De Commissaris

Date 17 oktober 2008

Gisteren kwam de Commissaris van de Koningin op werkbezoek in Oldegeppel. Op het laatste moment had ik me nog in mijn allerbeste pakje gehesen, en gelukkig wist ik weer hoe je een das moet strikken. Heel officieel allemaal. Eén onderdeel daarvan was een korte extra raadsvergadering waarin wij zelf gespreksonderwerpen konden inbrengen. Keurig gedekte tafel met koffie met gebak, waarbij het me de grootste moeite kostte om dat beschaafd op te eten. Want het staat zo gek om de Commissaris aan te spreken met slagroom aan mouwen en mond. Uiteindelijk heb ik toch een dik kwartier van zijn tijd geconsumeerd met vragen over het openbaar vervoer in de regio. Dat wordt in opdracht van de provincie door Connexxion verzorgd. En daarover ben ik niet altijd even tevreden, en ik heb niet de indruk dat daar serieus mee wordt omgesprongen. Er is één buslijn die het goed doet, maar zelfs die laat me 13 kilometer rijden om een hemelsbrede afstand van 7 kilometer af te leggen…

De Commissaris luisterde aandachtig en geduldig naar mijn vragen en opmerkingen. Over dienstregelingen die elk jaar weer overhoop worden gegooid tegen de tijd dat je eraan gewend bent. Over bussen die door zones rijden waar je niks te zoeken hebt, maar waardoor je wel langer onderweg bent en meer moet betalen: dat moeten taxichauffeurs niet flikken, want die worden meteen beboet, en waarom mag Connexxion dat wel? Gegrinnik in de zaal. En hoe zit dat met het aantal strippen: Connexxion stript in onze regio het aantal zones waardoor gereisd wordt, maar was niet afgesproken dat je voor het aantal aangrenzende zones moet betalen? Dat hele strippensysteem, daar begrijpen zelfs de buschauffeurs soms niks van, en is niet uit te leggen. Waarom niet laten betalen voor hemelsbreed afgelegde afstand, wat met behulp van GPS best mogelijk is? Ook bij de toekomstige OV-chipkaart? Bij dit laatste lichtten de ogen van de Commissaris wel even op, dat vond hij leuk bedacht! Maar zijn woorden overtuigden me niet dat hij er ook daadwerkelijk iets mee ging doen. Afijn, het idee is gelanceerd, dus wie weet waar het terechtkomt.

Natuurlijk had ik het ook over ontbrekende verbindingen en haltes. Niet alleen zoals het nu is, maar ook zoals het moet gaan worden. Want we krijgen hier Hoogwaardig Openbaar Vervoer, met als grote voorbeeld de Zuidtangent. Klinkt me iets te megalomaan als ik kijk naar de grootte van onze dorpjes en stadjes. Betonnen bakken waarin bussen razendsnel en hoogfrequent komen te rijden. Maar juist op plekken waar bomen moeten worden gekapt zodat de geluidsoverlast en het fijnstof niet alleen door de bussen zelf toeneemt, maar er ook meer overlast komt van de autoweg, die hier vlak achter de wijk en achter het toekomstige traject van de HOV loopt, en die ook nog verbreed gaat worden. Een snelle buslijn die echter niet stopt bij het aan te leggen business park in de Oldegeppelermeent. Tja, lichtte de Commissaris toe, volgens de prognoses zouden er daar te weinig mensen gebruik van gaan maken om daar een halte te realiseren.

Prognoses! Ik wees hem op de experimenten met een bus tussen mijn wijk Graasland en het oude dorp van Oldegeppel. Met bussen of busjes die zo weinig rijden en zo moeilijk te vinden zijn dat alleen daardoor er al niemand gebruik van maakt. En dan gaan ze de buslijn weer opheffen omdat toch niemand er gebruik van maakt. Self-fulfilling prophecies, liet ik de Commissaris weten. Die overigens volhield dat het openbaar vervoer hier in de afgelopen jaren ‘sterk’ is verbeterd. Ik kon niet anders dan hem verwonderd aankijken met de mededeling dat mijn ervaring, op één buslijn na, anders is. Ik beschouwde mezelf toch als een van de weinige ervaringsdeskundigen op deze bijeenkomst. Afijn, wat gezegd moest worden is gezegd en genotuleerd en ook mederaadsleden vonden dat ik leuk bezig was. Ik betwijfel of er wat mee zal gebeuren, maar ergens moeten eerste geluiden weerklinken. En nu maar verder in de vaart der volkeren. Straks in de HOV, met WiFi in de bussen zodat ik kan internetten. Jammer dat die straks zo snel rijdt dat ik nog aan het inloggen ben als ik mijn bestemming heb bereikt.

E-moties

Date 7 oktober 2008

Met een goed gevoel denk ik terug aan de vergaderingen van september. Wat mij betreft verliepen die perfect. Als voorbereiding op een meningvormende raadsvergadering hebben wij hier in Oldegeppel rondetafelgesprekken, waarin raadsleden zich alleen nog maar informeren over zaken die op de agenda staan, en nog niet geacht worden al een mening te ventileren. Het onderwerp was UMTS, want het college had hierover een beleidsnotitie opgesteld, waarin voor mij iets te gemakkelijk met plaatsing van masten werd omgegaan. Door StopUMTS had ik me goed laten voorlichten over diverse haken en ogen rond de bestrijding van elektrosmog, en op het gemeentehuis had ik de meeste stukken bestudeerd, dus ik kwam goed beslagen ten ijs op dat rondetafelgesprek. Als het even kan nodigt de griffier enkele deskundologen uit, hoc loco de GGD en het Antennebureau, waarbij de laatste het deze avond liet afweten.

Elektrosmog is nog altijd een onderwerp dat veel emoties doet oplaaien, zeker nu begin september het Europees Parlement aangaf strengere normen voor straling te willen. Is UMTS dan toch niet zo veilig als het ministerie en de Gezondheidsraad ons willen doen geloven? Het zogenaamde Zwitserse Onderzoek vertelt ons toch dat we niet bang hoeven te zijn voor de gevolgen van elektromagnetische straling? Maar als je leest wat die wetenschappers nou eigenlijk in dat onderzoek hebben gedaan, dan blijkt dat niet veel meer te zijn dan kijken of proefpersonen al dan niet onder invloed van straling op het juiste moment op het juiste knopje hebben gedrukt en zich al of niet lekker voelden. Meer niet. Dus niets maar dan ook niets over langetermijneffecten op de gezondheid.

Dat vertelde ik de arts van de GGD als inleiding op mijn vraag hoe men toch uit het Zwitserse onderzoek kon concluderen dat UMTS veilig is. Tja, daar had hij net een echt antwoord op. Men refereerde nu eenmaal veel aan dit onderzoek…
“Maar de Gezondheidsraad ook,” wierp ik tegen. “Terwijl die trouwens ook nog vragen stelt bij de statistische verwerking van dit onderzoek, dat bovendien voor 40% door de industrie is gefinancierd.”
“Met dat laatste heeft u een punt, daar moet je rekening mee houden. Maar toch is er niet één goed degelijk onderzoek dat heeft aangetoond dat UMTS schadelijk is!”
“En dit alles dan?” en ik begon met een papier te wapperen. “Is dit dan allemaal waardeloos? Zoals recente onderzoeken in China en Korea die schade aan DNA en chromosomen aantonen? Is dit dan allemaal onzin?”
“Al die onderzoeken zijn door het Kennisplatform Elektromagnetische Velden gecontroleerd,” verzekerde arts me. “En ze kunnen daaruit niet concluderen dat UMTS schadelijk is.”
“Nu u het zegt, u noemt dat Kennisplatform. Is dat niet die groep waarin een stuk of tien technici zitten en maar één medicus?”

Arts voelde zich niet echt aangesproken door al mijn argumenten, maar na afloop knoopte ik toch nog even een praatje met hem aan.
“Er zijn nu eenmaal dingen die je niet begrijpt, maar toch effect hebben. Net als met homeopathische middelen,” tartte ik hem. “Van een aantal ervan is toch bekend dat ze gewoon werken!?”
Hap! Er kennelijk van uitgaand dat mijn opleiding dat van een basisschool nauwelijks overtrof, begon hij zijn verhaal over verdunningen en aantallen moleculen, waarmee hij bewees dat homeopathie niet werkte omdat het niet kon werken. Ik sputterde nog wat tegen met de suggestie om eerst naar de feiten te kijken en daar dan verklaringen voor trachten te vinden, maar mijn woorden stierven langzaam weg in onbegrip.

Je mag geen mening geven tijdens zo’n rondetafelgesprek, maar door het stellen van bepaalde vragen vlamde die van mij ver boven stoelen en banken uit. Zodanig dat de meesten er iets mee gingen doen. Ik had gezaaid. En tijdens de meningvormende raadsvergadering oogstte ik. Zowel bij coalitie als oppositie, want inmiddels begonnen de meeste raadsleden zich zorgen te maken. Twee moties werden aangenomen, waarin het college gevraagd werd om ‘de mogelijkheden te benutten, die plaatsing van antennes pas na een zorgvuldige afweging mogelijk maken,’ zoals de griffier ze samenvatte. Zelf had ik helemaal niks meer te doen tijdens die vergadering. Heb zelfs helemaal geen woord gezegd over ‘mijn’ onderwerp, want dat was helemaal niet meer nodig. En daar genoot ik van. Soms bereik je een klein beetje en alle beetjes helpen. Beet!

Honddossier

Date 29 september 2008

Terwijl ik vanmiddag mijn straatje veegde bedacht ik plotseling dat er niet alleen een elektronisch kinddossier moet komen, maar ook een elektronisch honddossier. Elke hond in de computer! Wat hebben honden dat kinderen niet hebben waardoor ze daarvan vrijgesteld zouden zijn? Een kinddossier is al een hondse behandeling, zodat we met honden ook wel wat kinderlijk mogen omgaan. Vaak wordt dat al gedaan, want achter elk weggegooid stok hout aanrennen is niet iets dat je als volwassen gedrag zou kunnen bestempelen. Om maar niet te spreken van de velen voor wie de hond een zodanig kind aan huis is dat die als een volwaardig en menselijk familielid wordt beschouwd. Wat ook blijkt uit de vele namen die mensen aan honden geven. Want op welk woord je ook naar plaatjes zit te googlen, er zit altijd wel een foto van een hond tussen.

Ik moet wel toegeven dat honden menselijker zijn dan katten. Misschien dat ik daarom meer van katten hou. ‘Een hond vecht zich dood voor zijn baas,’ hoorde ik ooit iemand de hoogwaardigheid van de hond bepleiten. Precies! Zo stom zou een kat nou niet zijn! Er lopen veel katten hier in de buurt rond, tussen de huizen en in de tuinen. Vriend jaagt ze vaak weg omdat ze de boel vol pissen, maar zelf vind ik het wel gezellig zo. Zeker als ze ook nog krols gaan mauwen of je wakker wordt van gekrijs, geblaas en gesis – wat ze ook doen, ik blijf van ze houden. Het is tenminste nog geluid wat ze voorbrengen, en dat kun je van de klanken die uit honden komen toch nauwelijks zeggen. Dat is helemaal erg als ik fiets, zoals een paar weken geleden. En maar blaffen en maar blaffen en ik me maar inhouden om dat misbaksel geen trap terug te geven. Met zoals gebruikelijk een eigenaar ergens dertig meter verderop: ‘Hij doet niets hoor!’

Sodemieter toch op! Hou je hond aangelijnd zoals het moet! Zeker als die elke fietser aanblaft! Maar daar schijnen veel hondebezitters schijt aan te hebben en wat mij betreft is de grens nu toch wel bereikt. Het honddossier! Niet zozeer om ervoor te zorgen dat de baasjes hun weggelopen honden (geef ze ongelijk) kunnen terugvinden, maar om de overlast van hondepoep te bestrijden. Van elke hond, samen met de gegevens voor de hondenbelasting, het DNA in de computer. Drol op de stoep? Even een minuscuul monstertje nemen en dat analyseren, zodat je via de computerbestanden de weg naar de eigenaar kan vinden. Die je dan een drolletje van eigen hond kunt presenteren. Ik bedoel maar: de oplossing van veel problemen is veel simpeler dan je denkt. Ook als een hond je bijt zal hij ongetwijfeld DNA-sporen achterlaten, zodat je via het honddossier de baas makkelijk te pakken kunt krijgen en aansprakelijk kunt stellen.

Hieraan dacht ik dus toen ik mijn straatje veegde. Dat doe ik nu bijna elke dag, want het regent eikels in deze tijd van het jaar. En vandaag lag er een heuse hondendrol op de staatstenen. Ik begrijp niet waar ik me eigenlijk druk over maak: het is de zwartste dag op het Damrak sinds 1987, de bank- en kredietcrisis slaat om zich heen. En ik hou me bezig met honden, eikels en stront! Maar misschien gaat dat allemaal wel uiteindelijk om hetzelfde.

Hersenen

Date 26 september 2008

De boeken van Oliver Sacks zijn om van te smullen. Gelukkig dus dat ik de meeste van deze neuroloog nog niet eens gelezen heb! Maar ik heb wel de indrukwekkende film Awakenings in mijn boekenkast staan, een weergave van zijn Ontwaken in verbijstering. Daarin wordt een groep mensen, na decennia in een toestand van onbewustheid hebben verkeerd, door toediening van L-dopa wakker. En krijgen ze na een tijd te horen dat die medicatie te duur wordt en gestopt gaat worden, kortom: u gaat weer lekker slapen om nooit meer wakker te worden. Een minder bekend boek van hem is Migraine en nergens anders heb ik zo duidelijk over deze hoofdpijn en mogelijke bijverschijnselen horen vertellen dan bij hem.

Sacks benadert alles vanuit neurologisch perspectief en laat zien wat voor huiveringwekkends er allemaal kan gebeuren als de hersenen beschadigd worden, of anders gaan functioneren dan gebruikelijk is. Laat veel mensen aan het woord, luistert naar ze, en doet verslag van de bizarre werelden waarin ze terechtkomen als hun hersenen niet meer normaal werken. Soms is dat eng om te lezen, bijvoorbeeld hoe het leven is zonder herinneringen, gevangen in het hier en nu. Het lijkt misschien heel spiritueel op continu in het hier en nu te leven. Maar het beperkte hier en nu dat alleen het huidige moment bevat is toch iets totaal anders dan het hier en nu waar veel therapeuten en ontwaakten over spreken en dat volgens mij ook het hele verleden en de toekomst omvat.

Vriend had van zijn zus Oliver Sacks’ boek Musicofilia uit 2007 meegekregen, waarin het omgaan met muziek centraal staat. Op www.oliversacks.com zijn diverse filmpjes met gesproken fragmenten van dit boek te zien. En het blijkt dat de hersenen nog héél wat werk verrichten voordat de klanken in onze oren als muziek worden ervaren, en niet als het geluid van gerommel met bestek, pannen en deksels. Hebben sommige mensen gebreken met het waarnemen en beleven van muziek, anderen hebben juist begaafdheden op dat vlak, zoals een fenomenaal muzikaal geheugen en het moeiteloos analyseren en transponeren van muziek. Terloops wordt daarbij verondersteld dat bij deze savants het functioneren van de rechter hersenhelft daar een belangrijke rol in speelt. Het verschil tussen linker- en rechter hersenhelft wordt nogal eens badinerend ontkend, dus doet het goed om daar bij Sacks weer een bevestiging van te vinden. Opvallend vind ik dat tijd bij de dominerende linker hersenhelft hoort, en ruimte bij de rechterhelft. Maar ook woordspeligheid, en veel van die ervaringen en vaardigheden die ruimte geven schijnen bij die non-lineaire, meer associatieve rechter hersenhelft te horen.

Interessant is wat Sacks over synesthesie vertelt: het versmelten van ervaringen van verschillende zintuigen. Toonaarden en intervallen krijgen letterlijk kleur en smaak! Een grote terts smaakt zoet, een klein septiem bitter, D-groot is blauw en g-klein okerkleurig. Dat is onder andere mogelijk doordat onze zintuigen niet alleen door afferente zenuwen hun signalen aan de hersenen afgeven, maar ook via efferente zenuwen signalen van de hersenen ontvangen die hun waarneming beïnvloedt. Helaas ervaren niet alle synesthesisten alles op dezelfde manier, zodat er geen algemene klankkleuren lijken te bestaan. Wel is het waarschijnlijk dat we in onze eerste levensmaanden synesthetisch waarnemen, waarna dit verdwijnt door het zich ontwikkelende onderscheidingsvermogen, waarbij het neurale verkeer tussen hersengebieden die bij verschillende zintuigen horen wordt beperkt. Zo groeien onze hersenen uit de wereld van de oorspronkelijke eenheid in die van de aangeleerde veelheid.

Het blijft wel een raar idee dat bewustzijn, waarneming en herinnering producten van de hersenen en zintuigen lijken te zijn. En hoewel ik zonder meer lichtflitsen zie als ik mijn hoofd stoot, blijft de vraag onbeantwoord wie of wat die lichtflitsen ziet. Zo beleefde ik eens heel sterk – wellicht had ik wat gerookt – dat ik als een kleine homunculus in mijn eigen schedel zat te kijken naar twee beeldschermen, de gaten van mijn ogen. En vandaag de dag zeg ik nog: “Mijn oren zijn misschien niet zo best meer, maar ik hoor nog uitstekend!” Vooral na het lezen van het boek Eindeloos bewustzijn van Pim van Lommel geloof ik steeds meer dat hersenen een beperkend effect hebben op het bewustzijn. En ook op de waarneming, waarin oorspronkelijk alles één lijkt geweest te zijn. En ook op het geheugen, dat zonder die hersenen wellicht in een al-tijd leeft. Geen wonder dat we naar zoiets terugverlangen, want wie verlangt niet naar de kleur en de smaak van muziek en naar de tijdloze wereld waarover ze zo vaak vertelt?

Virtuele identiteit

Date 20 september 2008

Donderdag in Amsterdam een symposium bijgewoond over Identiteit in virtuele werelden. Georganiseerd door niet minder dan de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen. Er waren zo’n 200 deelnemers – en zo te zien niet de meest domme – die zich allemaal in hun eigen vakgebied of interesse bezighielden met de virtuele werelden waarin veel jongeren graag vertoeven. Sprekers waren hoogleraar filosofie Jos de Mul, onderzoeker en rechtstheoreticus Mireille Hildebrandt, hoofddocent recht en technologie Ronald Leenes, dichter en polemist Ilja Leonard Pfeijffer en activiste, publiciste en feministe Karin Spaink. Aan de lijst van deelnemers te zien kwamen die uit alle hoeken van het land opdagen, waaronder veel studenten, universitaire docenten en onderzoekers. En Liek Schoeren, die in haar prachtige weblog Gluren op het web verslag van dit symposium doet, inclusief illustraties en filmpjes. Zeker een bezoek waard!

In communities zoals Hyves en Facebook maken deelnemers een eigen identiteit in de vorm van een profiel. Naast wat basisgegevens over jezelf kan je van alles op je eigen pagina zetten, zoals wat je hobby’s, je favoriete muziek en filmpjes zijn. En dan maar anderen vragen om vriendjes te worden, zodat er uiteindelijk een heel netwerk ontstaat waarin je bijvoorbeeld naar de vrienden van je vrienden kan gaan. Maar waarin helaas ook de commercie kan toehappen, bijvoorbeeld door al je vrienden op de hoogte te stellen van wat jij bij een internetwinkel hebt gekocht. En dan zijn we bij de keerzijde van deze identiteit.

Want maar al te gemakkelijk zet men willens en wetens zijn hele hebben en houwen op het internet. En probeer het dan maar weer eens daar weg te krijgen! Want reken maar dat intelligente computers heel slim zijn. Een anonieme foto van jezelf met een bekende bergtop op de achtergrond en een andere foto van jezelf waar je naam bij staat worden al gauw aan elkaar gekoppeld door computers die beelden kunnen herkennen. De beste manier om je identiteit kwijt te raken is wellicht ervoor te zorgen dat deze ondergesneeuwd wordt door veel tegenstrijdige informatie, zodat je de computers in de war brengt.

Identiteit is big business. In Amerika is Facebook populair, in Nederland Hyves. In andere landen worden weer andere communities veel gebruikt, wat weer iets zegt over de identiteit van die landen. Deelname is altijd gratis. Althans dat denk je. Want intussen voed je vele databases, waarvoor de commercie graag goed geld betaalt, opdat ze je specifiek aan jou gerichte reclame kunnen sturen. En wat de overheid met dit alles doet zullen we maar in het midden laten. Je hoeft in een weblog alleen maar de naam Osama bin Laden te noemen om de voelsprieten van haar computers tot leven te brengen.

Maar er is ook nog zoiets als een reflexieve identiteit, die te maken heeft met de spirituele vraag: wie ben ik? Of: waarmee identificeer ik me? En dan komen we al snel in de wereld van Second Life – geen game, maar een play – waar iedereen zich een tweede identiteit aanmeet in de vorm van een avatar. Ook hier is de populariteit te danken aan de vrijheid die men heeft. Zoals jongeren aan de ogen van ouders, onderwijzers en andere goedbedoelende opvoeders ontsnappen met hun sms’jes en communities, zo is ook in de wereld van Second Life een ultieme vrijheid te vinden. Het is geen game dat een doel heeft, waar je een bepaald level moet halen, maar een play in een wereld die door alle avatars samen op eigen initiatief is ontstaan. Het lijkt eng als je de dichter Pfeijffer, die een leuk reisverslag over Second Life heeft geschreven, aan interviewster Karin Spaink hoort vertellen dat hij zich volledig identificeert met zijn avatar. Maar als we een goed boek lezen, zijn we toch ook even helemaal weg, in een andere wereld?

Nu is identiteit in veel spirituele kringen, zeker in die van advaita en Osho, bepaald niet iets waarop je zit te wachten. Eén persoonlijkheid is al erg genoeg! Maar het gekke is dat het aannemen van meerdere identiteiten ze juist flexibel maakt, en dat je daardoor je persoonlijkheid veel makkelijker kunt relativeren. Switchend tussen First en Second Life moet je steeds even nadenken en wakker worden in een andere wereld en je afvragen wie je bent. Zoals Ilja Pfeijffer er in het ‘echte’ leven even aan moet wennen dat de namen van de mensen niet meer boven hun hoofd zweven. Maar of het nou om identiteit in First Life of die in Second Life gaat: uiteindelijk is alle identiteit virtueel.

Ontspoord

Date 11 september 2008

In de nieuwe Spoor, ‘Exclusief voor abonnementhouders van NS’, juicht baas Aad Veenman over het toenemend zelfvertrouwen van zijn bedrijf. ‘Time is on my side,’ citeert hij de Rolling Stones. Want wij consumenten beoordelen de Nederlandse Spoorwegen steeds positiever en zelfs in het buitenland viel dit bedrijf vaak in de prijzen. Waarom herken ik zo weinig in dit verhaal? Omdat vroeger, ja vroeger… Het voordeel van ouder worden is dat je steeds meer verleden krijgt. Ik mag me gelukkig prijzen dat ik heb meegemaakt dat:

• er in de trein iemand langskwam bij wie je koffie en versnaperingen kon kopen,
• de treinen zo stipt op tijd reden dat het niet nodig was dit te verbeteren,
• je bij de conducteur een kaartje kon kopen zonder je blauw te betalen aan extra kosten,
• op de perrons en in de stationshallen veel banken waren waarop je even kon zitten,
• je een kaartje aan een loket kon kopen zonder daarvoor te hoeven bijbetalen,
• ook strippenkaarten bij het loket verkrijgbaar waren,
• je legaal door een station kon lopen om de wijk erachter sneller te bereiken,
• het mogelijk was om in speciale afdelingen te roken,
• kleinere stationsrestauraties ook buiten de spitsuren geopend waren,
• je vanuit de coupé kon zien op welk station de trein stond,
• je door de luidsprekers werd toegesproken door echte mensen,
• de dienstregelingen regelmatiger waren, want twee treinen per uur betekende nog dat er ieder half uur een trein vertrok,
• er in het spitsuur geen goederentreinen door de stations denderden,
• de omroeper excuses aanbood als hij zonder opgave van redenen aankondigde dat een trein niet zou rijden,
• je met een treintaxi naar huis kon als je, bijvoorbeeld door vertraging van de trein, de laatste bus had gemist,
• abonnementhouders niet hoefden bij te betalen voor hun gratis reisdagen.

En wat hebben we teruggekregen?

• stiltecoupés die een mooi initiatief zijn, maar waarvan weinigen die zich daar bevinden zich bewust zijn omdat het slecht is aangegeven,
• pafpalen: nu al de innovatie van de eeuw!
• reclame op buitenproportionele opdringerige plasmaschermen die irritant veel aandacht vragen. Mogen kennelijk wel van de minister van Volksgezondheid,
• hoge prijzen in de winkeltjes in stationshallen omdat die ondernemers anders de huur niet meer kunnen betalen,
• en last but not least: poortjes, die alle stationshallen ontsieren door al het gevoel van ruimte en bewegingsvrijheid weg te nemen. Vanwege die OV-chipkaart. Maar tegen de tijd dat die in werking treden zullen alle poortjes vervangen moeten worden, want dan zijn de mensen te dik geworden om erdoorheen te kunnen…

Maar laat ik ook iets positiefs melden!

• met de reisplanner kunnen we nu makkelijk een reis uitstippelen en zien of er vertragingen zijn te verwachten,
• we krijgen nu ook geld terug als de trein veel vertraging oploopt,
• steeds vaker kun je in de trein de aankomsttijden lezen op de eerstvolgende stations,
• door de aanwezigheid van hotspots kun je op stations internetten, waarbij het wel kinderachtig is dat je voor die dienst die NS vrijwel niets kost moet betalen.

De balans van dit alles? Dat NS er nog lang niet is, en dat het Time is on my side veel te vroeg gezongen wordt. Met uitzondering van hier en daar een conducteur die zijn best doet om er nog iets van te maken, wordt echte service nog nauwelijks verleend. Het gaat niet aan om boven een loket de tekst ‘Tickets en service’ te laten oplichten terwijl je extra moet betalen om een kaartje te mogen kopen. NS is nog steeds ontspoord en er moet nog veel gebeuren! Teveel nadruk op commercie en winst is uiteindelijk de slechtste reclame die een bedrijf zich permitteren kan.

Vrijwilligers

Date 5 september 2008

Het echte werk wordt steeds meer door vrijwilligers gedaan. Mantelzorg, de vrijwillige brandweer, mensen die knokken voor een goed doel, noem maar op. En nu lees ik dat zelfs de Nationale Reserve een onmisbaar onderdeel van het legerbedrijf is geworden. Grappig, dat iets cruciaals als onze veiligheid aan vrijwilligers wordt overgelaten, dat we daar met al ons marktdenken onvoldoende middelen voor beschikbaar stellen.

Indertijd ben ik jaren actief geweest in een bewonersvereniging van mijn flat in de Bijlmermeer. Later kon ik het niet laten om jaren in de Bhagwan-commune allerlei klussen te doen. Misschien dat dat allemaal kwam omdat ik van een uitkering leefde, want dan ga je bijna vanzelfsprekend dingen doen die je echt leuk vindt, waardoor ze echt bezield zijn door enthousiasme en inzet. Pas als je vrij bent wil je wat.

In dienst zijn bij een werkgever, die je steeds minder zekerheden wil of kan bieden, is in de praktijk vaak loonslavernij, wat blijkt uit het feit dat men steeds vaker naar meer vakanties verlangt. Zeker nu steeds vaker door managers in protocollen wordt voorgeschreven wat je van minuut tot minuut moet doen en elk eigen initiatief en creativiteit in de kiem wordt gesmoord. Mensen raken steeds meer verstikt door wantrouwen en eigenbelang van hun baas, de top, directie en graaiers. Echt ongezond, lijkt me. Als het even kan niet intrappen dus.

Betaalde arbeid kan nooit zoiets moois opleveren als dat van vrijwilligers. Omdat het laatste om niet gebeurt, uit liefde voor een medemens of vak. Vrijwilligers zijn de dragers van kunst en cultuur, het zout in de samenleving. Hoe hoog managers en politici mogen opgeven van het belang van onze economie, als  vrijwilligers óók marktgericht gingen denken of zelfs maar een paar dagen zouden staken, dan lag die hele heilige markt totaal plat. Dan wordt duidelijk wie het echte werk doen. Idee?

Ton Koopman

Date 31 augustus 2008

Cultuur bloeit in kunst en wetenschap, en de manier waarop we met deze bloemen omgaan zegt alles over ons niveau van beschaving. In Nederland krijgt cultuur niet zoveel kans om te bloeien. Als een tuinder prachtige exemplaren tussen zijn bloemen ontwaart zal hij hen koesteren, extra aandacht geven. Maar niet in ons land. Van linkerzijde wordt alles wat met zijn kop boven het maaiveld uitkomt als elitair bestempeld en liefst zo snel mogelijk platgemaakt, van rechterzijde worden hogere waarden aan hun lot overlaten aan een markt die per definitie niet verheffend kan zijn. Zo zorgen links en rechts er samen voor dat Voetbal en Veronica de Nederlandse cultuurdragers blijven, gespeend van enige intelligentie.

De subsidie van € 3,4 ton voor Ton Koopman en zijn Amsterdam Baroque Orchestra and Choir wordt door het Fonds voor de Podiumkosten ingetrokken. Dat wil immers “meer voor minder”, zoals ze in haar Algemene toelichting op adviezen en besluiten schrijft. “Daarnaast wogen niet-artistieke criteria zwaarder mee dan voorheen,” is in de toelichting ergens tussen in- en uitstroom, contexten en parameters te lezen, “waarbij de relatie tussen scheppen, produceren, programmeren en publiek het kader bood. Aandacht kreeg de diversiteit van het landschap, de spreiding, de omvang en diversiteit van publieksbereik (inclusief internationalisering), en cultureel ondernemerschap en bedrijfsvoering.” Kort samengevat: kunst als een product dat efficiënt in de markt moet worden gezet. Subsidie uitsluitend om kunstenaars te leren commercieel te werken, iets wat per definitie strijdig is met het beginsel van creativiteit, die immers alleen in vrijheid kan bloeien.

Niet voor de eerste keer wordt de crème de la crème van de Nederlandse muziekwereld op straat gezet. In de toelichting op het besluit om de subsidie voor Ton Koopman en zijn orkest en koor in te trekken kunnen we lezen dat één van de redenen daarvoor is dat ook anderen nu authentieke muziekuitvoeringen geven. Wat kennelijk een argument is om de initiatiefnemers daartoe een trap na te geven. Want het gaat natuurlijk niet aan om een subsidie in één klap in te trekken en niet netjes af te bouwen. Ook hier dringt zich weer het beeld op van de onbetrouwbare en alleen in marktwerking geïnteresseerde overheid. Het gebeurt immers onder verantwoording van minister Plasterk, aan wie een petitie wordt gestuurd die ik graag heb ondertekend. Roep die club tot de orde, minister!

Want hoewel hij wel eens uit de rails wil vliegen met zijn wellicht iets té bevlogen interpretaties en vertolkingen van klassieke barokmuziek, is Ton Koopman met zijn orkest en koor één van de weinigen die Bach en tijdgenoten tot ons brengt op een wijze zoals dat waarschijnlijk indertijd bedoeld was. Die in overgave alle kerkelijke cantates heeft uitgevoerd, zodat Vriend en ik elk jaar een rondje maakten van Anton Philipszaal via De Doelen en Vredenburg naar Concertgebouw, zo’n 16 zangstukken per jaar. Die het ook waagde om op een heel originele en gewaagde manier de Markus Passion te reconstrueren. Bij wie je ook repetities kon bijwonen en in wiens orkest ik de luitspeler zo’n leuke jongen vond. Die zo heerlijk driftig vanachter een kistorgeltje kon dirigeren en niet te beroerd was om zijn muziek onder het label Antoine Marchand te gaan verkopen. Afijn, luister zelf maar naar te downloaden mp3-bestanden en samples van wat hij met zijn orkest en koor allemaal heeft gepresteerd!

Ik vraag me af welke krachten er achter deze cultuurvernietiging zitten. Juist waar we de kans krijgen ons westerse wezen op de kaart te zetten, onze canon, gooien we ook hier onszelf weg voor een bedrag dat in geen verhouding staat tot het hierdoor aangerichte verlies van identiteit. Zoals R.E.M-zanger Michael Stipe weg wil uit Amerika als McCain wint, zo gaat Ton Koopman waarschijnlijk naar Frankrijk als hier niet wordt ingegrepen. En geef hem ongelijk. Want er is maar één ding te zeggen over deze wijze van omspringen met cultuur: schande!

Studentenstad

Date 23 augustus 2008

Vriend heeft me Groningen laten zien. Twee dagen hebben we lange wandelingen gemaakt door deze grote stad aan de andere kant van the middle of nowhere. Vroeger ben ik daar wel eens een paar uur vluchtig geweest, maar Vriend heeft er tussen 1962 en 1979 op verschillende adressen gewoond. Bij een hospita met wie hij vaak thee moest drinken, in een studentenflat die inmiddels afgebroken blijkt te zijn. Met zijn vriend in de rode buurt in het oosten van de stad, die bestaat uit zo’n twintig vier-onder-een kapwoningen van rode bakstenen en rode dakpannen, en in een pandje in het zuiden van de stad dat een vriend had gekocht en aan hen verhuurde. Vriend studeerde sterrenkunde, medicijnen en later muziek, zodat hij me veel kon laten zien van waar het wetenschappelijke en culturele leven in Groningen zich vroeger afspeelde.

Het centrum is heerlijk rustig, dankzij een verkeerscirculatieplan dat het verkeer ook echt doet circuleren, want je kan met de auto niet dwars door het centrum naar een andere aangrenzende wijk gaan. Dat voorrecht is aan de vele bussen voorbehouden. En aan de fietsers waarmee je in Groningen overspoeld wordt, ook omdat ze nergens zo veel over de stoep fietsen als hier. Het prachtig gerestaureerde Centraal Station van architect Gosschalk is helaas half verdwenen achter een half bovengrondse fietsenstalling, en het is godzonde dat ook door omliggende gebouwen dit monument veel te weinig tot zijn recht komt. Slim aangelegd is het moderne museum, in het water er schuin tegenover, waarmee fietsers een extra brug hebben. Vriend haat dat moderne museum, niet eens omdat het lelijk zou zijn, maar omdat het op de verkeerde plek staat. Zelf ben ik al blij dat het in pastelkleuren is geverfd, en ik geen migraineaanval krijg van de drukte en schreeuwerige aandacht die moderne gebouwen nogal eens willen uitstralen, alsof ze door reclamebureaus zijn ontworpen.

Studenten! Nergens in ons land lijkt een stad zo gedomineerd door studenten als hier. Je ziet natuurlijk ook nog wel andere mensen, maar het is duidelijk dat hier alles draait om het studerende volkje. Aan de Grote Markt heeft het corps kennelijk haar eigen gebouw, waarvan het balkonterras gevuld is met levendigheid van drinkende en rokende studenten in allerlei soorten kledij. Nostalgisch vertelt Vriend over hoe het studentenleven vroeger was, toen je toch echt geacht werd in pak naar college te gaan. We hebben door het aangrenzende Haren gewandeld waar de professoren woonden. We hebben oude gebouwen bekeken waarin hij college en practicum had, maar die inmiddels letterlijk in de schaduw vallen van overdonderende gebouwen van een gigantisch medisch complex dat zowat tien procent van de oppervlakte van de hele stad lijkt op te slorpen. En natuurlijk het fantastisch mooie hoofdgebouw van de Rijksuniversiteit aan de Broerstraat dat een weemoedig verlangen oproept naar de tijd waarin wetenschap nog zuiver was en studenten als de bloem der natie werden beschouwd. En diep in mijn hart vind ik nog steeds dat het zo hoort. Zoals in de Renaissance kunst en wetenschap door mecenassen werden gefinancierd, zou zouden we ook met studenten moeten omgaan die zich het beste ontplooien in vrijheid, los van commerciële banden en financiële verplichtingen.

Of ik zelf goed genoeg geweest zou zijn om aan zo´n echte universiteit toegelaten te worden, betwijfel ik. En natuurlijk liep het wel eens uit de hand, zie de prachtige serie Brideshead revisited. Maar dat hoort er allemaal bij. Sinds de democratisering van het onderwijs in de jaren zestig is het alleen maar erger geworden, zodat ik er geen spijt van heb dat ik me daar indertijd nooit zo voor heb ingezet. Toen was studeren nog leuk, en ik vraag me af of studenten anno 2008 nog evenveel van het leven genieten als in 1968. Opgejaagd door hoge kosten, ingepast in commerciële projecten word je als product op de Grote Markt gezet. Maar gelukkig kan je daar heerlijk bij De Drie Gezusters op het terras zitten genieten. En als je even in nostalgische weemoed wil zwelgen moet je daar ook eens binnen kijken, hoe mooi alles in art deco is ingericht. Studenten, ik hou van die wereld. Ja, mijn hart klopt wat elitair. Als die tijd van vroeger weer eens zou terugkomen… Dan wil ik graag nog een leven incarneren om dat mee te maken.

Morgen

Date 16 augustus 2008

Draai de hele tijd het lied Morgen, een gedicht van Mackay (1864-1933) dat door Richard Strauss op muziek is gezet. Elisabeth Schwarzkopf zingt op een cd waarop ook de Vier letzte Lieder en andere staan.

Und morgen wird die Sonne wieder scheinen,
und auf dem Wege, den ich gehen werde,
wird uns, die Glücklichen, sie wieder einen
inmitten dieser sonnenatmenden Erde…

Und zu dem Strand, dem weiten, wogenblauen,
werden wir still und langsam niedersteigen,
stumm werden wir uns in die Augen schauen,
und auf uns sinkt des Glückes stummes Schweigen…

Vriend heeft het een jaar geleden laten horen op een bijeenkomst in België. En eergisteren zaten we bij Robbie in de tuin bij de waterval, de bloemen en de bijenkorf, en weerklonk dat lied opeens weer in de zomerlucht. Het paste precies bij zijn gevoelens van verliefdheid en twijfel wegens een moeilijk bereikbare vriend. Hij is nog zo jong, Robbie, en zijn gevoelens zijn zo echt en zuiver. Als zogenaamde volwassenen kunnen we nog veel van jonge mensen leren. Van de tijd waarin Liefde alles is, en de enige oorzaak en het enige doel van het leven de Liefde is.

Wat is de zin van volwassen worden als je de Liefde ermee verliest? Is het leven iets waard zonder hoop, zonder vertrouwen waarover dit lied zingt? Is het leven iets waard als het niet bevrucht wordt door het onzichtbare mysterie van geloof, hoop en liefde? Getuigt dat wat wij levenservaring en -wijsheid noemen niet al te vaak van afstomping en vervlakking, verwording tot zombies die in de illusie leven dat ze leven?

Ik lees over advaita, hoe Douwe Tiemersma – indertijd hoofdredacteur van mijn lievelingsblad Inzicht – eind 1979 naar India werd gedreven, in precies dezelfde periode waarin Vriend en ik de aantrekkingskracht van Bhagwan niet konden weerstaan. Hoe hij door de straten van Bombay liep. Hoe hij Ramesh Balsakar ontmoette. Hoe in zijn ervaring van openheid en eenheid ook de dualiteit een eigen plek krijgt. Wat herken ik dit alles! Mijn wereld! Die herkenning doet energie in mijn hart stromen. Ergens vanuit mijn hart stijgt puur geluk op dat mijn lichaam doortintelt. Ik voel me jong.

Het maakt niet uit of het dertig jaar geleden was of pas morgen gebeuren zal: in het nu smelten verleden en toekomst samen. Het enige dat rest is dankbaarheid.