Jed McKenna: spirituele slager

Date 13 juni 2014

Met zijn nieuwste en vijfde boek Jed McKenna’s theorie van alles neemt deze provo de spirituele wereld weer eens keihard op de hak. Als een hedendaagse U.G. Krishnamurti laat hij weinig heel van lieve zoetsappige newage-idealen met extatische visioenen en dromerijen over verlichting en goddelijke zelfrealisatie. Maar hij is wel verlicht, heeft de spirituele zoektocht voltooid, heeft de waarheid ontdekt en is beland op het punt dat hij ‘Klaar’ noemt, of ‘Menselijke volwassenheid’. Met schrijven blijkt hij echter opnieuw niet klaar te zijn: na zijn trilogie Spirituele verlichting? Vergeet het maar!, Spiritueel incorrecte verlichting en Spirituele oorlogvoering kwam hij nog met Notities aandraven, na enkele jaren nu opgevolgd door zijn Theorie van alles. Dat komt ervan als je in flow leeft zodat je hulpeloos en hopeloos bezig blijft met het verwoorden van een voor jou glasheldere en niet te ontkennen waarheid.

Wat is waarheid? Hij begint en eindigt het boek met een syllogisme: als alles waarheid is en bewustzijn bestaat dan is alles bewustzijn. En alles is waarheid, want als er ook maar iets niet waar zou zijn, dan zou dat weer waar zijn. En bewustzijn bestaat, sterker nog: het is het enige waarvan we met honderd procent zekerheid kunnen zeggen dat het bestaat! Maar hoe McKenna uit deze twee premissen komt tot de propositie dat alles bewustzijn is, is me onduidelijk. Je kan immers ook zeggen dat schildpadden bestaan maar daarmee is alles nog geen schildpadsoep. Overigens heb ik – mijn troost – dit syllogisme helemaal niet nodig om te weten dat alles bewustzijn is. Vraag me niet waarom, sommige dingen weet je gewoon. Net zoals je gewoon weet dat je verliefd bent.

Maar wat is waarheid eigenlijk? Daar denkt niet iedereen hetzelfde over, en McKenna vergeet te vertellen wat hij daarmee eigenlijk bedoelt. Voor mij zijn er twee soorten waarheid, die ik maar even relatief en absoluut zal noemen. Relatief als er een relatie is waarbij twee elementen logisch zijn verbonden: 144 > 12, roodborstjes zijn kleine vogels, tijd is geld, het licht is groen. Absoluut als het iets zegt over het wezen van iets: de ware kennis, het ware geloof, het ware zelf, de waar-heid van iets. Dan wordt het synoniem met iets als echt of werkelijk, wat dicht in de buurt komt van Heideggers ‘onverborgenheid’. Filosofen hebben hier veel over geschreven, maar ik heb geen zin om al die moeilijke boeken te lezen en vind het liever zelf uit. Al met al blijft onduidelijk wat McKenna bedoelt als hij ‘het realiseren van de waarheid’ – of beter: de ‘onwaarheid-onrealisatie’ – ziet als het doel van het leven, als kenmerkend voor verlichte mensen, in de betekenis dat ze daar Klaar mee zijn. Niets meer te doen, het einde van de queeste naar eh… waarheid.

Toch is McKenna niet bezig met spitsvondigheden. Omdat het eigenlijk een worsteling met taal en paradoxen is, en de laatste mogen wat hem betreft gewoon blijven bestaan. Omdat alles wat in het bewustzijn is er gewoon is. Fata morgana of virtual reality – het maakt hem niet zoveel uit omdat het allemaal hoort bij het spel, de droom die oosterse wijze maya noemen. ‘De werkelijkheid heeft voor mij geen werkelijkheidswaarde meer,’ schrijft hij. En ‘niet echt, maar toch was het echt.’ Want het enige dat we zeker weten is dat we bewust zijn, maar bij alles wat zich daarin afspeelt kun je vraagtekens zetten. De consensus is dat er een universum is waarbinnen zich allemaal bewustzijntjes bevinden: U-Rex, het universum is de koning. Maar McKenna draait dat om: het universum bevindt zich in het bewustzijn en deze B-Rex is het enige waarvan we met ons volle verstand en absolute zekerheid weten dat het waar is.

Ja, strikt genomen weet ik alleen dat zich verschijnselen in mijn bewustzijn voordoen, waarmee al het andere speculatie is, geloof, van horen zeggen. McKenna noemt dit ‘idealistisch anti-materialistisch monisme’, IAM (ik ben). Zowel over tijd als ruimte weet ik niets: wie zegt me dat mijn geheugen me niet belazert, en dat alles dat zich buiten mijn gezichtsveld bevindt er ook werkelijk is? Dat lijkt op Second Life waar de wereld pas gemaakt wordt als die binnen mijn gezichtsveld komt, terwijl zich daarbuiten een oneindige zee uitstrekt. Ze zeggen dat ik geboren ben, maar weet ik dat echt zelf? Is elke herinnering niet vals omdat ik die altijd vanuit mijn huidige toestand beleef? Ik weet het niet, en ben gevangen in het feit dat ik dat ook nooit zal en kan weten. McKenna haalt Nick Bostrom erbij, die het waarschijnlijk acht dat wij zelf niet meer dan computersimulaties zijn, hersenen die door een toekomstige generatie geprogrammeerd zijn om het leven te leiden dat we nu als echt ervaren, inclusief al onze herinneringen en ons gevoel dat we vrij zijn en dat dit niet zo is. Technologie staat voor niets en virtual reality is in onze tijd in een explosieve fase van ontwikkeling. Absurd? Maar dat is niet echt een argument om het af te wijzen. Wellicht ben ik niet meer dan een avatar in Second Life van onze achterkleinkinderen.

Niets zeker te weten grijpt je naar de keel, en ook mijn hart gaat wat angstig bonzen als ik daar teveel aan denk. En toch is het niets nieuws, want de wijsheid uit het oosten die ik veel volwassener en intelligenter vind dan wat wij hier in het westen aan religies hebben gelanceerd – heeft nooit iets anders verteld. Niets is dodender voor het ego dan niets te weten, niets meer te zijn dan een wolkje bewustzijn, niets meer te kunnen doen dan terugkeren naar Maya’s pretpark. Maar alleen dan blijft flow over, is de zoektocht beëindigd, is er eindelijk rust in de wolk van niet-weten. Dat is overgave, maar daarvoor moet eerst alle onechtheid in de fik worden gestoken, moet je de slager van jezelf zijn om tot het bot uitgebeend te worden zodat alleen overblijft wat je werkelijk bent: bewustzijn. Nadat in zijn boek de wereld van Platland, de pijp van Magritte, de zichzelf tekenende handen van Escher, The Matrix en de Truman Show aan je voorbij zijn getrokken en je al het geloof achter je hebt gelaten trekt de mist op. En wat het woord ‘waarheid’ ook mag betekenen, hoe vaak McKenna ook spreekt in duistere taal over onechte echtheid en onwerkelijke werkelijkheid, wat hij daarmee bedoelt is glashelder.

Jij bent de reis en jij bent de bestemming,’ besluit hij zijn boek, ‘en als je dat echt begrijpt, dan zul je ook begrijpen dat je niet alleen dit boek hebt uitgelezen, maar dat je klaar bent met het te schrijven.’

De afluisterstaat

Date 4 juni 2014

Een afluisterstaat vraagt om een fluisterstaat. Waar we alleen nog maar intiem kunnen zijn onder het bladerdak van een boom achterin onze tuin, ongezien door satellieten en drones, onbespied door verstopte microfoons. Alleen daar kunnen we elkaar omhelzen en lieve kusjes geven en ons helemaal laten gaan, opgaan in kinderlijke, puberale en andere onvolwassen verlangens, kunnen we klein, speels en kwetsbaar zijn, ons overgeven aan de vrijheden waarnaar onze lichamen, gevoelens en gedachten zo smachten. Alleen ver buiten het bereik van mobieltjes, camera’s en laptops is nog vrijheid te vinden, de zekerheid om met rust gelaten te worden, om ongestoord onszelf te kunnen zijn, te experimenteren, er afwijkende meningen op na te houden, geheimpjes en verrassingen te koesteren, grenzen op te zoeken, de dans van de gangbare middelmaat te ontspringen.

Hoe erg het is om heimelijk bespied te worden, hoe ontwrichtend dit werkt op een open en transparante samenleving illustreert Glenn Greenwald in zijn boek De afluisterstaat. ‘Privacy is een kernwaarde van een vrij mens,’ schrijft hij. ‘Allemaal begrijpen we intuïtief dat we in ons privédomein, onzichtbaar voor de oordelende blikken van derden, kunnen doen, denken, praten, schrijven, experimenteren en kiezen wat ons goeddunkt.’ Het bespioneren van al ons doen en laten is hier een rechtstreekse aanslag op, of nog erger: het weten dat we mogelijk gevolgd worden is funest voor onze identiteit. Het is deze Glenn Greenwald, de Braziliaanse journalist die klokkenluider Edward Snowden hielp om vele documenten van de NSA openbaar te maken, en hij toont glashard aan dat deze organisatie niets anders op het oog heeft dan zoveel mogelijk informatie over iedereen bij elkaar te harken en daarvoor de meest abjecte middelen niet schuwt en maling heeft aan mensenrechten en grondwetten. Dat zij daarbij niets heeft bijgedragen aan het bestrijden van terrorisme, zodat dit niet het ware doel van haar obscure praktijken kan zijn.

Is het sciencefiction of werkelijkheid? Hoewel ik niet aan paranoia lijd en ook niet zo van complottheorieën hou, vrees ik het laatste. De meeste overheden hebben nu eenmaal de neiging om zoveel mogelijk macht te willen uitoefenen op haar burgers. In zijn boek krijgen vooral de Verenigde Staten, inclusief Obama, en Engeland ervan langs, en of het nu gaat om het verzamelen van zogenaamd onschuldige metadata of om met het programma XKeyscore snuffelen in de inhoud van al het internetverkeer maakt niet zoveel uit. Uiteindelijk heeft de NSA de macht om iedereen te volgen, computers en telefoons te hacken of onklaar te maken: laat er geen misverstand over bestaan dat deze organisatie haar hoofdvestiging in Fort Meade, Maryland, heeft moeten uitbreiden voor extra ruimte om al haar data op te slaan. Niet wij die hiervoor bang zijn lijden aan achtervolgingswaan, maar de regeringen die alles infiltreren, inclusief de journalistieke branche, bang als ze zijn van hun troon gestoten te worden door terroristen – de kans dat je door onweer getroffen wordt is groter dan dat je slachtoffer van een aanslag wordt – en andere dubieuze mensen zoals milieuactivisten, linkse occupyers en strijders voor mensenrechten.

Zo heeft het internet ons teruggebracht naar George Orwells 1984. In het kwadraat dan, want inmiddels zijn velen gezwicht voor de controlestaat, hebben ze zich erbij neergelegd en zijn ze het normaal gaan vinden. ‘Ik heb niets te verbergen,’ roepen ze dan. Maar ik vraag me af wat daarvan overblijft als je hen de gegevens van hun creditcards vraagt. Die NSA natuurlijk allang heeft of zou kunnen hebben, maar dat terzijde. Maar ik heb wel degelijk dingen te verbergen, want zonder iets te kunnen verbergen besta ik niet meer, pas ik me aan aan vigerende normen en waarden, zelfs zonder dat ik het zelf in de gaten heb. Zo wordt de wereld één grote vrije slavenmarkt van gehoorzame mensen die niet eens doorhebben dat ze slaven zijn. Slaven van geld en macht, van megalomane hebzuchtige ego’s die niet tevreden zullen zijn voordat elk grassprietje zich gedraagt zoals zij dat willen. Maar we zijn gehypnotiseerd met het geloof dat al deze surveillance goed voor ons is. Net als de camera’s die zeggen ‘over uw en onze eigendommen’ te waken. Alsof ze die ook geplaatst hadden als het alleen om ónze eigendommen ging.

Mijn mobieltje verraadt waar ik ben. Neemt wellicht stiekem foto’s en luistert misschien mee. Wat ik aan wie betaal, waar ik reis met mijn OV-chipkaart, waar ik op internet surf, wat ik mail en chat, wat ik twitter en op Facebook zet, welke blogs ik schrijf, met wie ik telefoneer, wat ik allemaal in Second Life uitspook, welke tv-programma’s ik bekijk en welke muziek ik speel – ik ga er maar van uit dat NSA en consorten alles van me weten. De essentiële vraag is echter of ik me daar iets van aantrek nu ik weet in de wereld van Big Brother te leven. Als je me wilt pakken, pak je me maar, want mijn vrijheid is me liever dan lief. Misschien getuigt het wel van de meeste volwassenheid om jezelf te blijven, hoeveel ogen er ook op je gericht zijn. Maar de meeste mensen zijn daar nog lang niet aan toe en zal de mogelijkheid om ware moed te betonen zoveel mogelijk gefrustreerd worden. Met het zaaien van angst voor de spiedende en normerende buitenwereld, of nog beter: angst voor hun ware zelf.

Wat de anderen van me vinden is hun probleem, niet het mijne. Makkelijker gezegd dan gedaan, deze mooie woorden, want ernaar leven kan lastig zijn. Gewoon omdat ik om de een of andere reden wil overleven. Maar dat zou wel de ware moed zijn, zoals Snowden die toont door zijn eigen weg te gaan, waarin gedaan moet worden wat gedaan moet worden, ondanks de consequenties ervan. Als je niet alleen fysiek maar ook psychologisch geweld in de definitie van terrorisme opneemt – en je kunt je afvragen wat erger is – zal je er in Ford Meade, Md, USA, een wereld voor je opengaan. Een plaatsje dat qua oppervlakte en inwonerstal niet veel anders is dan Blaricum, maar waarin we allemaal aanwezig zijn.

Oikofobie

Date 27 mei 2014

Met zijn ontdekking van de oikofobie ontmaskerde Thierry Baudet wellicht een van de meest essentiële angsten, de moeder der fobieën die vreemd genoeg ontbreekt in de lijst van 418 angststoornissen waar we last van kunnen hebben. ‘Oikos is Grieks voor thuis,’ schrijft deze 31-jarige rechtsfilosoof op The Post Online. ‘Oikofobie is een ziekelijke afkeer van het thuis. Een angst voor het eigene. Een instinctieve neiging de eigen cultuur, de eigen gebruiken, de nationale identiteit en geschiedenis af te vallen. Belachelijk te maken. Te verzwakken, te beschimpen.’ Hoe dit ‘Weg met ons!’ de westerse cultuur steeds dieper doordrenkt ziet hij in de kunst die allesbehalve een gevoel van geborgenheid mag geven, in multiculturalisme en, last but not least, in het Europese project. Wat mij betreft mag daar ook het gemak aan worden toegevoegd waarmee we afstand nemen van onze privacy, want ook met het ‘Ik heb niets te verbergen’ en onze modieuze verheerlijking van openheid en transparantie ontnemen we onszelf het recht op een eigen terreintje, een plek waar we ongestoord onszelf mogen zijn, waar we gordijnen van onze slaapkamers mogen sluiten om gewoon even alleen of samen te zijn, intiem met onszelf.

Wat is het verschil tussen oikofobie en de angst om alleen te zijn? Uit eigen ervaring kan ik zeggen dat alleen het alleen zijn, ja juist dat alleen zijn leidt tot zelfkennis, creativiteit, ontplooiing. Wat op de piano rommelen gaat het mij best af als er niemand meeluistert, als ik iets wil schrijven wil ik niemand om me heen hebben en uiteindelijk vindt mijn spirituele zoektocht de meeste voeding in eenzaamheid. Er moet een ‘ik’ zijn, dat in veel alternatieve kringen vermaledijde ego, als grond van groei en ontwikkeling. Zaad kan alleen uitgroeien als het stil en verborgen in de aarde ligt, een eigen plekje opeist waarin het zich omhuld en beschermd weet. Zonder eierschalen waren er geen vogels, zonder baarmoeders geen mensen. Maar ook als we volwassen zijn hebben we nog steeds grenzen nodig waarmee we onszelf scheiden van de anderen, een persoonlijkheid en een lichaam die niet versmolten zijn met onze omgeving. Hoezeer het op het spirituele pad ook mag gaan om jezelf te verliezen, je één te weten met het bestaan, met God of hoe je het ook noemen wilt, er is iets als een eigen identiteit nodig, want wie of wat bereikt dan uiteindelijk die unio mystica? Eenheid kan alleen uit tweeheid worden geboren.

Oikofobie is een angst voor jezelf, een lafheid waarin je niet voor je eigen identiteit durft op te komen. Angst voor het ego. Terwijl zonder dat ik, zonder die grens tussen jezelf en de ander, zonder dat opkomen voor jezelf, zonder assertiviteit het zaad van groei al in de kiem wordt opgelost. Het ontnemen van het recht op het eigene is dan ook niets minder dan een aanslag op het leven zelf. Zonder zich te kunnen verbergen, zonder intimiteit, zonder de mogelijkheid om zich in stilte en rust te kunnen afzonderen zal er weinig nieuws worden geboren. Zij die nooit een thuis hebben gekend, die nooit onder gelijkgestemden hebben kunnen leven, die nooit ontroerd zijn door kunst, die zich nooit mochten thuis voelen in een vertrouwd dorp of stadsdeel vinden moeilijk vervulling in hun leven, ontheemd en verweesd als ze worden door de beroving van hun eigen identiteit. Het zijn de oikofoben die ons moderne kunst, multiculturalisme en megalomanie door de strot willen duwen alsof dat de ideale en enig mogelijke oplossingen zijn die ons verder helpen. Die ontwikkelingen willen forceren waar de meesten van ons nog lang niet aan toe zijn. Die getuigen van een angst om onszelf te zijn.

Oikofobie is een spirituele ziekte, de 419e angststoornis, de vlucht voor onszelf, onder al dan niet economische, maatschappelijke en spirituele pretenties gepropageerd door hen die een makkelijk te manipuleren wereld van zombies, mensen zonder ik, als hun ideaal en machtsmiddel zien. Een schot in de roos van Thierry Baudet, die ook nog op dezelfde dag jarig is als ik en er bovendien aantrekkelijk uitziet. En nu ook ook oikofilie toevoegen aan de lijst van liefdes, want daarin voel ik me helemaal thuis.

Bezeten van bezit

Date 22 mei 2014

Leren jasje gestolen.
Was ik heel gelaten onder, deed me niet veel.

Wat is bezit?
Een afspraak.
Dat zich iets in mijn buurt mag bevinden, dat ik het mag gebruiken.
Dat anderen er geen recht op hebben.
Dat het op de een of andere manier aan mijn persoon gekoppeld is.
In de werkelijkheid bestaat bezit niet.
Dingen zijn er alleen maar, vrij, ongebonden, dartelend in een kleurige dans.
Alles is alleen van zichzelf.
Alles is alleen van alles.

Vaak wordt gezegd dat je bezit, geld nodig hebt om te overleven.
Maar juist als je het krampachtig wilt vasthouden, zal het zich van je losmaken.
Net als met liefde en met kinderen.
Vandaar vrije liefde.
Door je aan een ander vast te klampen verlies je hem, haar, het ding.
Net als met je kinderen.
Laat mensen en dingen zoals geld vrij om te gaan waar ze heen willen.
Het is in jouw buurt, gaat aan je voorbij.
Geniet van het spel als een spel, als virtual reality, en neem het niet serieus.

Wij zijn bezeten van bezit.
Hebben tegenover Zijn.
Hebben is een hulpwerkwoord dat jou aan iets anders koppelt.
Alsof je er groter door wordt.
Bezit zal je altijd ontnomen worden.
Je zult altijd bestolen worden.
Je denkt dat je een lichaam hebt, maar ook dat zal je ontnomen worden.
Wie ben jij die het ontnomen wordt?
In Zijn is geen plaats voor hebben.

Bezit verslaaft aan wat bezeten wordt.
Echt vrij ben je pas als je niets als je bezit beschouwt.
Geniet van wat voorbijkomt.
Laat het los als het weer gaat.
Vrijheid is ongebondenheid.
Zelfs het pad dat je gaat zal je niet bevrijden.
Uiteindelijk bezit je zelfs jezelf niet, omdat je niet twee bent maar één.
Voor dit inzicht hoef je alleen maar goed te kijken.
Bewustzijn is de ultieme sleutel.

Leren jasje gestolen.
Merkwaardig in de gure wind te wandelen.

Zonneoffer

Date 17 mei 2014

Het geluid van een ver vliegtuig, een insect dat even langs mijn oren zoemt, zacht geruis van een grassproeier, een kind dat even schreeuwt, een optrekkende motor in de verte – ze accentueren de stilte in mijn tuin waar ik met ontbloot bovenlijf lui achterover in mijn stoeltje geniet van de warme, hoge zon. De tijd lijkt even stil te staan door zich uit te spreiden over herinneringen aan door vliegers en meeuwen overkoepelde warme stranden, voettochten door droge bergen, in het water klotsende bootjes en de verzengende hitte van paasvuren waar ik net iets te dichtbij wil zijn. Dan loop ik het liefst zo bloot mogelijk rond, genietend van het getintel op mijn bruinende lijf, tot aan het masochistische toe.

Ik heb een haat-liefdeverhouding met de zon, met vuur. Want daarin lijken de door Freud nog gescheiden Eros en Thanatos, de levensdrift en de doodsdrift, met elkaar te versmelten. Ja, als een echte romanticus denk ik dagelijks aan de dood, aan sterven als een ultieme climax van het leven waarin ik opga in het al, uiteenspattend om opgenomen te worden in de sterrenwereld. Hoop ik. Hoeveel aap er op deze broodjes zit weet ik niet, maar ik heb wel eens gehoord dat mannen een spontane zaadlozing krijgen op het moment dat ze opgehangen worden. En mensen die van een verdrinkingsdood zijn gered vertellen vaak over het heerlijke moment waarop uiteindelijk het water in je longen stroomt. Dus wie weet is het wel heerlijk om te sterven en is het puur gemakzucht dat we ervan uitgaan dat dit iets verschrikkelijks is. Misschien is het wel datzelfde verlangen dat hoogtevrees heet, het conflict tussen to be or not to be en to be and not to be.

Als puber las ik in een van mijn eerste boeken over sterrenkunde over een heilige die ‘levend en naakt op een rooster werd gebraden.’ Dat ging over Laurentius, in verband met de Perseïden die zich rond zijn verjaardag op 10 augustus uitstrooien over de nachtelijke hemel. Toen, op pagina 31, kon ik niet meer verder lezen, vervuld als ik was van een weemoedige walging en smachtend verlangen waar ik niets mee kon. Dat boek moest even dichtgeslagen worden. Jammer, want Feiten en Fabels uit de sterrenwereld van R.W.M. Bakhuis, is eigenlijk een heel leuk boek, niet alleen astronomisch maar ook door de verhalen over de vele sagen en legenden die zich ’s nachts boven ons hoofd afspelen. Volgens andere bronnen zou Laurentius nogal lakoniek met zijn eigen barbeque zijn omgegaan. En misschien is dat wel zo, want wat blijft er over van pijn als je je er eenmaal helemaal aan hebt overgegeven? Pijn is weerstand en heeft geen functie meer als je toch al gebraden wordt.

Maar zoals dichtgeslagen boeken om aandacht blijven roepen, werd mijn leven vaak doorkruist door kannibalen en mensenoffers, als een mysterie dit je niet doorgrondt door het als pervers te bestempelen. Mellie Uyldert vertelt in Het zonnejaar dat in Macha Picchu mensen aan de zon werden geofferd: ‘Door bepaalde plantenextracten werd zo iemand in een toestand van extase gebracht en hij achtte zich bevoorrecht dat hij zo in de feestroes het rijk van het hemelse licht mocht binnentreden,’ lees ik op pagina 271. Ook heb ik ergens gelezen dat het bij de Azteken voor de winnaars van wedstrijden een hele eer was om op de offertafel te mogen sterven. Dat de slachtoffers zelfs eerst werden vetgemest om uiteindelijk opgegeten te worden, maar misschien is dat ook een broodje aap, eh… mens.

In mijn ideale sterven is alles doorzengd met een extatisch geluksgevoel in het volle hete zonlicht, in tegenstelling tot de macabere duistere wereld van extreme BDSM en lustmoord waar Thanatos overheerst en Eros buiten de deur wordt gehouden, waar het genot komt van het lijden van anderen en niet van hun vreugde en extase. Ik herken me dan ook heel sterk in wat Jung over mensenoffers schrijft: hij duidt ze psychologisch als de oproep van het Zelf aan de mens om zijn ego te doden, zoals ik in Wikipedia lees. Ja, een offer aan de zon is eigenlijk een offer aan je hoger Zelf. En misschien is het – paradoxaal genoeg – juist het verdringen van dit geofferd willen worden, van onze eigen behoefte aan sterven, van de behoefte om niet alleen te eten maar ook gegeten te willen worden, dat leidt tot zoveel agressie, oorlog en perversie in de wereld.

Ja, in real life ben ik nog bang voor de dood, maar het zal me niks verwonderen als ik na mijn sterven als geest naar mijn lichaam kijk en dan niet meer snap waarom ik daar nou zo moeilijk over deed. Waarom ik niet, net als in de film Sunshine, in de zon kon stappen om door het vuur verzwolgen te worden. Extreem? Misschien mis ik wel de mooiste ervaring door dat niet te doen. Maar om de een of andere reden ben ik, afgezien van praktische bezwaren, nog niet zo ver. Ben ik bang dat het pijn doet. Vind ik het niet leuk voor mensen die mij en mijn rare weblogs zullen missen en zo. Vrienden bij wie ik een leegte achterlaat. Een onbezette stoel in de gemeenteraad. Gedoe. Fantasieën heb je zelf in de hand, doen geen pijn en zijn veilig. Misschien is dat ook allemaal ego, maar voorlopig hou ik het daar nog maar even bij.

Intussen zit ik in de schaduw van een boom, wordt het wat kil door vlaagje wind en trek ik een sweater over mijn blote bast. Maar een zonaanbidder blijf ik. Dat heeft me eens, lang geleden, iets van een zonnesteek laten voelen en daar ben ik eigenlijk best een beetje trots op.

I am the walrus

Date 3 mei 2014

Er zit een jukebox in mijn hoofd. Een hele luxe, want hij draait complete langspeelplaten af. Als A hard day’s night van The Beatles in mijn hoofd zit speelt geheid – wat ik ook doe of denk – drie minuten later I should have known better in mijn gedachten. Dat gaat zo door tot en met Can’t buy me love en als het even meezit wordt de LP ook nog omgedraaid, en gaat het verder met Any time at all totdat die na I’ll be back de vinylplaat eindelijk uitgespeeld is. En dat is inmiddels precies 50 jaar zo. Het is dan ook veiliger om in gedachten een single te laten spelen, zoals I am the walrus, dat gelukkig ook het laatste nummer van een album is. Nou ja, van de eerste kant dan, want de volgende kant gaat verder met Hello Goodbye dat ook de achterkant (of voorkant, dat was bij The Beatles niet altijd duidelijk) van een single is waarop het nummer staat. Maar de langspeelplaat waarover die walrus schuifelt is niet een echte elpee, vind ik. Omdat deze, met op de voorkant de zes nummers van de tv-film Magical mystery tour, eigenlijk een verzamelalbum is, en dat vind ik geen ‘echte’ LP. Die magische tour was trouwens eerder in 1968 verschenen als een dubbel-EP die ik veel te duur vond, omdat op zo’n EP vier nummers hoorden, en niet drie. Die kostte maar liefst zes gulden vijftig! Ingewikkeld, zo’n discografie, terwijl die van The Beatles nog heilig was in vergelijking met The Rolling Stones die er helemaal een rotzooitje van maakten en waarover ik dus een boze ingezonden brief naar Hitweek stuurde. Want om van de Stones alles compleet te hebben moest je wegens drie elders ontbrekende nummers de hele LP Flowers kopen, en dat vond ik oplichterij. En dat is het natuurlijk ook. Oplichterij die aan de roots van mijn haat van commercie, ongecontroleerde vrije markt en neoliberalisme staat. Zo, dat wou ik even kwijt. Frustraties van een babyboomer.

Maar intussen zit I am the walrus nog dagelijks in mijn hoofd. Knap dat dat trouwens kan, iets dat zich onder je schedeldak letterlijk afspeelt. Ik hoor dus iets dat anderen niet horen, wat nogal pathologisch klinkt. Het zullen wel allemaal neuronen zijn die in mijn hoofd nazingen, natrillen. Op een voor andere onhoorbare wijze hoor ik dingen die er niet zijn, zoals dat soms in sterkere mate gebeurt als mijn hersens anders gaan golven vlak voordat ik in slaap val.. Dan weet ik dat ik even later slaap. Wat me doet denken aan de nachten bij Bert: hij liet altijd zijn bandrecorder spelen terwijl we – meestal stoned – in slaap sukkelden. Maar hij had wel een tijdklok – mechanisch en duur in die tijd – die na een poosje de muziek uitschakelde. Dan schrok ik van schrik opeens klaarwakker, maar wist: straks slaap ik weer. Niet dat we toen I am the walrus speelden, van The Beatles was het meestal Abbey Road, zodat ik vandaag de dag nog steeds spontaan stevig stoned word als ik die klanken hoor. En toch is I am the walrus altijd een van mijn lievelingsliedjes van The Beatles gebleven. Niet omdat de clip ervan zo bijzonder was, integendeel. Maar om de tekst. Die begint met ‘I am he as you are he as you are me as we are all together.’ Mooi! Die regel schijnt onder invloed van acid geschreven te zijn, jammer dat ze dat daarvoor nodig hadden. Maar dit soort basiswijsheden was toen nog niet zo’n gemeengoed als vandaag de dag in spirituele kringen. Alles is één en zo. En waarheid als een koe, maar niet iedereen houdt van koeien. Ja, er stond een mooie echte koe op een van de beste LP’s van Pink Floyd, maar hier in Blaricum ontspint zich een strijd tussen koeien- en paardenliefhebbers op weilanden tussen het oude dorp en de Bijvanck waar ik woon. Maar dit terzijde, want ik wilde iets vertellen over I am the walrus. Een dier overigens waarmee ik me nooit heb geïdentificeerd, maar toch.

Wat ik zo mooi vind aan de tekst van I am the walrus, is dat die een totale chaos is. Geen touw aan vast te knopen. Op een leuke website met toelichtingen op popsongs wordt dat nog eens bevestigd. De ene associatie duikelt over de andere, wat voor mij betekent dat het een satire is op het logische, rechtlijnige denken. ‘Sitting on a cornflake, waiting for the van to come,’ waar sláát dat in godsnaam op? Nergens op, en dat vind ik juist het leuke. Gewoon in klanken en muziek schilderen wat in je opkomt. ‘Semolina pilchard climbing up the Eiffel Tower,’ wat is dat voor gek beeld? Wat een onzin! Maar dat vind ik juist zo mooi! Knap trouwens dat dat beest niet naar beneden glibbert. ‘If the sun don’t come you get a tan from standing in the English rain,’ je ziet het onmogelijke voor je! Moraal: we trachten onze wereld te begrijpen en te ordenen terwijl daar uiteindelijk weinig van klopt. Ja, het is mijn diepe overtuiging dat de werkelijkheid uiteindelijk totaal anders in elkaar zit dan de beste religies en filosofen bevroeden. Maar dan ook écht totaal anders! Woorden zijn bedrog, en soms kun je even goed onzin uitkramen want het Uiteindelijke is toch niet in taal te vangen. Hooguit in kunst, poëzie, en zelfs dan is het vaak nog een hopeloze benadering. ‘Wie weet spreekt niet, wie spreekt weet niet,’ schreef Lao-tse in de Daodejing. En zo wordt in I am the walrus al het spreken, denken, verklaren en uitleggen te kakken gezet. Oké, je moet ermee werken om een beetje praktisch in deze wereld te kunnen functioneren, maar het is niet meer dan dat. En zo vertelt dit gekke lied je, als je de werkelijkheid echt wil aanschouwen, al het denken met zijn logica moet loslaten. Je ook nergens mee identificeren, wat mij ook niet altijd en overal lukt. Want terwijl ik dit schrijf voel ik me toch een beetje een walrus, die zich afvraagt waarover mensen zich toch druk maken terwijl hij tussen de schuimende golven van de branding genotterig over een modderig strand blubbert. Ja, ik ben de walrus! Goo goo g’ joob!

Reünie

Date 29 april 2014

Rob was mijn naam en Rob mochten ze me noemen afgelopen zondag. We hadden weer een reünie met de club studenten die als eersten een afdeling van een gloednieuwe woontoren op studentencampus Uilenstede in Amstelveen bevolkten. Op eenheid 198 om precies te zijn, op de zevende verdieping. Daar ontmoetten we elkaar voor het eerst in november 1968 – de maand waarin de witte dubbelelpee van The Beatles uitkwam – en we konden niet in de verste verste bevroeden dat we zowat een halve eeuw later nog steeds vrienden zouden zijn. Luxe kamers waren het, met centrale verwarming, een eigen douche en toilet. Met draadomroep. Maar ze kostten dan wel honderd gulden in de maand. Tegenover ons was een derde woontoren in aanbouw, zodat we in de donkere winternacht vroeg gewekt werden door vlijtige arbeiders die onder helle verlichting met hijskranen zo’n betonnen kaartenhuis van dertien etages op elkaar stapelden.

Ik was een beetje de bonte hond op die afdeling en word tot vandaag de dag geassocieerd met Pink Floyd en verdachte geuren die bij tijd en wijle rond mijn kamer 1377 zweefden. Maar ondanks mijn relatief wilde levenswijze en gebrek aan sportiviteit hoor ik toch nog tot de meest gezonden en minst gehavenden van ons groepje babyboomers. Zo rond de pensionering – de een nog net niet, de ander wel en een derde blijft lekker doorwerken – beginnen onderwerpen als ziektes en gebreken steeds meer aandacht te vragen. Maar we maken er volop grapjes over, houden niet zo van dat zware serieuze gedoe vol somberheid. We leven allemaal vrolijk verder en gaan nog steeds op precies dezelfde manier met elkaar om als vroeger. Wel viel me op dat de rechtse jongens minder rechts waren geworden, maar dat komt waarschijnlijk door de verschuiving van het hele politieke spectrum, zodat dat wat vroeger rechts heette nu als tamelijk links wordt beschouwd.

Deze keer waren we bij Slavek thuis in Wassenaar uitgenodigd. Drankjes en hapjes in de tuin. En we gingen natuurlijk ook een wandeling over het strand maken, en sommigen van ons hadden best moeite met het beklimmen van de duinen. Weer terug in zijn woning genoten we aan een lange tafel van lekker eten, en voerden gesprekken die tenminste ergens over gingen. Dat is misschien ook het leuke van studenten van mijn generatie: indertijd was studeren nog niet de gewoonste zaak van de wereld en moest je daarvoor toch wel een beetje intelligent zijn. En om de een of andere reden voel ik me toch het meest thuis, relaxed, op mijn gemak bij de intelligentsia: je begrijpt elkaar met een paar woorden, je hoeft weinig uit te leggen en gesprekken verlopen daarvoor veel soepeler. Ja, ik moet soms mijn best doen dat niet elitair van mezelf te vinden, maar ik kan het ook niet helpen dat ik hoogbegaafd ben, en behoefte heb aan soortgenootjes om me heen. Net als veel anderen van onze bonte club, als je het mij vraagt. Dat geeft een vertrouwd gevoel van thuis te zijn. Je accepteert elkaar, je respecteert elkaar en lardeert dat met veel humor.

Op de een of andere manier horen we bij elkaar. Houden we van elkaar. We hebben natuurlijk een belangrijke levensfase met elkaar gedeeld, de tijd waarin we net het ouderlijk huis hadden verlaten en zelfstandig werden. Nou ja: probeerden te zijn. Maar het blijft een mysterieuze band die je met elkaar hebt. Misschien leven we nog allemaal juist omdat we plezier kunnen hebben, kunnen relativeren, van humor houden. ‘Jongens, straks gaan we allemaal dood, dus we moeten wel wat vaker bij elkaar gaan komen hoor,’ stelde ik voor. ‘Want ons clubje wordt steeds kleiner totdat je met zijn tweeën een reünie houdt…’ ‘En dan is de vraag wie als laatste het licht uitdoet,’ vulde Gert aan. Het duurde even voordat ik na deze dag de slaap kon vatten, rozig als ik was. Niet alleen vanwege de buitenlucht maar ook vanwege de heerlijke zonnige energie waarvan ik genoten heb en die nog steeds in me sprankelde. Leuk, zo’n dagje Rob.

De ontwrichting

Date 24 april 2014

Hoe we sluipenderwijs naar een totalitaire staat toegroeien werd vorige week duidelijk met de uitspraak van de Hoge Raad: pedofielenvereniging Martijn is verboden. Heel voorzichtig wordt zo geknabbeld aan het recht op vrije meningsuiting. Eerst door een club te verbieden waarvan de opvattingen volgens de meesten van ons het meest verwerpelijk zijn, waardoor meteen de vraag oprijst: wie volgt? Velen ondertekenden een petitie tegen dit verbod, waaronder Anton Dautzenberg, Arnon Grunberg, Tommy Wieringa en Freek de Jonge. In De Correspondent maakte ook Rob Wijnberg zich zorgen: ‘Waarom dan niet ook – uit naam van de communis opinio, of de schade die het berokkent (…) – gezien de financiële crisis die het neoliberalisme heeft veroorzaakt – de opvattingen van de VVD in de ban doen?’ vraagt hij zich af. En gisteren loog het redactioneel commentaar van nrc.next er niet om, als zij vraagtekens zet bij het door de Hoge Raad gehanteerde ontwrichtingscriterium: ‘In een vrije samenleving moet het ook mogelijk zijn om rondom ongewenst, schokkende en zelfs schadelijke opvattingen een vereniging te organiseren.’ De Hells Angels zijn toch ook niet verboden? Ook daar zijn de leden niet de meest gewaardeerde elementen van onze maatschappij. ‘In een vrije samenleving heeft het bovengronds en dus zichtbaar houden van groepen burgers met ongewenste opvattingen of activiteiten ook nut.’ Je hoeft echt niet hoogbegaafd te zijn om te zien dat met verdringing, verbieden en onderdrukking problemen niet worden opgelost maar alleen tijdelijk worden weggepoetst.

Zoals mogelijk terrorisme een excuus is om mensen van hun privacy te beroven, is mogelijk kindermisbruik een excuus om de vrije meningsuiting te beknotten. Maar moet je een vereniging waarvan de leden strafbare feiten begaan verbieden? En is de vrije meningsuiting niet juist bedoeld om ook mensen met afwijkende meningen aan het woord te laten, hoe verwerpelijk we ze ook vinden? Een halve eeuw geleden hadden we het moeilijk met clubs die voor crematie en vrijwillige euthanasie waren, maar hebben we die verboden, hebben die zoveel schade aangericht? Dat ontwrichtingscriterium – en er wordt alleen nog maar gesproken van een mogelijke ontwrichting – kan propaganda van welke revolutionaire opvatting dan ook in de kiem smoren. Zoals leden van Hells Angels persoonlijk vervolgd moeten worden voor wangedrag, geldt dat natuurlijk ook voor de leden van Martijn als zij kinderen misbruiken – direct, of indirect in geval van gebruik van kinderporno. En dat gebeurt ook. Maar een vereniging mag van mij alles ter discussie stellen omdat hiermee de dialoog open blijft en zaken als pedofilie besproken blijven. Alleen respect hebben voor opvattingen van mensen met wie je het eens bent is geen kunst, leeg, zo niet hypocriet.

Ik zou in discussie willen gaan met pedofielen, de zwartste zondebokken van deze tijd. Net zoals ik zou willen luisteren en debatteren met veel andere mensen die in mijn ogen totaal foute dingen doen. In de jaren zestig deden we minder moeilijk over seks met kinderen. ‘Moet kunnen.’ In de nasleep van dat gevoel voor ongebreidelde vrijheid vertrouwde een bankmedewerker me in de toilettenhal zijn verhalen toe over hoe hij met de jongens van zijn sportclubje omging. Dat het lang niet altijd om enge dingen als verkrachting ging. Dat seksuele avances vaak uitgingen van de jongetjes zelf. Ja, als dat zo is, waar deed je dan eigenlijk moeilijk over? Dat klinkt nu ongeloofwaardig, omdat we weten dat kinderen geen seksuele behoeftes kunnen hebben zolang ze nog niet de puberteit hebben meegemaakt en mede daarom elke gelijkwaardigheid, in welke betekenis dan ook, ontbreekt. Dat kinderen er trauma’s van overhouden. Maar wie weet komt over enkele decennia Sigmund Freud weer uit de kast, bij wie immers alles seksueel is en kinderen wellicht lang niet zo onschuldig blijken te zijn. Het zal je trouwens maar overkomen dat je pedofiel bent: geen enkele seksuele afwijking is iets waarvoor je zelf kiest omdat die het leven alleen maar lastiger maakt.

En als de Hoge Raad dan toch zo nodig consequent wil zijn, laat ze dan ook de Hells Angels verbieden. En de VVD. Maar ik geloof er niet in. Wat nu gebeurt is opportunistische volksverlakkerij, inspelen op de populistische onderbuik, het aanvuren van een heksenjacht, het ondergronds jagen van dubieuze krachten die je veel beter in het volle daglicht kunt bestrijden. Natuurlijk ga je door het lint als je er zelfs alleen maar aan denkt dat je kind wordt verkracht, maar daarmee wordt het probleem niet opgelost. Emotioneel bestrijden van kwaad polariseert alleen maar en maakt het alleen maar erger. Deze uitspraak is dan ook koren op de molen van de hetze waarin gesnakt wordt naar brandstapels en lynchpartijen. Zo helpt de Hoge Raad mee aan de ontwrichting die ze pretendeert te bestrijden. Mag ik dit trouwens wel schrijven? En hoe lang nog?

 

Vetbelasting

Date 17 april 2014

Dikke mensen vind ik afschuwelijk om te zien. En toch bestaan ze en ben ik elke keer weer verwonderd over hoe ze zich in het openbaar schaamteloos durven te vertonen. Alsof er niks aan de hand is. Alsof het doodgewoon normaal is. Natuurlijk zijn er velen onder hen die het zelf niet kunnen helpen en voor wie mijn gedachten, gevoelens en ideeën over obesitas niet van toepassing zijn, maar het merendeel verdient wel mijn argwanende blik. Soms kan ik me moeilijk inhouden er iets van te zeggen. Dan fluister ik in de supermarkt tegen Vriend. ‘Heb je die man gezien? Dezelfde die knetterend op zijn brommertje over de stoep kwam aanrijden. Dat hij er niet doorheen gezakt is!  Heb je gezien hoe onder zijn te korte shirt al dat vet over zijn broek heen blubbert?’ Wat zal hij straks allemaal op de band bij de kassa leggen? Verboden moest het worden! Het is een openbare aanval op de esthetiek! Ik snap ook niet hoe die het nou met zijn partner doet! En die partner snap ik dus ook niet. Zou hij zijn eigen pik kunnen zien? Gaat plassen puur op de tast? En plof, daar gaat weer een fles cola op de band. Als je jongeren geen alcohol mag verkopen, waarom dikke mensen dan wel cola en chips?

Wat doe je ertegen? Ze gaan vanzelf al wat vroeger dood, dus dat is al iets. Maar toch. Ze belasten niet alleen zichzelf maar ook hun omgeving. Dus moet je gewoon een soort vetbelasting gaan heffen. Hogere verzekeringspremies. Maar mensen leren weinig van dat soort langetermijneffecten, dus moet je ze daarnaast ook veel directer pakken op hun onappetijtelijkheid. Wat zwaar is moet zwaar wegen, dus  moeten ze maar wat meer wegenbelasting betalen. En het zou leuk zijn als de lift en de roltrap veel trager gingen als er gebruik van maakten. Dat is met behulp van de Body Mass Index (BMI) allemaal best te automatiseren. Met een camera bepaal je hoe lang iemand is en met een ingebouwde weegschaal meet je hoe zwaar iemand is. De computer berekent dan de nieuwe snelheid. S1 = (S0 * 21,5 * h²) / m. Zoiets. Met dit soort technieken kun je ook in auto’s mensen op hun gewicht afrekenen, zodat er een variabele wegenbelasting ontstaat. En in bussen en treinen sta je tijdens het inchecken op een weegschaal. En als dikke mensen alsnog niet op een zitplaats of door een deur passen hebben ze gewoon pech gehad. Betalen per kilo, ze gewoon meteen in hun portemonnee pakken, dat werkt!

Maar er zijn nog meer middelen om overgewicht mee te bestrijden! Net als bij rookwaar een verplichte etikettering op alles waar teveel suiker, vet en zout in zit. Op bijna alles dus. Met walgelijke plaatjes. Van blubberende onder zwemkleding uitkwabberende lijven. Van mensen die met rode koppen in paniek naar hun hartstreek grijpen. Van mensen van wie de voeten zijn afgezet. Als de overgewicht door de overheid echt als een probleem werd gezien, had ze dat allang gedaan. Net als die vetbelasting. Probleem is alleen dat je minder vetbelasting kan innen als mensen écht gaan afvallen, en je weet hoe dat gaat: euro’s zijn nog altijd belangrijker dan de volksgezondheid. Maar van mij mogen artsen en sportscholen het leven van hardnekkige recidivisten ook wel zuurder maken door hun tarieven volgens de reciproke van eerder genoemde formule te verhogen, heu: aan te passen. Anders begint alles toch weer van voren af aan zodra bezoekers het pand hebben verlaten. Nemen ze liever de roltrap, grijpen ze meteen naar de bladblazer en slepen ze bij Appie hun mandjes suiker, vet en zout achter zich aan.

Vet belast. Niet alleen jezelf, maar ook je omgeving. Een vetbelasting vind ik dan ook een heel vet idee!

Geluidsoverlast

Date 11 april 2014

Lawaai maakt meer kapot dan je lief is. Klachten erover worden in bestuurlijke kringen niet echt serieus genomen, alsof stilte een luxeproduct is dat in deze tijden van bezuinigen best gemist kan worden. En omdat sommige mensen erover klagen terwijl anderen zich er nauwelijks bewust van zijn, wordt bij geluidsoverlast vaak naar het domein tussen de oren verwezen. Geheel onterecht, als ik professor Joost Smiers mag geloven, die in nrc.next van vandaag wijst op van alles waartoe geluidsoverlast kan leiden. Gebrek aan concentratie, verbrokkelde slaap, hartritmestoornissen, aantasting van bloedvaten, irritatie, stress, ruziezoekerigheid, depressies, weinig eetlust, angst, vermoeidheid en misschien minder lust tot seks. Alleen dat laatste vind ik niet een echt argument om geluidsoverlast tegen te gaan, want met wat minder seks zaten we nu – althans voor zover het hetero’s betreft – met een minder overbevolkte wereld en de desastreuze gevolgen daarvan. ‘Dat is niet gering,’ schrijft hij onder de kop Red de stille auto. ‘Uiteraard heeft niet iedereen last van alle soorten lawaai, en krijgt niet iedereen al deze plagen van Egypte tegelijkertijd. Dat neemt niet weg dat ongewenst geluid voor enkele tientallen procenten van de bevolking een meer of minder zware wissel trekt op het psychisch en/of fysiek welbevinden. Dat is een percentage om van te schrikken.’ Waaraan ik zou willen toevoegen dat ook geluidsoverlast die we niet bewust ervaren en waar we dus niet over klagen, een grote duit in het zakje doen.

Het terugdringen van overbodig kabaal zou veel bijdragen aan de volksgezondheid, maar staat niet echt hoog op de politieke agenda. Te vaak wordt er wat meewarig over gepraat alsof dat een probleem is van hooggevoelige watjes die er maar mee moeten leren leven. Ja, alles went en velen van hen horen op gegeven moment het kabaal niet meer, omdat ze niet anders kunnen dan zich afsluiten voor de grove botheid waarmee velen hun omgeving van herrie voorzien. Ik ben niet voor niets een nachtmens omdat ik dan verzekerd ben van een omgeving die niet geteisterd wordt door muziek, knallende motorrijders, schoonmaakmachines en brullend tuingereedschap. En laten we eerlijk zijn: het wordt ons steeds minder mogelijk gemaakt om iets te doen zonder daarbij kabaal te maken. Probeer maar eens een bladblazer te vinden die géén herrie maakt. En zelf zou ik ook meer moeten letten op het kabaal dat een nieuwe stofzuiger gaat veroorzaken. Even uittesten in de winkel dan maar? En in de bus van het hoogwaardige R-net is het gesis van de radicale airco niet te ontwijken, en kan ik moeilijk mijn geld terugvragen wegens verminderde kwaliteit van dit vervoer. Apparaten moeten goedkoop zijn en als ze dan wat herrie maken moet je daar niet moeilijk over doen. Zo is de beleving van de automobilist is voor minister Schultz van Haegen belangrijker dan de toegenomen herrie en de extra wolken uitlaatgassen en fijnstof. Opsluiten in een flatje langs de A10, die meid!

De beleving! Nu de minister ook subjectieve argumenten erkent kan er ook plaats komen voor de realiteit tussen de oren! Voor de beleving van mensen die last hebben van verkeerslawaai bijvoorbeeld. Maar ik vrees dat ministers dit argument heel opportunistisch zullen blijven gebruiken. En het lastige van belevingen is dat ze altijd echt zijn. Ja, er zijn mensen die zich overal aan ergeren, maar het is de vraag of onder deze beroepsquerulanten niet veel hooggevoeligen zitten die het ook niet kunnen helpen dat ze nu eenmaal zo zijn. Natuurlijk zijn er ook velen onder hen die helaas geen andere manier kunnen vinden om wat aandacht te krijgen, maar dat mag geen argument zijn om dan maar al het geklaag te verwijzen naar het rijk der subjectieve fabelen. Aanleiding voor het artikel in nrc.next is het besluit van de Europese Commissie dat auto’s geluid moeten blijven maken omdat geruisloze auto’s onveilig zouden zijn. Omdat je ze niet hoort aankomen. Ja, zo lust ik er nog wel een paar. Alsof een verbod op oordopjes tijdens het weggebruik niet effectiever zou zijn. Alsof het normaal is dat je méér voorrang geniet als je je minder natuurlijk voortbeweegt, en je dus als fietser of voetganger meer zou moeten opletten. ‘Voor de veiligheid van de fietser,’ heet het dan bijvoorbeeld. ‘Fietsers maken ook geen geluid,’ eindigt Smiers zijn artikel, ‘toch botsen we als voetganger daar niet regelmatig tegenop. Veilig verkeer kan dus heel goed zonder overmaat aan lawaai.’

Dit hierboven mag dan een min of meer politieke stellingname zijn, gebaseerd op het nastreven van al dan niet fysieke en psychologische gezondheid, maar je kunt er ook op een meer spirituele manier naar kijken. Wat mij opvalt als ik me ergens aan stoor, is dat dit altijd gekoppeld is aan een oordeel. Namelijk dat het niet zo hoort, of niet zo zou moeten zijn. Afgelopen zomer zat ik in mijn tuin te luisteren naar de herrie van de A27 en toen betrapte ik mezelf erop dat mijn beleving ervan veranderde toen ik me voorstelde dat dit het geluid van de branding van de zee was. Heel rustgevend. Wel een beetje rare branding, toegegeven, maar toch. Belazerde ik mezelf? Ja en nee. Maar het belangrijkste was dat ik daarmee het kabaal accepteerde. Dat is natuurlijk ook een methode: de wereld accepteren zoals die nu eenmaal is, inclusief alle herrie en overige ellende. Maar daar ben ik ook niet altijd toe in staat, en ik neem aan dat niet iedereen dat even makkelijk kan. Dat laat iets zien van de spanning tussen politiek en spiritualiteit: enerzijds knokken voor een betere wereld en tegelijk accepteren zoals die nu eenmaal is. En deep down geloof ik dat dit laatste een voorwaarde is voor het eerste: dat wezenlijke verandering alleen dan pas gebeuren vanuit een acceptatie van dat wat is. Dan zit er geen doel, geen idee, geen wens meer achter, maar doe je spontaan gewoon dat wat er gedaan moet worden. Zoals het bestrijden van geluidsoverlast.