8 augustus 2009
Zapruder Inc., voor ‘alternatieve waarheid en bewustmakend nieuws’, plaatste onlangs een bijdrage onder de titel Wordt virtuele schizofrenie een reëel gevaar? De auteur, die zich Antagonizer noemt, meent te zien dat door het continu online zijn op het internet het virtuele leven steeds meer het reële leven binnendringt. Waarbij het gevaar op de loer ligt dat de interesse voor het leven in de realiteit afneemt en zelfs als ongewenst ervaren wordt. Het hebben van zowel een virtuele als een reële identiteit kan leiden tot onrealistische ambities door de virtuele werkelijkheid ‘waarin niets is wat het lijkt’. Zo wordt ‘virtuele schizofrenie’ geboren en de vraag rijst hoe je die gaat behandelen. ‘Ik denk dat ik vast wat patenten ga aanvragen. You never know…,’ eindigt deze blog, die veel reacties oproept. En terecht.
Om te beginnen heb ik ‘schizofrenie’ altijd een vage term gevonden. Want een korte zoektocht op het internet leidt al snel tot de constatering dat dit geen ‘gespleten persoonlijkheid’ of zo betreft. ‘De gespletenheid bij schizofrenie uit zich niet, zoals vaak wordt gedacht, in een meervoudige persoonlijkheid, maar in een beeld waarbij de samenhang in het denken, tussen waarneming en gedachten en tussen emoties en gedachten in ernstige mate is afgenomen, althans voor anderen minder goed invoelbaar is,’ schrijft Wikipedia waarbij die gespleten persoonlijkheid doorverwezen wordt naar de dissociatieve identiteitsstoornis. Maar toegegeven: gebruik van het woord ‘schizofrenie’ maakt het natuurlijk wel wat sensationeler: voor je het weet zie je Jekyll and Hyde-achtige taferelen voor je met subpersoonlijkheden die van elkaars bestaan niets willen weten. Wat in de virtuele wereld helemaal niet het geval is.
Net zoals het veroordelen van druggebruik volgens de Franse filosoof Jacques Derrida eerder op morele en politieke gronden plaatsvindt dan dat het op medische argumenten gebaseerd is, zou je kunnen zeggen de moeite die velen hebben met het virtuele leven eigenlijk op morele en/of politieke argumenten gestoeld is. Daarin wordt dan, net als bij drugs, heel duidelijk gesteld wat ‘echt’ en ‘reëel’ is, en worden andere ervaringen die niet aan die definitie voldoen gestigmatiseerd als ziek, onecht, een vlucht, asociaal, of noem maar op. De afwijking wordt gecreëerd, de menselijke ervaringen worden gesplitst in zogenaamde echte en onechte ervaringen, waarbij men eraan voorbijgaat dat elke ervaring per definitie echt is.
Dat schrijft ook Merethan als reactie op de blog, wat in feite hetzelfde is wat Robbie me in Second Life vaak vertelt: ‘het is niet minder ‘echt’ dan lijfelijk ergens aanwezig zijn. Wat ‘echt’ is en wat niet is sowiezo een ervaring. Je dromen zijn heel echt totdat je je wijsmaakt dat het maar een droom was.’ En over de ‘echtheid’ van de virtuele wereld denkt ook P.uncia anders, want ‘karakters loochenen zich niet en al helemaal niet als iemand zich anoniem kan uiten.’ Je kan virtuele werelden, net als de werelden die druggebruik oproepen, als tegenstrijdig aan de ‘werkelijkheid’ beschouwen, maar wellicht is het slimmer om ze te zien als een uitbreiding van je wereld, een aanvulling waar je je voordeel mee doet. Bijvoorbeeld om, zoals Anjalis schrijft, ‘tussen alle crap virtueel ‘geestverwanten’ te kunnen vinden die in een fysieke omgeving niet aangetroffen zouden kunnen worden alleen al vanwege de beperking van interactie in fysieke omgeving die gebonden is aan grenzen van onderlinge afstand.’
Weerstand tegen virtuele werelden is vaak gebaseerd op oneigenlijke gronden. Dat ze minder ‘echt’ zouden zijn ontstaat uit een heel beperkte definitie van de werkelijkheid. De dagdromer wordt verweten dat hij niet aanwezig is in het hier en nu, maar wie zegt dat dat het geval is? Nee, hij is in een ander hier en nu, in een andere wereld. Die andere wereld – of het een virtuele wereld van internet is, of die van drugs of dromen of wat dan ook – is echter voor buitenstaanders een ongrijpbare wereld waar hij geen vat op krijgt. Daarom ben ik geneigd om Derrida groot gelijk te geven en te geloven dat de veroordeling, criminalisering of ontzegging van toegang tot andere werkelijkheden gebaseerd is op de angst om macht over anderen te verliezen. Die virtuele wereld moet keurig in de hand worden gehouden in de vorm van films en boeken, maar mensen mogen daar niet zomaar hun eigen gang gaan om in astrale gebieden een beetje rond te gaan rommelen.
Het woord ‘virtueel’ betekende oorspronkelijk iets als manlijkheid, kracht, deugd en zelfs wonder. In plaats van onecht had het meer iets van ‘als mogelijkheid of vermogen aanwezig,’ wat in 1992 nog in de Van Dale werd genoemd, maar op het online woordenboek niet meer te vinden is. Het begrip virtueel heeft volgens mij niet met onecht of echt te maken, maar eerder met een andere wereld die niet ‘schijnbaar aanwezig’ is, maar even reëel is als real life. ‘Boeiend wordt het pas als de stroom uitvalt,’ schrijft Inanna. Ja, daarover kan ik meepraten, want toen ik vorige week met Robbie en Carl zat te praten was opeens alles weg en stond het halve huis in het donker. Waartoe een computer in staat is! Zes dagen zonder! Maar ik heb toch rustig geslapen, ook omdat ik wist dat mijn virtuele vrienden deze dagen aan mij dachten zoals ik aan hen.
Gepost in Computer en internet, Maatschappij en politiek, Psychologie, Second Life
4 reacties »
30 juli 2009
Het zal duidelijk zijn dat commercie bij mij niet hoog in het vaandel staat. Maar dat neemt niet weg dat ik veel bewondering heb voor kleine ondernemers. Bij mij in het winkelcentrum is naast Albert Heijn een groentewinkel die betere en versere waar levert dan de grootgrutter die zijn komkommers in plastic verpakt. Gelukkig. Maar hoe lang nog? De ‘kleintjes’ kunnen alleen overleven door een betere kwaliteit te leveren, iets dat omgekeerd evenredig lijkt te zijn met de grootte van supermarktketens, die het juist vanwege hun grootte moeilijk hebben om verse en gezonde waar te leveren. Dat compenseren ze dan met kleur- en smaakstoffen, en datgene waardoor voedsel voedt – ik noem het prana maar sta open voor elk ander woord – ontbreekt. Dat kan je niet opsluiten in plastic doosjes waarin tegenwoordig alles van basilicum tot tompoezen verpakt is: het is immers toch afbreekbaar dus we kunnen er véél meer van gebruiken! Nee, geef me dan die heerlijke tomaten van dat groentewinkeltje maar, waarvan je proeft dat ze echt zijn.
Als ik zeg een hekel aan commercie te hebben, bedoel ik dus die handel, waar kwantiteit verheven wordt boven kwaliteit. Aan die verheerlijking van groei, waarbij het alleen maar om grotere omzetten gaat, zodat de directie per definitie altijd ontevreden is want het kan altijd méér. Zelfs Microsoft is nog niet groot genoeg gegroeid, want die wil nu weer de markt van de zoekmachines opslorpen. Grappig is dat niemand ziet dat dat voortdurend méér willen hebben bij kleine kinderen hoort, en de wil om steeds maar te groeien een astrale kanker is. Dat men voor die groei over lijken gaat hoeft verder geen betoog meer, want allerlei reclame en spam maakt de openbare en privéruimte steeds minder leefbaar en doet steeds meer mensen op de vlucht slaan voor radio en televisie. En dat niet alleen, want producten worden ook zo gemaakt dat ze snel versleten of gegeten zijn. Ik moet daarbij altijd denken aan mijn broer, die me in de jaren zestig erop wees dat je de rollen beschuit volgens de verpakking in de lengte moest openmaken, zodat je ze dan minder goed kan bewaren dus sneller gaat opeten. Daaraan denk ik tegenwoordig als ik een zak drop tracht open te maken, waarbij het plastic een zodanige scheurrichting heeft dat de helft van de dropjes voor je het weet op straat ligt. Beetje paranoïde? Minder chocolaatjes in een doosje, toiletrollen iets minder breed maken… De commercie let echt wel op de kleintjes! Dat soort dingen heb ik indertijd al van mijn broer geleerd.
Commercie kan dus nooit volwassen worden, is nooit uitgegroeid. Daarom moet alles wat verkocht wordt niet te voedzaam zijn, en ook niet te lang meegaan. De relatie tussen natuur en commercie is treffend verwoord door Marten Toonder in De Bovenbazen, waar grootmagnaat AWS in strip 4986 buldert: ‘De natuur is de vijand van het kapitaal. De natuur werkt gratis! En gratis is een vloek! Een gruwel! Niet de natuur moet produceren! Wij moeten produceren! Wij! Wijzelf!’ En de relatie tussen slijtage en commercie illustreert Toonder in De Slijtmijt, waar AWS in strip 6944 buldert: ‘Terwijl de wereld schreeuwt om grotere slijtage worden er nog steeds huizen gebouwd, die langer dan tien jaren meegaan. Onverantwoordelijk, Steenbreek! Misdadig!’ Hoe treffend wordt hier de wereld van de grootindustriëlen weergegeven! Maar intussen zitten we decennia later nog steeds met de brokken, en lijken we nog steeds niet door te hebben dat de verheerlijking van de ongebreidelde en ongecontroleerde groei de maatschappij steeds meer ontwricht. Omdat het steeds meer wil. Omdat het steeds ontevreden is. Omdat het gelooft in de toekomst en niet in het hier en nu.
Gepost in Gezondheid en welzijn, Maatschappij en politiek, Uit mijn leven
1 reactie »
29 juli 2009
Wat Vriend betreft is het uit. Met Windows. Ik kan me daar wel iets bij voorstellen, want ook ik krijg er steeds een grotere hekel aan. Zijn ergernissen hebben allemaal te maken met het gebrek aan open source, zodat je niet weet wat er allemaal in zit. Dat heeft natuurlijk een commerciële bedoeling, want als iedereen zou weten wat er in zit kan ook iedereen het gaan namaken. Zo hebben veel producten hun geheimen, net als Coca Cola waarvan niemand weet wat de essentiële bestanddelen ervan zijn. Het is juist dit ontbreken van openheid dat het zo gigantisch moeilijk maakt om het op andere soft- en hardware te laten aansluiten. Dat er mede toe bijdraagt dat om de haverklap updates en upgrades nodig zijn en je soms meer met computeronderhoud bezig bent dan het ding zelf te gebruiken. En een milieuramp is wegens alle tijdschriften die vol staan met artikelen over hoe je Windows het beste kan beveiligen, schoonmaken, versnellen en oppimpen, wat eigenlijk allemaal niet nodig zou hoeven zijn als het een kwaliteitsproduct was geweest. Dat is het alleen maar tijdens de eerste dagen na een nieuwe installatie. Daarna raakt het systeem geleidelijk steeds meer vervuild, en wordt het werkend gehouden met elastiekjes, paperclips en plakbandjes, zogenaamde patches.
Geheimzinnigheid is een van mijn problemen met Windows. Mijn harddisk staat te ratelen maar ik weet niet waarom. Er zit een register in, maar niemand zegt uit welke bestanden dat nu eigenlijk bestaat. Tijdens opstarten laadt hij minuten lang allemaal programma’s die ik waarschijnlijk helemaal niet nodig heb en die door de cryptische namen ervan niet te identificeren zijn. Tijdens het afsluiten het omgekeerde verhaal.
Onlogica is ook iets dat teveel in Windows voorkomt. Als ik in Outlook op de knop ‘Afdrukken’ druk, vraagt hij eerst naar de printer die gebruikt moet worden, maar in Word staat voor je het weet de standaardprinter te ratelen. Als ik in Powerpoint een fotoalbum wil maken, dan moet ik dat zoeken achter ‘Invoegen’ en ‘Nieuwe afbeelding’. Als ik in Word een eindnoot wil invoegen moet ik dat zoeken achter een submenu ‘Voetnoot…’ Echt logisch denken leer je er niet van.
Betutteling is Windows ook niet vreemd. Zo worden in Word ongevraagd witruimtes tussen alinea’s ingevoegd, worden witruimtes ook wel eens ‘spaties’ genoemd, terwijl spaties ongevraagd worden meegemarkeerd als je een woord aanklikt. En hoe vaak heeft Windows me niet verwezen naar de map ‘Documents en settings’ waarin ik nooit wat bewaar? Ja, dat is allemaal om het gebruikersvriendelijk te maken – een ander woord voor aanpassing aan een zo groot mogelijk publiek.
Deze drie: geheimzinnigheid, onlogica en betutteling. Ik heb hierboven het aantal voorbeelden beperkt, maar veel lezers zullen ze wel kunnen aanvullen. En misschien vind ik die betutteling wel het meest erg! Alles moet in hapklare brokken worden geleverd zonder een beroep te doen op enige intelligentie of wil om iets te begrijpen. Dat is commercie: intelligente mensen moeten zich aanpassen aan de algemene domheid. Op school leerde ik het verschil tussen een IJ en een Y, en in de telefoongids stond vervolgens IJmuiden onder de Y. Zo kan commercie nooit bijdragen aan intelligentie of verheffing, want het zal zich altijd richten op dat wat zoveel mogelijk mensen kunnen begrijpen of aanvoelen.
Kortom: Windows is niet alleen voor digibeten, Windows maakt digibeten.
We zijn dus weer druk bezig met Ubuntu, een Linuxdistributie die ik ook al een tijdje op mijn multi-boot-computer heb draaien. En nu we het er toch over hebben: Vriend vond een oude SoftwareBus uit 1998 met het volgende artikel. Ik citeer.
Het volgende verhaal circuleert al een tijdje op het Web. Het heeft ook al in NRC-Handelsblad gestaan, maar dat leest niet iedereen. Het is ongetwijfeld apocrief, maar misschien vindt u het net zo leuk als wij:
Bill Gates zei onlangs: “Als General Motors net zo boven op de techniek had gezeten als de computerindustrie, zouden we nu allemaal in auto’s rijden die $ 25 kosten en 250 km rijden op een liter brandstof.”
Hierop antwoordde General Motors (GM) met het volgende persbericht: “Als GM op dezelfde manier met technologie omging als Microsoft, dan:
1. Zou uw auto er minstens twee keer per dag zonder aanwijsbare reden mee ophouden. U zou dit gewoon accepteren, de auto herstarten en verder rijden.
2. Zou u elke keer als de verkeerstekens vernieuwd werden, een nieuwe auto moeten kopen.
3. Zouden alle meters vervangen kunnen worden door een display, met daarop twee woorden: ‘algemene fout’.
4. Zou Apple een auto maken die op zonne-energie liep, vijf keer zo snel was en drie keer zo eenvoudig te bedienen, maar slechts op 5% van de wegen zou worden toegelaten.
5. Zou de airbag eerst vragen: ‘Weet u het zeker?’ voor ie afging.
6. Zou u bij een GM-auto ook alle wegenkaarten van een bepaald merk moeten kopen, of u dat nu wel of niet wilde of nodig had. Als u zonder deze kaarten zou willen rijden leverde de auto maar 25% van de normale prestaties.
7. Zou maar een persoon tegelijk in de auto kunnen rijden, tenzij hij Car95, Car98 of CarNT heeft. En dan moeten de zitplaatsen nog wel apart worden aangeschaft.
8. Zou je bij elke GM-auto opnieuw moeten leren autorijden, omdat niets op dezelfde manier functioneert.
en de topper:
9. Zou je op de ‘Start’-knop moeten drukken om de motor te kunnen afzetten.”
Einde citaat. Het is een verhaal dat overal rondgezworven heeft, maar dat nog steeds leuk is om te vertellen. Mmm. Nu eens kijken wat er met die Windows Media Player aan de hand is, die zichzelf niet wil installeren, zodat ik niet naar Uitzending Gemist kan kijken…
Gepost in Computer en internet
Geen reacties »
21 juli 2009
Waar ik was toen de eerste voet op de maan werd gezet? In de kantine van een camping in Bredene, bij Oostende in België, waar ik met mijn Gereformeerde Vriend (Niet Vrijgemaakt) tijdens een lift-vakantie was beland. Daar zagen we in de eerste nachtelijke uren van 21 juli 1969 Neil Armstrong op het maanoppervlak afdalen en hoorden we zijn beroemde woorden “That’s one small step for a man, one giant leap for mankind.” Dat het de Apollo 11 was die de mens hierheen had gebracht, en de Waterman het elfde dierenriemteken was, maakte dit wel extra bijzonder. Bovendien was mijn vriend een paar uur daarvoor net 21 jaar geworden, wat toen gold als een bijzondere leeftijd, want ‘volwassen’, net als de mensheid dat nu zou worden nu hij zijn eerste stappen op buitenaardse grond had gezet.
De eerste stappen op de maan waren niet alleen een fysieke kennismaking. Er was veel meer aan de hand, want de maan is niet alleen een brok rotsachtige materie dat trouw om de aarde cirkelt. De maan verlicht de nacht en geeft veiligheid, is als een moeder die ons koestert en over ons waakt. De maan trekt aan de zeeën en oceanen, heerst over het water en daarmee – als we Masaru Emoto mogen geloven – over ons geheugen, waarbij ze hecht aan conditioneringen en aan het vertrouwde verleden dat we immers steeds hebben overleefd. Maar de maan is ook veranderlijk in dit alles, kan door haar verschillende schijngestalten best wispelturig zijn. Kortom: de maan bestaat ook in de astrale en mentale wereld, en vertegenwoordigt onze persoonlijkheid, de vorm waarin ons goddelijke zelf gegoten is, met al zijn rariteiten en hebbelijkheden.
De maan is een afspiegeling van en doorgang naar de zon die ons ware zelf vertegenwoordigt, onze oorsprong. De zon staat voor onze individualiteit, die verder gaat dan verleden, veiligheid, voeding, volk en vorm. In de astrologische termen kan de verhouding tussen de zon en de maan, als heersers over de tekens Kreeft en Leeuw, afgeschilderd worden als die tussen hoger en lager zelf, tussen het hart en maag, tussen creativiteit en conditionering, tussen idee en vorm. Je zou de reis naar de maan dus ook kunnen opvatten als de reis naar de persoonlijkheid, een soort collectieve psychotherapie. En dat past ook mooi in het tijdsbeeld van eind jaren zestig, begin jaren zeventig. Steeds werd duidelijker we onze zelfrealisatie of zelfactualisatie, zo niet verlichting in de weg stonden met onze eigen beperkte persoonlijkheid die zich liever onder een deken van romantisch maanlicht koesterde.
De maan is dus enerzijds een opstap voor een reis naar de zon, maar kan anderzijds juist ons ware zelf verduisteren. In de zomer van 1999 waren Vriend en ik naar Alex in Zuid-Duitsland gereisd, om daar de zonsverduistering van 11 augustus mee te maken. In een arcadisch landschap braken de wolken op het juiste moment, zodat we met onze Zeiss-brilletjes precies konden volgen hoe steeds een grotere hap uit de zon werd genomen. En juist de laatste hap maakte de zonsverduistering zo bijzonder: opeens keek ik met blote ogen naar de zon, de natuur trok zich naargeestig terug, maar vogels bleven fluiten in het onnatuurlijk verlichte landschap. Het ging waaien en de ervaring dat de zon en de maan precies op één lijn met mij stonden deed me bijna knielen en bidden van dankbaarheid. Zo moest de wereld er hebben uitgezien toen Christus gekruisigd was…
Zo veel als er gefantaseerd is over reizen naar de maan – van Jules Verne tot en met Kuifje – zo weinig hoor je over reizen naar de zon. Misschien speelt de zon minder tot de verbeelding omdat je er geen vaste voet op kan zetten of omdat zijn hitte verzengend is – dingen waar de persoonlijkheid nu eenmaal niet van houdt. Daarom is het des te meer genieten van de film Sunshine uit 2007, met de niet te versmaden Cillian Murphy, waarbij je bij het naderen van de zon steeds meer voelt van het wezen van haar warmte en straling. De zon als hart van ons zonnestelsel, de zon als het hart van jezelf.
De eerste stap op de maan, vandaag 40 jaar geleden, was dus niet alleen fysiek een ‘gigantische sprong voor de mensheid’, maar had ook iets met de spirituele ontwikkeling van ons mensen te maken. En wel in die betekenis dat we wellicht in die periode meer dan ooit onze persoonlijkheid gingen verkennen – persoonlijkheid als schenker van noodzakelijke voeding en veiligheid, maar tegelijkertijd als belemmering om bij onze ware aard te komen. Mijn lievelingsgroep Pink Floyd heeft dat heel mooi verwoord in de songs Brain damage en Eclipse, de apotheose van het muzikale bouwwerk The dark side of the moon uit 1973:
all that is now,
all that is gone,
all that’s to come,
and everything under the sun is in tune,
but the sun is eclipsed by the moon.
Onder de zon is alles goed, maar de zon wordt verduisterd door de maan, de persoonlijkheid die zelfs tot gekte, maanziekte, kan leiden. “There is no dark side of the moon really,” wordt daar nog even zachtjes aan toegevoegd. “Matter of fact it’s all dark.” Het maanlicht is eigenlijk zonlicht en daarom sluit dit meesterwerk van Pink Floyd dan ook af met hetzelfde geluid van het kloppende hart waarmee alles begon. Het hart ofwel de zon als levengever en bron.
Vandaag is dus ook mijn Gereformeerde Vriend (Niet Vrijgemaakt) jarig! In de fysieke wereld zien we elkaar de laatste jaren niet veel, maar het zal trouwe bezoekers van mijn weblog inmiddels duidelijk zijn dat dat niet het enige criterium voor vriendschap is. Sommige vrienden ervaar je nu eenmaal als je familie en blijven zo een deel van je leven uitmaken. En blijf je daarom feliciteren. Ik wens deze vriend, met wie ik in mijn studententijd en ook daarna zoveel heb meegemaakt, dan ook nog vele gelukkige jaren toe.
Gepost in Astrologie, Psychologie, Spiritualiteit, Uit mijn leven
1 reactie »
15 juli 2009
Ook ik heb Simon Vinkenoog goed gekend. Grapje. Het waren hooguit een paar korte contacten. Als studenten stond we eind jaren zestig aan zijn raam aan de Noordermarkt te kloppen, waar we kennelijk nogal stoorden. Maar ons Popgezelschap lukte het wel om hem, net als Johnny the Selfkicker, een avond te laten vullen in een zaal ergens in Amstelveen. In de pauze – tijd voor een goed gesprek leek me – rookte hij zwijgend zijn jointje. Vele jaren later stuurden Nandan en ik hem wel eens een nieuw product van mijn Aries Astro-Services, en daaraan wilde hij dan nog wel eens aandacht geven in zijn rubriek Wereld in Beweging in het vermaarde en geliefde boekjesmagazine Bres. Of had hij iets op mijn website of in een mailing gelezen waardoor hij opeens reclame voor me ging maken. Het laatst eind 2006 op zijn webstek omdat ik iets had geschreven over de horoscoop van 21 december 2012. Het is meteen jijen en jouwen alsof je elkaar al jaren kent, en zo hoort het ook in die wereld.
Wat ik met hem deelde was een angst voor de angst. En dan bedoel ik niet zozeer flippen door gebruik van drugs, maar het zetten van grote vraagtekens bij mensen die ons maar al te graag in de ban willen brengen van sombere toekomstvoorspellingen, bij het doemdenken dat ook in alternatieve kringen hoogtij kan vieren. Zo heb ik het wel eens moeilijk met Marcel Messing en zijn boek Worden Wij Wakker? Daar moest Simon dus ook niks van hebben: ‘ik ben er ook van overtuigd dat er nog allerlei zeer onaangename dingen de mensheid te wachten staan, maar ik ben er op tegen ze angst aan te jagen. Ieder mobiliseert het geweten of bewustzijn op een andere manier!’ Met rode oortjes heb ik bijvoorbeeld het boek van Griffin over 11 september gelezen, maar ik kan zo weinig met die complottheorieën. Ze jagen angst aan voor onzichtbare en ongrijpbare entiteiten waarop je alleen maar met machteloosheid kan reageren. Omdat ze per definitie aan je blik ontsnappen en je er geen vat op kunt hebben. Omdat ze te bevestigen noch te ontkennen zijn. Geen energie in steken, geen aandacht geven: als ze bestaan kunnen ze daar vast niet tegen. Niet serieus nemen, erom lachen dus.
Natuurlijk trok ik een paar boeken uit de boekenkast, die ik eigenlijk nooit gelezen heb, zodat ik ook ik me nu – net al vele anderen – wellicht in de literatuur en de gedichten van Vinkenoog zal gaan verdiepen. In zijn dikke boek Liefde viel mijn oog op het woord lachkick, misschien wel één van de meest wezenlijke elementen van het high zijn. Een lach die heel diep vanuit je binnenste opborrelt en al je cellen lijkt te kietelen. Een bulderlach die uit je lijf lijkt te spetteren, maar die niet uit te leggen is aan iemand die dat niet kent. Omdat het om trivialiteiten gaat, om niets. Omdat het om diepdoorvoelde on-zin gaat, omdat de werkelijkheid toch weer totaal anders is dan we zo serieus dachten. De lachkick die tegen de binnenkant van je huid echoot, en waarbij je elkaar diep begrijpend in de tranende ogen kunt kijken. Alles is dan één grote grap en daarin schuilt ontzettend veel wijsheid waarvan je je heel letterlijk kunt laten doordringen.
Als ik aan Simon denk, ga ik terug naar de jaren zestig. Denk ik aan iemand die zich vol enthousiasme in alles kon storten en hij aan één leven lang niet genoeg leek te hebben. Die komt vast nog vaak terug, zoveel hield hij van het leven, die heeft vast nog helemaal geen zin in Verlichting en zo. Ik heb ook wel eens gedacht dat hij een warhoofd was, een mafkees, een chaoot. En misschien was hij dat ook wel, maar dat kunnen ook complimenten zijn voor iemand die het leven vreugdevol viert. Die zijn toorts aan beide zijden laat branden, zoals Osho dat noemde. “Door de toegenomen massa-media-kommunikatie is het hoe langer hoe moeilijker een verouderd wereldbeeld hoog te houden, uit de smeltpot der gebeurende veranderingen zal slechts de waarheid overblijven,” schrijft hij in Proeve van kommunikatie. “Leugens en vooroordelen zullen naar het verleden worden verwezen, waarin de mens zijn fouten onbewust beging omdat hij nog niet genoeg wetenschap bezat, te star was, te autoritair, te bijgelovig. Veel deskundigen laten hun waarschuwende stem horen: dat de wetgeving veroudert, dat het onderwijs een verouderd instituut is, dat de politiek een leeg spel wordt, dat beraadslaagd zal moeten worden over de modaliteiten van een toekomst waarin automatisering zorgdraagt voor de menselijke bevrijding van de arbeidsplicht, als de nu nog zo geheten ‘vrije tijd’ kreatiever vervuld zal worden dan op dit ogenblik het geval is.” Dat schreef hij in 1967. Woorden die ik nu in 2009 graag laat weerklinken.
Gepost in Maatschappij en politiek, Spiritualiteit, Uit mijn leven
Geen reacties »
10 juli 2009
In PC-Active 227 schrijft Wammes Witkop onder de titel Betalen per kopie! een leuk artikel over heffingen op kopieën van muziekbestanden. Hij koopt zelf originele cd’s die hij in verschillende bestandsformaten naar zijn harde schijf en mp3-spelers kopieert. Mag niet volgens de Stichting de Thuiskopie. Op hun website noemt zij “Artikel 16 van de Auteurswet, waarin staat dat voor het kopiëren op blanco dragers, zoals videobanden, blanco dvd’s en cd’s, een vergoeding moet worden afgedragen.” In zijn artikel schetst Wammes de verstrekkende gevolgen hiervan, omdat zo’n stichting natuurlijk het onderste uit de kan wil hebben en “recht en rechtvaardigheid gaan nu eenmaal niet per definitie hand in hand in ons land.” Hij berekent dat hij zijn zelfgekochte cd’s tot zo’n negen keer kopieert, waarbij hij waarschijnlijk ook nog vergeet dat de bytes van gewiste of verplaatste muziekbestanden nog gewoon op zijn harde schijf – zij het onzichtbaar maar toch fysiek – aanwezig blijven. Voor dat alles moet dus betaald worden, wat onder andere verwerkt is in de prijs van lege cd’s en dvd’s die je in de winkel koopt. Opvallend is daarbij dat men er automatisch van uitgaat dat je daar illegaal mee aan de slag gaat, en de boete dus maar alvast van tevoren wordt opgelegd. Je bent a priori verdacht. Net als bij het bekijken van een pas gekochte film, waarbij je verplicht bent je eerst door het kijkvoer van de Stichting Brein heen te werken. Wantrouwen alom dus.
Kopiëren neemt een hoge vlucht in onze tijd. Dat gebeurde vroeger natuurlijk ook al, maar dat ging allemaal veel moeizamer. En bepaald niet foutloos, zoals we bijvoorbeeld zien bij wat er uiteindelijk van de Bijbel geworden is. Het wezen van kopiëren is dat je iets niet geeft, maar het namaakt. In feite maak je geen kopie van iets dat fysiek is – want dat maak je opnieuw in de vorm van nieuw perkament, papier, canvas, bakstenen, fotopapier of welk soort materiaal dan ook – maar van informatie. Iets wat fysiek is kan je namelijk niet delen, niet vermenigvuldigen: als ik een euromunt, een mobieltje of een auto heb, kan ik die niet even voor jou kopiëren. Als ik wil dat jij hem krijgt kan ik hem hooguit aan je geven, maar dan ben ik hem dus kwijt. Dat is anders met iets dat niet-materieel is, zoals informatie in een computer of mp3-speler. De bytes van een muziekbestand mogen dan wel fysiek aanwezig zijn, maar dat geldt niet voor de volgorde waarin ze staan en dat is nou net precies de informatie en datgene waardoor het kopieerbaar wordt. Hoewel we in een materialistische tijd leven, hebben we niet door dat we die materie aan het overstijgen zijn door juist iets als informatie zo hoog in ons vaandel te dragen. Ons informatietijdperk getuigt dus juist van de opkomst van niet-materiële waarden omdat informatie zelf niet materieel te vatten is. Dat is nog even wennen, zodat informatie vaak verward wordt met de materiële dragers ervan, zoals geheugenchips en harde schijven.
Een vergelijking met het dagelijkse computergebruik dringt zich op. In de materiële wereld is alleen knippen en plakken mogelijk, waarbij het geknipte verdwijnt zodra er geplakt is. In de informatiewereld wordt dit verrijkt met kopiëren en plakken, waarbij het origineel gewoon blijft bestaan. Maar als je de wetten van de materie ook op informatie gaat toepassen heb je een probleem. Als ik een auto koop mag ik die weggeven of doorverkopen, want het gaat om het ding zelf. Maar als ik een cd of dvd koop gaat het niet om het ding zelf, maar om de informatie die er op staat. De auto is mijn bezit, ik kan er alles mee doen wat ik wil omdat die puur materieel is. Maar hoe kan informatie mijn bezit zijn? Is die alleen voor mijn eigen oren of computerscherm bestemd, mag die alleen in ‘huiselijke kring’ worden bekeken? Mag ik een dvd nog aan een ander geven als mijn hoofd al bezit heeft genomen van de film erop? Het lijkt redelijk om voor informatie per bezitter, de gebruiker en/of kennisnemer ervan, te laten betalen, waarbij die ook vrij is om deze voor niet-commerciële doeleinden te gebruiken. Microsoft doet zoiets met zijn software, maar kan dat alleen omdat die regelmatig updates en upgrades (dus nieuwe aanvullende informatie) nodig heeft. Geen kunst dus, want kunst is een eindproduct, iets dat af is zoals een mooie clip, foto of film.
Omdat informatie niet materieel is, zal het altijd aan alle controle blijven ontsnappen. Zo wordt het steeds moeilijker om informatie te verstoppen of te verbergen, want op het internet is alles weer terug te vinden, zodat we er intussen aan gewend zijn dat alles gratis is. Het lijkt daarom niet onredelijk dat bijvoorbeeld Buma/Stemra opkomt voor auteursrechten, maar je kunt wel vragen blijven stellen bij de manier waarop veel organisaties met dubieuze technieken hun recht willen halen, zoals met DRM waarmee onder andere muziek uit de iTunes Store is besmet. Allemaal bijna hopeloze pogingen om nog te redden wat er te redden valt in de pogingen om informatie zoveel mogelijk commercieel te beschermen. Dat blijkt tot op heden kennelijk alleen met wantrouwen te kunnen, in plaats van met het vertrouwen dat de meeste mensen best wel wat willen betalen voor iets waar ze wat aan hebben. Vertrouwen is iets waar we wel naar toe moeten omdat steeds meer blijkt dat een wereld van wantrouwen onleefbaar en onmogelijk is. Zoals bijvoorbeeld blijkt met de invoering van de OV-chipkaart die veel meer kost dan hij ooit op kan brengen. Zo dwingt het informatietijdperk ons tot een mentaliteitsomslag. Van wantrouwen naar vertrouwen, van het materiële naar het niet-materiële, van bezitten naar delen, van knippen naar kopiëren.
Gepost in Computer en internet, Maatschappij en politiek
Geen reacties »
9 juli 2009
Empathie, zo leerde ik tijdens mijn studie, is een essentieel onderdeel van psychotherapie. Het is het vermogen, de kunst om zich in een ander in te leven, in zijn huid te kruipen, vooral in zijn gevoelens en emoties. Ja, zo staat het ook in Wikipedia. Dat ook vermeldt dat empathie het tegengestelde is van autisme, dat volgens mij een heel gevaarlijke volksziekte is die ongemerkt bezit van ons neemt en net als de Mexicaanse griep pandemische vormen aanneemt. Want is het vermogen zich in een ander in te leven niet essentieel voor ons overleven, om uit de crisis te komen? Blijkt niet meer dan ooit dat de autistische weg een doodlopende weg is? Dat er alleen redding mogelijk is als we mee gaan voelen met andere mensen, met de bergen en de bossen, met de rivieren en de meren, met de golven en de oceanen, met het gras en de bloemen, met bijen en vogels, met vissen en kreeften, met varkens en paarden, met wolken en sterren, kortom met alles om ons heen? En dan heb ik het alleen nog maar over empathie voor onze stoffelijke wereld…
Ik ben zo iemand die snel gevonden wordt als iemand een probleem met een computer heeft. Niet dat ik nou echt veel verstand van die dingen heb, want als de mijne opstart met een hypertransport sync flood error druk ik ook alleen maar F1 in omdat hij daarom vraagt. En zoveel als anderen soms van mij leren, zoveel leer ik zelf weer van Marcel: baas boven baas. Wat niet wegneemt dat ik soms problemen op een puur intuïtieve wijze weet op te lossen. Op de een of andere manier leef ik met zo´n computer mee, en dat is begonnen met diep in hem te duiken. In de wachtkamer van de Sociale Dienst, begin jaren tachtig. Omdat ze wisten dat je toch niks te doen had moest je daar soms uren en uren doorbrengen, zodat ik daar met rode oortjes las hoe allerlei soorten schakelingen werkten en chips werden gebakken. Ook snoepte ik van een boekje over machinetaal waardoor ik een tekstversie van Mastermind voor mijn TRS-80 wist te schrijven. Uit die tijd heb ik zelfs nog een boek Microsoft Basic Decoded waarin dit Basic in 2FF8 programmaregels is gevat. Zo leerde ik de basics van de computer kennen. En hoewel ik tegenwoordig bepaald niet alles van ze snap, hebben ze toch niks geheimzinnigs voor me, want alles borduurt voort op dezelfde principes. Het is alsof ik het wezen van de computer begrijp.
Omdat het zo leuk programmeren was, en omdat diagnostiek een sterkte kant van me bleek, kwam ik via de computer in contact met de astrologie. Ik programmeerde erop los en wist een peperdure plotter horoscooptekeningen te laten maken – tot vandaag de dag staat alle herrie die hij daarbij maakte nog in mijn geheugen. In mijn eigen horoscoop staat een exacte driehoek tussen Mercurius en Neptunus, waarover de in Nederland beroemde astrologe Karen Hamaker schrijft: ¨Hoewel Neptunus in contact met Mercurius een logisch en helder verstand niet zou bevorderen, zien we toch dat we het in wetenschap en techniek met deze combinatie ver kunnen brengen. Ons gevoel wijst ons de weg. Een computerprogrammeur bijvoorbeeld ´overziet´ het programma dat hij maakt omdat hij er zonder het te weten onbewust ´deel van is´, waardoor hij fouten aanvoelt.¨ (Analyse van Aspecten, p. 193) Kennelijk heb ik empathie met computers en verklaart dat waarom ik soms op onnavolgbare wijze problemen ermee kan oplossen.
Mijn Wijze Tante moest niet zoveel van Neptunus hebben. Maar toch schrijft zij over deze planeet in haar Astrologie I: Kosmische Samenhangen niet alleen over namaak, schijn, onverschilligheid, vergeten, lijden, opofferen, verval, decadentie, aftakeling, schimmen en spoken, maar ook over mystiek, extase, fantasie, inspiratie, improvisatie. ¨Het wezen van Neptunus is: vervaging (…)¨ en ¨De grenzen der psychische en lichamelijke persoonlijkheid worden uitgewist, men vloeit over in de ander (…)¨ (p. 113) Maar dan is het juist dit Neptuniaanse dat met inleving te maken heeft en dat we zo missen in onze huidige samenleving! En die inleving beperkt zich kennelijk niet tot een ander maar kan ook op een iets betrekking hebben. Zoals een computer voor mij. Of een piano voor een pianostemmer. Of een fiets voor een fietsenmaker. Ik denk dat het juist deze empathie, dit inleven is dat kwaliteit geeft aan wat je doet. Want hoe kun je zonder kennis iets goeds doen, en hoe kan je iets kennen zonder in de huid ervan te kruipen? Laten we plaats maken voor Neptunus, de god van de zee, van het water dat alles verbindt en waarzonder geen leven mogelijk is!
Gepost in Astrologie, Computer en internet, Psychologie, Uit mijn leven
Geen reacties »
28 juni 2009
Vriend vindt dat ik veel te vaak achter mijn computer zit. Dat is inderdaad een plek waar ik me graag achter beeldscherm, toetsenbord en muis nestel, waar ik me thuis voel. Omdat ik er zoveel creativiteit in kwijt kan. In een weblog als deze, maar waar ik ook verhaaltjes, liedjes en boekbesprekingen een plek geef. In het maken van De Vuurfakkel, waar ik deze dagen weer mee bezig ben. En in het maken van een mooi en praktisch adressenbestand, fotoalbum of muziekverzameling. En natuurlijk in Second Life waar ik letterlijk in mijn zelfgebouwde wereld en leven kan spelen, zodat Vriend het terecht als een digitale poppenhuis beschouwt. Creativiteit, iets moois maken dat daarvoor niet bestond, dat geeft niet alleen bevrediging maar is verslavender dan de ergste drugs.
Creatief zijn heeft ook iets met lijden te maken, slachtoffer als je bent van een onweerstaanbare scheppingsdrang. Want midden onder de douche popt plotseling iets in je hoofd op dat geschreven moet worden en wel nu. Nog half nat zit ik dan weer achter de computer, en Vriend moet het dan niet wagen me te storen want het enige dat er op dat moment is, zijn die woorden, die gedachten, die beelden, die melodieën die het daglicht willen, nee moeten zien. Dat lukt niet altijd, met als gevolg dat niet opgeschreven verhalen, liedjes en melodieën na decennia nog altijd regelmatig in mijn hoofd spelen. Allemaal ingevingen waarom je nooit gevraagd hebt, die zo brutaal zijn om op eigen initiatief bezit van je te nemen. En die je soms zelf evenmin snapt als een ander. En waarover je evenveel verwondering kan hebben als een ander. Eigenlijk is er helemaal geen ‘maker’ en is het raar dat er iets als auteursrecht bestaat!
Creativiteit kan nooit een vak, een beroep zijn. Je kunt natuurlijk wel professioneel liedjes gaan schrijven, maar daarmee zijn ze nog niet bezield en overstijgen ze nauwelijks het niveau van de Toppers die voor het songfestival erg hun best hebben gedaan om een liedje als goed product in de markt te zetten, wellicht na een SWOT-analyse van alle erin voorkomende akkoorden. Maar evenmin als je van een vrouw kunt vragen om ter plekke een kind te baren, kan je van een artiest vragen om meteen maar een mooi schilderij, beeldhouwwerk, gedicht of muziekstuk te leveren. Misschien lukt dat een tijdje omdat er nog veel in hem rondwaart dat geschreven, gespeeld, gemaakt of geschilderd wil worden, maar als hij daarna verder wil gaan is het niet meer wat het geweest is.
Creativiteit is de straf van er even niet zijn, van ontspanning waarbij je ongewild weer opgeladen wordt om iets te scheppen, iets moois te maken. Want ik ben nog zo ouderwets dat ik creativiteit aan schoonheid koppel, zelfs de schoonheid van wat we meestal als lelijk ervaren. Of, om nog ouderwetser te zijn: met liefde, want je bezielt wat je maakt door ervan te houden. Maar het heeft ook iets met spelen te maken, met spontaniteit en schijnbare zinloosheid: de muzikanten spélen de muziek! Voor mij is niets méér bevredigend dan iets moois te maken. Maar ik kan me goed voorstellen dat het niet altijd makkelijk is om de partner van een creatieveling te zijn. Zoals mijn moeder, die waarschijnlijk vond dat mijn vader teveel in onaardse werelden leefde en zich te weinig met de praktische realiteit bezighield. Of zoals Vriend, die vindt dat ik teveel achter de computer kruip. Nu ook weer. Het is zondag, lekker weer, en we moeten gaan wandelen.
Gepost in Diversen, Uit mijn leven
1 reactie »
25 juni 2009
Dat staat ons mooi! We zijn meer dan ooit met Europa bezig, en nu blijkt dat de eerste Europeanen kannibalen waren! Dat hebben de onderzoekers van het Atapuerca Project ontdekt: de homo antecessor, de voorvader van de homo sapiens en de Neanderthaler, blijkt zo’n 800.000 jaar geleden zich graag tegoed hebben gedaan aan mensenvlees. En dat niet omdat er gebrek aan vlees was, maar gewoon omdat ze het lekker vonden! Vooral de kinderen en de pubers van hun vijanden moesten eraan geloven. Omdat ze nog lekker mals waren, neem ik aan. Tja, daar staan we nou met ons goede gedrag! En dan te bedenken dat miljoenen mensen hun leven riskeren om hier in Europa te komen! Ze moesten eens weten! Want stel eens dat deze sluimerende ware Europaan in ons wakker wordt…
Toch is het eigenlijk heel logisch dat we elkaar gaan opeten. De aarde is overbevolkt, een zesde van de wereldbevolking heeft inmiddels honger, natuurlijke hulpbronnen zijn uitgeput en voedsel wordt steeds schaarser en kunstmatiger. Kannibalisme lost in één klap al die problemen op. Heimelijk wisten we dat natuurlijk al, maar die enge dingen lieten we wel zoveel mogelijk buiten Europa afspelen: de Azteken in Midden-Amerika die hun gevangenen vetmestten, de kannibalen in donker Afrika die graag mensen in de kookpot stopten en de Papoea’s die ook graag mensenvlees braadden, althans als ik de bij tijd en wijle educatieve Suske en Wiske-verhalen mag geloven. Allemaal projectie natuurlijk, want in Europa komt dat natuurlijk niet voor. Hooguit in het sprookje van Hans en Grietje, en bij anderhalve knaap die het lekker vindt om zich te laten opeten, wat van sommige liberalen en/of moraalridders dan weer niet schijnt te mogen.
Nu begin ik ook veel meer van het asielbeleid te begrijpen. Waarom we zoveel mensen van buiten Europa welkom heten. ‘Laat de kinderkens tot Mij komen,’ roepen we likkebaardend. En graag zoveel mogelijk kinderen, waaraan trouwens in eigen land op de biblebelt ook al generaties lang hard wordt gewerkt. Toch leuk, zo’n berichtje over onze Europese oorsprong. Het maakt opeens zoveel dingen helder! Al dan niet bewust bereiden we ons voor op de Apocalyps, en de natuur regelt uit eigen wijsheid dingen veel slimmer dan wij kunnen bedenken. We hoeven onszelf dus niks te verwijten als we vandaag of morgen beginnen te watertanden als we over het strand wandelen waar al het vlees al min of meer voorgebakken klaar ligt. Dat komt gewoon omdat we Europeanen zijn.
We moeten natuurlijk onze eigen kinderen wel goed in de gaten houden! Als de buren na een ruzie met ons opeens heerlijk zitten te barbecueën en ons zoontje of dochtertje is opeens verdwenen, dan is dat wel verdacht. Ook is het onverstandig om met je baby een snackbar te bezoeken, want als je even de andere kant op kijkt ligt die in de frituur. En als Ajax Feyenoord in de pan heeft gehakt (of omgekeerd) wordt het ook feest in de Arena! Maar ook onze handelsrelatie met Amerika blijft onder druk staan, want wij willen natuurlijk al die dikke pubers daar best importeren, maar die zitten natuurlijk weer vol hormonen, dus daar moeten we de Codex Alimentarius maar eens over raadplegen. Weet wat je eet. Nu moet ik weg, want straks hebben we met de Oldegeppelse gemeenteraad ter afsluiting van het jaar een chic etentje in hotel-restaurant Mooizicht.
Gepost in Maatschappij en politiek
Geen reacties »
20 juni 2009
Onkruid bestaat niet. Omdat elk plantje groeit op zijn eigen plek vond mijn Wijze Tante het onterecht om sommige daarvan goed en andere daarvan slecht, ofwel onkruid, te noemen. Voor iemand die een onderhoudsvrije tuin aanlegt is alles wat groen is onkruid, want lastig en vragend om tijdrovend onderhoud. Gelukkig is de techniek het groenonderhoud te hulp gekomen met bladerblazers en heggescharen, want zonder deze gemakken had inmiddels bijna iedereen zijn tuin omgetoverd tot een betegelde speelplaats of een parkeerplek voor de auto. Dat scheelt een boel tijd en moeite, zodat we die weer kwijt kunnen op de sportschool zodat onze conditie nog een beetje intact blijft. Persoonlijk heb ik het nooit zo gehad op al dat gesport en vermoeiende gedoe. “Ga fietsen,” was het enige dat aan mij is besteed. Ja, begin jaren zeventig heb ik wel eens na een doorgehaalde nacht gevoetbald met jongens van mijn eenheid op Uilenstede, maar daar houdt het dan wel zo’n beetje mee op. O ja, vorige maand heb ik nog drie minuten getafeltennist met Carien, onze fractievoorzitster, toen ik in haar galerie het daarvoor benodigde materiaal aantrof. Ondanks dit alles bleek in de afgelopen week mijn bloeddruk 150/80 te zijn en was de dokter heel tevreden over van alles tussen schildklier en prostaat.
Maar ik dwaal af, want ik wilde iets heel anders schrijven. Dat komt ervan als je rechter hersenhelft het teveel voor het zeggen krijgt, dan duikelen de associaties soms in razendsnel tempo over elkaar heen. Omdat ook de woorden die ik uitspreek dat tempo niet bijhouden, wordt dat ook wel eens moeilijk voor mijn omgeving. Terwijl de ene gedachte mijn mond uitvloeit zit ik alweer in een totaal andere wereld. Via associaties die voor mij heel vanzelfsprekend zijn, maar die voor anderen niet te volgen schijnen te zijn. Het vergt soms dan ook een hele discipline van me om te zeggen wat ik eigenlijk zeggen wilde. Net zoals bij het schrijven van teksten moet er dan geschrapt worden, het kaf van het koren gescheiden worden. Datgene wat niet bijdraagt aan wat ik zeggen wil, of wat een nodeloos zijspoor volgt, eruit halen. Het onkruid eruit wieden. Maar eh… onkruid bestaat niet! Onkruid vergaat ook niet. Logisch, want iets wat niet bestaat kan ook niet vergaan. Ik bedoel maar.
Ook het tijdschrift Onkruid vergaat niet. Het is in 1978 opgericht en al vanaf de eerste jaargang schreef mijn Wijze Tante, Mellie Uyldert, erin. Tot in 1984, waarin hoofdredacteur Paul Breekveldt – opgehitst door media en een suggestief boekje van Felix Zwitser – haar ontslaat uit de kring van vaste medewerkers. Hoewel “achter de gewraakte zienswijzen geen kwaadaardigheid schuilt, maar meer een gebrek aan besef van de maatschappelijke werkelijkheid van nu” moet mijn Wijze Tante toch als kwaadaardig gebrandmerkt worden door haar een racist te noemen. Ja, zo kan je iedereen die zegt dat een neger zwart is wel een racist noemen! Deze politieke overcorrectheid maakt daarbij ook nog graag gebruik van misleidingen. Het genoemde boekje van Zwitser suggereert met de tekst op de rug dat er sprake is van een boek van Mellie Uyldert zelf. En in 2003 maakt Onkruid reclame voor haar Het beste uit 25 jaar Onkruid met onder andere de naam van mijn Wijze Tante, maar in het boek zelf blijkt geen woord van haar te lezen te zijn, alleen het verhaal uit 1984 van de hoofdredacteur…
Nu vind ik Onkruid de laatste jaren niet meer wat het geweest was. Het werd steeds knusser en gezelliger, en slechts enkele artikelen overstijgen het niveau Spiritueel vingeren in de zweethut en Intuïtief hennepweven voor heksen. In het hele blad zijn nog nauwelijks mannen te bekennen, en er verschijnen steeds meer artikelen waarvan je je afvraagt wat nu het spirituele ervan is. Nou heb ik me zelf ook een blauwe maandag met Esperanto beziggehouden – Ĉu vi ankaŭ parolas Esperanton? – maar wat doet een enthousiast artikel daarover nu in het juli/augustusnummer van Onkruid? Of nog erger: op het kaft kijkt een op een boot zittende, met de haren in de wind lachende Gretta Duisenberg ons aan, met de rug gekeerd naar de door haar zo geliefde Gazastrook. Maar er worden ook twee pagina’s gewijd aan mijn Wijze Tante! Helaas wordt ook hier weer geschreven dat ze “intiem bevriend” was met de zwarte weduwe, worden haar sympathieën nu zelfs ‘nazistisch’ genoemd en worden flarden tekst buiten de context geciteerd. Gemakkelijker kan het niet, en hoewel ook erkend wordt dat ze “sprak en schreef over heikele onderwerpen als liefde en seks in een tijd waarin daarop nog een groot taboe rustte” blijft Onkruid ook hierin stralen van gebrek aan visie. Waar gaat het blad eigenlijk over? Ik kom er niet uit. Maar mijn Wijze Tante geloofde niet in onkruid en zelfs Onkruid was geen onkruid voor haar. Omdat elk plantje groeit op zijn eigen plek waar het nodig is. Wat dat betreft draag ik Onkruid een warm hart toe. Zolang ik het maar niet hoef te lezen.
Gepost in Diversen, Spiritualiteit, Uit mijn leven
3 reacties »