Geld

Date 13 juni 2012

Sommige mensen vinden dat ik een dromer ben, en inderdaad kan ik wel eens uit mijn ogen kijken alsof ik niet helemaal van deze wereld ben. En als mensen vooroordelen over me hebben, doe ik daar graag een schepje bovenop. Bijvoorbeeld door in virtuele werelden te duiken om vervolgens te verkondigen dat ze nog echt zijn ook. Dat zal wel mijn provocerende Watermankant zijn, die het regelmatig niet kan nalaten om dingen op zijn kop te zetten. In de jaren zestig liep het provoceren al op het Spui de gaten uit, en hoewel ik daar ter plekke nooit aan heb meegedaan had het wel mijn sympathie omdat je daarmee toch iets als waarheidsvinding uit de tent lokt. Wat was er verkeerd aan de ideeën van de Stichting Pro Lang Haar? Helemaal niets, zoals we vandaag de dag om ons heen kunnen zien. En laten we niet vergeten dat we zonder dromen wellicht nog steeds in de Middeleeuwen leefden, hoewel die waarschijnlijk lang niet zo duister zijn geweest als menig rationalist ons tegenwoordig wil doen geloven. Kortom: ik ben een dromer en geloof in dromen.

Maar sommige dromen gaan zelfs mij te ver. Neem nou de hele financiële crisis. Die zou nooit hebben bestaan als we tijdig beseft hadden dat de waarde van  geld op zich een collectieve droom is. Is het geloof in geld niet het toppunt van virtual reality? Toen we nog de gouden standaard hadden kon ik me er nog iets bij voorstellen, maar vandaag de dag is geld niets anders dan getallen in computers, en die kunnen daarom zomaar verdwijnen of verschijnen wanneer we dat maar willen of wanneer computer op hol slaat en dreigt de beurs te doen crashen. En dat is dan ook in royale mate gebeurd. Maar met zijn allen blijven we nog steeds geloven dat geld echt bestaat, terwijl zelfs Monopolygeld meer waard is omdat je dat tenminste nog in je handen moet hebben om er iets mee te kunnen doen. De oplossing van de crisis ligt dan ook heel erg voor de hand: schaf het geld af, bestempel het als een drug die verslavender is dan welke drug dan ook.

Als je echt je ogen open doet is er namelijk helemaal niets aan de hand, en is die hele crisis bedacht door mensen die ons angst willen aanjagen om zo macht over ons uit te oefenen. Laat iedereen gewoon doorgaan met de dingen te doen die hij doet, maar dan zonder geld. Doe je boodschappen, maar betaal er niet voor. De grootgrutter betaalt zijn facturen ook niet, facturen die natuurlijk wel gemaakt moeten worden, omdat ook die crediteuren gewoon blijven doen wat ze altijd deden, net als alle mensen op accountants- en belastingkantoren. Laten we collectief ons geloof in geld opzeggen, en alle financiële getallen zien voor wat ze werkelijk zijn: inkt op papier en pixels op een computerscherm. We gaan dus met zijn allen gewoon door met het leven zoals we dat gewend zijn, zonder opeens proletarisch te gaan winkelen en zo. Laten we wakker worden uit de droom dat geld echt iets voorstelt. En als we met zijn allen niet in staat zijn om geld te zien voor wat het is – niets namelijk – en we toch gaan plunderen en elkaar de hersens gaan inslaan, dan toont dat iets van onze ware aard die we tot nog toe achter de virtuele werkelijkheid van het geld verborgen hadden.

Nieuwe desktop

Date 8 juni 2012

De afgelopen weken ben ik druk bezig geweest met een nieuwe desktop in te richten. De vorige was inmiddels vijf jaar oud, dus die begon aardig retro te worden. De jongens van CompTech World.nl in Huizen hebben een nieuwe computer voor me gebouwd, en die bevalt me tot nog toe uitstekend. En het is een verademing dat computers niet altijd rammelkasten hoeven te zijn, want dank zij een Crucial SSD-disk, waarin de schijf is vervangen door flashgeheugen, start Windows 7 nu in 40 seconden op. Het is trouwens wel wennen als je Windows XP bent gewend, maar uiteindelijk vind ik dit besturingssysteem wat bediening betreft zo slecht nog niet. Net als Office 2010, hoewel het natuurlijk wel af en toe zoeken is in de diverse linten die je bovenin het beeld kunt toveren. Uiteraard is mijn grafische kaart, een AMD Radion HD 6670, veel sneller dan mijn vorige, wat onder andere mijn leven in Second Life minder schokkend en hakkelend maakt, ja, waardoor mijn hele digitale leven wat vloeiender en daardoor rustiger verloopt.

Het meeste werk was natuurlijk het overzetten van de software naar de nieuwe computer. Hier en daar heb ik nieuwe versies moeten kopen, zoals van het goede back-up-programma Acronis, dat eerst niet wilde installeren maar dat pijlsnel door chatten, telefoneren en gebruik van Teamviewer door een jongen van de helpdesk – uiteraard in India – in orde is gemaakt. Heel anders ging het bij de helpdesk van boekhoudsoftware King, waar men mij verzekerde dat mijn oude versie niet meer zou werken en ik dus voor zo’n kleine duizend euro moest investeren, terwijl Marcel en ik later uitvonden dat het probleem met een paar muisklikken op te lossen was. Niet echt reclame dus. Verder heb ik mijn favoriete e-mail archiefprogramma MailStore weer geïnstalleerd, waarmee ik al mijn 73.044 mails vanaf 2008 kan doorzoeken. Een mooi gelikt programma, en nog gratis ook, zodat ik niet begrijp waarom niet iedereen het gebruikt. Ook heb ik Abbyy FineReader aangeschaft, waarmee je teksten kan scannen om er bijvoorbeeld Word-documenten of doorzoekbare pdf’s van te maken.

Het is elke vijf jaar een heel gedoe, maar dwingt me wel tot een grote opruiming en reorganisatie van mijn computer. Welke programma’s gebruik ik eigenlijk nooit en installeer ik dus niet opnieuw? Hoe zet ik al mijn bestanden van verschillende soorten bij elkaar in overzichtelijke en makkelijk te vinden mappen? Tijdens al dit geïnstalleer had ik de nieuwe  computer met alleen een toetsenbord, beeldscherm en draadloos internet op de werktafel gezet, terwijl ik gewoon mijn oude vertrouwde bakkie bleef gebruiken. Tot het magische moment, een paar dagen geleden, waarop ik de computers verwisselde, waarmee de nieuwe nu ook met printers en geluid verbonden werd. En toen nog moest ik later toch nog een paar keer in de oude computer neuzen omdat ik wat bestanden, zoals een lettertype, had vergeten te kopiëren, of omdat bestanden verkreukeld waren overgekomen, zoals die van het mooie stamboomprogramma Aldfaer. En gelukkig blijken ook vrijwel alle oude DOS-programma’s, zij het binnen een venster, te blijven runnen, mede omdat ik voor de zekerheid er maar een 32-bitsversie van Windows in heb laten zetten.

Net als een auto vergt de digitale wereld onderhoud en af en toe wat investeringen van geld en moeite voor bijscholing. Maar de voordelen wegen er wel tegenop. Want of je nou wil e-mailen, dvd’s bekijken, bellen, publiceren, adresbestanden bijhouden, facebooken, horoscopen maken, fotoalbums samenstellen, plaatjes en films bewerken, boekhouden, de hele aarde kunnen bekijken, twitteren of op het internet surfen, dat was bijna allemaal niet mogelijk toen ik in 1980 de eerste computer, een TRS-80, onder mijn vingers had. Werken met een eenvoudige database, spreadsheet en tekstverwerker, wat simpele spelletjes doen of een correlatiecoëfficiënt berekenen (wel eerst zelf programmeren dan) en dat was het dan. Terwijl nu alle informatie pijlsnel binnen bereik is, communicatie bijna niets kost en het venster op de wereld heel goedkoop voor iedereen open staat. En niet alleen op deze wereld, maar ook op de zogenaamde virtuele werelden zoals Second Life waar het leven, ondanks de weinige aandacht van pers en media, steeds mooier en rijker wordt. En nu snel deze weblog publiceren, want daar ziet Robbie inmiddels naar me uit.

Bloemenregen

Date 27 mei 2012

Pinksteren is het feest van verlichting. Dat kan niet anders, want hoe moet ik anders de uitstorting van de Heilige Geest zien, het neerdalende inspirerende vuur waarmee de discipelen werden begiftigd? Het doet me denken aan Bhagwans prachtige verhaal over Boeddha’s discipel Subhuti, uit 1974, waarmee zijn boek …And the flowers showered begint. Dat heb ik vanmiddag in de tuin nog eens gelezen. Het is één van mijn lievelingsverhalen, misschien omdat het een van de eerste was die ik van Bhagwan las. Subhuti zat onder een boom en opeens werd hij door de goden geprezen om zijn toespraak over leegheid. Waarop hij zei dat hij helemaal niets had gezegd. ‘Jij hebt niets over leegheid verteld,’ antwoordden de goden. ‘Wij hebben geen leegheid gehoord. Dat is de ware leegheid.’ Waarop bloemen als regen over Subhuti neerdaalden.

Het lijkt een sprookjesachtig verhaal dat je vooral symbolisch moet opvatten, maar volgens Bhagwan is het juist heel concreet, mits je je zintuigen maar voor subtiele energieën openzet. En niet in de laatste plaats vertelt dit verhaal over de nondualiteit van het bestaan, want het gaat over het loslaten van het ego waarmee je je altijd van dat bestaan tracht te onderscheiden. Pas als je niet meer bestaat word je verlicht. En Subhuti was een nobody die zich altijd onopvallend ergens achterin de schare van Boeddha’s volgelingen bewoog. Juist voor die mensen, die zich niet meer onderscheiden en steeds meer willen, staat de poort naar verlichting wagenwijd open. Niemand kende hem en hij vond zichzelf volstrekt onbelangrijk – heel anders dan de vele schriftgeleerden die alle heilige teksten uit hun hoofd konden opdreunen maar juist daaraan een groot ego ontleenden dat hen in de weg stond naar die bevrijding.

Over wat leegheid is maakt Bhagwan onderscheid tussen negatieve en positieve leegheid. In het eerste geval is er sprake van frustratie, depressie, van regressie in plaats van groei. Bij positieve leegheid, wat een sublieme leegheid is, realiseer je je dat al je dromen nooit vervuld hadden kunnen worden. Het probleem ligt dan niet meer bij de dingen die je niet kan bereiken, maar bij het verlangen zélf, en dat laat je nu los. Dan komt verlichting, maar verlichting is geen ervaring en kan ook geen herinnering zijn, omdat er dan nog altijd sprake van dualiteit is. Het is altijd in het nu, het is ervaren. ‘Alle grenzen losten op. Het universum begon met hem te versmelten en hij versmolt in het universum.’ Maar zolang ik daar nog over droom als een romantisch sprookje dat eens werkelijkheid zal worden, ben ik nog niet wakker. Want als ik echt goed oplet blijkt de werkelijkheid een droom te zijn, en de droom werkelijkheid.

Winkelmandjes

Date 25 mei 2012

Straks ga ik boodschappen bij Albert Heijn doen. Biertjes halen en zo. Net te zwaar voor een winkelmandje, dus dat wordt een wagentje, ondanks het nieuwe alternatief dat er sinds enige tijd is: het winkelmandje op rolletjes. Maar ik durf niet zo’n mandje op wieltjes achter me aan te slepen. Alsof koffers en boodschappentassen op rolletjes al niet decadent genoeg zijn! Maar het kan kennelijk altijd nog zotter. Maar dat je je zo open en bloot laat kennen… Dat je niet eens meer in staat bent om een winkelmandje te drágen… Wie zijn nou de mietjes: zij of ik? Zo’n winkelmandje achter je aan zeulen zou ik zelf brutaal willen noemen. Net zoiets als heel openlijk De Telegraaf gaan zitten lezen. Ik zou het niet kunnen! Bovendien neem je met zo’n winkelmandje op plastic wieltjes (met daarin een pak keukenrollen) extra veel ruimte in, zodat de uitbreiding die onze Albert Heijn heeft ondergaan alweer teniet is gedaan. Of misschien wel juist bedoeld was om dit nieuwe speelgoed extra ruimte op de vloer te geven. Wat me wel verwondert is dat ik nog nooit over zo’n mandje ben gestruikeld.

Ja, je kan zo’n ding ook als gewoon winkelmandje gebruiken, maar dan blijft er nog een vervelend handvat uitsteken. Winkelmandjes zijn trouwens allemaal al veel te groot geworden de laatste jaren. Opdat we meer kopen natuurlijk. Maar ik wil helemaal niet meer kopen! Ook omdat ik diep in mijn hart al die consumptieve groei maar onzin vind. Bij onze C1000 hebben ze nu twee modellen mandjes: ouderwetse en nieuwerwetse, waarbij die laatste natuurlijk groter zijn. Dat betekent dus twee stapels mandjes bij de kassa’s (en regelmatig ook alléén bij de kassa’s). Voor zover je van stapels kunt spreken, want de helft van de klanten zet zijn winkelmandje schuin op het bovenste mandje, zodat een volgende klant dat weer recht mag zetten. Het zijn de kleine dingen waarin je de mensen leert kennen: bijvoorbeeld hoe ze hun winkelmandje neerzetten. Die stelling durf ik als psycholoog wel te verdedigen.

Vaak denk ik dat je helemaal geen tests en zo nodig hebt om iets over mensen te zeggen. Dat je ze vaak door kleine dingen leert kennen. Een auto met twee wielen op straat en twee wielen op het trottoir? Gewoon lafheid: wel overtreden maar toch niet helemaal. Telegraaflezer? Hufter. Zonnebril op? Iemand die zich niet wil laten kennen. Rood haar? Oppervlakkig, op uiterlijk gericht. Winkelwagentje voor zich uitrijdend bij de kassa? Man. Winkelwagentje achter zich aanslepend bij de kassa? Vrouw. En nu we toch weer in Albert Heijn terug zijn: ik ben ook zo ouderwets dat ik niet aan zelfscannen meedoe. Zijn ze nou helemaal? Hun werk voor nop aan mij uitbesteden! Maar misschien dat ik zelfscannend wat korting krijg? Dat zou ik eens moeten navragen. O ja: zelfscanners zijn types die slaafs met alle nieuwigheden meedoen. Of is dit allemaal te kort door de bocht? Maar dat kan best met zo’n winkelmandje, dat ligt goed op de weg. En wat die zelfscanners betreft: wat zou er gebeuren als klanten daarmee zichzelf gingen scannen?

Quisque sibi proximus

Date 14 mei 2012

Omdat ik een grote Bommelfan ben, verzamel ik opnieuw de avonturen van deze heer van stand, dit maal zoals de strips op ware grootte worden uitgegeven door De Bezige Bij. Deze uitgever was de eerste die de verhalen van Marten Toonder in boekjes publiceerde, en dat werden 46 pockets met meestal twee of drie verhalen, die tussen 1967 en 1989 het daglicht zagen. Ja, in herinner me nog dat het indertijd best gewaagd was om een stripverhaal uit te geven alsof het echte literatuur was. De plaatjes waren echter klein, net als in de later door dezelfde uitgever gebonden kleurige serie van 40 boekjes met elk één verhaal, die tussen 1994 en 1996 verschenen. Maar ook die collectie bevatte niet de volledige werken zoals die tussen 1990 en 2002 in leren banden en zeer zorgvuldig gedocumenteerd verschenen bij Uitgeverij Panda. En nu verschijnen dus alle verhalen in 60 deeltjes op krantenstripformaat, wat volgens mij het meest recht doet aan de oorspronkelijke werkelijkheid.

Vorige week verschenen drie nieuwe deeltjes met daarin het verhaal De liefdadiger uit 1964. De rode draad in dit verhaal is een versje dat begint met ‘Quisque sibi proximus’ waarmee je brekels kunt oproepen. In het begin weet nog niemand wat brekels eigenlijk zijn, maar heer Bommel weet er eentje op te roepen in het Savelbos onder de volle maan. Een keurig klein kereltje met bolhoed en een grote bril omdat hij eigenlijk niets ziet. Deze man, Lieven Brekel genaamd, roept altijd: ‘We blijven lachen!’ Enerzijds hangt hij de goeddoener uit met allemaal mis-uitvindingen zoals verpakkingen die je niet meer open kunt krijgen, maar anderzijds zorgt hij er ook voor dat heer Bommel letterlijk de klappen voor hem opvangt. ‘Dat is gemeen!’ roept Tom Poes. ‘Waarom stuurt u die woesteling naar heer Ollie?’ ‘Haha!’ lacht Brekel. ‘Nogal logisch! Anders zou hij míj hebben aangevallen, nietwaar? Haha. Stel je voor. Dan zou ik nu zo op de grond hebben gezeten. Nee hoor, ik blijf liever lachen. Trouwens, ieder is zichzelf het naast. Quisque sibi proximus. Zo is het toch? Haha!’

Wat een knappe typering van Mark Rutte die toen nog geboren moest worden! Want ook die lacht graag en gelooft nog steeds in de zegen van eigenbelang. Als dat niet zo was had de VVD wel afstand genomen van het zelfzuchtige neoliberalisme. Het gekke is dat ik al jaren het gevoel heb dat er iets is met zijn ogen, in de manier waarop hij kijkt. Alsof hij als brildrager toch nog een bril nodig heeft, zoiets. En dat kenmerkt ook Lieven Brekel. Wellicht symboliseert het slechte zicht van Brekel het gebrekkige inzicht in de consequenties van zijn geloof in zijn eigen hemd dat hem nader is dan zijn rok. Maar aan de andere kant vraag ik me af in hoeverre het Quisque sibi proximus niet eigenlijk ook voor mij geldt en wellicht zelfs een natuurwet is. Misschien is egoïsme zelfs noodzakelijk om te overleven. Zo eten we dieren, net als andere dieren, en eten we planten als we ons iets beschaafder gedragen. Maar we leven altijd ten koste van ander leven, van de natuur, hoe liefdevol, pacifistisch of alternatief we ook zijn. Rozenkruisers spreken zelfs heel somber van de ‘natuur des doods’…

Nou doen we meestal nogal moeilijk over de dood. We vinden het meestal heel erg, en slechts weinigen gaan feesten bij een begrafenis of crematie zoals sannyasins dat vaak doen. Terwijl het eigenlijk veel treuriger is dat iemand geboren wordt dan dat hij sterft, want elke incarnatie wijst er opnieuw op dat de reis nog niet is volbracht en er weer lijden te wachten staat, de verlichting nog niet gerealiseerd is. Rouwadvertenties bij geboorten en vrolijke kaarten bij sterfgevallen – ook dat had gekund. Als we wat minder moeilijk over sterven deden, hadden we misschien meer oog voor het zich vrijwillig offeren en was ook dat minder problematisch voor ons. Zoals het voor dieren misschien helemaal niet zo erg is om gedood en gegeten te worden – ik hoorde laatst iemand vertellen dat bij een dier de ziel snel uit het lichaam vlucht zelfs voordat het pijn kan voelen. Er is een tijd is om te eten en een tijd om gegeten te worden. Misschien dat ik daarom liever begraven wil worden, omdat ik bij crematie toch het gevoel blijf houden dat ik mijn lichaam aan de natuurlijke gang van zaken onttrek.

Het Quisque sibi proximus creëert een hel zolang dat ‘sibi’ er nog is, er nog zelven bestaan die niet doorhebben dat zij een organisch geheel vormen met al wat leeft en zich daarin verheugen. En dat lijkt de laatste decennia steeds minder het geval te zijn. Want steeds meer gaat het leven ten koste van anderen, die geacht worden zich op te offeren voor ego’s, decadentie en machtswellust van een steeds kleiner wordende onbevredigbare elite, die zo treffend is verwoord en verbeeld in Marten Toonders verhaal De bovenbazen. Maar als eten en gegeten worden met liefde en toewijding gebeurt, doen dieren er waarschijnlijk minder moeilijk over dan wij denken. Alles in de natuur houdt van elkaar, in welke betekenis dan ook. Is daar iets mis mee dan? Alleen als je zelfzuchtig bent en niet gegeten wil worden. Dan mag je ook niet eten, vind ik. Eerlijk is eerlijk!

Pim Fortuyn

Date 6 mei 2012

Wat heb ik gejankt op die dag, tien jaar geleden, toen Pim Fortuyn was vermoord! Alsof alle geloof, hoop en liefde in, op en voor een nieuwe politiek in één klap was weggevaagd, alsof een nieuwe bloem in de kiem was gesmoord. Alsof iets als ‘nieuwe politiek’ als een veel te gevaarlijke ontwikkeling bewust en misdadig met de grond gelijk was gemaakt, na een demonisering die door de ‘oude politiek’ was omhelsd. Ook velen die beter konden weten hebben er indertijd enthousiast aan meegewerkt door een sfeer te creëren waarin deze moord kon gebeuren, zoals NRC Handelsblad, Marcel van Dam, Paul Rosenmüller en de met tomaten gooiende SP. Zowel links als rechts was deze man met zijn verfrissende en guitige kijk op vernieuwing een doorn in het oog, en de wijze waarop het proces tegen de moordenaar achter de schermen gebeurde versterkt mijn vermoeden dat er nog steeds dingen zijn die we niet mogen weten, en die hopelijk toch eens boven water zullen komen.

Wat was er dan zo nieuw en verfrissend aan Pim Fortuyn? Wat was dan die ‘nieuwe politiek’? Openheid, eerlijkheid en transparantie waren de veel geproclameerde eigenschappen, die intussen zijn verwaterd tot vage visies en beleidslijnen, tot dekmantels van ‘oude politiek’. Meer dan ooit is de politiek tot een ondoordringbaar bolwerk geworden van leugen, bedrog en schijnheiligheid waar iedereen kan zien hoe sommigen de boel bewust zitten te belazeren, maar er geen vat op kan krijgen omdat ze zich, uit vlucht voor eigen verantwoordelijkheid, hebben ingedekt achter juridisch dichtgetimmerde wetten en regeltjes. Als je in de politiek duikt moet je wel een beetje in jezelf gecenterd zijn, want je maakt dingen mee waar de honden geen brood van lusten. Je wil gewoon niet weten wat ze allemaal achter de schermen uitspoken. En dat lijkt de afgelopen tien jaar alleen maar erger te zijn geworden.

Charisma is niet echt een eigenschap van politici. Maar dat had Fortuyn wél! En wellicht is charisma wel iets dat je uitstraalt als je zelf open, eerlijk en transparant bent. Dat je niet een rol gaat spelen, niet hypocriet bent, niet je ware aard verschuilt onder een schijnheilig jasje. Het volk doorziet dat meteen, voelt heel goed aan of iemand echt gewoon zichzelf is of de boel zit te belazeren. Dat kan je populistisch noemen, maar is de regering er uiteindelijk niet voor het volk? Pim kon vertellen over zijn homoseksuele avances en vrijpartijen, en het volk pikte dat en genoot er zelfs van. En ik moet er niet aan denken dat Balkenende toen met dat soort verhalen zou komen, want dan zou ik meteen straight worden. Pim was gewoon zichzelf, en is wat dat betreft een politiek unicum. Daarbij was hij in mijn ogen ook hoogbegaafd: hij schreef zelfs leesbare boeken die hij zelf heeft geschreven! Hij was humoristisch, nam hij geen blad voor de mond en was moeilijk in categorieën als ‘links’ of ‘rechts’ te pakken. Een van de weinige politici tegen wie je nooit ‘Doe eens normaal man!’ zou hoeven te roepen.

In Hilversum legde ik wat snel uit de tuin gegraaide bloemen neer op een herdenkingsplek. Drie dagen later – het was Hemelvaartsdag – was het afscheid nemen in de Laurentiuskerk in Rotterdam, na drieënhalf uur in rijen te hebben gestaan en geschuifeld, waar alle lagen van de bevolking aanwezig waren. Vlak voor ons legde een vader aan zijn zoon uit wat homoseksualiteit was, iets waar die jongen kennelijk nog nooit van had gehoord. Een korte groet aan zijn dode lichaam in de kerk. Daarna het condoleanceregister tekenen in het stadhuis aan de Coolsingel: ‘Lieve Pim, bedankt voor het feit dat je ons politiek hebt wakkergeschud. Ik hoop dat we wakker blijven. Een goede reis. Love.’ Maar ons land is politiek niet wakker gebleven. Zoveel als Pim tijdens zijn leven gehaat en gedemoniseerd was, zoveel meenden later zijn voetspoor te moeten claimen, zoals de xenofobe Geert Wilders die misschien wel slim is maar niet intelligent zoals Pim. Of vandaag de dag – gotspe – fractievoorzitter Stef Blok van de VVD die zich erfgenaam van Pim Fortuyn voelt na alle collaboratie met de PVV de afgelopen jaren.

Ja, ik heb ook op Pim gestemd tijdens de Tweede Kamerverkiezingen op 15 mei, waar de Lijst Pim Fortuyn meteen 26 zetels won, een zesde van het totaal aantal zetels. Natuurlijk is het onzinnig om op een dode te stemmen, maar ik vond dat ik dat toch moest doen. En het werd een rotzooitje, die LPF, door al die mensen die meenden dat ze de nieuwe Pim waren en zijn gedachtengoed het beste vertegenwoordigden. Maar daarmee waren ze nog geen Pim. Hij was een man om van te houden, en dat deed ik ook. En ik weet zeker dat ik niet de enige ben, tot vandaag de dag. Met Pim kreeg politiek een hart, bleken zelfs politici een hart te kunnen hebben. Bleken ze niet per se de machtswellustige egotrippers te zijn zoals ze zich tot vandaag de dag zo vaak ontpoppen, wars van medemenselijkheid, realiteitszin en redelijkheid. Ja, politici kunnen zelfs mensen zijn! In de gemeentepolitiek valt dat allemaal nog wel mee omdat die dicht bij het volk staat, maar daar in de provincie of Den Haag gaat alles weer zijn oude vertrouwde gangetje verder met mensen van wie je niet echt kunt houden. Maar toch: één witte raaf is voldoende bewijs dat er witte raven bestaan. Nogmaals dank, Pim!

Esoterie en spiritualiteit

Date 27 april 2012

Esoterie en spiritualiteit worden nogal eens verward. Op zich niet zo verwonderlijk omdat het woord spiritualiteit veel lijkt op het woord spiritisme, en dan zit je al snel in de wereld van occultisme en parapsychologie. Van telepathie, helderziendheid, telekinese, van uittredingen, stigmata en wonderbaarlijke genezingen, van klopgeesten, spoken en contacten met overledenen. En ik moet toegeven dat ook in die wereld een stukje van mijn leven ligt, zij het alweer wat jaartjes geleden. Ja, op de Vrije Universiteit in Amsterdam had ik parapsychologie zelfs officieel als bijvak van mijn doctoraalstudie psychologie – dat was bij uitzondering aan mij en Björn voorbehouden. Niet dat er veel van terecht is gekomen, want tja… jaren zestig. En ik herinner me niet veel meer dan dat ik een paar blauwe maandagen in Utrecht bij professor Tenhaeff, immer geassisteerd door de toegewijde mevrouw Louwerens, in de collegebanken heb gezeten.

Maar het was wel een hobby van me in de tijd. Met Björn, Peter, Sjoerd, Mik en enkele anderen was ik eind 1969 in de Experimentele Studiegroep Parapsychologie ESP beland, en we deden onderzoek naar telepathie bij kinderen. We geloofden namelijk dat vooral kinderen gevoelig zouden zijn voor parapsychologische indrukken, dus gingen we naar lagere scholen in Amsterdam waar we leerlingen plaatjes op kaarten lieten ‘raden’ die de proefleider, een van ons, voor de klas zat te bekijken. Zenerkaarten heetten die, maar we hadden de afbeelding wel aangepast op de leefwereld van kinderen. Op gegeven moment ben ik de groep uit het oog verloren, en wat de resultaten van het onderzoek waren weet ik ook niet, hoewel ik later wel heb opgevangen dat Björn er verder mee was gegaan.

Het was een leuk vermaak, die parapsychologie. Voor feestjes en verjaardagen vond ik de twee spellen het leukst. Het eerste spel. Iemand moet even uit de kamer terwijl een stuk of zeven anderen afspreken wie ze in gedachten gaan nemen. Dan mag die ander weer binnenkomen en gaat middenin een door de anderen gevormde kring staan. Die doet zijn ogen dicht en draait wat in het rond en laat zich vallen, wat dan geheid in de armen van de afgesproken persoon gebeurt. Uit eigen ervaring weet ik dat je dan echt een soort zuigkracht voelt als je daar in die kring wat rond staat te draaien. Het tweede spel. Zet iemand op een stoel. Twee mensen steken hun wijsvinger onder de knieholten en twee anderen onder de oksels. Probeer hem of haar dan op te tillen. Lukt niet. Dan hetzelfde met diepe synchrone ademhalingen van de vier. Lukt wel! Maar als je wilt experimenteren kan je natuurlijk ook trachten een beeld op te vangen dat een ander in gedachten voor zich heeft. Hoe groot is statistisch de kans dat je dan ‘raadt’ dat de ander denkt aan iets als een naakte man in boslandschap? Niet groot lijkt me.

Maar we gingen ook naar het Forestershuis in Amsterdam waar Gerard Croiset seances gaf. En Uri Geller heeft toch een keer een horloge van me gerepareerd: ik was het ding helemaal vergeten toen ik het een tijdje later werkend aantrof. En we draaiden glaasjes over een ouijabord, maar dat bekwam me niet zo goed. Het was namelijk in de tijd dat ik nog steeds erg mijn best deed om heteroseksueel te zijn en degene aan de andere zijde openbaarde meer dan ik wilde weten. Bovendien zijn het niet de meest hoogstaande entiteiten die, aardegebonden als ze nog zijn, contact met je zoeken: een zekere Has uit Haarlem die we aan de lijn kregen was daar beroemd om, zoals ik later ergens las. Op het randgebied tussen psychologie en parapsychologie ligt hypnose, en ook dat was natuurlijk leuk om te doen. Vooral als je iemand een posthypnotische suggestie meegeeft, wat ik deed bij Arjen: als ik aan een wratje op mijn kin ging pulken moest hij met zijn gitaar een bepaald liedje gaan zingen. Dat deed ie dan ook, maar na afloop bleef hij ontkennen dat hij gehypnotiseerd was geweest. Ik scheen dat wel goed te kunnen, won er zelfs een fles wijn mee tijdens een practicum, want ook dat leerde ik in mijn doctoraalstudie aan de kennelijk progressieve Vrije Universiteit.

Maar wat is er nou zo leuk aan al dat parapsychologische gedoe? Het heeft iets met kracht en macht te maken. Als puber dook ik diep onder de wol als ik teveel dacht aan de lamp aan het plafond in mijn kamertje, angstig wachtend op het gekletter van glas want kennelijk zou ik het niet leuk vinden als gedachten tot zo iets in staat waren. In kerkgebouwen heb ik dat nog steeds een beetje als ik immens zware luchters aan lange stalen kabels zie hangen. Nou was ik überhaupt al een angstig kind, waarvoor mijn moeder me dan naar een psychiater stuurde, met wie ik dan zat te schaken. Maar die lamp is altijd trouw aan het plafond blijven hangen, ondanks het feit dat hij er als een Saturnus uitzag. En tot de jaren tachtig had ik vaak nachtmerries over mistige monsters die zoemend en ongrijpbaar om me heen zweefden, waarvan ik wel wat herken in de dementors uit de verhalen van Harry Potter. Tot ik op een nacht zwetend wakker werd en daar eigenlijk helemaal geen zin meer in had. ‘Zoek het zelf maar uit,’ vloekte ik van binnen om me vervolgens op mijn rechterzij te draaien en als een roos in slaap te vallen. Nooit meer last van gehad.

Parapsychologie, occultisme en esoterie liggen dicht bij elkaar. In die betekenis dat ze alle gaan over niet normale werelden waar ‘nuchtere’ wetenschappers niet zoveel van moeten hebben. Onbewijsbaar en zo. De Rozenkruisers weten nog wel raad met esoterie, zeker als je in hun literatuur duikt. Zo wilden ze weten of ik gedoopt was toen ik toetrad, en beloofden ze de mooiste dingen als ik te zijner tijd in goede bewustzijnsstaat ‘het stofkleed aflegde’. Maar eerlijk gezegd had ik ook daar een houding van ‘jullie doen je best maar’, want veel meer was ik onder de indruk van de oorverdovende stilte in hun zuivere tempels die doorstraald leken van een astraal licht. Jammer dat ze, afgezien van hun chaotische leer, zo afwijzend stonden tegenover mensen als Eckhart Tolle, wat voor mij een reden was voor de enige soort van uittreding die ik ooit heb meegemaakt.

Bijzonder? Kennelijk moet je al dit soort krankzinnige dingen hebben meegemaakt om er niet meer in te geloven. Niet dat ik er niet meer in geloof omdat het onwaar is, maar juist omdat het waar is en wel degelijk echt bestaat. Ik geloof er niet meer in, in die betekenis dat het niets met spiritualiteit heeft te maken. Want het gaat om macht en kracht, en is dan toch weer een spelletje van het ego. Als in zenverhalen over de weg van de monnik wordt verteld, onderscheidt de meester vaak drie fasen: voordat hij op het pad is zijn rivieren rivieren en bergen bergen, op het pad zijn rivieren geen rivieren en bergen geen bergen meer, maar uiteindelijk zijn rivieren weer rivieren en bergen bergen. Voor de verlichte is de wereld weer gewoon gewoon.

Breiviks schuld

Date 21 april 2012

Anders Breivik doet de discussie over ziekte en verantwoordelijkheid weer hevig oplaaien. Kan je iemand die ziek is toerekeningsvatbaar verklaren? Is Breivik ziek? Nee, want hij moordt bij zijn volle, zij het kille verstand. Ja, want alleen een gestoord iemand kan zo tekeer gaan als hij. We zijn het er (bijna) allemaal over eens dat deze man gek is, maar we kunnen dat niet hard maken, hoe graag we dat ook zouden willen. Zelfs de DSM, de Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders, die tot enkele decennia geleden een eigen plekje gaf aan homoseksualiteit, geeft geen handvatten om hem als ziek te bestempelen. En eigenlijk willen we dat ook niet omdat we vinden dat hij gestraft moet worden. En levenslang is niet voldoende voor hem! Lijfstraffen verdient hij! Levend villen! Ophangen aan de hoogste boom, die vent! Zelfs als hij tot levenslange marteling veroordeeld zou worden, zullen weinigen het daar echt moeilijk mee hebben. Geen vergelding, geen wraak kan genoeg zijn voor dit menselijke monster.

Mij lijkt het het beste om hem alleen, afgezonderd van welke communicatie met de buitenwereld dan ook, volstrekt alleen op een eenzaam eiland achter te laten. Daar groeien dan wat vruchten om te eten en verder zoekt hij het maar uit. Dat is niet alleen het beste voor de samenleving, maar ook een therapie die volgens Bhagwan heel goed werkt. Reken maar dat je jezelf dan tegenkomt! De mate waarin iemand alleen kan zijn zegt iets over zijn psychische gezondheid. Typerend was hoe Jan Wolkers het wel, maar Godfried Bomans het niet uithield toen hij in 1971 alleen op Rottumerplaat werd achtergelaten. Bij zo’n eenzame afzondering moet Breivik uiteraard geen mogelijkheid krijgen om zelfmoord te plegen. Want dat zou hij wel willen, bang als hij is voor de emoties en gevoelens die dan in hem zullen bovenkomen. Helaas zal het wel niet mogen volgens de rechten van de mens, want de kans is groot dat het als een niet toegestane marteling wordt beschouwd.

Uiteindelijk zijn we allemaal verantwoordelijk. Dat wil natuurlijk niemand weten, want het is altijd de ander die slecht is. Zelf zouden we immers nooit in staat zijn om zulke bloedbaden aan te richten. En achteraf ook nog vinden dat het nog niet goed genoeg is gebeurd, zoals Breivik ook nog oud-premier Brundtland had willen onthoofden. Ja, die van het rapport Our Common Future dat in 1987 een vervolg was op dat van de Club van Rome. Zoiets zieks zou in onze hoofden niet opkomen! Maar toch denk ik dat Breivik dit allemaal niet zonder ons had kunnen doen. Dat zijn daden de som zijn van alle collectieve kwade wensjes en gemene boosheidjes die we allemaal wel eens hebben. Dat mogen dan kleine verwensingen en kwaadheden zijn waar niemand zich druk over maakt en waarover we ons nauwelijks schuldig voelen. Maar als je die allemaal bij elkaar optelt krijg je iets als een monster, dat niets anders is dan de accumulatie van dat alles in een persoon in wie dit zich dan ontlaadt en die we dan als hoofdschuldige kunnen aanwijzen.

Marten Toonder verwoordt en verbeeldt dat prachtig in zijn verhaal Het monster Trotteldrom uit 1964. Een monster dat niets anders bleek te zijn dan een grote agressieve kluit van Trotten, de bewoners van het geteisterde eiland zelf. Die niet in de gaten hadden dat ze bij tijd en wijle zelf het monster schiepen waarvoor ze in grotten vluchtten, waaruit ze even later als een groot collectief gedrocht tevoorschijn kwamen om hun eigen eiland te ruïneren. Dat monster heet nu Breivik, maar is ook onder andere namen zoals Hitler bekend. En deze monsters blijven bestaan zolang we zelf de kleine monstertjes in ons blijven ontkennen. Alsof het kleine kwaad geen kwaad is en een beetje agressie best mag, zo niet gezond is en erbij hoort. Dat allemaal komt voort uit de angst voor zelfkennis, angst te zien dat we uiteindelijk even goed als slecht zijn. Om die te ontwijken schakelen we onze emoties even uit, en dat gebeurt net zolang tot er iemand opstaat die zoveel emoties uitschakelt dat hij tot de wreedste daden in staat is.

Wietpas

Date 16 april 2012

Gelukkig hoef je hier in het noorden niet vóór 1 mei een wietpas aan te schaffen. Nou was ik dat toch niet van plan, want vroeger heb ik genoeg gerookt. Maar je zal maar in het zuiden van het land wonen en bij tijd en wijle graag een jointje lusten, dan moet je je wel apart laten registreren! En hop, daar gaat weer een stuk privacy verloren. ‘Alle blowers in een database,’ kopt een artikel van Simone Fennell en Arnold Roosendaal vandaag in nrc.next. Straks kan je wellicht de Verenigde Staten niet meer in, vrezen ze, want die jongens menen natuurlijk ook het recht te hebben om in dit wietbestand te gaan snuffelen. Nou vind ik dat persoonlijk niet zo’n probleem, want ik zou toch al niet weten waarom ik überhaupt naar de Verenigde Staten zou willen. Niet dat ik hier in Nederland zoveel privacy heb – als ik dat geloofde zou ik mezelf voor de gek houden. Dat is natuurlijk ook mijn eigen schuld. Dan had ik maar geen weblogs moeten schrijven, een anonieme OV-chipkaart moeten aanschaffen, de huur cash moeten betalen, geen mobieltje en internet moeten hebben en dat soort dingen. Kortom: had ik gewoon niet moeten willen léven. Lekker thuis, gordijnen dicht, geld in een oude sok, ’s avonds kaarslicht en groenten uit de tuin. Zou volgens mijn Wijze Tante heel goed kunnen, maar ik zou toch wat missen.

Wat drugs betreft laten de liberalen zich van hun oude vertrouwde opportunistische zijde zien. Zo vragen de auteurs vragen zich af hoe het zou zijn als je in de slijterij geen vijfde fles wijn mag kopen omdat je er van de week al vier hebt gekocht. Waarom mag alcohol wel en mogen drugs niet? Wat heeft drank dat drugs niet hebben? O ja, rond alcohol is geen crimineel circuit en rond drugs wel! Maar dat is juist ontstaan omdat ze verboden zijn! Wat zou er van al die criminaliteit overblijven als drugs even normaal werden behandeld als alcohol? Niet veel denk ik, en reken maar dat dan wel een groot deel van alle criminaliteit in één klap is opgeheven. Blijft alleen de vraag over wat de grootste schade geeft: criminaliteit of druggebruik. Waar vallen de meeste doden en gewonden? Want als de ellende die druggebruik veroorzaakt groter is dan die rond de handel erin, moet je het wellicht bij het oude vertrouwde beleid laten. Maar ik geloof dat niet. En ik ben ook nog zo onverlicht dat ik er principes op nahou, waardoor ik de betutteling niet kan uitstaan van een overheid die me voorschrijft welke drugs ik wél en welke ik niet mag gebruiken. Want alcohol is natuurlijk ook een drug.

Aanleiding voor dit artikel in nrc.next is een kort geding dat woensdag in Den Haag wordt gevoerd tegen de invoering van de wietpas in Zeeland, Brabant en Limburg. Reden: schending van de privacy en discriminatie. Gelijk hebben ze, hoewel het artikel er niet bij zegt wie ‘ze’ zijn. Maar na een paar seconden zoeken op internet blijken dat advocaten namens eigenaren en personeel van coffeeshops te zijn. Het runnen van een coffeeshop lijkt me trouwens een nogal schizofreen beroep. Want je mag iets verkopen dat je niet mag inkopen. Ik heb nooit gesnapt hoe dat kan. Typisch logica van politici, want teveel van hen zijn nauwelijks tot redelijk denken in staat. Maar niet teveel getreurd, want de coffeeshop wordt een besloten club! En dat kan eigenlijk best knus en gezellig worden. In een halfdonkere kamer achter fluwelen gordijnen met zijn allen liggend en zittend op kussens rond de waterpijp, genietend van een rustig kabbelende muziekje… Wat wil een mens nog meer? Privacy! Want zodra je na zo’n relaxt avondje weer thuiskomt en achter je computer zit, word je meteen door Google, Facebook en Neckermann bestookt met advertenties van de heerlijkste wiet!

Nisargadatta Maharaj

Date 11 april 2012

Het lijkt erop dat de meeste verlichte mensen, spirituele leiders, jnani’s, gnostici of hoe je ze ook wilt noemen, het eens zijn over de eerste stappen op het pad naar bevrijding: ken uzelve, het gnothi seauton dat te lezen is in de aan Apollo gewijde tempel van Delfi. ‘Tell me who you are,’ was dan ook de opdracht die we kregen in de Enlightenment Intensive groep in de ashram van Bhagwan in Poona. ‘Ik ben een god in ’t diepst van mijn gedachten,’ dichtte Willem Kloos. De vraag naar wie je bent wordt door Adyashanti aangevuld met de vraag naar wat je bent, waaraan ik zelf de vraag naar waar je bent zou willen toevoegen. Dat vind ik onder andere gedaan bij Douwe Tiemersma van het Advaitacentrum, die over een verruiming van de ‘zelfsfeer’ spreekt, maar nu kom ik het ook tegen in het boek Ik ben / Zijn van Nisargadatta Maharaj (1897-1981) dat ik nu aan het lezen ben. Deze verlichte meester, die ook veel Nederlanders zoals Wolter Keers op het nonduale pad heeft geïnspireerd, is bepaald niet de eerste de beste en glanst van directheid en radicalisme waarmee hij zijn bezoekers toespreekt, zoals dat bijvoorbeeld ook het geval is bij Jed McKenna van wie binnenkort de ‘ware’ identiteit bekend zal worden gemaakt in de Koorddanser, iets waarover ik op haar website een discussie heb gestart.

Het verhaal gaat dat Nisargadatta in een kamertje aan een drukke straat in Bombay woonde, boven een winkeltje waar hij onder andere sigaretten verkocht, in de geur van een urinoir aan de overkant. Dat hij rookte en andere dingen deed die niet altijd in religieuze kringen werden gewaardeerd: ‘Mijn lichaam heeft een paar gewoonten overgehouden die best mogen doorgaan totdat het sterft. Dat kan geen kwaad.’ Hij maakte zich daar dus niet zo druk over, gewoon omdat hij zijn lichaam niet was. ‘Lichaam en geest zijn symptomen van onwetendheid’ is dan ook de titel van een van de hoofdstukken uit zijn dikke boek, dat een vertaling is van zijn beroemde I Am That. Je bent je lichaam niet omdat je de waarnemer van het lichaam bent, en zo ben je ook de geest (‘mind’, bij hem zowel denken als voelen, het geheel van angsten en verlangens) niet omdat je de waarnemer van de geest bent. Daar kom je achter als je je voortdurend concentreert op het enige wat je zeker weet: ‘Ik ben’. En zelfs dat ‘ik’ verdwijnt uiteindelijk in het Absolute: ‘Zoals het heelal het lichaam is van de geest, zo is de geest het lichaam van het allerhoogste.’ Het is niet zo dat de geest zich in het lichaam bevindt, maar dat het lichaam zich in de geest bevindt. Je zegt wel dat je geboren bent, maar hoe weet je dat eigenlijk? Herinner je je dat dan? Het is dit soort elementaire antwoorden dat het lezen van de gesprekken in dit boek zo boeiend maakt.

Alles is één. Ook dat zegt Nisargadatta herhaaldelijk. Dat betekent uiteindelijk ook dat zelfs het verschil tussen subject en object wegvalt. Daarom is het ook onmogelijk om te beschrijven wat verlichting eigenlijk is, omdat taal gebaseerd is op het maken van onderscheid, gebruikmaakt van verschillen die in het Absolute niet bestaan. Alleen poëzie, proza, muziek en andere wegen van het hart kunnen een glimp ervan laten doorsijpelen in ons beperkte want dualistische bewustzijn, want de geest zal het nooit begrijpen, zoals ook Bhagwan ons zo vaak heeft ingehamerd. Met Tony Parsons kun je zeggen dat je niet bestaat, maar tegelijk kun je constateren dat je uiteindelijk alles bent. Atman wordt Brahman heet dat in India: je wordt niets minder dan het Al of God omdat je bewustzijn je niet meer beperkt is tot je lichaam, geest of waarnemer van lichaam en geest. Die ‘ervaring’ moet wel de ultieme bevrijding zijn! Maar onze geest blijft dromen en geloven in illusies, en zolang we de schijn-heiligheid daarvan niet doorleven, blijven we bang om te sterven. ‘De dood brengt ons vrijheid en kracht. Om vrij te zijn in de wereld moet je ten opzichte van de wereld dood zijn. Vanaf dat ogenblik is het heelal jouw bezit – het wordt je lichaam, een vormgeving en een instrument.’