Opnieuw een zwerfdag

Date 23 juni 2026

Het leuke van raitiovaunu kuusi – tram 6 dus – is dat hij van strand tot strand rijdt. Een paar dagen geleden was ik op dat van Eira, en nu ging ik naar de andere eindhalte in de wijk Arabia in het noordoosten van Helsinki. Een prachtige moderne buurt met originele architectuur en veel groen. Buitenveldert is er niets bij vergeleken. Ik wandelde meteen naar het water, een uitgestrekt meer waar kleine brandganzen op rotsjes zaten en stonden rond te kijken. Hoe ik weet dat dit gesnater van die vogels komt? Met de app Merlin die vogelgeluiden herkent. Ik heb een poos van de onstedelijke stilte genoten op een wankel houten stoeltje dat met twee andere rond een tafeltje met iets als een oventje eronder bij het water stond. Twee vrouwen kwamen vijf meter verderop op een écht bankje zitten en de oudste van hen schuifelde naar een stoeltje schuin tegenover mij. Wat ik een beetje eng vond om te zien, maar ze viel gelukkig niet. Ik sprak haar in het Engels aan, maar ze reageerde nauwelijks. Voordat ik weer verder ging leerde ik van ChatGPT nog hoe ik hen een goede middag moest wensen, en kennelijk sprak ik het stil geoefende Hyvää päivänjatkoa!” best aardig uit want de vrouwen reageerden heel vriendelijk knikkend met een voor mij  onverstaanbare tegenwens.

Terug naar de eindhalte van tram 6. Het was even druk op mijn telefoontje. Want Odido adviseerde me een GB-aanvuller te kopen, Marcel stuurde een Signal waarin hij niet zeker wist of ik restitutie van mijn vliegreis zou krijgen als ik hier een paar dagen langer bleef om de verwachte 37 graden in Nederland te vermijden, en Arthur stuurde nog een Discord: “Wow so nice pictures and you still have nice weather there. Good, you find little karjalanpiirakka and bought kuksas. You have had lot of fun time, very good love” met allemaal hartjes en kusjes. Ik stuur hem elke dag zes foto’s zodat hij een beetje een indruk heeft van wat ik hier allemaal meemaak. Komende zaterdag zie ik hem weer in Second Life, hitte en weder dienende. Eigenlijk zou ik buurman Arnold moeten vragen om alvast een emmer met ijsblokjes bovenop mijn desktop te zetten, maar tegelijk zegt mijn verstand dat computers wel veel hogere temperaturen doorstaan. Op de terugweg zag ik in de buurt van een tramremise uit het Industriële Tijdperk een man in een écht korte jeans wandelen. Ik zie hier ook vaak mannen in mouwloze hemdjes met blote armen rondlopen. En nu zit ik vlak bij mijn hotel op een pleintje onder twee koppen cappuccino – Finland is hét land om aan kahvi verslaafd te raken – te kijken naar die reclame  met die jongen in croptop op de tramhalte van de universiteit hier.

Dat is helemaal geen jongen, want die “hän” is een vrouw! Aldus mijn onderzoek waarvoor ik naar de website van Kicks ben gegaan, waar allerlei beautyspul te koop is. Vriend heeft me vroeger nog zó vaak gewaarschuwd: “Ben je er zéker van dat het een jongetje is?” Maar eigenlijk vind ik dat prachtig allemaal. Meisjesachtige jongens en ook jongensachtige meisjes. Wég met die verschillen. Sterker nog: wég met die genders! Een paar dagen geleden werd ik nog door een vrouw betrapt toen ik uit een damestoilet kwam. “Maakt toch niet zoveel uit?” grapte ik in het Engels. “Alles heet hier toch hän?” Die vrouw kon een lach moeilijk onderdrukken. Toen ik Arthur leerde kennen droeg hij ook nog een vagina. Nou, dat zou mij worst wezen. Tegelijk betrap ik me erop dat ik jongens en mannen gewoon mooier vind dan meisjes en vrouwen. Alsof mannen toch meer voldoen aan de gulden snede-regel – dat getal dat voor schoonheid staat met de wortel van 5 erin. Maar die snede moet in het hele lijf zitten en niet alleen ergens tussen de benen.

Nu zit ik weer in het  Esplanadepark. Naast mij op de bank een papieren tasje met een kleine Moomin-knuffel en een dito roze T-shirt. Van Arthur moet ik altijd kleurige kleren kopen, en daar houd ik mij aan. Ik weet helemaal niets over de familie en vrienden van de Moomins, maar ze lijken me heel leuk. En roze past wel bij deze Prideweek. Het is hier heerlijk rustig schrijven op een bankje. “Anteks?” excuseerde ik mij tussendoor naar een vrouw die haar vriendin aan het filmen was. Ja, ze wilde best even een foto van mij maken, en als tegenprestatie filmde ik haar met haar vriendin. De ene is trouwens nog steeds de ander aan het filmen. Ook meisjes en vrouwen vind ik hier in Helsinki veel aardiger dan ik gewend ben. Intussen wordt zoals gebruikelijk muziek gespeeld. Ik herken er deze keer niets van. Dit in tegenstelling tot gisteren toen ik ergens de laatste flarden van het eenvoudige maar mooie eind van What’s Up van 4 Non Blondes hoorde spelen, een lievelingslied van mij dat vanmorgen nog in mijn hoofd zong. Ik kreeg trouwens afgelopen nacht inspiratie voor een prachtig ontroerend kort verhaal waarin ik het ultieme masochisme bezing.

Er stond veel westenwind vandaag, maar nu om18:00:36 uur breekt de zon voorzichtig tussen de wolken door. De muzikant speelde trouwens ook nog The Sound of Silence, iets waar de Finnen wel oren naar hebben. Op de bank naast de vrouwen tegenover mij zit een meisje met heel lang haar naast een jongen in het zwart met zwart haar waar hij nog net onderdoor kan kijken. Ik meen aan jongens te kunnen zien of het Finnen zijn of niet, maar kan dat nog niet onder woorden brengen. Het enige dat ik kan zeggen is dat ze er vaak wat bleek uitzien, maar dit is natuurlijk niet het zonnigste land in de wereld. Wat is het toch dat ik me hier zo thuis voel? Iets uit een vorig leven? Of wil ik alleen het mooie zien, zoals wel vaker als je in een nieuw land op vakantie bent? Aan de andere kant ga je niet voor niets naar een ander land. Wie weet om andere stukjes van jezelf in jezelf te integreren als je daaraan toe bent. In toeval heb ik nooit geloofd. Nu speelt California Hotel. De meeuw zit nog steeds boven de muzikant op het hoofd van dichter Runeberg die dit standbeeld van zijn zoon heeft gekregen.

Mijn wijze spreuk van vandaag, vooral voor rechtse politici: “De beste manier om het kwaad te laten bloeien is het te verbieden.” Nähdään huomenna!

SkyWheel

Date 22 juni 2026

Met ChatGPT maakte ik vorig jaar een kort verhaaltje waarin na een korte rit in een nogal snel draaiend reuzenrad de kermis totaal vervallen was. Omdat ik nog nooit in een reuzenrad had gezeten, wandelde ik vandaag naar het SkyWheel achter de markt om op 40 meter hoogte over Helsinki uit te kijken. In een van de dertig kabines die aan vijftien spaken in de lucht worden gehouden maakte ik langzame rondjes op en neer. In een ervan zit trouwens een sauna. Gekke Finnen. Gelukkig was de wereld niet veranderd toen ik weer uit het SkyWheel stapte. Ik heb hooguit een paar micronanoseconden of zo gemist. Via de markt wandelde ik terug naar het Esplanadepark, waar een jongen op een gitaar allemaal liedjes van Pink Floyd zong. Nu eens verder wandelen. Mijn uitschuifbare wandelstokje heb ik nog nooit gebruikt want daarvoor staan de banken te dicht op elkaar in Helsinki.

Na wat door Stockmann – zeg maar de Helsinkische Bijenkorf – gezworven te hebben, ben ik opnieuw op het terrasje van La Famiglia beland. Bij hun kassa nog een nieuw woordje geleerd: “tervetuloa” dat gewoon “welkom” betekent. Had je al moeten kennen, Satyamo! Het valt me hier trouwens op dat betalen met je mobieltje hier altijd gewoon goed gaat. Waarom kan dat in Nederland niet, waar dat een op de vijf keer mislukt? Ik loop hier nog altijd met € 50 cash in mijn zak rond. Finland is wel wat prijziger dan ons land, iets rond tien procent duurder schat ik. Zeker als je bij Stockmann iets wil kopen, zoals een mooi wit warm jasje dat meteen € 400 kost. Tegelijk heb ik weinig zin om op geld te letten – sorry Vriend – zodat ik nauwelijks kijk naar wat er afgerekend wordt bij consumpties. Beetje blasé?

Op de markt zag ik nog kahvikuksa’s – houten koffiebekers – die ik van Arthur moest kopen, maar ik vond ze een beetje klein. Misschien dat Finnen zoveel koffie drinken omdat ze het uit kleinere koppen drinken? Dat ze ook dat dit betreft verfijnder zijn dan Nederlanders, iets waar trouwens weinig voor nodig is? Zo kan je ook van Finnen zeggen dat ze weinig woorden nodig hebben, maar áls ze die gebruiken kunnen die héél lang zijn! Zo is de ylioppilastutkintolautakunta de commissie voor het Finse eindexamen. Zelf grap ik wel eens dat ik tienduizenden Finse woorden ken, maar dat ze op honderd na allemaal telwoorden zijn. Wat ik mooi vind van de Finse taal is dat ze voor zowel “hij” als “zij” het woord “hän” gebruiken, dat er geen toekomende tijd bestaat, en dat het woord “hebben” niet bestaat omdat alleen wordt gezegd dat iets bij je is. Dat alles zegt meer iets over een volk dan alleen woorden.

Toch nog even teruggegaan naar de markt om twee van die kahvikuksa’s te kopen. Stapte ondanks mijn studie van de lijnenkaart een halte te vroeg uit tram 4. De rails liggen hier dichter bij elkaar dan in ons land. Eigenlijk wil ik ook nog een Moomin – de Finse Nijntje zal ik maar zeggen – als knuffel kopen, maar die heb ik niet gevonden. Misschien moet ik naar de Moomin-winkel die ik hier ergens heb gezien. Op de terugweg zag ik op zo’n rollende JCDecaux-reclame op een tramhalte een jongen in een croptop langskomen. Van schrik stapte ik te laat lijn 4 uit. Later op een andere tramhalte nóg eens kijken: was deze hän echt een jongen? Ja! God bestaat dus! Wat héb ik toch met jongensnavels? Of is deze reclame alleen gemaakt omdat vandaag de Pride begint? Hier en daar zie ik bij mondjesmaat aandacht gegeven worden aan deze viering van het LHBTI-etc. zijn, zoals met de kleuren van die soms een heel ingewikkeld geworden regenboogvlag.

Dit is weer typisch Satyamo. Op de hoek van de Keskuskatu werd The House of the Rising Sun gezongen en ik bleef rustig een poosje op de hoek staan luisteren. Ik ga altijd achter de muziek aan. Dat deed ik ook op de kades van Saint-Tropez in 1979, de vorige keer dat ik alleen op vakantie ging. Als kind was ik al op het strand zoek, zodat mijn ouders me bij de politie moesten terugvinden. Ook achter de muziek aan. Ik zit opnieuw bij La Famiglia, want als een uitspanning mij bevalt keer ik graag terug, met als gevolg dat ik minder nieuwe eetplekken leer kennen. Een groot glas met cranberrysap met ijsblokjes. Een salade besteld met mozzarella. Voor mij is geluk nu heel gewoon. Net als spirituele verlichting volgens mij het meest gewone is dat er bestaat en je eigenlijk alle enthousiaste en vaak theatrale boeken en verhalen erover in de prullenmand zou moeten gooien, want de kracht ervan is dat het eigenlijk niets voorstelt.

Ik heb zelden of misschien wel nooit zo’n heerlijke salade gegeten als nu. Het werd trouwens wel tijd om na al die pasta’s weer eens wat vitamines in mijn lijf te stoppen. Een tweede 40 cl cranberrysap erbij. De zanger die af en toe achter tram 4 of 5 verdwijnt zong ook nog While My Guitar Gently Weeps, dus wat wil ik nog meer? Niks. Naast me zit een gezinnetje met een klein meisje op een verhoogd stoeltje aan de kop van de tafel. Terwijl ik dit schrijf draait ze zich om en steekt haar armpje naar me uit. Ik vind de kinderen hier zó leuk! Wat dat is weet ik niet. Net alsof ze hier in Finland gewoon meer kind zijn. Gelukkiger. Misschien zijn zij het wel die stiekem de vragenlijsten van Gallup hebben ingevuld en van Finland het gelukkigste land van de wereld hebben gemaakt?

Oké. Tijd om weer naar mijn kamer viisisataanelja te gaan. Moi moi!

De Tempelkerk

Date 21 juni 2026

Suunentai. Zondag. Een paar minuten geleden is om 11:24 de zomer begonnen, en ik zit weer op mijn bankje bij de ingang van de botanische tuin. Bezoekers druppelen geleidelijk langs mij heen. De meeste kijken mij niet aan. Dat moeten Finnen zijn. Als Nederlander kan ik dat als beledigend ervaren, gewend als ik ben om iedereen een hymy, een glimlach toe te werpen als ik op straat loop. Een ander hoort dat dan niet te negeren. Ik wil aandacht, ook als ik niks te zeggen heb. Vind ik. Maar achter zo’n contact vermijdende reactie hoef je niet veel meer te zoeken dan dat Finnen niet van social talk houden en anderen en zichzelf hun eigen ruimte gunnen. Het lijkt erop dat dit volk minder hypocriet is en meer waarde hecht aan respect voor elkaar. Hierbij vergeleken zijn wij Nederlanders onbeschofte rouwdouwers. Als je hier even lekker alleen in je eigen wereld wil zijn is daar niks mis mee.

Dat was een van de eerste dingen die mij drie jaar geleden voor Arthur innam: dat hij ervan genoot alleen te wandelen om bessen te plukken. Dat hij alleen in een huisje aan de rand van een bos woont in the middle of nowhere. Soms zeggen een paar woorden genoeg om de diepte van iemands ziel te voelen. Dat zat wel goed met die jongen, die later een halve eeuw jonger dan ik bleek te zijn. Het is een grappig idee dat ik nu zo’n beetje in zijn richting zit te kijken en hij nu maar zo’n driehonderd kilometer verderop is. Toch willen we elkaar niet zien of horen, want de onzichtbare en stille wereld is veel mooier dan de zichtbare en gehoorde wereld.

Vandaag weer eens op zondag naar de kerk. In Helsinki deze keer, want daar staat de Tempelkerk, ook wel Rotskerk genoemd. Normaal wijzen kerken naar boven, naar de hemel, maar het zullen de Finnen niet zijn om dat eens lekker op zijn kop te zetten. De granieten grond in dus. “Op deze rots zal ik mijn gemeente bouwen” staat er in Mattheus 16:18, en daar houden de Finnen zich aan. Niet alleen erop maar zelfs erin. Zo komen in deze Rotskerk drie essentiële elementen van Finland samen: Steenbok (rots), Waterman (originaliteit) en Vissen (tempel). De drie wintertekens die ook te herkennen zijn in sisu, Linux en de duizenden meren. En in kou, socialisme en alleen mogen zijn.

Prachtig, zoals de Hymne uit Finlandia van Sibelius hier in een uitstekende akoestiek is uitgevoerd. Ik heb inmiddels al tientallen keren naar het filmpje ervan gekeken, en krijg er nog steeds koude rillingen van, zo niet tranen die in mijn ogen opwellen. De liefde voor een land, voor de grond waarop je geboren en getogen bent en waar uit de kale zware rotsen de natuur ontspruit, gratis en voor niks. De Tempelkerk is in 1969 gebouwd. De huizenblokken die er omheen staan om begrijpelijke redenen later. Vermoed ik. Hij is niet alleen als muziek- en toeristencentrum in gebruik,  want er worden nog heuse kerkdiensten gehouden van de Finse Evangelisch-Lutherse Kerk. Dus ik met tram 2 naar de wijk Kamppi waar ik deze kerk snel vond. Merkwaardig om daar écht binnen te zijn met zo’n honderd anderen. Vrijwel iedereen sloeg meteen aan het fotograferen. Ik ook. Maar het bleef toch stil. Een orgel. Een altaartje. Een nis met brandende kaarsen. Een dak van tientallen metalen steunbalken die bij elkaar komen in een van koperdraad geweven ronde plaat. Toen ik weer buiten was liep ik nog een rondje om de kerk waarvan dus weinig te zien was.

Toen in een parkje gezeten, om tot de conclusie te komen dat het nog anderhalve kilometer lopen is naar het Sibeliusmonument met een leuk eethuisje in de buurt. Daar had ik het te warm voor, en dat werd nog erger toen ik las dat in Nederland 37 graden verwacht is als ik thuiskom. Als het niet zo ingewikkeld en extra duur was, had ik een paar dagen extra bijgeboekt. Ik nam de tram terug en belandde in wat bekend is als het lelijkste gebouw van Helsinki, tegenover het station. Zwierf daar door winkelgalerijen totdat ik me in een hal realiseerde dat ik nog steeds niet in een metro had gezeten. Nu ik vandaag toch al ondergronds bezig was, paste dat er wel bij. Ik liet me door een jongen van een jaar of twaalf uitleggen hoe dat zat met zones en inchecken, maar dat laatste was net als in de tram niet nodig met de QR van vervoermaatschappij HSL die ik hem liet zien.

Nergens hoeven inchecken! Vertrouwen in plaats van wantrouwen bespaart de maatschappijen veel kosten. Waarom kunnen Finnen dat wél bedenken en wij Nederlanders niet? Oke: áls je dan op misbruik betrapt wordt, kost je dat gauw tachtig euro of zo. Ik besloot lijn M2 naar eindstation Mellunmäki in het oosten te nemen. 11 haltes, 21 minuten rijden. Nog onder de grond nam ik een foto van het interieur. Dat durfde ik wil en een knaap die zag wat ik deed lachte me grijnzend toe. Voor het merendeel was de rit boven de grond, met uitzicht op groen, fabrieksterreinen en hier en daar een bebouwde kom. En schuin tegenover me een puber in zwarte joggingbroek en idem vest met een prachtig golvende bruine haardos die onder zijn koptelefoon uitwaaierde. Zo’n knaap die zelf niet beseft hoe mooi hij is.

De Archipel

Date 20 juni 2026

Gisteravond heerlijke pasta en nóg heerlijker ijs gegeten bij Vapiano. Ik zat naast de stoep achter een hekje, met mooi uitzicht op het majestueuze kunstmuseum Ateneum, schuin tegenover het station. Opeens buigt een jongen in wit T-shirt over het hekje naar me toe, een Fin die ik moest bekennen meer dan twee keer zo oud te zijn als hij. We raakten in een lang gesprek over Finse gewoonten zoals respect voor elkaars persoonlijke ruimte. Ik vertelde hem dat ik vandaag op de Esplanade zag hoe een echtpaar plompverloren naast een man op een bank ging zitten, waaruit ik concludeerde dat dit geen Finnen konden zijn. Daar moest die jongen wel om lachen. En ja, Finnen houden er wel van bij tijd en wijle alleen te zijn. Ook sisu kwam even voorbij, en een boerderij met varkens en kippen waar hij in zijn jeugd woonde. Begreep ik, want Finnen spreken in mijn oren een beetje gebrekkig Engels, wat voor hen natuurlijk een even vreemde taal is als Fins voor mij. Maar dat Finland het gelukkigste land in de wereld was betwijfelde hij een beetje. Ik zei hem dat ik mij ook niet kon voorstellen dat Nederland op de zevende plaats van de geluksparade staat. Hoe dan ook heel leuk dat zo’n knaap spontaan een praatje met je begint. Eerder had ik trouwens met toestemming een foto gemaakt van een jongen en een meisje die vanaf weerskanten van de tafel elkaar strak aankeken, de handen op tafel in elkaars handen. “Rakastan sinua” las ik in onzichtbare tekstballonnetjes boven hun hoofden. Ik hou van jou. Zó mooi om te zien, die twee! Ik heb de foto naar haar e-mailadres gestuurd.

Ook afgelopen nacht zat ik weer op een verlaten terrasje vlakbij het hotel. Om twaalf uur schemert het nog steeds donkerblauw onder een lichtbewolkte hemel. Ik zit hier dan ook acht graden noordelijker dan thuis, en de hele ecliptica doet daaraan mee. Kolonnes trams en bussen rijden voor mijn neus richting station. Verkeerslichten gaan in Helsinki hun eigen gang. Al het verkeer stopt gewoon voor een rood licht voor voetgangers, ook als die in geen velden of wegen te bekennen zijn. En voetgangers staan rustig op een ratelend groen licht te wachten, ook als er nergens in de buurt verkeer te zien is. Geen haast. Het is hier wel een beetje opletten als je loopt want de bestrating bestaat soms uit kinderhoofdjes, terwijl de weg soms ook wat op en neer deint. De afgelopen nachten heb ik als een blok geslapen na een glas zwarte thee die ik met een waterkoker op mijn kamer kan maken. Verder ontdekte ik vanmorgen dat ik drie pilletjes bètablokkers te weinig heb meegenomen voor mijn trip, dus ik moet maar af en toe een dagje overslaan. Ik zal er niet van doodgaan, maar dat is wel een beetje slordig, Satyamo! Had wél een AMO bij de apotheek gehaald, zodat in noodgevallen bekend is welke medicijnen ik gebruik. En die heb ik wél meegenomen. Goed zo, Satyamo!

Nu zit ik weer in het Esplanadepark, niet ver van een jongen die Drive van REM speelde en daarmee mijn hart stal. Uit een Fins liedje pak ik het woord “Rakastan” op – niet zo verwonderlijk want welk liedje gaat níét over de liefde? De Finse komiek ISMO vindt dat woord trouwens veel te agressief klinken, en het klinkt inderdaad niet echt zoet. Teveel sisu in gestopt. Dit in tegenstelling tot het woord “slapen” dat in het Fins “nukkua” is. Je ligt daarbij al als een kissa te snorren. Terwijl ik dit schrijf vraagt een Amerikaan uit Boston of hij met zijn vrouw naast me kon zitten – ja, hij kende de goede manieren hier. Hij reist hier in Scandinavië wat rond en ik vroeg hem of het een paar weken geleden inderdaad zo’n verschrikkelijk weer in zijn woonplaats was. Ja. Ik bekende hem dat ik van Boston nooit meer heb gezien dan het vliegveld. Maar ik durfde niet met hem over Trump en zo te beginnen.

Vanmiddag heb ik een avondcruise gemaakt door de archipel van Helsinki. Waarom het een avondcruise heet is mij ontgaan, want de tocht begon om half zes toen de zon nog zo’n 37 graden hoog stond. Vertrek vanuit de haven naast de markt waar ik nog even een karjalanpiirakka heb gesnoept. Dat moest van Arthur. Ik zat op het dek van de boot. Durfde nauwelijks mijn telefoontje in mijn hand te nemen. Want wat moest ik als die toch onverwacht in het water glipte? Er blijft  dan weinig anders over dan te zoeken naar de Nederlandse ambassade. Ook was ik bang dat een harde windstoot mijn gehoorapparaatje uit mijn oor zou blazen. Maar dat allemaal is natuurlijk niet gebeurd. De boot voer vlak langs de drijvende openlucht zwembaden aan de voet van het SkyWheel. Daarna verdwaalde ik tussen een wirwar van eilanden voor de kust van Helsinki. Sommige zó klein dat er nog net een huis met een aanlegsteiger op past. Op iets grotere deinst de gemeente er niet voor terug om er woonwijken op te bouwen.

Al die eilanden zijn rotsen waar desniettemin veel groen en bomen hun weg vinden. Op dat met de naam Kulosaari – ik zocht het even op in Google Maps – lagen veel groepjes mensen te zonnen, keurig minstens vijf meter van andere groepjes vandaan. Op het strand van Zandvoort zul je weinig Finnen aantreffen. Te weinig “personal space”. Over en weer wuiven vanaf strand en boot naar elkaar. Verder veel huizen, industrie en huizenblokken in de verte gezien, onder de stem van Rhianne die onder andere het romantische Somewhere  Only We Know zong. Heerlijk om je zo lekker door het water te laten wiegen. Ik sloot even mijn ogen. En nu ik dit onder het eten – opnieuw bij Vapiano – zit te schrijven en meeuwen twee stukjes penne van mijn bord hebben gejat is het nog steeds licht. Negen uur in de avond die eigenlijk een middag is.

Kiitos!

Date 19 juni 2026

Dat is het door toeristen meest gebruikte woord: “Kiitos” ofwel “Dank je wel”. Uitgesproken als “kíétos”, maar ik maak er soms een beetje “kiehíétos” van. Dubbele klinkers moet je gewoon langer uitspreken. Omdat Finnen het wellicht leuk vinden om te horen dat je meer dan één woord van hun voor West-Europeanen onmogelijke taal spreekt, voeg ik er soms “paljon” aan toe, “veel”. En als iemand mij bedankt antwoord ik soms met “Ole hyvä” waar de Engelsen zouden zeggen “You’re welcome”. Spreek uit “Ole huwwa”. Accent bij Finse woorden altijd op de eerste lettergreep! De beste manier om een taal te leren is gewoon naar dat land toegaan. Op een deur staat “Työnnä” of “Vedä” en je komt er vanzelf achter of je moet duwen of trekken om erdoorheen te komen. Het herkennen van dagen van de week is soms wel handig zoals gisteren in de tram toen ik ergens las dat op sommige dagen de dienstregeling anders zal zijn. Vandaag is het perjantai en ik zit nu onder een met schaapjes bevolkte heldere hemel bij de ingang van de botanische tuin met zestien groenglanzende bankjes. Heel kleine zuchtjes wind, 22 graden. Fluitende vogeltjes. Dit na een lekker ontbijt in de ravintola van het hotel, maar vraag me niet wat ik heb gegeten bij mijn koffie. Iets Katelisch dat op scrambled eggs leek. Smul smul. Een groepje Duitsers verzamelde zich om mij heen, maar de leukste jongen ging náást me zitten in plaats van schuin tegenover me, zodat ik hem niet onopvallend kon beloeren.

Vanmiddag naar het Paradox Museum gewandeld. Daar kan je met zijn zessen – die je allemaal zelf bent – zitten vergaderen. Of in drie verschillende kleuren flarden schaduwen van jezelf zien. Of in een spiegel kijken om te zien dat je er helemaal niet bent. Dat soort dingen. In samenspraak met de caissière heb ik het gespeel met zwaartekracht en bezoek aan het spiegelpaleis maar vermeden. Ik heb een van de rondleiders nog op het werk van M.C. Escher gewezen en op mijn telefoontje wat plaatjes laten zien. Ze  vond dat mooi maar kende dat niet. Vreemd. Na dit museumbezoek naar de ernaast gelegen Esplanade gewandeld. IJsje gegeten en lekker op een bankje zitten zitten. Daarna een cappuccino gedronken aan de Pohjoisesplanadi – ook Norra Esplanaden genaamd – ofwel de noordkant van de Esplanade. Omdat vijf procent van de Finnen Zweeds spreekt hebben belangrijke straten zowel een Finse als een Zweedse naam. Net als het treinstation zelf. Vergeet niet dat zowel de ooster- als westerburen vaak om Finland hebben gevochten. De Winter War (1939-1940), waar de Russen zelfs op skies zijn bevochten, is een belangrijke zo niet de belangrijkste wortel in de Finse ziel, net als hun bijna niet te vertalen innerlijke kracht sisu.

Rannalle! Op naar het strand! Dat doen Arthur en ik vaak in Second Life, maar in real life is dat ook wel leuk. “Rannalle” is een van de vijftien naamvallen van het woord “ranta”, maar Arthur kon me niet vertellen waar de letter “t” is gebleven. Ik heb hem nog niet gevraagd waarom er nu opeens een extra “n” bij is gekomen. Waarschijnlijk zal hij ook hier antwoorden: “Dat is Fins”. Vanmiddag ging ik dus ook rannalle, zij het nu niet met teleportatie maar – het blijft soms behelpen in real life – met de tram naar de zuidelijke wijk Eira die aan de Finse Golf ligt. Mooi uitzicht over het water met boten, met en zonder zeil. Met eilandjes in de verte, of is dat al de kust van Estland? Ik had graag onder water gekeken maar ook dat gaat moeilijk in real life, zodat ik geen stiekeme Russische onderzeeërs heb gezien. Even zat ik op een terras bij tafel 303, maar omdat je via een QR-code op een website moest bestellen die mijn telefoonnummer wilde weten  omdat die alleen de landnummers van Finland, het Verenigd Koninkrijk en Zweden wilde slikken, en omdat de Engelse voorkeurstaal steeds op het Fins terugsprong, ben ik maar verder gewandeld. Bovendien had ik helemaal geen honger.

Ik wandelde wat langs rotsen, en groenstroken waar mensen lagen te zonnen, allemaal heel relaxt. En het “missä vessa on?” – dat ik als een van de belangrijkste vragen uit mijn hoofd had geleerd – bleek ik niet nodig te hebben want opeens stond ik voor een openbaar toilet dat bovendien van binnen keurig netjes was verzorgd. Met wc-papier. Wat ranta betreft zijn we in Nederland, waar je oneindig lang  langs de branding kan blijven doorlopen, wel verwend. Dorstig liep ik naar een halte van lijn 9 om me een kwartiertje later opnieuw te nestelen op het terras van La Famiglia Helsinki voor twee 40 cl-glazen “blanc” alcoholvrij bier à € 7,50. Leuk bedienend jongetje daar trouwens, maar dat terzijde. Misschien zien die er wat frisser uit omdat ze – pak hem beet – twee keer per week in hun eigen sauna duiken. Ondertussen bestookt Oekraïne Moskouse olie – chapeau! – en lijkt er een AI-crisis uit te breken. Maar dat raakt me niet zo. Beter dan te trachten allemaal wereldproblemen op te lossen, te helpen en politiek te bedrijven, is gewoon gelukkig zijn eigenlijk het belangrijkste dat je kan “doen”. Want alleen gelukkige mensen kunnen anderen gelukkig maken. Dat is misschien wel de meest belangrijke en tegelijkertijd de meest moeilijk opdracht in het leven: gelukkig zijn. Ik ben blij dat nu te voelen en te leven met mijn roze bril die de enige echte bril is. Kiitos! Kiitos paljon!

In het centrum

Date 18 juni 2026

Vanmorgen voor het eerst in het hotel ontbeten. Lopend buffet en ik doe maar wat. Zit ook veel warm eten bij. En wat het ook is – er zitten ergens ook kleine paddestoeltjes in – het smaakt goed. Wat ik wel merk is dat ik, wat ChatGPT al eerder dan ik wist, een beetje uitgedroogd ben. In het vliegtuig had ik al moeite met dingen door mijn keel te krijgen. Na het eten de stad in gegaan. Even langs de VVV – of hoe dat ook hier mag heten – aan de Aleksanterinkatu die zo’n beetje de belangrijkste winkelstraat in het centrum is.  Opeens hoorde ik een bekende melodie achter me. Ik liep terug en zag en hoorde een man de hymne uit Sibelius’ Finlandia op een trompet spelen. Ik gaf hem wat muntjes en raakte met hem aan de praat. Ook hij vertelde mij dat Helsinki rond Juhannus, de  zonnewende, tamelijk stil is. Ja, bevestigde ik, omdat veel mensen naar hun mökki gaan, hun huisjes op het land, liefst bij een meer. Omdat ik verliefd ben op die hymne, ging hij hem graag nog een keer voor mij blazen.

In het oosten eindigt de Aleksanterinkatu bij de beroemde witte Domkerk op het Senaatsplein die overal bovenuit torent en zo’n beetje hét visitekaartje van Helsinki is. Ik liet me daar fotograferen. Voor Vriend: ik heb met zijn eerste verpleegkundige Marije afgesproken dat ik foto’s naar de tablet boven zijn bed zal sturen zodat zij hem toch een beetje kan laten zien waar ik uithang. ‘Uithangen’ is inderdaad het juiste woord, want ik doe maar wat op mijn pad komt. Soms denk ik dat ik mijn hele leven weinig anders heb gedaan. Dus nu nam ik  tram 4 om daarmee van het schiereiland (veel eilanden zijn hier schier) Katajanokka in het zuidoosten  via de Mannerheimintie naar het modernere noordwesten van Helsinki te rijden en weer terug. In deze stad is de prachtige neoclassicistische architectuur met zijn gele, roze, bruine en soms zelfs zwarte kleuren heel dominant. Over kleuren gesproken: binnenkort wordt Pride hier gevierd en hier en daar zie ik dan ook regenbogen, zoals bij het immens grote warenhuis Stockmann.

Ik heb vandaag door het Esplanadepark gewandeld van west naar oost. Een hele vredige sfeer. Een groepje van vijf jongens speelde daar Viva la Vida van Coldplay. Ook daar waren, net als in de stad zelf, veel zitbanken te vinden. Dan vraag ik me af hoe het toch komt dat de Finnen problemen kunnen oplossen waar wij niet uitkomen. Een goed openbaar vervoer waar de haltes hooguit driehonderd meter van elkaar verwijderd zijn. Mensen die dakloos zijn gewoon een huis hebben waarmee je op langere termijn veel kosten bespaart. Daar in het park heb ik natuurlijk een ijsje gegeten. En later wat gedronken en gesnoept in een Jugendstil huis. Ja, ook die stroming is hier populair. Soms zou ik Finland een links of socialistisch land willen noemen, maar laat ik niet vergeten dat waar ik nu ben ook een universiteitsstad is zodat er een progressieve sfeer hangt. Er zijn dan ook veel jongeren, die zich vaak verplaatsen op elektrische stepjes in verschillende kleuren die je hier en daar kunt oppikken.

Na dit alles ging ik even uitrusten in het Kaisaniemi Park, vlak ten noorden van het hotel. Ook daar zijn veel bankjes. Ik ontmoette er vijf buitenlandse gekleurde jongens. Toen ik een van hen mijn naam noemde, sprak hij die meteen correct uit. Bleek ook een sannyasin te zijn. Na in de wijk Kallio nog een alternatief restaurant Green Hippo gezocht te hebben – dat ik niet kon vinden omdat het met een verbouwing bezig was of niet meer bestaat – ben ik nu beland in een overdekt tentje in het centrum tegenover Stockmann. Alcoholvrij biertje, halve pizza (is me veel te zout) en wat ijs. Een stukje verder hoor ik liedjes spelen als Forever Young, Let it Be, Killing me Softly en I Can’t Help Falling in Love With You. Verliefd worden overkomt je nu eenmaal. Ook als dat met een stad of land is.

Naar het Beloofde Land

Date 17 juni 2026

Af en toe heb ik in de diepte wat stukjes van Denemarken en Zweden gezien, maar het meest zag ik witte sneeuwvlaktes waarover het vliegtuig schoof en danste. Nog de Oostzee oversteken, en daar was ik dan op vliegveld Vantaa, zo’n zestien kilometer ten noorden van Helsinki. Ik kreeg tranen in mijn ogen en een dikke keel bij de gedachte dat nu eindelijk mijn pelgrimstocht naar het gelukkigste land van de wereld begonnen was. En alles was goed gegaan, zelfs op Schiphol waar hier een daar wat personeel je spontaan helpt als je een beetje voor een scherm staat te treuzelen. Dat ik de pier voor A en B was opgegaan in plaats van pier C zal wel mijn eigen onoplettendheid geweest zijn. En gelukkig hoef je daar niet te lopen, maar word je gelopen.

Op het vliegveld at ik mijn eerste korvapuusti, een lekkernij met kaneel die Arthur me had geadviseerd. Toen ik in 1985 op het Osho-festival in Oregon was, heb ik me ook sufgegeten met kaneelbroodjes. Niet alleen omdat ik die lekker vind, maar ook omdat de maaltijden in het restaurant bedoeld waren voor beter gesitueerde sannyasins. Het was vandaag in Vantaa nog een hele klus om een treinkaartje naar Helsinki te pakken te krijgen. Dat heb ik uiteindelijk in een winkeltje gekocht. En toen de lange roltrap af naar het perron. Dacht ik. Daarna nog een. En zelfs daarna nog een. Hoe diep zat ik hier wel onder de grond? Een halte of zeven met de trein en in Helsinki meende ik al de Mannerheimintie – de belangrijkste toegangsweg tot de stad – te zien.

Kopstation Helsinki heeft een mooie ijzeren overkapping. Vond ik. Het was druilerig weer van zo’n twintig graden. Voor de hoofdingang van het station stond ik wat te roken en ik was niet de enige. Twee jongens stonden een krant te verkopen en ik vroeg een van hen of ik ook een krant mocht lopen als ik hem niet kon lezen. Dat vond hij wel een leuk idee en daarom gaf hij me die krant gratis. Raar trouwens, om opeens op de plek en het plein te zijn die ik al op zoveel filmpjes heb gezien. Wandelen naar het hotel, waar ik eerst voorbij liep omdat er allemaal andere winkels op de begane grond zijn. Mijn kamer 504 is best groot – er staan twee bedden in. Mijn spullen uitgepakt en geordend, want ik ga hier wel negen dagen wonen. Uurtje op bed liggen rusten. Toen op zoek naar een ravintola – restaurant – want hotel Arthur verzorgt wel een ontbijt maar geen avondeten.

Nu zit ik na het eten van een pasta aan een tweepersoonstafeltje voor het raam uit te kijken over de best drukke Kaisaniemenkatu met de geelgroene tramlijnen 3, 6 en 9. En ook oranje en blauwe bussen. En nog een rode pubbus. Waar halen ze hier toch al dat openbaar vervoer vandaan? Van lijn 6 viel me op dat hij naar het strand van de zuidelijke wijk Eira rijdt. Wellicht ook leuk om eens te proberen. Ik weet vandaag nog niet wat ik morgen ga doen, en dat is een heerlijk gevoel.

Vlucht KL 1251

Date 14 juni 2026

Eerst Finland zien en dan sterven, parafraseer ik steeds Goethe in mijn gedachten. Over drie dagen vertrek ik, en de meeste voorbereidingen heb ik nu wel gedaan. Maar het blijft spannend, want ik ben zowat een halve eeuw niet meer alleen op vakantie gegaan, en heb een kwart eeuw geen vliegtuig meer van binnen gezien. De laatste dagen zit ik vaak in mijn reisgidsje te bladeren en bekijk ik op Google Earth hoe Helsinki er van boven uitziet. Schrijf in mijn mobieltje wat alinea’s over wat ik zeker in blogs wil gaan vertellen. Ik heb een nieuwe koffer gekocht. En een schoudertasje waarin precies een uitklapbaar wandelstokje past voor noodgevallen. Een nieuw toilettasje omdat ik het huidige niet meer kan vinden. Regenponcho’s voor de zekerheid. Een slaapmaskertje. Kleurige T-shirts. Een tasje voor handbagage. Heb bij de pedicure om de hoek mijn voeten eens goed laten behandelen. Op het juiste moment naar de kapper geweest zodat mijn haar in Helsinki net een klein stukje over mijn ogen valt. Vind ik leuk. Van de dokter een neusspray gekregen om de buis van Eustachius naar mijn oren een beetje open te krijgen tijdens het vliegen. Beetje eng, maar gelukkig vind ik vliegen heerlijk. Lekker los van de aarde.

Ik heb een stuk of vijf plekken die ik zeker wil bezoeken en voor de rest laat ik het over aan het bestaan. Wellicht ga ik gewoon lekker in tram 4 zitten om vandaaruit de stad van begin- tot eindpunt te bewonderen. Of gewoon lekker in het centrale Esplanadepark wat voor me uit zitten kijken. Wel wat plannen, maar niet te veel. Beetje rondhangen. Het belangrijkste vind ik om iets van de Finse mentaliteit te proeven. Tot een paar jaar geleden wist ik niets van dat land. Maar omdat ik twee decennia geleden in Second Life belandde waar ik drie jaar geleden Arthur ontmoette die mij over zijn land vertelde, raakte ik nieuwsgierig. Gisteren stuurde hij me nog foto’s van de barak waar hij deze dagen doorbrengt als leider van een achtdaags camp voor uithuisgeplaatste kinderen, middenin de natuur. Dat is dan in het échte Finland volgens hem. Wellicht ga ik een volgende keer verder zijn land in, op zoek naar het Noorderlicht en zo. Reizen lijkt me een leuke hobby op mijn oude dag. Volgend jaar word ik tachtig en dan wordt het echt tijd om nog meer te gaan genieten van waar het leven eigenlijk voor bedoeld is. In mijn jonge jaren waren mijn ouders vooral geïnteresseerd in wat ik zou worden. Nu ik ouder ben is het nu eindelijk tijd om meer te zijn.

Wat is heerlijker dan wakker te worden met een volstrekt lege dag voor de boeg? Gewoon te doen wat in je opkomt, waar je zin in hebt? Toegegeven: ik heb al een rondvaart geboekt en volgende week om deze tijd ben ik in wat als de Rotskerk bekend is. Maar voor de rest is mijn agenda leeg. Misschien ga ik heel andere dingen doen dan ik gepland heb. En ik zal blij zijn als het vliegtuig woensdagmorgen opstijgt. Lekker alles achter me laten. En wat er ook gebeurt, ook als ik uit het SkyWheel val: ik heb tenminste geproefd van het gelukkigste land van de wereld. Ik kan niet sterven voordat ik Finland heb gezien.

Tijdloos

Date 4 juni 2026

Of het nu 19-, 20- of 2126 is maakt niet veel uit. Ze zijn er allemaal. Tegelijkertijd. Het nu is niets anders dan een plakje salami uit een oneindig lange worst. Omdat het praktisch gezien lastig is om tegelijk in alle tijden te leven, houden onze hersenen de vierde dimensie van tijd maar buiten ons schedeldak. Maar dat betekent niet dat die andere tijden helemaal niet bestaan, want ook die zijn eigenlijk het nu. Maar meer dan drie dimensies kan ons brein moeilijk tegelijk verwerken. Nee, Bob, er komen andere tijden? Nee, want die zijn er al! Net zoals terwijl ik dit schrijf mijn koffie door mijn apparaat druppelt, filteren mijn hersenen het verleden en de toekomst weg. Vrijwel altijd. Soms werkt dat filter even niet. Of verkeerd. Even verkeerd verbonden. Dan krijg je allemaal rare parapsychologische of psychedelische toestanden die ongepast zijn in ons driedimensionale wereldje. En onhandig om praktisch mee te leven.

Ik geloof in dat wat met een zwaar gereformeerd woord predestinatie wordt genoemd. Dat heb ik zelf niet bedacht. Mijn hersenen zouden dat zelfs niet eens kúnnen bedenken. Kennelijk neemt het hart het soms even over. Dat grijnst dan even van lekker puh! Dat vindt het een grote grap dat de werkelijkheid heel anders in elkaar zit dan wetenschappers en filosofen kunnen bedenken. Gniffel. Predestinatie betekent dat de toekomst al lang vaststaat. Sommige mensen worden daar somber van, want wat is er eigenlijk nog te doen als God alles al beschikt heeft? Je kunt niet meer doen dan afwachten wat Hij voor je in petto heeft. Machteloos ben je. Hoe fanatiek je ook bidt dat God je ziel zal redden: het is niet meer dan een egoïstisch eigenbelang. Zinloos. Er bestaat helemaal geen vrijheid meer, gebonden als je bent aan ondoorgrondelijke goddelijke wetten.

Ik heb de mazzel wat rare hersenen te hebben. Hoogbegaafd heet dat, maar dat wil ook zeggen dat ze er heel goed een rommeltje van kunnen maken! Van móéten maken, zou ik bijna willen zeggen. Mijn hart vindt dat leuk. Een brein dat even hapert, even verkeerd verbonden is. Ware intelligentie is het inzien van de beperkingen daarvan. De meeste mensen geloven in wat hun hersenen hen vertellen. Stom. Laat alles maar overal tegelijk bestaan. Dat maakt mijn wereldbeeld veel simpeler. En die predestinatie vind ik eigenlijk heerlijk. Gewoon meegaan met de flow. En is er een grotere vrijheid dan de vrijheid om niet meer te hoeven kiezen? Je moet er toch niet aan denken dat je bij alles wat je doet echt moet gaan nadenken? Er zijn weinig dingen heerlijker dan gewoon te zwemmen en je armen en benen gedachteloos hun gang te laten gaan. Arthur is er blij mee dat hij kilometers achtereen non-stop kan zwemmen.

In Poona kreeg ik ruzie met een therapeut toen ik over een ervaring van tijdloosheid vertelde. Ik zat te veel in mijn hoofd. Daar hoefde je in die alternatieve kringen niet veel voor te doen. Afijn. Toen iedereen weg was lag ik toch nog met de mooiste jongen van de groep lekker bloot te vrijen, dus het is toch nog goed gekomen. Even de tijd vergeten en in het paradijs leven. Het paradijs van het hart waarin alles één is. Tijdloos.

Dag Slavek!

Date 30 mei 2026

Vorig weekend is Slavek overleden. Hij kón gewoon niet meer. Hij is de tweede die er niet meer is van onze groep die in 1968 in Uilenstede 198 kwam wonen en die nog steeds reünies houdt. Hij kwam uit Tsjecho-Slowakije, woonde pal tegenover me en studeerde hydrogeografie. Geen flauw idee wat dat laatste eigenlijk inhield. Hij was altijd aardig en vriendelijk. Afgelopen vrijdag was zijn uitvaart. We moesten allemaal een tropische bloem meebrengen, want voor zijn werk was hij vaak in Kenia om water voor de bevolking te zoeken. Later ook in Jemen waar olie gevonden moest worden. Zijn laatste werkende jaren werkte hij voor waterprojecten van UNESCO in Afrika. Ik heb deze goed gemutste jongen verder niet zo goed gekend, maar hij hoorde er altijd wel altijd echt bij. Door deze uitvaart in het oneindig grote Westerveld in Driehuis heb ik hem nog een tikje extra leren kennen.

Ik heb niet zoveel met uitvaarten. Voel me dan vaak een vreemde eend in de bijt met mijn nogal ongebruikelijke ideeën over sterven en dood. “Totdat de dood ons verbindt,” grapte ik in mijn roman. Dat was nog voordat drie van mijn beste vrienden stierven waarbij ik de diepte van deze woorden onverwacht echt ging voelen. Ik durf het bijna niet te zeggen: ik kan niet rouwen. Mijn dankbaarheid overvleugelt dat. Alsof met het sterven van een vriend mijn blijheid met hem bezegeld is en daarmee definitief en onsterfelijk is geworden. Daar kan ik dan de verstrengeling uit de kwantummechanica bij halen, en de illusie van tijd uit de relativiteitstheorie, maar deze woorden worden dan vlees en ik heb ermee geleefd. Ofwel, ik zag best een beetje tegen deze uitvaart op. Mijn ‘automaatje’ bracht me in zijn mooie Mercedes, ging zelf ergens wat koffie drinken en een broodje eten om me een paar uur later weer op te halen.

Toen de aula was volgelopen met een honderdtal familie, vrienden en kennissen, kregen we te horen dat de uitvaart buiten gehouden zou worden. Het was nogal ver, maar mensen die slecht konden lopen konden met een trolley mee. Dat was geen overbodige luxe in het uitgestrekte groene en soms hobbelige duingebied langs graven en urnenvelden. De kist was onder een grote open tent opgesteld met daarnaast vazen voor onze bloemen. Die waaiden twee keer om onder een te sterke zucht wind. Films met beelden uit Slaveks rijke leven op een scherm met popmuziek erbij. Onze eenheidsgenoot had een hekel aan klassieke muziek en nu luisterden we opeens naar San Francisco van Scott McKenzie, het paradijs waarvan we in de jaren zestig droomden. Op Uilenstede schijnt Slavek dat lied eens midden de nacht keihard gespeeld te hebben. Dat herinner ik me niet, maar misschien stond ook mijn eigen muziek te hard.

Namens onze eenheid – ja, daar woonden wij maar wij waren en dat zijn dat nog steeds – hield Gert een dusdanig enthousiaste lezing dat de ceremoniemeester hem twee keer op zijn spreektijd moest wijzen. Na afloop maakte Slavek een rondje op het veld buiten de tent waar we ons allemaal aan de rand van het pad opstelden. Ik kon niet anders dan mijn handen voor mijn borst te vouwen als afscheidsgroet. Omdat een en ander langer had geduurd dan gedacht, Jan op we wachtte en een trolley dreigde te vertrekken, omhelsde ik Slaveks vrouw Annetje om haar sterkte te wensen, waarna ik achter de horizon verdween. Langzaamaan begon het hier en daar te regenen. “Een hydrogeoloog waardig,” appte Fingal later op de avond. Al met al was het een mooi voorbeeld van hoe wij babyboomers, druk bezig met uitsterven, op positieve wijze afscheid nemen. Dank je wel, optimistische Slavek!