5 april 2006
Mijn Wijze Tante is bijna 98. Elke dinsdagmiddag zoek ik haar op en als het even kan gaan we een stukje wandelen. Liepen we vroeger wel eens naar de andere kant van Blikkum, nu komen we niet verder dan het pleintje aan het einde van de straat. Daar staat een stenen bankje dat me altijd aan Koot en Bie doet denken, die daar ooit een sketch hebben opgevoerd. We nemen wat kranten mee om op te zitten en vorige week was het zulk lekker weer dat we daar wel drie kwartier hebben gezeten. Ze vroeg me hoe het nu eigenlijk met de wereld gaat, en ik vertelde haar over kooldioxide en methaan, over smeltende ijskappen en bosbranden en regenwouden en woestijnen en over de Club van Budapest en dat de Amerikanen nog veel slechter met het milieu omgingen dan wij. Dat het natuurlijk wel aardig van hen was dat ze ons hielpen in de Tweede Wereldoorlog, maar dat dat nog geen reden was om ons in Europa straks letterlijk in de kou te laten staan als de warme golfstroom ons niet meer bereiken kan. Waar we natuurlijk zelf aan meehelpen zolang we nog steeds auto’s gebruiken om ons te verplaatsen of in de file te staan.
Dat waardeer ik zo in mijn Wijze Tante: als je met haar praat, dan gáát het tenminste ergens over. Vanmiddag ook, bij haar thuis. Ze was in een wat sombere bui over de toekomst van de mens, die volgens haar aan gemakzucht ten gronde zal gaan. Ik trachtte haar te troosten met de gedachte dat het op kosmische schaal allemaal niet zoveel uitmaakt, dat de natuur het uiteindelijk altijd zal winnen en dat je het Moeder Aarde moeilijk kwalijk kan nemen als ze op gegeven moment die misselijke mensheid van zich afschudt. Ze kan dan echt wat sip voor zich uit zitten kijken en ook het vasthouden van haar hand bood weinig soelaas. Waar moest straks iedereen weer incarneren als het niet meer op deze aarde kan? Zorgelijke, protesterende buien en zorgeloze accepterende buien wisselen elkaar af in haar.
Vorige week op dat bankje was ze één en al acceptatie en straalde ze van geluk. Het was mooi weer: westenwinden met wilde witte wolkenluchten waaiden over ons heen. Kinderen fietsten van school naar huis en ik voelde me als op een vredig strand onder een stille zomerse hemel. Een hele poos zaten we zwijgend naast elkaar, mijn Wijze Tante en ik. Ze genoot zichtbaar van de zon, waarvan ze het licht en de warmte met gesloten ogen dronk. Een kwartier stilte en vrede, gewoon op een pleintje in Blikkum. Een zorgeloze rust waarin even de tijd stil lijkt te staan, er niets meer te zoeken of te vinden valt. Waarin ook niets meer gezegd hoeft te worden, omdat elk woord de vrede verstoort. Ze is oud. Heeft, zoals ze zelf zegt, misschien niet lang meer te leven. Veel dingen gaan niet meer zoals ze zou wensen, want een lichaam gaat niet eeuwig mee, hoe gezond je ook leeft. En dat deed ze: haar leeftijd bewijst dat de levenswijze die ze altijd heeft verkondigd inderdaad zo slecht nog niet was. Maar ouderdom blijft toch met gebreken komen, en veel mensen gaan dan tobben en protesteren. Dat doet mijn Wijze Tante ook wel eens. Maar niet op die dag, vorige week, toen we samen op dat bankje zaten. En om dan zo zichtbaar heerlijk zorgeloos van de zon te zitten genieten, dat noem ik echt wijs.
Gepost in Spiritualiteit
Geen reacties »
26 maart 2006
Gisteravond naar een orgelconcert naar Kampen geweest, vanaf Zwolle tien minuten met een dieselboemeltje. Een leuk stadje aan de mond van de IJssel dat nog altijd vergane havenglorie uitstraalt. Waar de studenten nog in God geloven. Gegeten in een Italiaans restaurantje waar drie jongens steeds vanuit hun tafeltje naast ons in een onzichtbare hoek verdwenen, waar zich bij nader onderzoek twee speelautomaten bleken te bevinden.
In de Bovenkerk zaten we bij een gloednieuw bord, dat aankondigde dat de volgende dag Psalm 114 en zes andere door deze gewelven zouden bulderen. Waaronder PS 119 83 84 88, zoals op de houtblokjes te lezen staat. Zelfs de psalmen zijn langer in Kampen, want in mijn eigen bundel haalt dit lied slechts 66 coupletten. Mooi, zo’n houten bord: keurig geschilderd en gelakt. Je moet er toch niet aan denken dat er van die elektronische mededelingenborden in zo’n kerk aan de pilaren hangen! Schuin voor ons durfden mensen rustig onder een zware koperen luchter met talrijke lampjes te zitten, die hing aan een lang metalen schakelwerk tot in de nok van de kerk. Ik kan me niet voorstellen dat zo’n ding niet vandaag of morgen naar beneden sodemietert.
Op het programma stonden Sweelinck, Buxtehude en Bach. De eerste orgeltonen vind ik vaak het mooist omdat ze als een frisse regen je opeens in een andere wereld drenken. Alsof de hele kerk met een snijdende stilte wordt gevuld. Dat is voor mij de magie van klassieke muziek, en met name van orgelmuziek: dat ze niet alleen vertelt over stilte, maar het ook laat voelen. Even ben je in een heel andere ruimte. Ja, er zijn natuurlijk orgelklanken, maar luider dan hen weerklinkt de grond waarop deze worden gedragen: de stilte, die als een stevige rotsvaste bodem alles steunt en doorstraalt.
Omdat het alleen maar in het hier en nu is te beleven, is muziek voor mij de hoogste kunstvorm. Bij een boek wil je nog wel eens weten hoe het afloopt, bij een schilderij of beeldhouwwerk kun je nog wel eens dwalen tussen de verschillende facetten ervan, maar bij muziek kan je niet veel meer dan er gewoon naar luisteren en het door je heen laten vloeien. En daar leent het orgel zich het beste voor, waarom weet ik niet. Zelfs in de popmuziek, zoals in A whiter shade of pale van Procol Harum en A saucerful of secrets van Pink Floyd. En ook zelf ben ik ooit met vrienden en een bandrecorder naar een kerk getogen om mijn 32e liedje, The Chapel of Light, met orgelbegeleiding op te nemen.
Maar niet alleen in de popmuziek kan het orgel te wild worden gebruikt. Bach wil zich daar ook wel eens aan bezondigen. Zoals in zijn beroemde Toccata 565 in d-klein die ik altijd ‘de Draak’ noem en waarmee je me makkelijk uit huis kan jagen. Een stuk om trots mee te kunnen demonstreren hoe goed je het instrument beheerst, maar daarmee is dan ook alles gezegd. Bij verstilde muziek zie ik in gedachten statige kleurige vlammen ontstijgen aan de spleten van de orgelpijpen. Maar bij zo’n toccata likken de vlammen zo vurig en fel aan het instrument, dat de pijpen lijken te versmelten tot een zilveren plas op de koude stenen van het godvruchtige kerkgebouw. Gelukkig werd dit werk gisteren niet gespeeld…
‘Stilte is de rijkdom van deze epoque,’ zei Toon Hermans al in de jaren zestig. Hij heeft daar meer gelijk mee gekregen dan ik ooit heb bevroed. En het is mooi dat iets als muziek ons aan die stilte kan herinneren. Stilte, die altijd aanwezig is, mits we maar niet luisteren naar de herrie om ons heen.
Gepost in Muziek
Geen reacties »
23 maart 2006
Het arbeidsethos is mij altijd een gruwel geweest. Want het is een van de grootste belemmeringen op het spirituele pad dat we uiteindelijk allemaal – of we het willen of niet – moeten gaan. Waarom? Omdat in het wie niet werkt zal niet eten, het ledigheid is des duivels oorkussen, het arbeid adelt en het voor niets gaat de zon op het doen belangrijker wordt geacht dan het niet-doen. Omdat het ons voortdurend wil bezighouden, afleiden van het meest wezenlijke op het spirituele pad. Overgave. Accepteren van dat wat is. Er gewoon zijn. Erop vertrouwen dat alleen uit deze bron van intuïtie het juiste denken, voelen en handelen kan opwellen. en dat kun je alleen maar ‘bereiken’ met niet-doen. ‘Bereiken’ tussen aanhalingstekens, want ook dat kan weer suggereren dat je iets doet, terwijl ‘het’ juist gebeurt in een onbewaakt ogenblik waarin je niets doet. Het doen, het werken is al zo in onze taal doorgedrongen dat we de dynamiek ervan alleen kunnen ontlenen aan werkwoorden.
Volgens het arbeidsethos moet er dus iets gedáán worden, worden we voortdurend bezig gehouden en vervreemden we van het goddelijke in ons. Zelfs ontspanning is iets dat we zijn gaan ‘doen’: actieve vakanties, survivaltochten, doevakanties, noem maar op. Zodat we de spanningen die zich in elk leven voordoen nergens een moment van ontlading gunnen, gevoelens van verdriet en eenzaamheid blijven verdringen, het deksel op de put van onze neuroses goed dicht blijven houden. Ontspannen durven we niet meer, want dat doet pijn. Geestelijk, omdat allemaal oud zeer in ons bovenkomt. Lichamelijk omdat we ons bewust worden van de kramp in onze spieren. Het is uiteindelijk de kramp van het ego, dat steeds zijn best blijft doen om erbij te horen, om gewaardeerd te worden, om te overleven. Alsof die doelen alleen met werken bereikt worden, en niet door gewoon te ontspannen in jezelf en te vertrouwen op je intuïtie.
Priests and politicians: the maffia of the soul. Dat is de titel van een boek van Osho. In grote lijnen heeft hij daar helemaal gelijk in. Want priesters zijn maar al te vaak dealers: als je maar dit en dat doet komt het geestelijk wel goed met je. Iets dat je ook nog veel tegenkomt in de wereld van de new age, waar ook het arbeidsethos via een achterdeurtje graag naar binnen sluipt, zodat je bijvoorbeeld kan leren om effectief met intuïtie om te gaan. En politici zijn vaak vijanden van de ziel omdat ze je voortdurend bezighouden, afleiden van wat echt belangrijk is om een samenleving behoorlijk te laten functioneren. Waarbij maar al te snel van niet-werkenden wordt gesteld dat ze van de samenleving profiteren, terwijl er juist veel te veel werkenden zijn die de samenleving verzieken en zich daarvoor nog goed laten betalen ook.
En dan bedoel ik niet eens de graaiers. Nee, ik heb het over het totaal overbodige werk dat gecreëerd wordt. Wat niemand zal missen als het er niet is. Neem nu de telefoongidsen. Ooit kenden we een gids voor privé-nummers en een beroepengids. Totdat een van de uitgevers op het lumineuze idee kwam om in zijn gids ook de inhoud van de andere gids op te nemen. Waarop de uitgever van de andere gids dat ook ging doen. Het gevolg? Dat we nu allemaal met twee dikke boekwerken worden opgescheept waarin in principe hetzelfde staat. Waarop niemand zit te wachten. Waarin twee keer zoveel advertenties worden geplaatst, waarvoor dus twee keer zoveel ondernemers worden lastiggevallen. Waarvan het papier alleen al jaarlijks genoeg is om een hangar mee te vullen. En dat allemaal om een groep mensen aan het werk te houden! Die er nog geld mee verdienen ook! Dan vraag ik me af wie er nu eigenlijk profiteert en wie de samenleving en het milieu aan het verzieken is…
Er moet veel minder gewerkt worden. Er hoeft ook niet zoveel gewerkt te worden. Zeker als we afzien van veel overbodige luxe-onzin zoals een Betuwelijn en een hsl. En verdeel eerlijk wat er gedaan moet worden. Het kan toch niet zo zijn dat werkenden meer en harder moeten werken terwijl er nog steeds werkeloosheid is? Pas als we het idee van het Heilige Werk aanpakken zijn we pas echt in staat om veel maatschappelijke problemen op te lossen. Werk, alleen maar om bezig te zijn, alleen maar om de verslaving aan het arbeidsethos te bevredigen, alleen maar om op de vlucht te blijven voor het ware ik dat toch eens aanschouwd moet worden. Je kunt een leven lang vermijden jezelf in de spiegel aan te kijken, misschien zelfs levens lang, maar uiteindelijk zul je toch aan jezelf moeten geloven!
Gepost in Maatschappij en politiek
Geen reacties »
15 maart 2006
Morgen word ik officieel beëdigd als gemeenteraadslid. Het waren spannende en drukke tijden en met het hart in de keel zagen we vorige week hoe de stembustellingen geleidelijk op de muur van de foyer van het gemeentehuis verschenen. We hebben één zetel verloren, maar dat is lang niet gek als je het vergelijkt met de verliezen die lokale partijen in het algemeen hebben geleden. En met vier zetels zijn we nog steeds de grootste. Wel vind ik het jammer dat de lokale politiek het kennelijk slecht doet, want ik geloof nog steeds dat het bestuur zo dicht mogelijk als het kan bij de burgers moet staan. Dat wordt extra hard knokken, want als het aan de provincie ligt worden Oldegeppel en Nieuwegeppel samen met Zandwijk tot één gemeente samengevoegd. Waar burgemeester Verbeest van laatstgenoemde gemeente geen enkel bezwaar tegen heeft omdat Zandwijk nu eenmaal de grootste is. Het liefst heeft hij ook nog de gemeentes Kerkweide en Blikkum erbij.
Het leuke van onze partij is dat we van verschillende politieke achtergronden komen. Wel wat meer rechts dan links, maar dat geldt momenteel voor het hele land, zo niet de hele wereld. Zelf ben ik wat dit betreft van onduidelijke komaf. Omdat ik geloof dat met de grondslagen van links en rechts niks mis is. Wel met wat er vandaag de dag van is overgebleven of daarvoor doorgaat. Zoals een kind een vader en een moeder nodig heeft – of mensen die hun rollen vertegenwoordigen – zo zijn zowel linkse als rechtse elementen noodzakelijk in het funcioneren van een samenleving. De linkse kant is te vergelijken met de moeder die zorgt voor bescherming en basiszekerheden, en de rechtse kant met de vader die je in het diepe van de samenleving gooit teneinde zelfstandig en onafhankelijk te worden. Beide zijn nodig: jonge vogeltjes moeten gevoerd worden, totdat ze uit het nest worden gewipt.
Daarom vind ik het zo moeilijk om mezelf links of rechts te noemen. Wat heb ik genoten van de verhalen die mijn vroegere buurvrouw over de AJC vertelde toen we op de Paasheuvel wandelden! Idealisme, bevlogenheid en broederschap, alle Menschen werden Brüder! En wat kan ik genieten van de sfeer van eruditie en luxe waarbij je je eindelijk kan wijden aan wat écht belangrijk is in het leven: kunst, wetenschap, filosofie, spiritualiteit, een goed gesprek met een glas port bij de open haard! Links is progressief, rechts conservatief. Links is afwachtend, rechts ondernemend. Links is altruïstisch, rechts egoïstisch. Links is zijn, rechts is hebben. Links is delen, rechts is vasthouden. En voor astrologen: links is Jupiter, rechts is Saturnus. En ik heb dat allemaal in me. Bij de Rozenkruisers geven ze met het woord dialektiek aan hoe het leven uit een voortdurende wisseling van tegenstellingen bestaat. Kennelijk hebben wij mensen dat nodig om tot bewustzijn te komen. Zoals wrijving nodig is om warmte of vuur op te wekken.
Nu kun je misschien zeggen dat de moeder meer hoort bij de kindertijd en de vader meer bij de volwassenheid. Dat een groei van links naar rechts, van progressief naar conservatief een natuurlijke weg is. Maar dan haal ik Ken Wilber erbij, die het heeft over overstijgen en invouwen, zodat het rechtse eigenlijk het linkse moet omvatten, er een uitbreiding van moet zijn. De vader die in zijn zelfstandigheid de moeder koestert, beschermt, voor haar zorgt, voor haar op jacht gaat terwijl zij haar jongen verzorgt. Een tikje ouderwets beeld misschien, maar wel een oerbeeld dat al een oneindig aantal jaren in onze genen zit. Ik denk dat met zo’n rolverdeling niks mis is zolang niet de vader (of de moeder) gaat domineren, zijn (of haar) macht gaat misbruiken zodat polarisatie optreedt in plaats van wederzijdse aanvulling. En dat is wat de laatste decennia juist wel is gebeurd, want de samenleving is alleen maar rechtser en rechtser geworden en totaal uit balans geraakt. Zodat ik volgend jaar zeker links zal gaan stemmen. Niet omdat dat beter is dan rechts, maar omdat dat nodig is om het evenwicht te herstellen.
Gepost in Maatschappij en politiek
Geen reacties »
6 maart 2006
Onlangs is Gilles Quispel overleden, 89 jaar oud. Twee jaar geleden zag ik hem nog op een symposium in Amersfoort, dat door uitgeverij Ankh-Hermes was georganiseerd wegens de nieuwe dundrukuitgave van de Nag Hammadi-geschriften. Want als er iemand verstand had van deze oude gnostieke geschriften, die in 1945 in een kruik in het Egyptische woestijnzand waren ontdekt, dan was het wel professor Quispel, oud-hoogleraar in het vroege christendom en de gnosis aan de Universiteit van Utrecht. Twee jaar geleden zag hij er kwetsbaar uit, waardoor zijn heldere geest des te meer opviel. Die heeft hij tot zijn laatste dag behouden, en zoals in Egypte de bron van zijn levenswerk werd gevonden, zo stierf hij in dat land. Dat moet bijna wel een vervulling zijn.
De Nag Hammadi-geschriften bestaan hoofdzakelijk uit gnostieke en hermetische teksten, die waarschijnlijk rond 350 door kloosterlingen waren verstopt omdat ze bang waren dat ze door de toen heersende kerk verbrand zouden worden. Want het waren ketterse teksten, die op de zwarte lijst stonden die aartsbisschop Athanasius in 367 rondstuurde. Geschriften, zoals het Evangelie van Thomas, het Geheime boek van Johannes, het Evangelie der Waarheid, het Evangelie volgens Filippus en de Oorsprong van de Wereld, waren ketters omdat ze vertelden over een god die de mens in zichzelf kon vinden, zonder bemiddeling van enige autoriteit. Ze spraken over een spiritualiteit waarvoor geen kerk nodig was, zonder priesters als bemiddelaars. Zoals Lucas 17:21 in de Statenvertaling vertelt: Het Koninkrijk Gods is binnen in u. Wat later door het Nederlands Bijbelgenootschap wordt afgezwakt tot Het Koninkrijk Gods is bij u, en waarvan tenslotte in de laatste Nieuwe Bijbelvertaling van vorig jaar niet veel meer overblijft dan Het Koninkrijk van God ligt binnen uw bereik.
Veel gnostieke geschriften zijn ouder en betrouwbaarder dan de evangeliën zoals ze in de bijbel zijn opgenomen. En ze vertellen een totaal ander verhaal. Geen sensationele verhalen over Jezus die uit een maagd wordt geboren, wonderen verricht, zijn kruisiging overleeft en naar de hemel vaart. Maar over een mens, die het goddelijke in zichzelf heeft gevonden. Zoals in de korte uitspraken van het Evangelie van Thomas over een Jezus die zegt overal aanwezig te zijn omdat hij zich identificeert met de Christusgeest:
Ik ben het licht dat boven allen is.
Ik ben het Al.
Het Al is uit mij voortgekomen en
het Al is tot mij gekomen.
Kloof een stuk hout en ik ben daar,
til een steen op en jullie zullen mij daar vinden.
De historicus en bijbelonderzoeker Jacob Slavenburg kan daar aanstekelijk enthousiast over schrijven en vertellen. Ja, ik heb zelfs een paar cursussen bij hem gevolgd. In zijn werk Valsheid in geschrifte laat hij weinig heel van de authenticiteit van de bijbel, die eigenlijk herschreven zou moeten worden. Niet alleen is met de teksten enorm gesjoemeld, ook hebben veel schrijvers van het Nieuwe Testament Jezus niet eens meegemaakt, en zeker Matthäus, Marcus, Lucas en Johannes niet. In de officiële bijbel is het Koninkrijk Gods ‘weggetranscendeerd’, zoals Slavenburg het noemt, met als voornaamste reden dat je geen macht kunt hebben over mensen die het Koninkrijk, het geluk in zichzelf vinden en daarom niet afhankelijk zijn van priesters en dominees.
Opvallend is hoe de kerk gewoon zijn gangetje doorgaat alsof er niks aan de hand is. Zo informeerde ik ooit bij de theologische faculteitsbibliotheek van de Vrije Universiteit naar literatuur van Slavenburg, om vervolgens doorverwezen te worden naar de Universiteit van Nijmegen. De struisvogels blijven met hun koppen in het zand steken. Maar dat is niet het woestijnzand van Egypte, waar Gilles Quispel, de ‘nestor van de gnosis’ overleden is, dicht bij zijn levensbron.
Gepost in Spiritualiteit
Geen reacties »
26 februari 2006
Iedereen heeft een auto. Zeker hier in Oldegeppel. Alleen ik niet. Sterker nog: ik woon zelfs aan een fietspad! En regelmatig valt De Vogelvrije Fietser bij me op de deurmat. Alles is in het dorp makkelijk te befietsen en als na een vergadering iedereen in zijn auto stapt grap ik graag iets als: ‘Zo, geen geld meer voor een fiets?’ Want het zijn meestal niet de goedkoopste auto’s die hier rondrijden. En ook niet altijd de meest sociale auto’s. Hoewel ik afgelopen zomer plotseling voorrang kreeg van een Jaguar die van rechts kwam, zoiets kan ook alleen maar in ons dorp gebeuren…
Het gekke is dat ik wel een rijbewijs heb. Dat nog geldig is ook. Terwijl het toch wel een aantal jaren geleden is dat ik reed. Het laatste ritje waarin ik achter het stuur zat was ergens in de buurt van Antwerpen, in een rode Fiat 500 waar we nauwelijks met ons tweeën in pasten toen we op weg waren naar Pineda, ons geliefde oord aan de Spaanse kust. Misschien was het ook wel een Fiat 200 of 100, want hij was heel klein. Dat ritje was in 1973, dus alweer 33 jaar geleden. Nooit meer gereden sindsdien. En toch mag ik zo in een auto wegrijden als ik wil. Gelukkig wil ik dat niet.
Waarom ik geen auto heb? Misschien omdat de allereerste auto waarin ik ooit zat stonk. Ergens in de jaren vijftig ben ik wellicht geconditioneerd om er een hekel aan te hebben. Aan de andere kant is één van mijn leukste liedjes die ik ooit schreef On The Road Again, maar daarin zat ik niet achter het stuur, maar was ik bijrijder in een lelijke eend tijdens reizen naar Denemarken, naar mensen die we in Pineda hadden ontmoet. Ik ben me ook een keer doodgeschrokken van de keer dat ik rechts werd ingehaald op de A1 – heette die toen al zo? – wat volgens mij niet kon omdat ik gewoon de maximum snelheid reed. Op de linkerbaan. Toen ik weer naar de rechterbaan wilde, gaf mijn vriend gelukkig een tikje tegen het stuur. Eigenlijk wist ik toen al dat het nooit wat met me zou worden op de weg.
Echt nodig had ik een auto maar af en toe. Om een mailing naar het postbantoor te brengen. Of een nieuwe computer of printer te vervoeren, dat soort dingen. Dan deed ik een beroep op vrienden, die het meestal nog graag deden ook, het me zelfs aanboden voordat ik er erg in had. Tot vandaag de dag. Want eigenlijk ben ik een ideale zelfstandige, die zijn werk aan huis doet. Bovendien heb ik verder weinig met auto’s. Kan ze nauwelijks uit elkaar houden, moet echt met mijn neus op een merkje gaan liggen voordat ik weet wie de fabrikant is. Er is maar één auto waarop ik ooit verliefd ben geweest, en dat is de Smart. Maar toen ik die erfenis kreeg en me daar rustig op kon tracteren, belegde ik liever in aandelen. Uiterst onverstandig achteraf, want dat was in 1999, en ik krijg nog steeds geld van Nina Brink.
Als bijrijder moet ik geen makkelijke zijn. Sta duizend angsten uit. Snap niet dat het überhaupt mag dat mensen zomaar in auto’s over die wegen scheuren. Al dat gejaag en bumpergekleef geeft me diep van binnen een gevoel van hier wil ik niet bij horen. En dan heb ik het niet eens over de uitlaatgassen die massaal en continu in de lucht verdwijnen. En laatst hoorde ik dat de lucht in de auto even slecht is voor de gezondheid als roken. Die mensen vanwege de files steeds langer inademen. Files die niet zijn op te lossen door de A6 met de A9 te verbinden, want na een paar jaar staat alles toch weer vol, dat is dweilen met de kraan open. Het openbaar vervoer is steeds minder een alternatief, dus wat er overblijft is: thuisblijven! Mensen dicht bij hun huis laten werken. Of beter gezegd: thuiswerken, wat tegenwoordig met adsl en internet toch geen probleem meer hoeft te zijn. Ook voor besprekingen en vergaderingen hoef je vandaag de dag toch de deur niet meer uit? Een andere oplossing van het mobiliteitsprobleem zie ik niet.
Mijn vriend de tandarts neemt me graag mee naar Duitsland waar hij een vakantiehuisje heeft. En ik verheug me al op de volgende keer. Lekker in de auto naar muziek luisteren. Soezend op het geronk van de motor in slaap sukkelen. Op plekken komen die anders niet bereikbaar zijn. Slimme routes uitstippelen zodat je optimaal geniet in een minimum van tijd. Ook vroeger reed ik vaak met anderen mee. Toen heette het wel eens liften. Zo belandde ik in idiote situaties, en kwam terecht in steden waarvan ik nauwelijks wist hoe ze heetten en waar ze lagen. O, dat heerlijke gevoel van verdwaald te zijn, van niet te weten waar je bent! Dat heb ik Pim Fortuyn nooit vergeven: dat hij met het invoeren van de OV-jaarkaart het liften de nek om heeft gedraaid. Gelukkig werd ik er toen ook een beetje te oud voor, want je kan niet eeuwig de hippie blijven uithangen. Hoewel…?
Gepost in Uit mijn leven
Geen reacties »
4 februari 2006
Sinds kort heeft ons dorp geen recreatiewoningen meer. Want de laatste is vorige week afgebrand. Het huisje stond op een groot terrein in een villawijk aan de grens van het dorp, en als ik de berichtgeving mag geloven hebben jongeren er hun restanten vuurwerk op uitgeleefd. Wat eigenlijk wel voorspelbaar was. Want hoewel één of twee jaar geleden een nieuw hek om het terrein is geplaatst, was er voor die jongeren geen betere plek denkbaar om hun kattenkwaad uit te halen. Er wordt geschreven dat de eigenaar om een vergunning voor permanente bewoning was gevraagd, en dat de gemeente die om de een of andere onduidelijke reden heeft geweigerd. Ik vind het gevaarlijk om na zo’n bericht dan maar meteen conclusies te gaan trekken, maar het nodigt wel uit tot nader onderzoek.
In mijn archief vond ik een enveloppe met foto’s uit het begin van de jaren tachtig. Want toen huurden mijn ouders gedurende zeven jaar elke zomer dat huisje, waar ze dan zo’n vier maanden zaten. Zodat ze er in hun laatste levensfase toch nog zo’n 2,5 jaar hebben gewoond. Vooral voor mijn moeder, die eigenlijk nooit afscheid heeft kunnen nemen van mijn geboortedorp, was De Oude Tuin een zalige oase. Foto’s: mijn ouders voor het huisje, mijn ouders in de ruime tuin, mijn vader achter de grasmaaimachine. En ik, in oranje kleren wuivend, bovenop de nok van het dak.
Ik was net sannyasin, woonde in de Bijlmermeer, en ging er eens in de twee weken op bezoek. En enkele keer fietste ik samen met mijn vader – die toen al de 70 was gepasseerd – van Amsterdam naar het dorp of terug. Waarbij hij een keer bij de brug in een tussenliggend plaatsje van zijn fiets viel, wat gelukkig goed afliep. Terwijl mijn moeder liever in de tuin achterbleef ging ik vaak met mijn vader naar Albert Heijn, of naar een snackbar waar ik vandaag de dag ook nog wel eens kom. Of eenden voeren op de Brink. Of gewoon wat rondstruinen in de bosrijke omgeving.
Maar ook herinner ik me een fikse ruzie met mijn moeder die er niet om loog. En dat mijn ouders vonden dat ik veel te weinig kleren aanhad, terwijl ik op zomerse dagen een sportbroekje en een hesje ruim voldoende vond om in rond te huppelen. Dat sommige vrienden van mij daar ook wel eens kwamen. Dat mijn ouders opnieuw contact legden met vrienden uit de tijd dat ze nog niet uit het dorp waren wegverhuisd. Dat mijn ouders ook daar wel eens ruzie met elkaar hadden en ze ieder in hun eigen stuk van de tuin vertoefden. Dat mijn vader een elektrische piano had meegenomen waar ik spontaan een klassiek wijsje op speelde dat me, zoals elk onafgemaakt lied, tot vandaag de dag achtervolgt.
Maar bovenal herinner ik me vrede, rust en stilte in die tuin. Want het was natuurlijk ook voor mij een verademing om af en toe even in mijn geboortedorp te zijn. In mijn herinnering was het er altijd zomer. Maar waarschijnlijk ben ik er nooit heengegaan als het regende.
Het huisje is in rook opgegaan, maar herinneringen doen dat niet, liggen voor eeuwig vast in het Veld. Hoe meer je in het Nu leeft, hoe meer je erachter komt dat in het Nu zowel het verleden als de toekomst samenkomen. En dat heimwee en verlangen eigenlijk onnodig zijn omdat verleden en toekomst heel concreet in het Nu aanwezig zijn.
Gepost in Mijn dorp, Uit mijn leven
Geen reacties »
2 februari 2006
Vandaag zijn er opnieuw bomen gekapt in mijn straatje, dat trouwens een fietspad is. Terwijl de vele bomen juist één van de redenen waren om hier te komen wonen. Het hoge en royale groen, waaronder de woningen half verscholen zijn, gaf de wijk juist een sprookjesachtig karakter. Net als in het oude dorp verderop. Sinds ik hier woon zijn er gemiddeld zo’n twee bomen per jaar in mijn directe omgeving verdwenen, en het is de vraag of de twee eiken die er vandaag aan moesten geloven de laatste slachtoffers van de kap-manie zijn, die de laatste jaren woedt in deze wijk. Verdriet en kwaadheid om dit nutteloze geweld zijn er mede de oorzaak van dat ik me met de politiek in het dorp ben gaan bemoeien.
De eik voor mijn slaapkamer staat er gelukkig nog steeds. Omdat we indertijd een sympathieke wethouder hadden die je gewoon eens uitnodigde om te komen praten, en die concludeerde dat het blote feit dat een boom op een kaplijst stond nog geen argument was om een rood-wit lint om de stam te knopen. Protest tegen de kap van andere bomen in de buurt heeft niet veel meer opgeleverd dat dat de gemeente in de rechtbank beloofde voortaan wat duidelijker te zijn in haar berichtgeving over de bezwaartermijn. Wat uiteraard niet gold voor de populieren waarvoor ik toen vocht, en het is het afgelopen jaar een heel spektakel geweest zoals die trotse bomen door boven de woningen uittorende hoogwerkers werden verwijderd en meteen in de versnipperaar verdwenen. Ik kon wel janken.
Als mensen niet van bomen houden, als ze per se in doorzonwoningen willen wonen, laat ze dan niet hier komen wonen. Er zijn genoeg fantasieloze woonwijken waar het zonlicht geen grassprietje, tegel of baksteen onberoerd laat. Hier in de wijk zijn zeldzame vogels, juist vanwege de lommerrijke omgeving. En het groen dempt veel verkeerslawaai. Beschermt tegen uitlaatgassen. Geeft bescherming tegen storm. Geeft koelte in de zomer. Geeft zuurstof. En als je slim bent kun je je hangmat ertussen ophangen. Ja, bomen zijn best een slimme uitvinding van moeder natuur! Bovendien léven bomen en gaat het niet aan om dat leven op een kille technocratische manier te vernietigen.
Natuurlijk zal er wel eens iemand balen omdat hij geen zon in zijn tuin heeft, maar als dat al te gek wordt valt daar toch over te praten? Natuurlijk zal er wel eens ergens een tak op een dak vallen, maar daar is toch een verzekering voor? Natuurlijk zullen wortels wel eens riolen verstoppen, maar daarom hoef je toch nog niet de hele boom weg te halen? Natuurlijk poepen er vogels vanuit bomen op auto’s, maar je kunt niet ongebreideld parkeerplaatsen blijven aanleggen want daarvan zijn er toch nooit genoeg. Natuurlijk zijn er wel eens bomen ziek, maar als een tak er een beetje raar uitziet hoeft toch nog niet altijd de hele boom weg?
Nu is kappen met kappen! één van de slogans geworden die ik bedacht heb voor de verkiezingscampagne van mijn partij. En is groenonderhoud één van de programmapunten geworden. Want ik ben niet de enige die zich stoort aan al die bomenkap en het slordige, ongeïnteresseerde groenonderhoud. Zo kan het niet doorgaan. Ik hou van mijn dorp. Toen mijn wijk werd gebouwd heeft men zijn uiterste best gedaan om een dorpse sfeer te scheppen. De bezieling van de mensen, die 30 jaar geleden deze wijk bouwden, lijkt verloren. Het goede van het verleden dient gerespecteerd te worden en – zonder sentimenteel of romantisch te worden – weer te worden gerestaureerd. Wat dat betreft ben ik conservatief.
Gepost in Maatschappij en politiek, Mijn dorp
Geen reacties »
25 januari 2006
Het afgelopen weekend bij Piet geweest. Heb hem in december 1979 leren kennen toen ik voor het eerst naar India, naar Bhagwan ging, in het kielzog van Jan Foudraines enthousiasmerende boek Oorspronkelijk gezicht. Al die weken in Poona huurden we samen een hotelkamer en trokken we veel met elkaar op. Terug in Nederland zaten we al snel bij hem thuis tot diep in de nacht drinkend en rokend lange gesprekken te voeren. Hij was huisarts en ik bijna afgestudeerd in de psychologie, en in ons geval klikte dat uitstekend. Tijdens lange logeerpartijen was ik er kind aan huis. Trachtte hij me te leren windsurfen en boten te besturen en een schizofrene knaap aan het dansen te brengen. Alleen dat laatste lukte een beetje. Op zijn TRS-80-computer schreef ik Terug naar huis over mijn avonturen bij Bhagwan en raakte ik meteen aan computers verslaafd. Een paar jaar later getuigde ik bij zijn huwelijk met Mary.
Ik vond het heerlijk om weer in dat huis te zijn, waar ik me minstens even lekker voel als Harry Potter in Het Nest. Als hobby hebben we deze keer bloeddruk, hartfrequentie en suiker gemeten. Voor het eten, na het eten, ’s morgens vóór de koffie en weer vóór en na het eten. We deden het meerdere keren omdat dit soort waarden nogal fluctueert in de loop van de dag. ’s Ochtends was mijn bloeddruk maar 125/75 bij een hartfrequentie van 55, maar de avond ervoor nog 155/80 bij een frequentie van 80. Suiker 5,1, of 5,2, maar na een kaasfondue 5,9. Maar gelukkig eindigde mijn suiker de laatste avond op 5,2 waarbij Piet aanmerkte: ‘Deze fraaie waarden direct na het eten van zuurkool met spek en worst!’
Rond 1997 is Piet met zijn praktijk gestopt. Rond het benoemen van een opvolger is toen veel commotie geweest omdat hij degene aan wie hij zijn patiënten moest overdragen niet zo zag zitten. Natuurlijk hebben we het afgelopen weekend gepraat over de gezondheidszorg. Piet was één van de laatste echte huisartsen die ons land gekend heeft. Iemand voor wie de huisarts niet iemand was met een ‘van 9 tot 5-baan’. Iemand die vaak zijn patiënten bezocht, iets wat ook steeds minder voorkomt. Iemand bij wie het onmogelijk was dat patiënten huilend de praktijk verlieten, zoals bij zijn opvolger. Iemand die aandacht had voor zijn patiënten, voor wie een patiënt méér was dan een biologisch mechanisme dat gerepareerd moest worden. Iemand die zich afvroeg wat er zich allemaal achter de ziekte verschool. Iemand bij wie je je als patiënt begrepen en vertrouwd voelde.
Maar zou Piet het nu opnieuw doen? Huisarts willen worden? Hij betwijfelt het. En dat kan ik me ontzettend goed voorstellen. Wat eens een geneeskunst was is een geneeskunde geworden. De ziel is eruit. Er is geen plaats meer voor een door jaren ervaring verfijnde intuïtie. Nu geldt alleen nog maar het ‘meten is weten’. Bepalen ministers en verzekeringsmaatschappijen wie ziek is en wie gezond, wie welk medicijn of hulpmiddel nodig heeft. Worden huisartsen gebruikt als instrument om politiek beleid door te drukken. Dat krijg je ervan als een minister van Volksgezondheid alles behalve medicijnen heeft gestudeerd en ziekenhuizen gerund worden door managers in plaats van door een geneesheer-directeur, zoals het hoort. Word ik conservatief? Ga ik niet met mijn tijd mee? ‘Gelukkig niet,’ denk ik dan wel eens…
We hebben gewandeld over het koude Katwijkse strand. Lekker uitgewaaid. Mooie wolkenluchten, kitesurfers die in rubber pakken over de branding dansten. Stranden zijn zo gezond om te vertoeven omdat ze vanaf de prehistorie nooit zijn veranderd en je daarom, met je ogen ontspannen rustend op de verten, lijken te verbinden met het ruimte- en tijdloze.
Gepost in Gezondheid en welzijn, Uit mijn leven
Geen reacties »
15 januari 2006
Het is wel even wennen in de politiek. Na jaren in de publieke tribune alle perikelen in het dorp gevolgd te hebben, na verhalen op websites en ingezonden brieven in kranten geschreven te hebben, komt toch nog onverwachts iemand van je lievelingspartij op je af. Of je voor de komende raadsverkiezingen op de kieslijst wilt staan. Of nog beter: of je op een verkiesbare plaats op die lijst wil staan. Na enig beraad en een gesprek met de voorzitter besluit ik om mijn hart te blijven volgen, waartoe het ook moge leiden. Het is een lokale partij, die ons mooie dorp mooi wil houden en die vecht voor een betere, meer open en heldere manier van besturen. Ik denk dat lokale partijen steeds belangrijker gaan worden. Niet alleen omdat steeds meer mensen afknappen op de landelijke politiek en de grote landelijke partijen, maar ook om zoveel mogelijk invloed op hun eigen leefomgeving te behouden. Want die wordt steeds meer bedreigd door provincie, land en Europa die alles steeds grootschaliger willen aanpakken.
En zo stond ik op de partijvergadering in de dorpszaal, bijgestaan door de tegenwoordig bijna onvermijdelijke Powerpoint-presentatie, een verhaal te vertellen. Iets waar ik helemaal geen ervaring mee had, wat een totaal nieuwe wereld voor me was. Gelukkig heb ik niet zoveel problemen met spreken in het openbaar en wist ik na het toveren van verkeerde dia’s op het scherm wel wat grappige opmerkingen te improviseren. Een leuke avond was het, waarin ik me echt gedragen voelde door de aanwezigen. Want de hele verkiezingscampagne wordt wel voor en rond jouw groepje van potentiële raadskandidaten georganiseerd. Ook voor mij dus. Opdat ik straks onze idealen zal uitdragen. Dat vertrouwen heb ik, iets waarvan ik me heel bewust word als er onverwachte vragen uit de zaal komen, waarop de antwoorden het partijstandpunt moeten vertegenwoordigen. En tegelijk word ik een stukje van de partij, voelen anderen zich medeverantwoordelijk voor alles wat ik op politiek en aanverwant gebied doe. Daardoor ben ik weer wat minder vrij, en moet ik er goed op letten niet zomaar wat losse ongefundeerde kreten de media in te sturen. Het is mijn partij, maar ik ben ook van de partij.
Er is iets waardoor ik dit alles leuk ga vinden. Hoe zitten bestemmingsplannen nou eigenlijk precies in elkaar? Wat zijn je mogelijkheden als raadslid? Wat is dualisme? Hoe zit überhaupt het hele bestuur in elkaar, plaatselijk, provinciaal en landelijk? Hoe lees ik een begroting? Kan ik een amendement amenderen? Wie zit waar en voor wat in het gemeentehuis? Steeds meer zit ik op het internet naar antwoorden op deze vragen te snuffelen. En vind ze ook, dank zij Google dat zijn bits in goud waard is. Om met rode oortjes verder te lezen. Bhagwan had het vaak over priests and politicians: the maffia of the soul. Als je me een paar jaar geleden verteld had dat ik zó in de ban van politiek zou raken, had ik je met hele grote argusogen aangekeken. En gelukkig zijn er ook nog aardige, integere politici. Zoals er ook aardige, integere priesters zijn.
Gepost in Maatschappij en politiek, Mijn dorp
Geen reacties »