21 mei 2010
‘Drugs toestaan? Dat wordt echt een grote ramp,’ staat vandaag op de opiniepagina van nrc.next te lezen. Dit naar aanleiding van een progressief voorstel van Bolkestein, eerder in deze krant, om het verbod op soft- en harddrugs op te heffen. Lijkt mij een prachtig idee. Want intussen is de halve wereld bezig met het bestrijden van drugscriminaliteit. Kan je nagaan wat een tijd, energie en geld er overblijft als je dat niet meer hoeft te doen! Het toestaan van drugs lijkt me ook heel liberaal in de positieve betekenis van het woord. Waarom mag ik me wel een coma zuipen en wordt moeilijk gedaan over een jointje Nederwiet? Zoals ik al eerder zei: op de weg gebeuren meer ongelukken door drank dan door weed. Hoewel de laatsten wellicht nooit hun bestemming bereiken zullen ze veel minder brokken maken dan die dronken lui achter het stuur.
Terug naar nrc.next. In een artikel noemt psychiater, publicist en medisch directeur van een verslavingskliniek Bram Bakker vier bezwaren tegen Bolkesteins voorstel om het verbod op soft- en harddrugs op te heffen.
1. Het aantal verslaafden neemt toe. Dit wordt hier niet onderbouwd. Het zou kunnen. Natuurlijk zal er minder verslaving in Zweden zijn, gewoon omdat drugs daar lastiger te krijgen zijn. Maar ik lees niets over de mate van mogelijke verslaving. En ik lees niets over de definitie van verslaving, iets waar we in de jaren zestig nog wel eens ons hoofd over braken. Is wellicht alles wat we lekker en leuk vinden per definitie verslavend? Heeft verslaving te maken met identificatie met iets wat we moeilijk los kunnen laten? En hoe komt dat dan? En wat is er met de samenleving aan de hand als mensen daar behoefte aan hebben?
2. Steeds vaker is er ernstige ‘comorbiditeit’ ofwel naast de verslaving last van psychosen, ADHD, depressies of angststoornissen. Ja, ook ik rookte indertijd graag een jointje en geen van bovengenoemde ‘comorbide’ verschijnselen is me voor honderd procent vreemd. Dat wens ik dan ook niemand toe, naar tegelijk geloof ik echter niet dat drugs daar de oorzaak van zijn. Eerder zoek ik dat in een door drugs veroorzaakte verlaagde waarnemingsdrempel of verhoogde gevoeligheid waardoor dit soort ‘afwijkingen’ – die overigens in ons allemaal sluimeren – eerder aan de oppervlakte komt.
3. Cannabis kan medeoorzaak zijn van ernstige, chronische hersenziekte als schizofrenie. Zie hierboven. Maar waarom ben ik dan niet schizofreen? Of ben ik het wel zonder het te weten? Bram Bakker zegt dat af en toe een joint roken lang niet zo onschuldig is als we dachten. Ja, de cannabis is inderdaad veel pittiger dan in de jaren zestig, maar juist door opheffen van het verbod erop zou je de sterkte ervan beter in de hand kunnen houden. Op pakjes sigaretten staat ook te lezen dat roken dodelijk is, wat een pertinente leugen is, want ik leef nog steeds. En bovendien: wat is schizofrenie eigenlijk?
4. Grotere verkrijgbaarheid van drugs is gevaarlijk. Kijk maar naar GHB. Steeds meer mensen overleven het afkicken van deze partydrug niet. ‘Om politieke redenen wordt hier weinig ruchtbaarheid aan gegeven,’ schrijft Bakker. Maar is dan dit laatste niet juist de oorzaak van deze ongelukken? Als er weinig op de gevaren ervan wordt gewezen, denken velen dat zo’n partydrug onschuldig is, zodat juist deze ‘politieke redenen’ de oorzaak van deze sterfgevallen zijn. En hoe staan deze gevaren trouwens in verhouding tot die van alcohol, waarvan toch overbekend is dat het systematisch onze hersenen aantast?
Jammer. Komt er eens een liberaal met een echt liberaal idee – want dat is niet de beste kwaliteit van liberalen –, is het weer niet goed! Want laten we eerlijk zijn: als er alternatieve dingen worden verboden komt dat meestal uit de hoek van de VVD met een nogal opportunistisch en betuttelend gebruik van haar liberale principes. Het blijft een behoudende partij en veel van wat vreemd en anders is, is eng. Er zijn natuurlijk uitzonderingen en het opkomen voor gelijke rechten voor homo’s en het homohuwelijk siert deze partij, maar drugs en alternatieve geneeswijzen zijn nog een paar bruggen te ver. Net als mensen die opeens met een echt liberaal idee komen, zoals Bolkestein.
Gepost in Gezondheid en welzijn, Maatschappij en politiek
4 reacties »
20 mei 2010
Als je maar je rozenkransjes bidt en wat wierook in het rond slingert komt alles wel goed. Hoe mooi ik dat soort rituelen ook mag vinden, ik heb nooit begrepen wat dat nou met spiritualiteit te maken heeft. Als ik maar lief was voor Jezus en weesgegroetjes naar de hemel stuurde zou alles wel goed komen met mijn zieltje. In Nieuwegeppel zegent tot vandaag de dag de pastoor de auto’s van mensen die op vakantie gaan – het blijft een vreemde wereld voor me. Je bent aan het dealen met God, Jezus of wie dan ook, net als met de aflaten van vroeger waarmee je voor een zeker bedrag verlost werd van veel irritante existentiële levensvragen over hemel en hel, liefde en haat, en leven en dood en zo. Alsof de oplossing vanzelf komt als je maar de juiste dingen doet, alsof je alleen een handleiding hoeft na te volgen waarbij het er helemaal niet meer om gaat hoe je dat allemaal moet doen. Terwijl dat laatste, de manier waarop en de intentie waarmee je dingen doet, er juist voor zorgt je wat je doet kwaliteit krijgt. Je voert een hond niet door alleen maar wat brokken in zijn bak te kieperen. Je snoeit groen niet door er met een kettingzaag doorheen te jassen. Je bouwt geen huizen door wat stukken beton tegen elkaar te zetten.
Maar wat is kwaliteit? Daarover schreef Robert M. Pirsig in 1974 zijn inmiddels beroemde boek Zen en de kunst van het motoronderhoud. Dit gaat over een reis. Niet alleen met zijn elfjarige zoontje Chris door Amerika, maar ook door spirituele werelden die als landschappen aan hem voorbijtrekken. Centraal is de vraag: wat is kwaliteit? Onlangs wijdde Happinez een artikel aan het boek. Waarom kon de auteur wel zijn motor repareren, want talrijke vaklieden niet is gelukt? Omdat hij iets met zijn motor heeft want anderen niet hebben: hij wordt er als het ware één mee. Kwaliteit is iets dat aan gedachten voorafgaat, iets wat ik intuïtie zou willen noemen. Maar eigenlijk is het niet te definiëren omdat het de bron is van alles en aan het denken voorafgaat: ‘Werkelijkheid is altijd een moment van visuele waarneming voordat de intellectualisering optreedt. Er is geen andere werkelijkheid. Deze pre-intellectuele werkelijkheid is (…) Kwaliteit. Aangezien alle intellectueel aanwijsbare dingen moeten voortkomen uit deze pre-intellectuele werkelijkheid, is Kwaliteit de bron, de oorsprong van alle subjecten en objecten,’ lees ik in mijn pocketuitgave op de pagina’s 221 en 222. En op pagina 260: ‘Op het moment van zuivere kwaliteit zijn subject en object identiek. Dit is de Tat twam asi-waarheid van de Oepanisjaden, maar je vindt het ook terug in alledaagse uitdrukkingen als: “Iets met hart en ziel beleven,” “opgaan in iets,” waarin deze overeenkomst tot uitdrukking komt. Op deze overeenkomst berust het ambachtelijke in alle technische kunsten. En juist deze overeenkomst ontbreekt in de moderne, dualistisch ingestelde techniek. De maker ervaart er geen enkel specifiek gevoel van identiteit bij. De gebruiker ervaart er geen enkel gevoel van identiteit bij. Vandaar dat het (…) geen Kwaliteit bezit.’
Mag ik dat aandacht, bezieling of liefde noemen? Van Pirsig waarschijnlijk niet omdat kwaliteit daar weer de bron van is, maar voor mij zijn deze juist de openbaring, de manifestatie van kwaliteit. En liggen onze kwaliteiten niet vaak in die dingen en activiteiten waar we graag in opgaan, waarmee we geduld hebben, waar we de tijd voor nemen, waarvan we houden? Vriend is een Maagd en kan geduldig knutselen, schoonmaken en eten bereiden, maar heeft geen geduld voor computers en nieuwe technologieën. Ik ben een Waterman en bij mij is het precies omgekeerd. Zo kunnen we beiden kwaliteit leveren op onze eigen gebieden. En juist het vertrouwen in onze eigen kwaliteiten is de voornaamste reden waarom ik vind dat werk zoveel mogelijk op de werkvloer zelf bestuurd en georganiseerd moet worden. Maar besturen is an sich een vak geworden, dat steeds meer losstaat van het product of de dienst waar het uiteindelijk om gaat. Of men dan een postbedrijf, een veehouderij of een winkelketen bestuurt maakt dan niets uit. En een door managers bedacht kwaliteitsinstrumentarium ontpopt zich dan als een middel waarmee kwaliteit eerder teniet wordt gedaan dan bevorderd. Juist omdat mensen op de werkvloer bestuurd worden door een regime van materiële en rationele eisen, waarbij vertrouwen op eigen intuïtie, liefde voor het werk of voor mensen waarmee je moet werken, aandacht en geduld in de kiem worden gesmoord.
Kwaliteit associëren we met eigenschappen van dingen, met geuren en kleuren. Er is immers iets, een object dat een kwaliteit heeft. Kwaliteit voelt aan als een bijvoeglijk naamwoord of een bijwoord, en niet als een onderwerp zelf. Kwaliteit zegt iets over de manier waarop. Eerder betoogde ik dat goddelijkheid aan God voorafgaat, dat we beter af zijn zonder God omdat die ons juist belet goddelijkheid te ervaren. Analoog hiermee zegt Pirsig dat kwaliteit de bron is, de oorsprong van alle subjecten en objecten. Hij spreekt zelfs van ‘romantische kwaliteit’ – tegenover ‘klassieke kwaliteit’ die zich met de intellectuele werkelijkheid bezighoudt – en dat vind ik als romanticus natuurlijk leuk om te lezen. Het doet me zelfs denken aan Plato bij wie ideeën aan de werkelijkheid voorafgaan, of aan het woord dat in het Johannesevangelie vlees is geworden. En juist in onze tijd ervaren we het schrijnende gebrek aan contact met de bron, aan kwaliteit. En dat is iets waarmee we ons toch weer zullen moeten verbinden als we nog iets van ons leven en de wereld willen maken.
Gepost in Maatschappij en politiek, Spiritualiteit
Geen reacties »
12 mei 2010
Vandaag mijn nieuwe gehoorapparaat opgehaald. Ja, mijn grootvader hoorde al niet al te best en ook mijn vader had gehoorapparaten nodig. Dus ik ook. In 1999 mat de beroemde dokter Themans me ‘hoorhulpjes’ aan, en daar heb ik vijf jaar gebruik van gemaakt. Toen waren ze kapot en niet meer te repareren. Omdat ik dat laatste geen stijl vond heb ik maar een poos afgezien van gehoorapparaten. Zonder gaat het ook best en is het lekker rustig. Maar vooral het laatste jaar viel het me op dat ik steeds vaker ‘Hè?’ zei. Ook werd het telefoneren soms lastiger.
‘Uw postcode is 1261 SF’?
‘Nee: FF’
‘Ah, 1261 FS!’
‘FF!’
‘1261 SF dus…’
Dat schiet dus niet op. En geleidelijk word je onzekerder, versta je dingen maar half en voor je het weet zit je mee te lachen om een grap die je niet helemaal kan volgen. Zeker in wat rumoerig gezelschap! Bovendien wordt het steeds moeilijker om geluiden te lokaliseren, dan wel door te krijgen wat het eigenlijk is dat je hoort. Heel sluipend kan je er zelfs een beetje paranoïde van worden.
Hoeft dus allemaal niet meer. Maar wat een herrie opeens in een wereld vol sis-, schuif-, knisper-, ruis- en andere hogetoongeluiden die ik vroeger wel normaal moet hebben gevonden. De klok tikt anders, net als de toetsen van het toetsenbord waarop ik nu zit te typen. Maar ik raak ook wat gedesoriënteerd van al dat spetterende nieuwe geluid om me heen, een beetje zweverig gevoel soms, wat me ervan bewust maakt hoe alle zintuigen samenwerken en één soort ervaringsgeheel lijken te vormen. Ik verbeelde me vanavond ook een relatief lange periode even geen last van tinnitus te hebben, alsof het extra versterken van tonen in het gebied van die hoge fluittoon, die bij mij rond zo’n 8000 Hz zit, er juist voor zorgt dat mijn gehoor zelf minder van dat gepiep gaat opwekken. Maar het kan ook een soort maskering van geluid zijn, die ik nog niet echt begrijp. Hoe dan ook: het is even wennen, maar daarvoor geeft deze Vigo Connect van Oticon me ook alle tijd, want in de loop van de eerste weken wordt de versterking geleidelijk tot het optimale opgevoerd.
De techniek heeft niet stilgestaan, want om mijn hals kan ik een zelfbediening hangen die niet alleen het volume regelt, maar waaraan ik ook met een snoertje mijn iPod kan koppelen. En last but not least kan ik hem ook draadloos met mijn mobieltje verbinden, zodat ik nog handsfree kan telefoneren ook. Geen gezicht, die mensen op straat die in zichzelf lopen te praten, maar wellicht soms toch handig. Ik heb het natuurlijk allemaal al uitgeprobeerd en het werkt nog ook. Ik moet nog een paar keer terugkomen bij Schoonenberg in Blikkum om het gehoorapparaat te finetunen, want de verschillende frequentiegebieden kunnen elk afzonderlijk ingesteld worden. Als de batterijen bijna leeg zijn zal ik dat gaan horen als een bepaald biebje, want je begrijpt dat er ook allemaal geluidjes in geprogrammeerd zijn. Maar gelukkig is het nog niet zo ver gekomen dat je elke dag vijf minuten reclame moet aanhoren, waardoor de prijs van het gehoorapparaat zou kunnen dalen. Hou toch je mond, Satyamo, je brengt ze nog op een idee!
Al die nieuwe ontwikkelingen in de wereld van het horen zijn zeker niet tevergeefs, want in de toekomst zullen steeds meer mensen slechter gaan horen. Wellicht heb ik nu heel gezonde en goedhorende oren als ik ze vergelijk met die van de huidige iPod-generatie enkele decennia na nu. Want hoe slecht de jongeren tegenwoordig gaan horen, daar hoor je van op. Dat jongeren niet altijd willen luisteren hoort erbij, maar dat ze slecht zullen horen hoort er niet echt bij.
Gepost in Gezondheid en welzijn, Uit mijn leven
Geen reacties »
9 mei 2010
Gisteren met Vriend op bed de film Avatar bekeken. Geen avatar van mij in Second Life die avond, waar mijn vrienden het een avondje zonder mij moesten stellen. Maar wel de prachtige kleurige en fantasierijke film van de Canadese James Cameron, die indertijd ook Titanic heeft gemaakt. Eigenlijk is het een film in 3D die je door een brilletje met gepolariseerde glazen moet bekijken, maar die techniek is nog niet ingebouwd in onze tv’s. Jammer, want de wereld van de Na’vi is er een van veel dimensies, die je zowel romantisch als psychedelisch zou kunnen noemen. Dat volk op de maan Pandora leeft in verbinding met het Veld, maar hun heilige Home tree staat wel bovenop een schat aan het kostbare unobtanium. Daarop zijn aardse mijnbouwers onder leiding van slechterik kolonel Quaritch verzot, dus het is te voorspellen dat de Na’vi weggejaagd moeten worden. Dat wordt eerst met zachte hand geprobeerd door Jake Sully te laten infiltreren in het blauwe volkje. Hij gaat zich onder hen begeven door zijn geest draadloos te verbinden met een namaak Na’vi, en zo leeft hij onder hen terwijl zijn aardse lichaam ligt te slapen.
Jake leidt dus twee levens. Eentje in zijn fysieke aardse lichaam en eentje in dat van zijn avatar, de nagemaakte Na’vi. In het Hindoeïsme is een avatar niets minder dan God die in een menselijk (of dierlijk) lichaam is geïncarneerd. Het wordt dan ook niet overal gewaardeerd dat dit woord gebruikt wordt voor zoiets laagstaands als een computerspel of een film. De wereld van Second Life wordt bevolkt door avatars en ook ik heb er een die daar een fijn leven leidt. Vanavond weer naar de disco! Voor die avatar die straks aan het dansen is ben ik God. Van achter mijn beeldscherm bestuur en beziel ik hem met mijn toetsenbord en muis. Ik ben zijn schepper, belevendig hem wellicht. Terwijl ik aan de ene kant achter mijn computer met mijn biertje en salami zit, leef ik aan de andere kant van het beeldscherm als avatar met mijn vrienden. Second Life is immersive genoeg om die andere wereld als echt te ervaren. Dat klinkt misschien een beetje eng, maar bij het lezen van een goed boek en het kijken naar een boeiende film gebeurt precies hetzelfde. Boeiend? Verslavend? Daarvoor moet je eerst weten wat de echte, wat de ware wereld is en ik geniet er continu van om daar steeds vraagtekens bij te zetten. Heerlijk.
In de film Avatar gaat Jake steeds meer kiezen voor zijn leven als avatar. Hij wordt opgenomen in het volk van de Na’vi en gaat het gevecht aan met de veroveraars die nog steeds zijn aardse lichaam in bezit hebben. In werkelijkheid is dat lichaam gelinkt met de avatar, zijn al zijn zintuigen en is al zijn motoriek niet met zijn aardse zintuigen en spieren verbonden, maar met die van de blauwe Na’vi avatar. Zijn wereld is in die mate virtueel dat hij in een ander lichaam meent te leven terwijl hij in werkelijkheid slaapt in zijn aardse lichaam. Terwijl zijn avatar slaapt kan hij even in zijn aardse lichaam wakker worden om aan fysieke behoeften te voldoen en verslag uit te brengen. Het is alsof hij nu eens in het ene en dan weer in het andere lichaam woont. Waarbij hij uiteindelijk de voorkeur heeft voor dat van de avatar, omdat de wereld van de Na’vi veel mooier is dan die van het agressieve mensenras dat de natuur vernietigt. Maar als een avatar een belichaamde godheid is, wie is in de film dan God of een hogere geest die hem bezielt? Dat is zeker niet het mensenras van kolonel Quaritch, waar hij vandaan komt. Integendeel. Juist door in zijn avatar te duiken komt Jake in contact met hogere werelden.
Zo is het de geest zelf die moet leren van incarnaties. De geest die kiest voor een ander spel. De geest die kiest voor een ander lichaam. De geest die voortdurend op reis is door werelden die allemaal per definitie virtueel zijn. Waarmee ze allemaal even echt zijn. Die geest die avatars nodig heeft om zichzelf te ontdekken, een zelf dat uiteindelijk alleen maar kan leven in verbondenheid met en respect voor alles om hem heen. Hij zal geen dier doden zonder het eerst te danken. Hij luistert naar de natuur en beheerst die op een vrijwel taoïstische wijze door erin mee te gaan, samen te werken. Zonder die virtuele werelden kunnen we niet verder reizen, want juist daar bevinden zich onze ideeën, fantasieën, dromen en idealen. Vraag het Plato maar. Of Jung. Nog niet zo lang geleden werd het woord virtueel in woordenboeken nog omschreven als vermogen of mogelijkheid, maar die betekenis heeft de laatste jaren plaatsgemaakt voor schijnbaar bestaand… Dat virtuele werelden de laatste jaren zo in trek zijn hoeft dus niet per se op een negatieve cultuuromslag te wijzen. Het kan een vlucht zijn, maar tegelijk ook een dorstig zoeken naar en ontdekken van nieuwe mogelijkheden in een materialistisch en rationeel vastgelopen wereld.
Sinds kort loopt er trouwens bij ons in Second Life ook een Na’vi rond. Als hij er vanavond weer is, zal ik hem toch eens aanspreken. Nou ja, niet ik maar mijn avatar zal hem benaderen. Ik ben alleen maar zijn schepper, zijn idee achter het beeldscherm, die van hem wil leren.
Gepost in Second Life, Spiritualiteit, Uit mijn leven
Geen reacties »
5 mei 2010
Eigenlijk zit ik nooit in een kerk. Alleen op 4 mei. De dorpskerk dan. De Beroemde Burgemeesteres vraagt of de plaats naast me vrij is. Dat was toen nog even het geval, en na plaatsgenomen te hebben begint ze me al snel te vertellen over een inscriptie die boven ons in een balk is uitgesneden, wat wijst op burgerlijke ongehoorzaamheid die er soms toch wel een beetje moet zijn. Die spreuk mocht indertijd van de monumentencommissie namelijk niet in het hout worden gesneden, zodat het stiekem is gedaan. Waarop ik veronderstel dat die zelfde commissie er nu tegen zou zijn als die godsvruchtige tekst verwijderd zou worden. Want we zijn in een kerk, en daar gaat het vaak over God. De dominee en de pastor zijn er ook, en die zijn echt serieus godgeleerd. De burgemeester en twee wethouders op de eerste rij. Het orgel speelt de begeleiding bij een trompet waarop mooi het Jesu, Joy of Man’s Desiring geblazen wordt. Ergens in de buurt heeft iemand veel geurende hulpmiddelen gebruikt die me nog net geen tranende ogen en niesbuien bezorgen. Maar ondanks dit allemaal is God hier.
Nou ja, God… Ik geloof niet zo in Hem. Liever heb ik het over het goddelijke, dat overal aanwezig is. Dat klinkt natuurlijk een beetje raar: kan er iets goddelijks bestaan zonder God? Ik denk het wel, want het goddelijke is een kwaliteit, een eigenschap. Net als kleuren en geuren, en die bestaan toch ook zonder dat er meteen een persoon, een object of wat dan ook mee verbonden hoeft te worden? Sterker nog: zonder het goddelijke zou God niet eens kunnen bestaan! Want wat heb je aan een God die niet goddelijk is? En hier in de kerk, even tot rust tussen de Beroemde Burgemeesteres en raadsgenootjes van de VVD, zie ik ook weer dat goddelijke. Ik geef toe: dat is niet de eerste plaats waar je zoiets verwacht tegen te komen, maar toch. Het sprankelt en tintelt en is overal gewoon aanwezig. In het hier en nu. Maar ik schrik een beetje bij het idee dat dit nooit uit te leggen is aan iemand die dit nooit heeft meegemaakt. Die denkt dat ik dan een beetje psychedelisch zit te fantaseren.
Terwijl je alleen maar in het hier en nu hoeft te zijn om het te zien, te ervaren. Maar dat hier en nu moet je dan wel een beetje ruimte en tijd geven om tot je door te laten dringen. Dat lukt natuurlijk niet altijd, terwijl het zelfs niet eens een kwestie van ‘lukken’ is, want hoe meer je je best doet om dat te ervaren, hoe minder daarvan terechtkomt. En onder moeilijke spannende en stressvolle omstandigheden is het ook lastig om het te ervaren. Mij lukt het ook niet altijd. Gewoon kijken naar dat wat is, meer is eigenlijk niet nodig. Maar daarvoor moet je wel even ontspannen zijn. Je denken even uitgeschakeld zijn. Want alle gedachten, ideeën, oordelen, verlangens en verwachtingen zijn, net als idealen, oordelen, principes, normen, vooronderstellingen en waarden niets anders dan virtual reality.
Na de muziek en toespraken wandelen we naar het herdenkingsmonument. Daar loopt ze nog even langs me heen, de Beroemde Burgemeesteres: ‘Er zijn niet veel raadsleden!’ sist ze me nog snel ontdaan toe, alsof ik daar iets mee zou kunnen. De pastor laat een jongetje een tekst voordragen en dat knaapje doet dat helemaal uit zijn hoofd. The last post. Dan is het even echt stil. Gefluit van vogels, een kerkklok beiert in de verte. Ik voel mijn ouderlijk huis ergens achter mijn rug, mijn vader en moeder lopend over duistere oorlogse zandwegen. Het Wilhelmus – een paar ochtenden geleden lag ik tijdens het wakker worden het tweede (of zesde) couplet te repeteren en ik kende het nog ook. Niet dat ik daar echt trots op ben, want er zijn mooiere teksten om uit het hoofd te leren. Ik zing toch maar mee. Daarna vliegen er in het verstilde luchtruim drie motorvliegtuigjes over. We leggen onze rozen bij het monument. Bevrijding. Die uiteindelijk alleen maar in het hier en nu te vinden is, en daar ook altijd aanwezig is. Gewoon goed opletten. Je niet laten inpakken door gedachten en ideeën, oordelen, verlangens en verwachtingen, dat is vrij zijn. Zodat je alleen maar kunt zeggen: ‘Dit!’ Wellicht moeten we ook van God bevrijd worden om het goddelijke te vinden.
Gepost in Mijn dorp, Spiritualiteit, Uit mijn leven
1 reactie »
30 april 2010
Goedgelovigheid is niet echt een gerespecteerde eigenschap in onze samenleving. Maar ik ben daar wel goed in, met als gevolg dat ik wel eens als een ietwat verstandelijk gehandicapt individu word behandeld. En het gekke is dat dat me dan juist op mijn achterste benen zet! Ja, ik ben naïef! Mag ik? Dat is mijn keuze en ik wens daarin gerespecteerd te worden! Als iemand mij belazert is dat zijn verantwoordelijkheid en niet de mijne! Ik laat me niet corrumperen door steeds maar van alles achter iedereens woorden te moeten zoeken, dus iedereen maar te moeten wantrouwen! Ik heb wel wat anders te doen!
Juist die sociaal opgelegde dwang om altijd rekening te moeten houden met de mogelijkheid dat je belazerd wordt vreet energie en werkt daarom verziekend. Ik wil me helemaal niet hoeven afvragen of iemand me bedriegt of niet. Zelfs al ligt het er dik bovenop, dan blijft toch de leugenaar de schuldige en niet degene die belogen wordt – dat is toch de wereld op zijn kop! En het gekke is dat de minachting van naïviteit zo vanzelfsprekend is dat dit nooit ter discussie wordt gesteld. Het doet me dan ook goed om in de elektronische Advaita Post van het Advaita Centrum woorden te vinden, die me uit het hart zijn gegrepen.
‘Krijg door hoe waardevol het is om op een bewuste manier naïef te blijven,’ vertelt Douwe Tiemersma. ‘Je merkt wel dat je dan soms door anderen gepakt wordt, maar vooruit, dat is veel minder belangrijk dan in de open sfeer te blijven (…) Voor de rest zoeken ze het maar uit (…) Dan zie je in die grote helderheid dat juist de anderen onnodig moeilijk doen en jou erbij willen betrekken (…) Heb er maar vertrouwen in, blijf maar bewust naïef. De meeste mensen zijn hiervoor bang: dan word ik beduveld waar ik bij sta.’
Voor de ware naïeveling bestaat de mogelijkheid dat hij belazerd wordt niet eens. En als hij belazerd wordt zal hij dat aan alle kanten ontkennen, want zijn wereld bestaat alleen uit aardige mensen die uiteindelijk toch alleen maar het goede willen. Volgens velen leeft hij in een droom, maar voor hem leven al die ‘normale’ mensen die hun leven vullen met een gecultiveerd wantrouwen in een illusie. Zoals het voor veel ongelukkige mensen een doodzonde is om in hun nabijheid gelukkig te zijn – je lijdt dan immers niet mee – is het voor veel ‘realistische’ mensen onverteerbaar dat je je vertrouwen belangrijker vindt dan belazerd worden.
Voor mij is vertrouwen een basishouding. Die meer goed doet dan een mentaliteit van wantrouwen, waarbij je er a priori van uitgaat dat anderen niet eerlijk zijn, de wereld slecht is en iedereen alleen maar op zijn eigen gewin uit is. Dat zijn allemaal maar ideeën en oordelen uit een denksysteem dat alles wil verdelen tussen goed en kwaad. Terwijl je met open ogen kunt zien dat de dingen gewoon zijn zoals ze zijn, en dat dat allang perfect is, boven alle dualiteit verheven. Voor mij betekent vertrouwen dat ik me daarin thuis weet. Als dat me ontnomen zou zijn, ja, dan was ik echt belazerd!
Gepost in Spiritualiteit
Geen reacties »
27 april 2010
Eerlijk gezegd ben ik het helemaal met die vrouwen eens. Ik bedoel de Staatkundig Gereformeerde Partijvrouwen, die vinden dat God gelijk heeft door hen uit te sluiten van leidende rollen. Vrouwen die zelf vinden dat het belangrijkste recht dat ze hebben het aanrecht is. Huh? Aanrecht? Ja dat was vroeger een soort werktafel van blik waarop je lekker hakkend en snijdend voedsel kon bereiden, met een kraan en een spoelbak om het schoon te kunnen wassen en zo. Het zal nu ook nog wel bestaan onder een andere, wat mooiere en wellicht Engelse naam, en keurig vierkant vormgegeven door Jan des Bouvrie.
Het is goed dat er naast de vele vormen van privaatrecht en publiekrecht nu ook het aanrecht opgeld doet. En niet alleen bij de Staatkundig Gereformeerde Staatspartijvrouwen, maar ook bij bijvoorbeeld de moslima’s, die vinden dat ze het recht hebben een hoofddoekje te dragen. En terecht, want het zou toch knetterst gek zijn als je belasting zou moeten betalen over de kleding die je droeg! Gelukkig maar dat er geen Wilders was toen ik in oranje kleren met mala rondliep: van top tot teen! Ja, ik verfde zelfs mijn gympjes oranje! En dat alles uit een religieuze overtuiging. Dus fout, want religie is onderwerping en daarmee dus primitief dus verwerpelijk. Gij zult niet van uw religie getuigen! Zover gaat het liberalisme van Wilders nou ook weer niet.
Zoals ik me als sannyasin de vrijheid toe-eigende om Bhagwan al dan niet te volgen en als spirituele autoriteit te erkennen – wat natuurlijk een contradictio in terminis is – gun ik ook de moslima’s hun hoofddoekjes, en het recht zich aan Allah, de man of wat dan ook te onderwerpen. Het recht om weer thuis te zijn. Om kinderen op te voeden, om stof te zuigen, de was te doen, planten water te geven en te koken. Het recht van vrouwen om gewoon weer zichzelf te zijn, om moeder te zijn, verzorgend en koesterend. De meeste vrouwen willen dat nog niet, die trekken liever de broek aan. En dan noemen veel manwijven dat emancipatie. Volgens mij is die hele vrouwenemancipatie bedacht door mannen, met als doel de samenleving van alles wat vrouwelijk is te ontdoen. Waarin ze nog aardig geslaagd zijn ook.
Want geef toe: als er iets is dat de samenleving heeft ontwricht, dan is het wel de vrouwenemancipatie! Met als gevolg dat nu beide partners moeten werken om rond te komen, en dat de kids geen aandacht meer krijgen en hun heil liever in de cyberspace zoeken. Nu is het een echte mannenmaatschappij geworden! En dat is het laatste wat we nodig hebben. Zet hem op, Staatkundig Gereformeerde Partijvrouwen! Zet hem op, moslima’s! Van jullie hangt onze toekomst af! Kom op voor jullie rechten! Leve het aanrecht!
Gepost in Maatschappij en politiek
1 reactie »
20 april 2010
Wat was die stilte heerlijk! Dagen achter elkaar geen geraas en gebrom van vliegtuigen in de lucht! Je zou bijna hopen dat die tweede vulkaan in IJsland ook maar stevig gaat spuwen. En dan kan ik moeder Aarde geen ongelijk geven, want ik zou me ook niet prettig voelen met al die mensen die er op mijn vacht een rotzooitje van maken. Kotsen en spuwen ligt dan erg voor de hand. IJsland zet zichzelf wel goed en stevig op de kaart! Eerst dat gedoe met Icesave en nu al die lava in de lucht! Geen vliegtuigen, koude noordenwind… lekker rustig op straat. Je merkt nu pas hoeveel kabaal we bewust en onbewust te verwerken hebben in het ‘normale’ leven. Helaas kwam er zojuist een vrachtwagen bergen verse aarde storten in de buurt. Niet dat ik daar wat op tegen heb. Veel groenonderhoud had je even goed kunnen laten omdat niemand het gemist had als het niet was gebeurd, zodat het eigenlijk weggegooid geld is. Maar goed, ze doen hun best om – op zijn minst volgens hun eigen inzichten – iets moois van de wijk te maken. Met veel kabaal.
‘Stilte is de rijkdom van deze epoque,’ vertelde Toon Hermans al in 1965. Als ik daar nu aan terugdenk moet het toen een heel stille wereld zijn geweest. Want tegenwoordig kan er bijna niets meer gebeuren zonder er kabaal bij te maken. Met iets als natuurlijk of onvermijdelijk geluid heb ik geen moeite. Iets verderop zit al jaren op vaste tijden een knaap op zijn drumstel te oefenen, niks mis mee. Dat buurman bij tijd en wijle zijn motor opstart is ook niet echt erg. Zelfs dat ik de eerste heipalen van onze nieuwe wijk de Oldegeppelermeent de grond in hoor gaan is te verteren. Het zijn juist geluiden die ik als onnatuurlijk en/of overbodig ervaar, die me het meeste storen. Kabaal dat uit auto’s bonkt. Koffers op wieltjes die over het trottoir ratelen. Bladblazers. Brullende motoren op de snelweg. En om de een of andere reden moet ik ook altijd weten wanneer een vrachtwagen bij me in de buurt achteruitrijdt. En dan ook nog al dat kabaal in de lucht, waarbij het soms heel langdurige gedender van één vliegtuig al gauw een miljoen mensen stoort – bewust of niet, het wordt waargenomen, want zelfs tijdens de slaap stijgt de bloeddruk dan even.
In ons coalitieakkoord is nu opgenomen dat er meer aandacht voor geluidsoverlast van de A27 komt, waarbij ook aan het planten van bomen wordt gedacht. Want elk jaar worden de tuinen in mijn wijk minder leefbaar als de wind uit zuidoostelijke richtingen komt, en ik sta op het punt om bij Conrad een geluidsmeter te kopen! Omdat geluidsschermen onbetaalbaar zijn betwijfel ik of we als gemeente er echt veel aan kunnen doen. En hoewel het een rijksweg betreft, laat het rijk ons wat overlast ervan betreft danig in de steek. Veel bomen dus, heel veel bomen, die meteen het fijnstof uitzeven. Ergens in Duitsland reden we langs een Autobahn die aan weerszijden een dikke jas van dicht groen aanhad. Zoiets. Als mensen gekker, neurotischer, gejaagder, kortom steeds zieker worden, dan is dat voor een deel te wijten aan alle herrie waaraan ze soms continu zijn blootgesteld. Het is niet voor niets dat ik vrijwel nooit naar de radio luister en vrijwel geen televisie meer kijk, want ook die media worden geterroriseerd door achtergrondkabaal, voor zover niet iedereen door elkaar heen zit te kletsen.
Maar nu is het even heerlijk stil buiten. Het is wellicht geen echte liberale gedachte, maar wie weet moeten we voortaan het vliegverkeer op een dag in de week stilleggen. Je kan God een heleboel verwijten, maar dat idee van één rustdag in de week was zo slecht nog niet. Toegegeven: Vriend en ik baalden er enorm van toen we het pontje over de Eem niet konden gebruiken omdat het zondag was, zodat we een kilometer of 15 moesten omfietsen. Maar toch zal ik voor de zondagsrust blijven vechten. Niet zozeer om God te bevredigen, maar gewoon omdat het goed is voor de psychohygiëne om bij tijd en wijle naar het geluid van stilte te luisteren. Kabaal kan zijn eigen schoonheid hebben, maar daarvoor moet je wel de achtergrond van je eigen stilte kunnen horen. Zoals Bhagwan het vaak had over ‘the gaps between the words’ is het mooi om te luisteren naar de stilte achter de geluiden, de stilte als de drager van alles wat je hoort. Want als je je niet daarin kan wortelen word je snel gek in onze hectische samenleving. Misschien is al die herrie wel bedoeld om ons te dwingen onze eigen stilte op te zoeken. Héél goed luisteren!
Gepost in Maatschappij en politiek, Psychologie, Uit mijn leven
Geen reacties »
8 april 2010
In mijn jeugd gingen we ’s zomers vaak naar Zandvoort. Daar huurden mijn ouders een huisje en hadden we op het strand altijd een vaste plek bij tent 17 van Zwemmer. Daar waren de winkels op zondag open en vergaapte ik me achter de ruiten aan Matchbox-autootjes. Op het strand verbrandde en vervelde ik regelmatig, want toen als gezond werd beschouwd. We vliegerden en ik hakte met mijn schepje kwallen in stukken. Ook mocht ik een keer Schoolvriendje Maarten meenemen, die nog nooit de zee had gezien. Langs lange trappen beklommen we de watertoren. Zoals gebruikelijk had je in die jaren vijftig een hekel aan alle Duitsers om je heen, en aan alle voorzieningen die voor hen werden getroffen. ‘Zimmer mit Frühstück,’ stond achter veel ramen te lezen. En voor een dranklokaal zat een grote leeuw het bierglas te heffen onder het langzaam en donker roepen van ‘Löööwenbräu,’ wat ik eigenlijk maar eng vond, zeker als dat ook ’s nachts over het dorp zou schallen.
Maar het hoogtepunt van die zonnige dagen was het muziekbandje dat al dixieland spelend over het strand trok. Vier mannen, die met grove blote voeten in het zand niets dan ritmische sprankelende vrolijkheid brachten. Ik ging dan ook altijd een eind met ze mee, en lijk daarin een beetje op de zus van Wim Kan: ‘Er is eens een fanfare voorbij gekomen, is ze mee meegegaan… Nooit meer teruggeweest eigenlijk!’ Want al dit soort muziek, fanfare, dixieland en zo, vind ik héérlijk! Mijn broer draaide Chris Barber’s Jazz Band en The Dutch Swing College Band. En Vriend snapte er niks van toen ik in Pruttel naar de fanfare wilde gaan kijken. In het Vondelpark werd ik eens tot tranens toe ontroerd door een band van tientallen trommelaars. En hier in Oldegeppel was het op Koninginnedag vaak genieten in de tuin van fractievoorzitter Carien, waar de fine fleur van ons dorp op heerlijke live muziek werd getrakteerd: even gewoon het paradijs op aarde.
Ik heb iets met dat soort muziek. Ook met oubolligheid. Liederen als Ik heb hele grote bloemkolen van André van Duin en Yellow Submarine van The Beatles vind ik groots. Juist omdat ze nergens, maar dan ook echt nergens over gaan, omdat ze volmaakt pretentieloos zijn, omdat alleen een diepe humoristische kern overblijft na het wegschillen van woorden waarmee dat toch niet uit te drukken valt. Je zou het ‘volks’ kunnen noemen. In zekere zin is dat waar want echt verfijnd is het niet. Maar het symboliseert wel heel sterk de terugkeer naar het gewone, het alledaagse. De spirituele zoektocht begint terecht met de vraag ‘Is dit alles?’ omdat het platte, onbewuste burgerlijke leven geen bevrediging geeft. Om te eindigen met een uitbundig ‘Ja! Dit is alles!’ omdat het gewone, bewuste alledaagse leven uiteindelijk het mooiste blijkt dat er is.
Gepost in Muziek, Uit mijn leven
1 reactie »
5 april 2010
Dat wordt stemmen op de SP straks! Misschien wel voornamelijk om tegenwicht te bieden tegen oprukkend rechts. Want als iets de wereld, mens en milieu naar de verdoemenis helpt, dan komt dat meestal van die kant. Ja toch? Rechts heeft voorrang en dat laten veel liberalen zich geen twee keer zeggen! Dit soort gedachten laait vurig in me op na het lezen van Vonhoffs column in de Ooi- en Geemlander van afgelopen zaterdag. Misschien is hij geestelijk aan het aftakelen en moet ik daarom eigenlijk medelijden met hem hebben. Maar dat kost me even héél veel moeite met deze man die even de verpersoonlijking van het kwaad voor me is.
Rechtse rakkers hebben het niet op met het milieu, wat Vonhoff nu verwoordde door te stellen dat de klimaatwetenschappers doemdenkers zijn: ‘Helaas is de wetenschap in dat opzicht in de ban van een oprecht geloof in de onheilsboodschap over het klimaat. Zoals gelovigen wel vaker doen negeren zij de kritische geluiden die worden gehoord. Niet alleen worden afwijkende meningen belachelijk gemaakt; wij weten inmiddels dat gegevens op dit punt zijn vervalst en beeldvorming bijvoorbeeld in de film van Al Gore onwaar is.’ Ja, ook klimaatwetenschappers maken fouten, maar zolang de poolkappen smelten geef ik hen de voorkeur van de twijfel. En als je twijfelt kan het heel openbarend zijn om te kijken naar de belangen die achter iemands visie zitten. En wat dat geloof in de onheilsboodschap betreft, is het opmerkelijk dat Vonhoff niet doorheeft dar zijn eigen boodschap ook een geloof is, en dat hij ook zelf bezig is een afwijkende mening belachelijk te maken.
Rechts kiest altijd voor de macht van de sterksten, de slimsten, de rijksten. Dat noemen ze ‘vrije markt’. Je zou het ook kunnen omschrijven als het neoliberale ‘zoek het zelf maar uit’ en het zich onttrekken van maatschappelijke verantwoordelijkheid. Economische groei – lees: een puberaal onbevredigbaar méér en méér – staat voorop! En het milieu belemmert die groei, dat kankergezwel van productie en consumptie dat die heilige moloch moet voeden. Vandaar dat rechtsen de milieumaffia moeten bestrijden, opdat ze in hun P.C. Hoofttractor kunnen blijven rijden, over de aarde kunnen blijven rondvliegen, en de natuur zoveel mogelijk met de grond gelijkmaken, want die staat toch alleen maar in de weg.
Volgens Vonhoff dreigen wij verkeerde prioriteiten te stellen. ‘Dat is het risico als wetenschappers gelovigen zijn geworden en daarom hun onbevangen benadering van problemen en onderzoek overboord hebben gezet.’ Gezien zijn oordeel over klimaatwetenschappers ga ik toch eens opzoeken wat hij zelf eigenlijk gestudeerd heeft. Zou hij een wetenschapper zijn? Een echte professor? Zou hij iets weten van statistisch onderzoek? Wat een chikwadraattoets is, hoe een correlatiecoëfficiënt wordt berekend? Zou hij überhaupt weten wat wetenschap is? Ik betwijfel het. En inderdaad: ik kan geen wetenschappelijke achtergrond bij hem vinden. Hij lijkt alleen iets met geschiedenis te hebben gedaan. Over het omgekeerde van waar hij zo bang voor is, de risico’s als gelovigen wetenschappers worden, zullen we het verder maar niet hebben.
Correspondentie:
Aan Hendrik Lubert Johan Vonhoff, die zich als leek aanmatigt om uitspraken over wetenschappelijk onderzoek te doen, waarover Vondel schrijft:
Maekt men het eeuwigh woort eens ieders innevallen,
Zoo is het allerley, zoo raekt het hooft aen ’t mallen,
Zoo krijght de dwaling kracht.
Gepost in Maatschappij en politiek
1 reactie »