15 januari 2013
Je kunt zeggen dat het kapitalisme ons rijk heeft gemaakt en voor welvaart heeft gezorgd. Maar dan moet je ook erkennen dat dit zelfde kapitalisme ons nu in de ellende stort. Vreemd genoeg geloven velen er nog in en dat maakt de zaak alleen nog maar erger dan nodig is, zoals je dat ook ziet dat het milieu dank zij haar sceptici nog harder achteruitholt. Het lijkt alsof er sinds decennia een omgekeerd evenredig verband is tussen welvaart en welzijn: hoe meer welvaart, hoe minder welzijn. ‘Meer mensen ziek door crisis,’ stond afgelopen zaterdag in de Gooi- en Eemlander te lezen. Het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten meldt wat bij het WHO al langer bekend is, namelijk ‘op basis van wetenschappelijk onderzoek, dat een economische crisis kan leiden tot onder meer een stijging aan psychische klachten, comazuipen en zelfmoorden.’ Dat had ik trouwens zelf ook wel kunnen bedenken, maar het is altijd leuk een bevestiging van je vermoedens in de krant te lezen. Toch zou ik nog een effect van de crisis daaraan willen toevoegen: discriminatie. Niet alleen van homo’s zoals we recentelijk bij de paus zagen, en bij massale demonstraties tegen het homohuwelijk in Parijs. Maar ook van andere kwetsbare groepen, zoals zwakken en zieken voor wie de zorg steeds minder wordt. En van ouderen.
Bij Capgemini vinden ze dat ouderen maar wat minder moeten gaan verdienen. Topeconoom Willem Buiter is het daar helemaal mee eens. ‘Ik vind dat mensen op basis van prestaties betaald moeten worden,’ zegt hij in de NRC van afgelopen zaterdag. En in diezelfde krant lees ik dat Jarico Vos van de VVD-jongerenorganisatie JOVD het er helemaal mee eens is, terwijl ook Toon Geenen van de Jonge Socialisten het er ‘in zekere zin’ mee eens is. En ook G500-oprichter Sywert van Lienden, met wie ik het soms best eens ben, kan er wat van. ‘Wat ik stiekem heel grappig vind laatste dagen: de onbeschoftheid die bovendrijft bij linkse babyboomers over demotiebeleid..’, twitterde hij onlangs. Daar gaat weer een snier in de vorm van een frame naar ouderen, dus wie is hier nou onbeschoft? Afijn, wellicht kan ik er zelf als linkse babyboomer niet echt objectief over oordelen, maar het is in grote lijnen wel zichtbaar dat haat zaaien naar ouderen niet meer taboe is.
Ik kan me er toch wel iets bij voorstellen. Want voor jongeren is het nu eenmaal lastig om aan een baan te komen die – als je hem al krijgt – nog onzeker is ook. Vaste contracten worden uitzonderingen. Velen van hen voelen zich neergeplempt in een crisiswereld die door vorige generaties is veroorzaakt. Ja, wellicht hadden babyboomers een leukere jeugd, maar zouden jongeren van tegenwoordig nog in de wereld willen leven waarin zij zijn opgegroeid? Nope! Ja, wellicht is het systeem van beloning naar anciënniteit een misbaksel, maar dan moet je dát aanpakken en de niet de ouderen als groep. Ongelijke behandeling van leeftijdsgroepen heet ook discriminatie. Die oudjes zullen heus wel wat trager zijn, maar hebben jarenlange ervaring en opgedane kennis, hielpen mee het bedrijf op te bouwen en te continueren tot wat het nu is. En als stank voor dank gaan ze nu minder verdienen?
De mens als productiemiddel en meer niet. De mens die uitgebuit kan worden. De mens die uitsluitend een economische waarde heeft, en die je kan dumpen als hij teveel kost. Waar ken ik dat alles toch van? Maar gelukkig waart er een spook door Europa…
Gepost in Maatschappij en politiek
Geen reacties »
4 januari 2013
Sinds gisteren heb ik een iPad. De gemeente gaat over op papierloos werken, dus moeten alle raadsleden daaraan geloven. Daar is helemaal niks mis mee als ik denk aan de vele kilo’s papier die de afgelopen jaren mijn brievenbus, soms met luide dreunen, zijn binnengedenderd. Speciaal voor raadswerk is het programma iBabs erop gezet. De naam komt niet echt volwassen over, maar daar vergis ik me in. Niet alleen kan je alle raadsstukken en bijlagen ermee lezen, maar je kunt er ook aantekeningen op maken, woorden markeren of onderstrepen, er bladwijzers bij leggen en wat niet al. Ziet er gelikt uit! Volgende week krijgen we een cursusavond om ermee om te leren gaan. Mijn ordner schuif ik aan de kant en alles wat op de gemeenteraad betrekking heeft zit nu logisch geordend in één apparaat. Een mooi ideaal, dat papierloos werken, hoewel ik me afvraag of de bomen die ermee bespaard worden opwegen tegen diverse enge materialen die in de iPad zitten. Consumentenelektronica is nu eenmaal niet het meest duurzame goed waar we mee omgaan.
Wel een zwaar ding, zo’n iPad. Mijn brievenweger geeft hem 777 gram, en dat is toch iets meer dan de 168 gram die ik van mijn Galaxy S3 ben gewend. En wat is dat scherm groot! Ik voel me net een bejaarde, want zelfs met hele slechte ogen en trillende vingers kan het bijna niet mis gaan op dit ding. De bediening is nogal intuïtief, zodat je eigenlijk geen handleiding erbij nodig hebt, hoewel je wel af en toe even zoeken moet. Ik grijp steeds naar een terug-toets rechts onder het scherm, maar die is er niet en blijkt ook niet nodig te zijn als je de weg weet. Toen ik gister thuiskwam moest het sigaartje toch nog twee uur wachten omdat ik het niet kon nalaten een en ander te configureren en te installeren. Zoals e-mail en bookmarks, Facebook en Twitter. En toen ik met muziek bezig was kocht ik in de App Store het nummer Summer of ’69 van Bryan Adams. Tot mijn verbazing verschenen op het scherm ook albums van Golden Earring en Nova, die ik jaren geleden eens hebt aangeschaft toen ik met iTunes speelde. Netjes dat ze dat niet vergeten! Voor foto’s en filmpjes is het trouwens heerlijk om een wat groter scherm te hebben, en de geluidskwaliteit is ook best redelijk.
Natuurlijk moet ik nog een boel uitvogelen, maar dat vind ik nu eenmaal leuk. Of ik er veel foto’s mee zal maken betwijfel ik. Hoewel het touchscreen toetsenbord natuurlijk nooit zo lekker onder de vingers ligt als een conventioneel keyboard, zal de iPad als tekstverwerker hier en daar wel handig kunnen zijn. Daarvoor heb ik een programma Pages geïnstalleerd, de Apple-equivalent van Microsoft Word, zoals Numbers en Keynote die van Excel en PowerPoint zijn. Met de iCloud kan ik deze iWork-bestanden weer uitwisselen met mijn desktop. Dank zij die iCloud kan ik trouwens de iPad nooit kwijtraken, want hij is door mij altijd met een andere computer te lokaliseren. Wat me ook opvalt is dat hij lang met een accu doet, want inmiddels heb ik hem nog maar één keer opgeladen. Kort samengevat: ik heb er weer een heerlijk speeltje bij dat nog praktisch is ook. En nu maar hopen dat het ook het raadswerk vergemakkelijkt. Dat kan bijna niet anders nu ik geen papieren meer hoef te ordenen en alles bij elkaar in één doosje heb van 777 gram.
Gepost in Computer en internet, Maatschappij en politiek
4 reacties »
30 december 2012
Heb het gevoel op een keerpunt in mijn leven te staan. De ene helft ligt achter me, de andere helft ligt voor me en vandaag sta ik precies in het middelpunt van mijn eigen leven.
Dat was op 14 januari 1980, de dag waarop ik sannyas kreeg, de dag waarop Bhagwan me Satyamo heeft genoemd. In Poona, India, in het Chuang Tzu auditorium.
‘Robert…,’ klinkt het opeens door de luidspreker. Terwijl ik langzaam tussen de zittende mensen naar voren loop valt de zenuwachtigheid van me af. Nu kan me niets meer gebeuren, nu ga ik naar Bhagwan. Ergens merk ik iets vreemds: er worden geen andere namen meer afgeroepen. Links van de Meester zit de sannyasin die ik al op zoveel foto’s heb gezien en hij wijst me waar te gaan zitten. Nog nooit ben ik zo dicht bij Bhagwan geweest. Hij kijkt me vriendelijk aan en vraagt me om mijn ogen te sluiten. Een gevoel van dankbaarheid wakkert door me heen. Dat ik hier mag zijn, dat ik dit mag meemaken… Deze minuten die helemaal zijn gewijd aan het rare persoontje dat ik ben…
‘Come closer,’ nodigt Bhagwan me uit. ‘Open your eyes…’
Hij hangt iets om mijn hals terwijl hij me diep in de ogen kijkt en zijn andere hand op mijn hoofd legt, met de duim op de plek waar zich mijn derde oog moet bevinden. Die ogen… Het lijkt wel alsof hij hol is, alsof Bhagwan van papier‑maché is gemaakt. Waar komt zijn stem vandaan? Dan geeft hij me een papier.
Waarom betekende sannyas zoveel voor me? Omdat het een soort thuiskomen was. Nooit eerder had ik zoveel herkenning gevoeld van wat ik altijd al wist. Ja, ik had gezworven tussen kerken, religies, sektes en wat niet al, maar nog nooit was alles zo treffend, viel alles zo goed op zijn plek als bij Bhagwan, van wie ik al veel boeken had gelezen en toespraken had beluisterd. Het was een bevestiging van wat ik altijd al diep in mezelf had gevoeld en geweten. Een soort eindpunt en culminatie van een zoektocht. Wat de mensen ook verder over Bhagwan mochten beweren, dit was een bevestiging van een innerlijke verwantschap. En sannyas was de bezegeling daarvan.
‘This will be your new name: Swami Satyamo. Satyamo means: the ultimate truth.’ Minder niet. De sannyasin naast Bhagwan gebaart me een stukje naar achteren te gaan zitten en dan vertelt de Meester me een lang verhaal over de weg naar de allerhoogste waarheid, een pad dat niet via het verstand gaat maar via het hart. Het lijkt wel alsof hij automatisch praat, alsof er niemand is die spreekt en de klanken als vanzelf uit de mysterieuze ruimte achter zijn huid opstijgen. Voortdurend kijkt hij me in de ogen, ogen die me uitnodigen om terug te kijken. Ik schrik er even van dat hij zo hol is: hoe kan Bhagwan nou geen ingewanden hebben? Een moment voel ik me zelfs schuldig bij de gedachte dat hij helemaal leeg is van binnen, dat is toch wel het laatste compliment dat je iemand kan geven? En het is toch deze zelfde Bhagwan die zo vaak over holle bamboes en lege boten praat?
Het meest hield ik van zijn verhalen over zen, taoïsme, boeddhisme en soefisme. Dat vond ik zijn meest poëtische en sprookjesachtige verhalen, maar die getuigden wel van wat ik later non-dualisme zou noemen. Over het verschil tussen sprookjes en werkelijkheid, en over het al dan niet één zijn van alles lag ik al jaren met velen in de clinch, en dat zou ook zo blijven, tot vandaag de dag. Ik vond wortels diep in mezelf en verbond me ermee.
Wat heeft Bhagwan allemaal tegen me gezegd? Het bekende probleem van alle nieuwe sannyasins, een soort geheugenverlies waarbij je je alleen herinnert alles wat de Meester zei helder begrepen te hebben. Alsof de betekenis van zijn woorden zo snel en diep tot me doordrong dat mijn geheugen geen tijd heeft gekregen om het een en ander vast te leggen.
Wat was mijn naam ook alweer? Satyano. Nee: Satyamo. ‘Satori’ en ‘amo’: ik hou van satori. Mooi ezelsbruggetje. Er is een wonder gebeurd…
En wat de mensen verder ook over Bhagwan mochten beweren, het zou me worst wezen. Het ging mij alleen om dit moment, deze herkenning, deze verbintenis. De poppenkast rond Bhagwan was een groot spel, dat later goed uit de hand zou lopen, maar niets af zou doen aan deze onvernietigbare ervaring. De seconde die volgens Dostojevski ‘waarlijk het ganse leven waard’ is. Het was een ontmoeting niet alleen met Bhagwan, maar ook met Boeddha, Lao Tse, Christus en vele anderen, omdat ware religies allemaal bij hetzelfde uitkomen, verschillende paden op een berg zijn die allemaal op dezelfde top eindigen. Een woordloze top waarover eigenlijk niets te zeggen valt, een overweldigende stilte en leegte waarin je tegelijkertijd verdwijnt als bevrijd wordt.
Nu hoor ik bij Bhagwan en Bhagwan hoort bij mij. Ik hou van hem. Heb het gevoel op een keerpunt in mijn leven te staan. De ene helft ligt achter me, de andere helft ligt voor me en vandaag sta ik precies in het middelpunt van mijn eigen leven. De keuze is gemaakt en daar voel ik me ontzettend blij mee. Nu weet ik waar ik thuis hoor.
Ik was toen 12039 dagen oud, bijna 33 jaar. Hoewel ik moet toegeven dat niet uit eigen ervaring te kunnen zeggen omdat ik me mijn eigen geboorte niet meer herinner, neem ik maar aan dat het zo is. Vandaag ben ik precies twee keer zo oud, 24078 dagen, bijna 66 jaar, zodat het middelpunt nu écht het middelpunt is, terwijl het ook altijd zo is gebleven. Want als er één keerpunt in mijn leven was, dan was dat toen, op 14 januari 1980.
(Citaten uit het door mij in dat jaar geschreven boek Terug naar huis, dat te verkrijgen is bij uitgeverij Lulu.)
Gepost in Spiritualiteit, Uit mijn leven
2 reacties »
24 december 2012
Eigenlijk zijn deze donkere nachten de mooiste tijd van het jaar. De sterren twinkelen helderder dan ooit aan de hemel, en de volle maan staat hoger dan ooit aan het firmament te stralen. Niet voor niets staat deze periode, met zijn ruime uitzicht op de grenzeloze kosmos om ons heen, bekend als die van de twaalf heilige nachten. Want dan staan we in de diepe donkerte oog in oog met het mysterie van een oneindigheid die met ons logische verstand niet te vatten is. Met een heelal dat we willen doorgronden, waarin zich in verre dieptes wonderen afspelen van dansende melkwegstelsels, imploderende sterren en kleurige nevelwolken. Een kosmos die schittert terwijl zij vrijwel uitsluitend uit leegte bestaat.
Ik ben verliefd op dat heelal, en in mijn fantasie reis ik graag tussen de sterren. Ze zeggen dat ik dan uiteindelijk weer op mijn vertrekpunt terug zal komen, na een tocht in de orde van een yottameter. Dat is niet voor niets het grootste getal waar nog woorden voor zijn. Met een hele goede verrekijker zou ik mezelf kunnen zien. Nou ja, als ik 13,7 miljard jaar oud was dan. Dit alles heeft iets met Einstein en zwaartekracht te maken, met kromming van de ruimte en meer van dat soort rare verschijnselen die erg op sprookjes lijken maar toch echt zijn. Ook stel ik me wel eens voor dat ergens aan de rand van het heelal even een puntje oplicht, ons zonnestelsel dat in een fractie van een kosmische seconde geboren wordt en weer sterft. Wat zijn we meer dan een zandkorrel in een majestueus kosmisch spel?
Maar ik kan ook de andere kant op reizen! Niet naar buiten, maar naar binnen, en dan kom ik uiteindelijk opnieuw in een fantastische wereld terecht. Voorbij cellen en atomen kom ik nu in de wereld van Bohr en zijn kwantummechanica, die met zijn verstrengelingen en superposities minstens even onbegrijpelijk is. Dan voel ik, reizend door mijn lichaam, dat ik zelf ook een oneindige kosmos ben waarin ik dieper en dieper kan afdalen in raadsels en paradoxen, maar die een schoonheid uitstraalt waar ik stil van word. Ook hier is sprankelend levend licht te zien, juist omdat ik in een donkere leegte zweef. Mijn hersenen zwijgen even, het wonder trekt sporen van koude rillingen door me heen. En ik weet waarom een stille nacht een heilige nacht is.
Blaricums dorpsblad hei & wei, 21 december 2012
Gepost in Spiritualiteit
3 reacties »
21 december 2012
Meer dan de helft van nrc.last is vandaag gewijd aan het einde van de wereld, dat nu had moeten plaatsvinden. Daar mag Peter Vandermeersch toch tevreden mee zijn: newsier kan het bijna niet! En uiteraard staan ook Facebook en Twitter vol met berichten over het einde van onze planeet. Het leuke van dit alles is dat iedereen lijkt te geloven dat de wereld hier niet om 12:11 uur is vergaan! Want dat is hij wel degelijk. Welkom in de nieuwe wereld!
Toen ik het rolgordijn vanmorgen opendeed was de wereld er nog gewoon. Wat stilletjes, dat wel. En toen ik buiten een sigaartje rookte was het rustig op straat, er passeerde alleen maar een zorgeloos bestelbusje, en een postbezorger stopte mijn handen vol met tijdschriften zoals PC Active, zodat ik me de komende dagen niet hoef te vervelen. Ook mijn Turkse buren, die normaliter toch om de tien minuten hun huis in- en uitlopen, hielden zich rustig. Tja, daar zat ik dan eindelijk op deze merkwaardige dag waarop zich niets bijzonders leek af te spelen. Een paar jaar geleden heb ik nog met Marcel gewed om een fles wijn, maar ik weet niet meer wie de ander een fles wijn zou geven als de wereld verging. En nu het zover is, denk ik dat hij die fles van mij krijgt.
Een wereld vergaat niet in een paar minuten. Ja, soms gebeurt dat, maar dat is niet normaal. Meestal heeft dat soort apocalypsen een hele tijd nodig. Vraag het maar aan Johannes, die volgens Victor Lamme dezelfde is als de discipel en het lievelingetje van Jezus, iets wat door anderen wordt betwijfeld. Het is een heel proces, met zegels, engelen en bazuinen waarvan Wagner een stevige operacyclus had kunnen maken! En vandaag zitten we precies in het midden! Vandaar. Volgens columnist en optimist Arjen van Veelen gaat het beter dan ooit met de wereld, maar hij heeft het dan ook alleen maar over materiële rijkdom, terwijl de geestelijke armoede, zeker in het Westen, groter is dan ooit.
In een halfdonkere nis van het Centraal Station stonden drie Oost-Europese muzikanten te spelen in de kou. Een trekharmonica en twee blazers. Hun melancholieke klanken galmden over het plein en vele minuten stonden we te genieten van het mengsel van weemoed, treurnis en verlangen dat een ontzaglijke schoonheid in de diepte van het hart doet ontwaken. We waren op weg naar het Weihnachtsoratorium, maar achteraf bleek ik meer geraakt te zijn door de melancholie van dit met hun hele lijf musicerende trio. Wat me deed afvragen wie nu eigenlijk de echte rijke en arme mensen in onze Westerse wereld waren.
Deze week merken we niet dat de dagen korter of langer worden, maar toch is er een middelpunt in de donkere wintertijd. Dat keerpunt in koude naakte kaalte kun je het Kerst- of Lichtfeest noemen. Maar ook op grotere tijdschaal kan je spreken van een winterwende. Het zou daarom heel goed kunnen dat we nu op het dieptepunt van onze beschaving zijn en eindelijk gaan inzien dat het zo niet verder door kan gaan. We moeten wel. Openbaringen lijken tekens aan de wand te zijn, het riool van een egoïstische en materialistische cultuur gaat open, het internet legt alle geheimen bloot. Kortom: het zou best eens de goede kant uit kunnen gaan. Maar dat is iets dat we pas na enkele decennia terugblikkend zullen kunnen weten.
Laat de wereld maar vergaan. Wees in de wereld maar niet van de wereld, zei Osho. Of de wereld nu vergaat of niet vergaat: maakt het wat uit? Het belangrijkste is dat we zelf niet vergaan, erbij blijven, alert in vol bewustzijn. Net als bij sterven. Pas dan kan je zeggen dat je jezelf hebt gevonden. Voor zover je nog van ‘zelf’ kunt spreken. Te zijn én niet te zijn, dat is het antwoord!
Gepost in Maatschappij en politiek, Spiritualiteit, Uit mijn leven
3 reacties »
15 december 2012
Gisteren met Vriend beland in Leiden voor de Huizinga-lezing in de Pieterskerk. Maar daarvoor hadden we natuurlijk weer lekker in het ooit door Robbie aanbevolen Donatello’s in de Haarlemmerstraat gegeten: de pizza was niet te heet en niet te koud, niet te hard en niet te zacht, met lekker knapperige randen. Echt aan te bevelen. Met wat lambrusco in mijn grieperige hoofd wandelden we door het regenachtige donkere universiteitsstadje. In de Breestraat bijna overreden door een fietser op de stoep, in de Mooi Japiksteeg bijna gestruikeld over massa’s fietsen die over de stoep verspreid lagen. In de kerk speelde een strijkkwartet en brandden er echte kaarsjes rond de pilaren – alles zoals het hoort. De eerste zeven rijen waren gereserveerd, maar die waren maar voor de helft gevuld. Wat wel handig is als je op de achtste rij zit, zoals wij. Het lijkt erop dat zelfs deze kerk het bezit is van de Universiteit van Leiden, die samen met NRC Handelsblad en de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde jaarlijks deze Huizinga-lezing organiseert, die een eerbetoon is aan cultuurfilosoof Johan Huizinga (1872-1945). Van hem heb ik nog steeds het dikke boek Herfsttij der Middeleeuwen in de kast staan. Nog ongelezen omdat het door mijn moeder teveel was aanbevolen.
Deze 41e Huizinga-lezing werd uitgesproken door de Belgische socioloog en schrijver Geert van Istendael, die daarmee in het voetspoor trad van beroemdheden als Rudy Kousbroek, Jan Pen, Noam Chomsky, Karel van het Reve, Renate Rubinstein, Harry Mulisch, Peter Schat en Gerrit Komrij. De tekst ervan lag al als een blauw of groen boekje (in die kleuren ben ik soms een beetje blind) op onze stoeltjes, maar het aanhoren van een verhaal is heel iets anders dan het lezen ervan zodat we toch maar bleven zitten. Niet onterecht, want passie en intonatie verschuiven op papier al snel naar de achtergrond. Sint-Precarius! Niemand kent hem en toch leven de meesten van ons in zijn parochie. Wie is deze heilige? Van Istendael neemt ons mee naar zijn onzichtbare werkgebieden in Europa en opent onze ogen voor de ‘parochie zonder hoop’. Eén van de betekenissen van ‘precarius’ is: ‘door bidden en smeken verkregen’ en de kernstelling van zijn toespraak is: ‘De financiële en economische crisis die nu al vier jaar Europa teistert, wordt gebruikt om de grondslagen van de Europese beschaving te vernietigen. De verzorgingsstaat. De democratie.’ Minder niet. Want sneller dan die na de Tweede Wereldoorlog is opgebouwd, wordt die de laatste jaren afgebroken. We moeten steeds meer tevreden zijn met minder. Wat vooral geldt voor jonge mensen die op de drempel van het grote leven staan: ‘Hun toekomst is dood.’
Waar ken ik dat van? Het woord ‘neoliberalisme’ is niet uit de mond van Van Istendael gekomen, maar ik had wel al namen als Ayn Rand en Milton Friedman in de lijst van geraadpleegde literatuur zien staan. En vertelde Hans Achterhuis ook niet al dat dit radicale kapitalisme als doel had de samenleving totaal af te breken? Niets nieuws voor mij dus, maar wel in heel andere woorden. Van Istendael zegt: ‘Iedere dag vreest de burger meer dat de economische, financiële en existentiële crisis die Europa door elkaar schudt, ontaardt in een totale chaos. Tevergeefs probeert het officiële Europa zich los te worstelen. Het einde van de crisis ligt nu wel zeker in het verschiet, zeggen Draghi, Barroso van Van Rompuy. In het verschiet ligt alleen de volgende jobstijding. De financiële markten houden Europa in een ijzeren wurggreep.’ Ik zou het de wurggreep van de Angst noemen. Waarin we klein en hopeloos worden gehouden.
We kunnen heel negatief doen over Europa: ‘De schitterendste steden hebben wij verwoest, hele volkeren hebben wij uitgemoord, wij Europeanen, wij die predikten dat wij de beschaving brachten naar de vier windstreken. De verwoesting van Tenochtitlan. De Hollandse slavenschepen. De afgehakte handen van de Congolezen. Auschwitz. Dat alles is Europa. Maar Europa, dat is ook Jan van Eyck, Rembrandt, Picasso. Europa, dat is ook Bach, Mozart, Mahler. Europa, dat is ook Homerus, Dante, Cervantes, Stendhal. De Piazza del Campo in Siena, de Grote Markt in Brussel.’ En: ‘De sociale zekerheid zoals België, Zweden, Frankrijk, Nederland en tot voor korte tijd ook Duitsland haar sinds de negentiende eeuw en vooral in de jaren na 1945 hebben geconstrueerd, moeten wij zonder voorbehoud een kroonjuweel van de Europese beschaving noemen.’ En: ‘De financiële markten zijn ten diepste onethisch. Niet amoreel, immoreel.’
‘Zijn Grieken en Spanjaarden soms geen broeders en zusters binnen een van onze poorten?’ vraagt Van Istendael zich af, waarna hij ons herinnert aan de goede Bijbelse gewoonte om op gegeven moment schulden kwijt te schelden, waarnaar ook de eerste regel van het zesde couplet van de Ode an die Freude, beroemd van Beethovens Negende Symfonie, verwijst: ‘Unser Schuldbuch sei vernichted!’ Solidariteit heeft plaatsgemaakt voor zelfverrijking: ‘Het enige wat waarde heeft is dus het maximale voordeel nastreven voor jezelf. Het enige wat écht telt, is zelfzucht, want rationaliteit is altijd egoïstisch, zo niet is het geen rationaliteit. Daarbij hoor je keer op keer spreken over dé realiteit, wat dan betekent dat de economische realiteit de enige is,’ en dat is iets waarvan ons taalgebruik doortrokken is, zoals bij het veel gehoorde ‘investeren in een relatie.’ Maar Van Istendael laat ons de échte realiteit zien: ‘De barbaren staan niet voor de poorten. De barbaren zitten binnen onze wallen.’ En dat deze ‘hogere geestelijkheid van de Sint-Precariusparochie’ nog altijd op vrije voeten rondloopt is wat mij het meest verwondert.
De lezing wordt besloten met Lao Tse: ‘Geen zonde is groter dan te veel willen hebben. Geen fout geeft meer verdriet dan te willen winnen. Geen ramp is erger dan niet van ophouden weten.’ Terugwandelend naar het station, af en toe wakkerschrikkend van fietsers zonder licht, ben ik ondanks dit niet al te rooskelurige verhaal niet depressief. Integendeel. Het doet me goed dat dit soort geluiden steeds vaker te horen zijn. Wat bewijst dat de muren van de Sint-Precariusparochie toch scheurtjes beginnen te vertonen.
Gepost in Maatschappij en politiek, Uit mijn leven
1 reactie »
5 december 2012
Vooral de laatste tijd horen we er weer veel over. Over hoe onze belastingcenten op een indirecte manier gestolen worden, nadat ze omgesmolten zijn tot bonussen en andere extraatjes voor bestuurders en bazen in de publieke sector. Nu Amarantis weer, terwijl we nog maar net bijgekomen zijn van de praktijken van Hooijmaijers en Van Rey. Opvallend is dat bij dit soort gegraai veel VVD’ers zijn betrokken – daar zou ik wel eens een onderzoekje aan willen wagen. Want laten we eerlijk zijn: ook zelfverrijking hoort bij het neoliberalisme en de liberalen hebben deze leer van het heil van de zelfzucht de afgelopen decennia maar al te graag omarmd. Dan moet je niet klagen als je nu met de gebakken peren zit.
‘Alleen als die kei- en keihard is!’ Dat kun je nu wel stoer roepen over de aanpak van deze diefstal, maar dat zijn loze woorden zolang je nog steeds kiest voor privatisering en opschaling, die dit soort criminaliteit alleen maar in de hand werken. Zelf heb ik best liberaal bloed door mijn aderen stromen, en wellicht zou ik juist lid van de VVD moeten worden om het sociale geluid daar te versterken, voor zover dat aanwezig is. Hun autoritaire partijstructuur geeft me echter weinig vertrouwen, om niet te spreken van de betrouwbaarheid van haar verkiezingsbeloften. Hoeveel boter kan iemand op zijn hoofd hebben voordat het van hem afdruipt en hij over zijn eigen hypocrisie uitglijdt?
Aan de andere kant is grabbelen en graaien heel gewoon. Zeker met Sinterklaas, die volgens Toon Hermans een schijnheilige oneerlijke man is. Ja, de Sint is vast ook een neoliberaal, een autoritair type dat de facebookpagina’s van alle kinderen volgt om te kijken wie er allemaal in de zak mee moet naar het armlastige Spanje. Die zinspeelt op grabbellust en hebberigheid, koopt kinderen met cadeaus om opdat zij zich maar netjes en lief te blijven gedragen. Hij lijkt sociale trekjes te hebben omdat hij zoveel geschenken uitdeelt, maar omdat hij multimiljardair is merkt hij dat nauwelijks en glundert een vermetel ego onder zijn baard. Als hij echt van kinderen hield – wat overigens verboden schijnt te zijn – liet hij ze niet van die stomme liedjes zingen en verpestte hij niet hun taalgevoel met zijn gedichten.
Maar hebberigheid zit ook in onszelf. Voor de laagste prijs willen we naar het verste land reizen, en we pluizen folders uit om koopjes te vinden. Zolang reclames ons hypnotiseren zal de markt ons blijven overheersen. Bonussen, gratificaties, dertiende maanden, kerstpakketten en winstdelingen waren ooit bedoeld als beloning voor goed werk, als extraatje, maar we zijn ze vanzelfsprekend gaan vinden, iets waarop we automatisch recht hebben, zelfs als we ons werk slecht doen. De grote graaiers zijn niets anders dan een opgeblazen afspiegeling van een volksmentaliteit, die we wellicht daarom ook niet ‘keihard’ durven aan te pakken, met als gevolg dat deze veroorzakers van de crisis nog steeds schaamteloos op vrije voeten rondlopen.
Grabbelen en graaien is wat mij betreft oké binnen de private sector, daar gaan ze hun gang maar. Maar graaiers moeten wel van het publieke veld worden afgeschopt, en wellicht aangeklaagd voor misdaden tegen de menselijkheid. Het gaat immers om ‘andere onmenselijke daden van een gelijkaardig karakter die opzettelijk groot lijden of aanzienlijk schade aan het lichaam, aan de geestelijke of fysieke gezondheid toebrengen.’ Als Sinterklaas een echte vent was, dan stopte hij hen allemaal in de zak en liet hij Piet hen allemaal eens flink met de roe geven. Dan zingen ze een pepernootje lager! En dat zou ook enig voor de kinderen zijn! Ook omdat hun toekomst er dan wat rooskleuriger uitziet. Een écht Sinterklaasfeest! Dat mag met chocoladeletters in de krant!
Gepost in Maatschappij en politiek
1 reactie »
28 november 2012
Sinds een maand of twee ontvang ik regelmatig post van Juri. Tot en met vandaag acht dikke brieven, met een totaalgewicht van 311 gram. Gericht aan ‘Redactie De Kaarsvlam’ met poststempel Nieuwegein. Ik word aangesproken met ‘Beste Satyamo’ en ‘Beste Waarheid’. Uit de inhoud van zijn epistels begrijp ik dat hij mijn blogs volgt, want hij refereert onder andere aan De vrije slavenmarkt van 18 oktober en De invlezing van 4 juli op de site van de Koorddanser. Maar verder weet ik niets van hem, en dat staat me toch een beetje tegen. Eerlijk gezegd huiver ik al een beetje om enveloppen te openen waarop geen afzender staat, net zoals het me tegenstaat om de telefoon op te nemen als de nummermelder zwijgt – zoiets is voor mijn gevoel toch een beetje laf en verdacht. In zijn vijfde brief noemt hij zichzelf ‘een gewoon medeburger, zonder pretenties, die niets opheeft met publiciteit en daarom anoniem wil blijven.’
Echt ‘gewoon’ komt hij bij mij niet over. Gelukkig maar, want zelden kom ik betogen tegen die zo goed in foutloos Nederlands geschreven en degelijk onderbouwd zijn als die uit zijn brieven die meestal bestaan uit kopieën van brieven aan derden. Zoals Religie & Mystiek, Frontier Magazine, de Spirituele Krant, Bres, Paravisie en andere bladen en kranten die ik nooit lees. Maar ook aan onder andere Greenpeace, het Katholiek Nieuwsblad, de Volkskrant, Opinio, Koorddanser, de stichting Merkawah, Trouw en diverse omroepen. Nogal veel voor iemand die niets opheeft met publiciteit, maar het zijn wel uitstekende betogen. De andere anderhalf ons van zijn brieven bestaat uit citaten, keurig gegroepeerd en verantwoord per onderwerp, zoals beeldvorming (projectie), deconditionering, reïncarnatie, de ziel, maya, het ego, dienen, liefde, politiek, god en kerk, economische groei en dood en opstanding. Juri kent zijn klassieken, dat is duidelijk. Het meeste ervan klinkt mij bekend in de oren, hoewel ik moet bekennen dat de vaak aangehaalde J.G. Bennett op een gebrek in mijn ontwikkeling wijst.
Toch blijft het me bezighouden waarom Juri al deze post aan mij stuurt. ‘Heeft Maya alle informatie die ik u toezond afgedaan als onzin, of dringt iets ervan tot uw essentie door?’ schreef hij me eergisteren. Nou dat eerste is zeker niet het geval, Juri (ik neem aan dat je deze blog ook leest), maar het tweede kan ik moeilijk beantwoorden. Ja, omdat ‘iets’ zeker is doorgedrongen, en nee omdat het meeste niet nieuw voor me is en al veel eerder tot me was doorgedrongen. Zijn zevende brief noemt Juri ‘de ‘finishing touch’ in de hoop dat u uw communicatiemiddelen wilt inzetten om ideeën te verspreiden.’ Kortom: Juri wil iets van me, maar tegelijk zelf op de achtergrond blijven. Ja, dat zou ik ook wel willen. ‘Beste Satyamo, Wilt u zo vriendelijke zijn deze brieven door te sturen naar de door mij zeer gewaardeerde Jan Foudraine. Alvast bedankt,’ schreef hij bij zijn zesde brief. Ja hallo? Kan hij dat niet zelf? Dat ik hem hier en daar tegen het lijf ben gelopen zegt niet dat hij überhaupt weet wie ik ben.
De derde brief begint met een citaat van Jed McKenna uit zijn boek Spirituele Oorlogvoering (p. 279): ‘(…) ik verzeker je dat er maar één ding is waar je je best voor moet doen, en dat is de overgang naar Menselijke Volwassenheid. Daar begint het leven pas. De rest doet er niet toe. Een minder doel of een troostprijs is er niet. Hoeveel kennis, begrip of spirituele ervaringen je ook hebt, dat is allemaal van geen enkel belang zolang je nog vastzit in de Afgescheiden Staat. Zo simpel is het. Je hebt maar één doel, en dat is te zorgen dat je van de Afgescheiden Staat terecht komt in de Geïntegreerde Staat, te sterven aan het vlees en geboren worden in de geest.’ Al eerder schreef ik over de geheimzinnige en extreem non-dualistische Jed McKenna, zodat je zou kunnen zeggen dat ik een ‘fan’ van hem ben. Geheimzinnig, omdat niemand weet wie hij eigenlijk is, en ik garandeer dan ook niet dat hij het zelf is die achter bovengenoemde website schuilt. Wat heb ik toch met onzichtbare mensen? Daar is op zich niks mis mee, maar ik vind niet dat ze mij dan met hun klusjes moeten opschepen, zoals het verspreiden of doorsturen van hun ideeëngoed. Ik vind dat Juri prachtige collecties van relevante spirituele uitspraken maakt, maar ook dat hij die dan zelf beschikbaar moet maken, bijvoorbeeld via een website.
‘Zonder u te willen overladen met informatie, leek het me toch wenselijk uw al te optimistische kijk op het leven wat te temperen,’ las ik vandaag. ‘Het is begrijpelijk dat veel mensen zich vastklampen aan elke strohalm die de eindigheid ervan betwist, maar aan dode mussen hebben we niets.’ Kennelijk ben ik met mijn geloof in een onsterfelijke ziel een optimist, maar non-dualiteit staat volgens mij geen scheiding tussen sterfelijken en onsterfelijken toe, hooguit een gradueel verschil. Bijgevoegd zijn brieven en citaten waaruit blijkt dat Juri betwijfelt of iedereen zomaar een onsterfelijke ziel heeft, maar dat die in het leven verworven moet worden. ‘De mens heeft de mogelijkheid een onvergankelijk wezen te verwerven en een ‘waar ik’ te hebben,’ citeert hij J.G. Bennett. ‘maar het is niet meer dan dat: een mogelijkheid.’ Het vervelende met het idee dat ik er niet meer ben na mijn sterven is dat het me maar niet lukt daar een voorstelling van te krijgen, want in elk beeld plop ik zelf weer tevoorschijn. Gekoppeld aan mijn neiging dat ik moeilijk kan geloven in dingen die ik me niet kan voorstellen, raakt dit thema wel de kern. Onvoorstelbaar!
Net zoals ik nu constateer dat ik met deze blog toch op zijn minst een beetje aan Juri’s verzoek ‘om ideeën te verspreiden’ heb voldaan.
Gepost in Spiritualiteit
Geen reacties »
21 november 2012
Vanmorgen is ouwe makker en rakker Mik overleden. Vroeger deden we aan parapsychologie, dus wellicht hoor ik nog van hem ;-). Goeie reis, Mik!
Eind jaren zestig woonde mijn studie- en vakantiekameraad Sjoerd op een zolderkamer op Overtoom 184 in Amsterdam. Mik was zijn buurman, en zat in een hele andere wereld dan wij, die psychologie studeerden. Hij zat in het bankwezen, en runde later een bijkantoortje van de Rabobank in Buitenveldert, waar ik hem ook wel eens opzocht omdat het vlak bij Uilenstede was waar ik toen woonde. Met Mik had je lol. En niets was hem te dol. Net als ik zong hij graag liedjes terwijl hij zichzelf op de gitaar begeleidde. Hij zat ook in ons groepje dat zich met parapsychologie bezighield. Ik geloof niet dat hij hasj of weed rookte, dat was hem wellicht een bruggetje te ver, en bovendien had hij dat helemaal niet nodig. Na zijn werk bij de bank is hij zelfstandig verder gegaan als zzp’er zoals dat tegenwoordig heet. Deed een poos iets met effecten en gaf cursussen. Trouwde. Ging in Lelystad wonen toen dat alleen nog maar met de bus was te bereiken, zodat ik daar vaak heb overnacht. Kreeg kinderen. Adopteerde kinderen. Trouwde weer. En dat ging een tijdje zo door. ‘Vind je het erg dat ik het niet meer kon bijhouden?’ vroeg ik hem, toen ik hem twee weken geleden opzocht in Enschede. Een guitige lach was het antwoord.
Hij was geveld door MDS, het myelodysplastisch syndroom waarbij bloedcellen voortijdig worden vernietigd, en had bovendien last van een longfibrose: ziektes die je zomaar zonder oorzaak vanuit het niets overvallen, en dat vond hij niet eerlijk. Het enige dat hij kon doen was in bed liggen omdat hij nergens meer energie voor had. Toch was hij heel wakker, met nog steeds de oude guitige humor van vroeger. Hij was heel blij dat ik kwam, want we hadden elkaar al jaren niet meer gezien. Via Facebook wist ik wel dat hij met vervelende ziektes te kampen had, maar het was zijn zoon die via dat medium contact met me opnam en vertelde dat het erg slecht met Mik ging. En dat zijn vader mij, als oude ‘jeugdvriend’, heel graag nog eens zou zien, maar het toch moeilijk vond om dat zelf te vragen. Toen ik naast zijn bed zat was ik op een onbeschrijfelijke manier heel dicht bij hem, alsof we samen in een soort astrale bol in dat kleine kamertje zaten. Veel vrienden zie je soms jaren, zo niet decennia niet, maar zodra je dan weer bij elkaar bent is de vriendschap en de intimiteit daarvan alsof je elkaar gisteren nog hebt gezien. Je bent samen op bekend terrein en hij kon mij dingen vertellen die hij niemand anders kon vertellen Zei hij.
De afgelopen dagen heb ik veel aan Mik gedacht, en vanmiddag heb ik weer de cd beluisterd die hij me gaf toen ik mijn vijftigste verjaardag vierde in de Bombay Inn in Amsterdam. Hij was gek op de liedjes die ik maakte, vooral de soms smartlapperige Nederlandse liedjes zoals Ik wil je versieren, Oh ouwe dealer, Drinklied 198, In dienst en Pakkuteffe, waarvan het laatste geïnspireerd was op wat zijn eerste vrouw eens riep. Maar behalve die liedjes vond ik ook de Wortelcantate terug, eind jaren zestig op een late diepe nacht met een cassetterecordertje opgenomen op zijn kamer, met Sjoerd erbij. Mik had het vaak over die Wortelcantate, die kennelijk iets heel dierbaars voor hem betekende. Niet dat daar gezongen wordt, evenmin als op Revolution 9 van The Beatles, want we zitten alleen maar gekke geluiden te maken zoals die van het knauwen op worteltjes die ik maar heel ordinair, ‘square’ vind, square roots dus. Nee, we zaten geloof ik niet onder de stuff, wat niemand zou geloven als hij dit zou beluisteren. Een tikkeltje maf waren we, maar leuk maf. Hoe lang kan je de letter A uit je keel krijgen? Of gewoon een boer laten? Of geluidjes van de Cloud song van de United States of America nadoen? Regelmatig afgewisseld met dat van voorbij scheurende motoren omdat we net de film Easy rider hebben gezien? ‘We worden nooit meer oud!’ roep ik, met het lot van de vrijgevochten easy riders in gedachten.
Nee, Mik is niet oud geworden. Nu zou hij dat ook nooit geworden zijn, want een rebelse jeugdigheid zou hij nooit hebben verloren, hou oud hij ook geworden zou zijn. Huisjes, boompjes en beestjes waren niet echt aan hem besteed. Sommige mensen blijven lekker eigenwijs en compromisloos tegen de klippen op zichzelf en daarmee altijd een lichtpuntje in het leven en de herinnering van anderen. Ook van mij. Dank je Mik, je bent in mijn hart. En de tweet waarmee ik dit verhaal begon vind je best wel leuk, dat weet ik zeker!
Gepost in Uit mijn leven
2 reacties »
17 november 2012
Ik heb al te vaak het einde van de wereld meegemaakt om er nog echt in te geloven. Wellicht zullen alternatievelingen al aan het verzinnen zijn wanneer – na de mislukking van 2012 – de volgende keer de wereld zal vergaan, welke datum de eer mag hebben om toch nog uiteindelijk echt definitief het einde van de wereld te markeren. Aan de andere kant blijft het een boeiende vraag waarom men bepaalde tijdstippen kiest om de wereld te laten vergaan, en niet andere dagen waar wellicht evenveel argumenten voor te vinden zijn. Misschien voelde men intuïtief aan dat er in december 2012 iets bijzonders aan de hand gaat zijn, en rolde men er snel een kapstok in de vorm van een Mayakalender bij om het concreet en geloofwaardig te maken. Want laat ik eerlijk zijn: zaken als oorlog, economie en milieu lijken om meer aandacht dan ooit te vragen, en de limiet van de deze steeds snellere ontwikkelingen lijkt ook eind volgende maand bereikt te zijn.
Reden genoeg om weer eens naar de sterren te kijken. Dan zien we Saturnus in de Schorpioen. Welkom Saturnus, zet hem op! Schorpioen gaat over het bezit van anderen en Saturnus gaat daar het een en ander eens stevig rechtzetten. Ja, ik ben me ervan bewust hier een beginnersfout te maken, want we leren immers dat tekens de planeten kleuren, en dat huizen het werkgebied van die planeten aangeven. Ik zou dus hooguit mogen zeggen dat Saturnus extra ‘scorpionisch’ diepgaand en meedogenloos te werk gaat. Maar omdat een ieder toch graag de terreinen opzoekt waar hij zijn kwaliteiten het beste kwijt kan, is het niet zo verwonderlijk dat Saturnus zich richt op het werkgebied dat bij hem hoort, het met Schorpioen samenhangende achtste huis van zaken als dood, transformatie, diepe seks en het bezit van anderen. Dat krijgt allemaal zware klappen te verduren. Vanaf 5 oktober 2012 tot 23 december 2014, en zomer 2015 komt Saturnus ook nog even om de hoek kijken om te checken of alles nog mooi opgeruimd is.
Maar dit is nog niet alles, want tegelijk staat de radicaal transformerende Pluto in Steenbok. Ook jij heel erg welkom, Pluto! In de Steenbok gaat deze planeet graag ‘saturnaal’ te werk en zal hij graag de werkgebieden opzoeken waar hij zijn strengheid het beste kwijt kan: het met Steenbok samenhangende tiende huis, zeg maar de sociaalmaatschappelijke status van de wereld. Nu kwam Pluto in het voorjaar van 2008 al even een kijkje in dit teken nemen, maar van 27 november 2008 tot 23 maart 2023, om daarna ook nog een paar keer te komen checken of de vogel Feniks wel echt verbrand en uit zijn eigen as herrezen is. De ‘malefics’ Saturnus en Pluto werken dus goed samen deze jaren, en dat kom ook omdat ze in elkaars teken staan: Saturnus in de Schorpioen die bij Pluto hoort, en Pluto in de Steenbok die bij Saturnus hoort. In de astrologie heet zoiets een ‘wederzijdse receptie’. Een pittige receptie wordt dat dus, heel anders dan we gewend zijn.
Astrologisch gezien weet ik geen betere stand van de sterren te bedenken om het vuil van de wereld op te ruimen. Inmiddels staat Uranus in de Ram, begint de vernieuwer opnieuw. En staat Neptunus sinds 5 april 2011 in zijn eigen teken Vissen, wat wel eens een nieuwe spiritualiteit zou kunnen inleiden. Niet dat zoetige en kinderlijke gedoe dat er in het afgelopen Vissentijdperk van spiritualiteit is overgebeleven, maar iets heel nieuws. Waarin liefde, eenheid en verbondenheid geen sentimentele extatische dromen meer zijn, maar gewoon deel uitmaken van de nuchtere volwassen realiteit. Ja, daar ga ik op drinken.
Gepost in Astrologie
1 reactie »