het amendement is met 7 tegen 5 aangenomen.

Leuker dan seks

Date 25 september 2009

Deze keer hadden we afgesproken in ’t Schele Paard. Een blije Ewald vond het leuk om me te zien en drukte me stevig tegen zich aan. Bedolf me onder complimenten voor het artikel dat ik voor zijn Koorddanser heb geschreven.  Maar aan een tafeltje in het bruine café begon ik ook Ewald te prijzen voor zijn artikel over Jed McKenna dat me op het spoor heeft gezet van een heel boeiend verlicht iemand. Of niemand. Onder het drinken van bier en roken van sigaartjes gaat ons gesprek in no time de diepte in. Blijft er nog wat te schrijven over als je de non-duale kant opgaat? Want eigenlijk heb je Niets meer te zeggen. Hij vertelt over een nieuwe spirituele politieke partij Nieuw Bewust Nederland, die lijkt aan te sluiten bij de Worden Wij Wakker?-beweging van Marcel Messing. En zo belanden we bij de Anunnaki, de Illuminati en hun trucs om de mensheid uit te moorden, dan wel tot slaven te maken van een paar honderdduizend machthebbers die dan alle levensruimte hebben. De twin towers, de OV-chipkaart en de Codex Alimentarius schieten voorbij – we vergeten zelfs de vaccinaties door te nemen. Ik ga in de aanval door complottheorieën als sucking te bestempelen, zonder dat ik ze daarmee als leugen of onrealistisch wil beschouwen. Ik blijf een Marsmannetje dat hier op Aarde rondkijkt, zonder direct met een oordeel klaar te staan of het al dan niet goed of verdiend is dat deze wereld naar de kloten wordt geholpen.

Het is gewoon leuk om zo als studenten hier in de bruine kroeg in snel tempo even de politieke en spirituele toestand in de wereld samen te vatten. Als Ewald nog wat bier haalt kijk ik naar de oude kachel voor de haardplaat, een aftandse zwarte piano, de ramen met al zijn ruitjes… Zo moet mijn vader hier ook gezeten hebben, een dikke vijftig jaar geleden. Er is waarschijnlijke niks veranderd. De afgelopen decennia is ’t Schele Paard hier in Nieuwegeppel wel geannexeerd door de meest bijzondere en belangrijke gebruikers van de Ooise Matras – een wereld waar je voor je goede fatsoen eigenlijk niet bij wil horen – maar vanavond is het rustig. Mensen kijken mij aan van ‘Wie is dat nou?’, welke blikken ik op soortgelijke wijze brutaal beantwoord, want wie hebben hier eigenlijk de oudste rechten?! Maar Ewald vindt het ook wel leuk om naar al die rare mensen te kijken, wat ook zijn eigenlijke reden is om musea te bezoeken. Aan de grote tafel zit een groep jongens luidruchtig te zijn. Intelligente, leuke knapen, maar wel vol met hormonen. Een van hen vertelt stoer tot in details hoe hij zijn vriendin wil verleiden om hem eens lekker te verwennen. Hij zit met zijn rug naar me toe, zodat niets me tegenhoudt om uitgebreid mijn belangstelling te tonen, iets wat de andere jongens wel leuk vinden, maar waarvan ze niets laten blijken…
‘Voor hen is seks het belangrijkste wat er is,’ fluister ik Ewald toe. ‘Maar wat is dat nou eigenlijk, klaarkomen?’

Omdat we het nog niet over Second Life hebben gehad, vertel ik Ewald over de show die ik daar onlangs heb gegeven. ‘Doe dat dan ook in real life joh!’ stelt hij voor. ‘Een beetje hier op een tafel in ’t Schele Paard? Zodat morgen de act van een gemeenteraadslid in de Ooi- en Geemlander staat?’ ‘Pim Fortuyn deed daar niet moeilijk over!’ Ik kom niet op het idee om Ewald te zeggen dat ik Pim óók nooit in het openbaar dat soort dingen heb zien doen. ‘Als ik nou nog zo mooi en jong was als vroeger…,’ verdedig ik me nog, terwijl ik een knobbel van een kies uit de ossenworst in mijn mond vis. ‘Ik vind het al heel wat dat ik jou er hier nu over vertel!’ Ja, ik pleit voor Second Life als middel om te oefenen en om zelfkennis op te doen, als terrein om eerlijker en opener te zijn. Ja toch? De Wet van Willem Elsschot: tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren, geldt daar veel minder. Ik zit weer op mijn stokpaardje virtual reality, om uiteindelijk Ewald via de ideeën van Plato en wat antroposofische hulpmiddelen, met De Vraag te confronteren, zodat hij even mijmert: ‘Ja, wat is echt…

Een laatste biertje sla ik af. Hij neemt nog een whisky en vertelt over non-dualist Douwe Tiemersma, die zijn Advaita Centrum in Gouda heeft en op wiens Advaita Post ik al jaren ben geabonneerd. Met en voor hem gaat Ewald een dag in Gouda organiseren. Vriend en ik kunnen met hem meerijden als we daarheen willen. ‘Dat non-duale bewustzijn, om dat even te ervaren, dat is als een atoombom,’ vertelt hij me stralend als we buiten afscheid nemen. ‘Leuker dan seks!’ Twaalf uur. Een helikopter raast ergens in de sterrenhemel. Het is koud, en tegelijk zoel, een zomerse avond in herfstig Nieuwegeppel.

Hoe werkt OV-chip?

Date 17 september 2009

Xnapputniet! In Spoor (‘exclusief voor abonnementhouders van NS’) wordt uitgebreid aandacht gegeven aan de OV-chipkaart. ‘De OV-chipkaart is net zo groot als een bankpas, met een chip waarop u een bedrag kunt laden om te reizen,’ wordt me verteld. Dat is duidelijk. Ik heb al verschillende malen mijn kaart in een automaat opgeladen: je moet die dan geduldig op een bakje laten liggen, waar hij onder een soort elektromagnetische douche met kersverse euro’s bestraald wordt. Mijn OV-chipkaart is nu met saldo geladen, een geldig reisproduct waar ik heel voorzichtig mee moet omgaan, zodat ik hem heel zorgvuldig behandel. Want zo’n kaart vol met reissaldo wil ik niet verliezen!

Ik lees verder. ‘Hoe werkt het?’ staat boven de tweede paragraaf. Nu wordt het interessant! Dit duidt op het in ere herstellen van een oude gewoonte om bij elektronische apparatuur zoals radio’s en televisies, schema’s mee te leveren, zodat je wist hoe het werkte – een soort open source avant la lettre. Maar het lezen van deze tekst over de OV-chipkaart is alleen maar verwarrend voor me. Want hier wordt verteld dat ik via www.ov-chipkaart.nl geld van mijn bankrekening naar de OV-chipkaart kan overhevelen. Maar hoe kan dat als die kaart op dat moment naast mijn toetsenbord ligt, of in mijn portemonnee zit? Dat lijkt me even onmogelijk als een bestand op een USB-stick zetten die nergens op is aangesloten.

Hoe de OV-chipkaart werkt is dus allesbehalve transparant. En wat niet transparant is, is verdacht. Ik kan niet anders concluderen dan dat er in werkelijkheid helemaal geen geld op de kaart zélf staat, maar ergens op een computer waarmee alle kaartlezers voor in- en uitchecken verbonden zijn, net als pinautomaten contact met de bank hebben. In bussen moeten die verbindingen dan nog draadloos zijn ook. Als het klopt wat ik denk wordt alles dus op een centrale computer bijgehouden. Niks geen opladen van mijn kaart, maar alleen een verhogen van het saldo op mijn OV-chip-rekeningnummer!

Ik zou graag weten of het inderdaad zo werkt als ik denk. Uit ervaring wijs geworden ga ik het antwoord niet zoeken op www.ns.nl of de site van de OV-chipkaart, want dat betekent te vaak tevergeefs lang bladeren in lijsten van frequent asked questions of lang zoeken naar een e-mailadres. Ik stuur een afdruk van deze weblog per post naar de NS, dat is voor mij als klant het gemakkelijkst. In de hoop een antwoord te krijgen op mijn vraag: hoe werkt de OV-chipkaart nou eigenlijk? Xnapputniet!

Jed McKenna

Date 11 september 2009

Jed McKenna is de onbekende schrijver van boeken als Spirituele Verlichting? Vergeet het maar! Ewald Wagenaar schreef in de Koorddanser een boeiend artikel over hem dat me erg aansprak. Dank je, Ewald! Ik gaf Vriend het voor zijn verjaardag en inmiddels hebben we het beiden uit. Een bijzonder fris en origineel boek. Een van de weinige die vanuit het perspectief van een verlicht iemand is geschreven. Hij woont ergens in een huis in Iowa, waar voortdurend anderen al dan niet langdurig in zijn bijzijn leven, en beschrijft op een soms humoristische manier hoe hij omgaat met het gegeven dat hij daar als een soort verlichte meester behandeld wordt. Die er geen doekjes om windt dat hij verlicht is, wat in de wereld van de newage not done is: zoiets zég je niet, dat is egotripperij!

Nou moet Jed ook weinig hebben van de alternatieve wereld. De meeste goeroes en verlichten hebben verdacht weinig anderen verlicht, en hun wereld wijkt niet veel af van die van – al dan niet gewone of alternatieve – religies en mystiek. Want meestal hebben die als hoogste doel het in stand houden van de droom, waarbij wederzijdse bevestiging van hun waarheid goed helpt. McKenna maakt dan ook een duidelijk verschil tussen mystiek en verlichting: dat laatste is heel iets anders dan een continue staat van vervoering, een kosmisch orgasme, een gevoel van eenheid met het al, een piekervaring, de hemel op aarde, een permanent high zijn. Hij noemt het ´goedkoop´ om dat verlichting te noemen.

Wat verlichting dan wel is? Het doorzien van de illusie, de onechtheid, de maya waarin we leven. Omdat we niet, zoals de dwaas uit het tarotspel, in de afgrond durven te stappen, de echte werkelijkheid durven te aanschouwen, verliezen we ons in sprookjes, ook over verlichting. Daarvoor moeten we door een gevoel van totale zinloosheid, wanhoop heen, wat ook wel the dark night of the soul is genoemd. Hij citeert Krishna uit de Mahabharata. Ik herken veel Osho in McKenna, en Jed blijkt dan ook graag Osho te lezen. Die had het ook vaak – eigenlijk altijd dus – over de afbraak van het ego en de illusies waarmee we dat ego in stand houden, uit angst in een existentiële zinloosheid en doelloosheid te vallen, onze identiteit te verliezen, opgebouwd als die is uit oordelen over van alles en nog wat. Wat niet wegneemt dat het ego zichzelf niet kan laten verdwijnen: daar protesteert het tegen, en dat zou ik ook doen als ik het ego was. Het is veel beter dat ego een eigen plek en bestaansrecht te geven en ook deze illusie te accepteren. In mijn eigen woorden: de grootste egotrip is het bestrijden van het ego!

Deep down weten we drommels goed dat we onecht zijn, liegen, toneelspelen, en daarom hebben we ook een schaamtegevoel over het feit dat we de boel, inclusief onszelf, zitten te belazeren zolang we niet verlicht zijn. En dat kunnen we worden door ons voortdurend af te vragen wat de waarheid is, je bij elke zin en gedachte die je uitspreekt of denkt af te vragen of dat wel zo is. Hierin staat natuurlijk de klassieke vraag van Nisargadatta centraal:´Wie ben ik?´, die hij net als Adyashanti liever vertaalt in ´Wat ben ik?´ McKenna noemt dat zelfonderzoek autolyse en daarmee helpt hij voordurend de mensen die hem in zijn grote landhuis bezoeken. Het goede nieuws daarbij is dat we hoe dan ook ooit verlicht zullen worden. Dat is nu eenmaal onze natuurlijke ontwikkeling en bestemming, en wie zijn wij om te menen dat tegen te kunnen houden? Het duurt misschien nog een paar miljoen jaar, maar het komt!

Wie Jed McKenna in real life is weet bijna niemand. In het ´Over de auteur´ achterin het boek wordt vermeld dat hij klaar is met zijn werk en de wereld rondtrekt, waarbij hij uit vuilnisbakken eet en zijn oksels wast bij pompstations. Dat is toch een iets ander beeld van een verlichte zoals ons dat meestal wordt voorgeschoteld. Is alles wat hij schrijft knap verzonnen of is het echt? Ik vraag me af of dat er iets toe doet, want het verhaal is echt. Het lijkt er allemaal nogal verstandelijk toe te gaan, maar de vele citaten van Walt Whitman en Rumi, en de humor en de emoties die vaak uit de pagina´s opvlammen maken het heel compleet allemaal. En wat het vooral zo echt maakt is dat hij als anti-goeroe ook zo gewoon is. Hij is niet in het hier en nu met de afwas bezig. Hij is een nachtbraker, die ook graag in een bubbelbad ligt. Hij houdt niet van details, springt graag parachute en speelt computerspelletjes. Daarmee wordt hij net een mens en alles herkenbaar. Zelfs wat verlichting is.

Cosmos

Date 3 september 2009

De afgelopen weken hebben we Carl Sagans tv-serie Cosmos bekeken. Deze 13-delige documentaire was in 1980 op de televisie te zien, en heeft vele prijzen gekregen. Jaren lang was ik bang dat deze voortreffelijk reeks in de vergetelheid zou raken, maar onlangs bleek hij als dvd-box gewoon te koop bij de Voordeelbezorger. Ik blij! Ja, het bijbehorende boek ligt naast mijn bed en in 1985 bemachtigde ik in Rajneeshpuram een cassette met de muziek van de serie, die in 2000 opnieuw op CD is uitgebracht. Maar nu heb ik toch echt de afleveringen zelf, en blijk ik dus niet de enige te zijn die dankbaar is dat deze serie opnieuw op dvd is uitgebracht. Ja, inmiddels blijkt er een website aan de in 1998 overleden Carl Sagan te zijn gewijd. En in Wikipedia is een uitgebreid overzicht van de serie en de daarin voorkomende muziek te vinden.

Het knappe van de serie is de zowel nuchtere wetenschappelijke als bevlogen wijze waarop het holisme wordt gepresenteerd. ‘Some part of our being knows that this is where we came from. We long to return, and we can! Because the cosmos is also within us, we’re made of star stuff,’ zegt Carl Sagan in de introductie, daarmee de achtergrond schetsend van een verbondenheid met het heelal die door de hele serie voelbaar blijft. Bezield vertelt hij over zijn geliefde: de planeten met hun manen, de sterren, pulsars, witte dwergen, rode reuzen, zwarte gaten, wormgaten, de big bang en hoe daaruit uiteindelijk het menselijk leven ontstaat. Maar ook over platland, Tlingits en Azteken, het geheugen, evolutie en mogelijk leven op andere planeten. Hij laat ons meereizen in zijn ‘ship of imagination’ dat als een paardebloemzaadje door de onmetelijke kosmos reist.

De diepe verwondering waarmee hij ons meeneemt in zowel de macro- als de microkosmos lijkt niet te rijmen met de positivistische benadering waarin hij gelooft dat bewustzijn een product van materiële evolutie is. Zijn weerstand tegen mystiek en religie deel ik dan ook niet met hem. Maar in al die nuchterheid is hij zo bevlogen en diepgaand, dat hij voor mij toch een diepreligieus mens is. Juist vanwege zijn verwondering over bezielde filosofen en sterrenkundigen die door de afleveringen wandelen: Thales, Pythagoras, Democritus, Plato, Aristoteles, Archimedes, Eratostenes, Ptolemaeus, Hypatia, Columbus, Da Vinci, Copernicus, Tycho, Galilei, Kepler, Huygens, Newton, Champollion, Einstein, Hubble, Humason… we leren ze allemaal kennen. De serie is zo fantastisch juist vanwege dat doorleefde holisme dat ervan uitstraalt, juist vanwege de bezieling waarmee Carl Sagan over de kosmos vertelt alsof die zijn grootste geliefde is.

De serie wordt door fantastische muziek gedragen, onder andere Heaven and Hell en Entends-tu les chiens aboyer? van Vangelis. Ook horen we The sea named Solaris van Tomita, waarin we Bachs orgelbewerking van de koraal ‘Ich ruf zu dir, Herr Jesu Christ’ herkennen. De serie wordt ook door andere klassieke muziek gedragen zoals De Vier Jaargetijden van Vivaldi, het Adagio van Albinoni en passages uit de Zesde en Zevende Symfonie van Beethoven. Het is een groot gemis dat nergens in de serie tussen aftitelingen van mensen die make-up verzorgen en de camera crane bedienen de bron van de muziek vermeld is. Een kwalijke miskleun die in volgende edities rechtgezet zou moeten worden. Want al deze muziek past zo goed bij de serie dat ze er een wezenlijk deel van uitmaakt en het horen ervan alleen al me de afgelopen jaren vaak koude rillingen heeft bezorgd.

Weinig beelden en muziek hebben me, meer dan deze serie, duidelijker gemaakt wat mijn oorsprong en bestemming is, hebben me laten beleven wat mijn uiteindelijke thuis is. Daar, diep in die oneindige ruimte tussen kleurige wervelende werelden. Daar, in die bevrijdende eindeloosheid. Daar, overal en nergens.